|
|
"Hoe allerliefst!" zei grootmama, toen Elsje zweeg. "Dank je wel,
kind. Het is een verkwikking, zoo iets te hooren. Van wien is dat
beelderige dingetje?"
"Van Marie Boddaert," zei Elsje.
"Is dat niet een freule?" riep Louise uit. "Ook van adel!" vervolgde
ze fluisterend tot Cécile.
"Vervelend kind, houd je toch stil!" knorde Cilly.
"Ik vond het ook een heel aardig vers," zei Louise, "maar ik begrijp
toch niet, hoe iemand zooveel kan zien in die sterren."
"O Loulou, hoe prozaďsch!" riep mevrouw d'Ablong uit. "Neen, ik vind
het bizonder mooi en Elsje reciteert het ook heel goed. Vindt u niet,
grootmama?"
"Ja zeker," zeide de oude dame met nadruk.
Frits zei in 't geheel niets over het vers, maar bleef stil naar buiten
zitten kijken, terwijl de anderen druk aan het praten gingen. Opeens
echter stond hij op en zei:
"Zouden we nu niet nog eens even een eind gaan loopen? Het is zoo
mooi buiten nu en ik heb bepaald behoefte aan wat frissche lucht."
"Ik blijf heusch liever thuis," zeiden grootmama en mevrouw d'Ablong
tegelijk.
"Wij willen wel mee. Is het niet, Loulou?" zei Cécile.
"Dolgraag."
"En jij, Elsje?" vroeg Frits.
"Ja, ik vind het heel prettig."
"Een eind den straatweg op maar, dunkt me, he?" zei Frits, toen de
meisjes en hij buiten stonden. "Daar zal het 't droogst zijn."
"O ja," zei Cilly. "Kom Lou, dan gaan wij maar samen vooruit; ik moet
je nog even wat zeggen."
"Over dien laatsten brief?" vroeg Louise nieuwsgierig, terwijl
ze Cécile snel volgde. Frits en Elsje kwamen langzaam en zwijgend
achteraan.
"Wat een heerlijke avond nog!" zei Frits eindelijk.
"Ja, heerlijk."
Weer zwegen beiden, toen zei Frits aarzelend en zacht:
"Ik vond het een genot naar je te luisteren zooeven, Roodkapje. Zou
je me een genoegen willen doen?"
"Wat meen je?"
"Het is hier zoo rustig en vredig en de anderen zijn een heel eind
vooruit. Niemand anders dan ik kan je hooren. Wil je het vers nu nog
eens voor mij alleen opzeggen?"
"O jawel," zei Elsje dadelijk. Zij voelde zich zoo wonderlijk kalm
en gelukkig op dit oogenblik--het was of de plechtige avondstilte om
haar heen haar hare rust teruggegeven had.
Heel langzaam voortwandelend, zeide zij het vers nog eens op. Toen
ze zweeg, bleef Frits staan, keek haar ernstig aan en zei:
"Dank je wel. Ik vind het heel lief van je dat je dat voor mij hebt
willen doen."
"Zeg eens even, vergeten jullie ons heelemaal?" riep Cécile, die met
Louise teruggekeerd was. "Wij gaan naar huis, hoor; het is daar verder
op den weg zóó nat."
"Ja, wij gaan ook naar huis," zei Elsje snel.
Cécile ging naast Frits loopen en begon druk met hem te praten, hem
plagend dat hij zooveel stiller was dan andere avonden. "Dat komt zeker
door al die poëzie over de sterren," zei ze spottend, toen ze de villa
hadden bereikt en toen Louise en zij later met Elsje naar boven waren
gegaan, hoorde deze haar op het portaal lachend tot Loulou fluisteren:
"Het is onzinnig, maar ze heeft het gedecideerd beet, hoor!"
Hoofdstuk XV.
Cécile's Engagement.
Er gingen drie, vier weken op deze wijze voorbij en alles bleef bij
het oude. Niemand maakte ook maar de geringste toespeling op een
engagement tusschen Frits en Cécile en Elsje's strijd werd hoe langer
hoe zwaarder. Louise zou nu spoedig vertrekken en dan zouden die
fluisterende gesprekken en dat laffe gegiegel ten minste ophouden,
dacht zij met een zucht van verlichting. Frits was telkens uren
aaneen op de buitenplaats, waarvan hij met September den post van
rentmeester op zich zou gaan nemen. Er was een aardig, vroolijk huis
te zijner beschikking gesteld en grootmama en hij waren druk bezig,
de kamers prettig en comfortabel in te richten en allerlei noodige
veranderingen te laten aanbrengen. Cécile interesseerde zich zeer voor
het huis en gaf telkens raadgevingen ten beste omtrent het schikken
der meubelen en het versieren der muren. Zij had veel smaak en was
daarvan zelf ook volkomen overtuigd. Door het geheele gezelschap
werden herhaaldelijk tochten gemaakt naar het huis, waarbij Frits er
met trots de goede hoedanigheden en de mooie ligging van aanwees.
"Nu is mijne toekomstige woning bijna klaar," zei hij, toen hij op
een Zaterdagavond thuiskwam. "Ik hoop dat de dames mij de eer willen
aandoen er morgenmiddag nog eens met mij heen te gaan en te zien of
het geheel hare hooge goedkeuring wegdraagt."
Het was den volgenden dag prachtig weer en Elsje genoot 's ochtends
met haar geheele hart de mooie wandeling naar de kleine dorpskerk,
waarheen de weg voerde langs kronkelende, smalle paden tusschen het
bouwland door. Zij voelde zich vredig en blijmoedig gestemd; alles om
haar heen was zoo mooi, zich badend in den glans van gouden zonlicht;
het was haar, alsof de natuur in al hare lieflijkheid haar toeriep om
te genieten met een dankbaar, gelukkig hart. Zij was zoo klein soms
in haar angstigen, eenzamen strijd, dat voelde zij wel en alles was
rustig in haar, vol moed en hoop, toen ze luisterde naar de ernstige
preek en met hare heldere stem de gezangen meezong. Grootmama moest
telkens eens naar haar kijken, terwijl ze eenvoudig en met zekeren
heiligen ernst in de oogen deel nam aan de godsdienstoefening en
Frits liep zwijgend naast haar op den terugweg, als beschroomd om
hare stemming te verbreken.
"Erg interessant en peinzend," zei Cécile, die met Louise achter hen
liep. "Het wordt heusch te dwaas, Lou. Dat kind gaat zich allerlei
dingen verbeelden, omdat Frits uit goedigheid met haar loopt en
vriendelijk voor haar is."
"Ja, het is allergekst," zei Louise, "nu, ze zal het langzamerhand
wel afleeren."
"Dat zal wel dienen, ten minste, maar eigenlijk moesten wij haar dan
wat helpen."
"Och, laten wij haar nu maar niet plagen; ik heb toch een beetje met
haar te doen."
Heel noodig scheen het anders niet te zijn dien dag, dat Louise
medelijden met Elsje had, want 's middags was ze heel opgewekt
en babbelde vroolijk met Frits, die haar zoo dikwijls vroeg
toen zij in en bij zijn huis rondliepen: "En hoe vindt je dit nu,
Roodkapje?" "Is de natuur hier nu niet nog veel mooier dan bij jouw
dorp, Roodkapje?" "Moet je mijn kippenhok nu niet eens gaan bewonderen,
Roodkapje?" en dergelijke dingen meer, dat grootmama tusschenbeide kwam
en lachend beweerde dat hij Elsje nu eens met rust moest laten. Zij
kon onmogelijk op al zijn vragen tegelijk antwoorden.
"Mag ik je nu nog even één vraag doen?" vroeg Frits een poos later,
toen hij met Elsje voor het bewuste kippenhok heen en weer liep. De
anderen stonden al bij het hek van den tuin op haar te wachten om terug
te gaan; Frits zou veel later volgen, hij moest nog in het huis zijn.
"Ik moet nu heusch weg," zei Elsje haastig en op eens niets kalm meer,
zij wist zelf nauwelijks waarom.
"Je moogt terstond gaan," zei Frits, zeer snel sprekend. "Ik wou
alleen weten, of je dat aardige roode kapje nog hebt en of je het
dan nog eens voor mij op zoudt willen zetten."
"O, dat is thuis, in de stad," zei Elsje lachend en blozend. "Dan
moet je nog een beetje geduld hebben." En zonder af te wachten,
of Frits ook nog iets te zeggen had, liep ze weg, naar de anderen toe.
"Wat ben je stil, Elsje," zei Cécile met een fijn lachje toen zij
naar huis terug wandelden.
"Zeker erg boeiende gedachten!" zei Louise spottend. Mogen wij die
niet weten, Elsje?"
"Ik denk dat je er niet erg nieuwsgierig naar bent," antwoordde
Elsje bedaard.
"Maar dat zijn we juist wel," zei Cécile. "Je bent zoo verbazend
interessant den laatsten tijd en je krijgt zoo dikwijls een lief
kleurtje! Maar daar zou ik toch niet te veel een gewoonte van maken
als ik jou was; het staat je niet erg."
"Dat kan mij niets schelen," zei Elsje driftig.
"Dat ben ik zoo vrij niet te gelooven, meisje," zei Cécile scherp. "Het
kan je wel degelijk schelen, hoe je er uitziet. Wat beduidt het anders
dat je zoo vaak dien grooten hoed opzet, nadat Frits eenmaal heeft
gezegd, dat die je niet onaardig staat?"
Elsje werd vuurrood en beet zich op de lippen.
"Ik geloof heusch," vervolgde de onverbiddelijke Cécile, "dat je
er bizonder op let, wat Frits zegt. Louise heeft het ook opgemerkt,
is het niet, Lou?"
"Ja natuurlijk," zei Louise.
Elsje zweeg, maar de kleur op hare wangen werd donkerder en hare oogen
schitterden van verontwaardiging en angst. Gelukkig waren zij nu juist
de villa genaderd en kon zij zich bij de twee oudere dames voegen.
"O Elsje, wat zie je er warm uit!" zei mevrouw d'Ablong. "Ga maar
gauw een koelere japon aantrekken, kind. Jij verkleedt je zeker ook
nog even, he Cilly?"
"Ja mama. O, zijn er brieven gekomen? Kijk eens even hoe aardig! Een
voor Lou, een voor Elsje en een voor mij. Hier Elsje, zeker van je
zielsvriendin!"
Elsje nam den brief aan, die werkelijk van Line bleek te zijn. Zij
liep er langzaam mee naar boven, voorafgegaan door Louise en Cécile,
die dolle pret samen hadden. Zij stonden nog op het portaal te lachen,
toen Elsje naderde en juist wilde deze de kamer van Frits voorbijgaan,
waarvan de deur op een kier stond, toen Cécile haar opeens een duw gaf,
zoodat zij midden in de kamer terecht kwam.
"Mal kind, je bent verliefd!" riep Cécile. "Geniet daar maar eens
heerlijk een beetje, hoor. Je hebt dan zijn kamer tenminste, al heb
je hem niet."
En voordat Elsje weg kon loopen, had zij de deur gesloten en den
sleutel van buiten in het slot omgedraaid. Elsje hoorde Louise nog
zeggen: "Och Cilly, dat vind ik nu al te erg! Laat er haar toch weer
uit! Wat zal zij beginnen, als hij straks thuis komt?" En Cécile's
antwoord: "Wel neen, ze zit daar best!" Daarop verwijderden de beide
meisjes zich.
Wat moest de arme Elsje nu doen? Met den brief van Line nog ongeopend
in hare hand, stond ze een oogenblik strak voor zich uit te kijken,
om toen naar de deur te snellen en driftig aan den knop te rukken,
die natuurlijk zijn dienst weigerde. Toen liep ze naar het raam, keek
naar buiten en kwam, met een trilling van schrik, tot de overtuiging
dat het onmogelijk zou zijn van die hoogte naar beneden in den tuin te
springen. Er zat niets anders op dan zoo rustig mogelijk te wachten,
tot het Cécile zou believen den sleutel weer om te draaien en haar
vrij te laten. Maar als Frits voor dien tijd thuis kwam en haar
daar vond! Dat zou verschrikkelijk wezen! Zij kon dat denkbeeld in
het geheel niet verdragen, liep weer naar de deur en riep luid en
dringend: "Och Cécile, doe toch open, laat er mij als 't je blieft
uit!" En toen ze geen antwoord kreeg: "Grootmama! Tante!"
Het bleef echter stil op het portaal. De twee oudere dames waren zeker
beneden en Louise en Cécile bekommerden zich niet meer om haar. Het
was verschrikkelijk, verschrikkelijk! Maar niettegenstaande haar angst
en gejaagdheid, begaf ook nu hare zelfbeheersching haar niet. Zij
trachtte zich tot kalmte te dwingen en bedaard af te wachten, wat er
gebeuren zou. Zoodra ze iemand hoorde op het portaal of in den tuin,
zou ze roepen; tot zoolang _moest_ ze geduld hebben. Om zich den tijd
te korten, zou ze probeeren Line's brief te lezen.
Zij scheurde het couvert open en zag dat het slechts een kort, maar
dringend schrijven bevatte van Line om haar uit te noodigen, _zoo
gauw als zij maar kon,_ te komen logeeren. Hare ouders verlangden
erg kennis met Elsje te maken, schreef zij. Hare moeder was in het
begin der volgende week jarig en er zou dan een groote buitenpartij
plaats hebben; daar moest Elsje noodzakelijk bij zijn! Zij moest maar
terstond terug schrijven, dat zij kwam en wanneer. Line had een gevoel,
alsof zij haar in geen maanden gezien had!
Elsje las de weinige regels snel door, onderwijl scherp luisterend,
of zij niet iemand hoorde aankomen, die haar uit haar gevangenschap
kon verlossen. Het bleef echter doodstil op het portaal en ook in
den tuin vertoonde zich niemand. Zij stond nog steeds op dezelfde
plek bij het raam naar buiten te kijken en bleef daar staan, erg
ongeduldig en zenuwachtig, zonder er een oogenblik aan te denken,
nieuwsgierig in de kamer rond te snuffelen of een kijkje te nemen in
de boeken van Frits, die door het geheele vertrek lagen verspreid. "Ik
moet bedaard blijven," dacht ze, "zoodat ik hem heel gewoon en kalm
kan zeggen, wat er gebeurd is, als hij straks komt," maar zij werd
er juist niet kalmer op, toen zij eindelijk een bekenden mannenstap
hoorde op het portaal. Aan de kamer van Frits grensde een klein
vertrekje waar hij sliep. Dit kon alleen door de zitkamer worden
bereikt, maar Elsje koesterde toch een oogenblik de vurige hoop dat
hij daar dadelijk heen zou gaan en haar niet zou zien, als zij even,
in half gebogene houding, achter de schrijftafel staan bleef, terwijl
hij de kamer doorging. Ze kon dan terstond wegsnellen, als hij zijn
slaapkamertje binnengegaan was. Maar...Frits zelf bracht hare plannen
geheel in de war. Hij was natuurlijk zeer verwonderd, zijn kamer
op slot te vinden en draaide terstond ongeduldig den sleutel om,
om toen een beetje driftig naar binnen te loopen en rond te kijken,
of er ook iets bizonders te zien was. Er kwam een zekere verlegene
verbazing op zijn gezicht, toen hij Elsje gewaar werd.
Het arme meisje werd vuurrood, kwam bevend achter de schrijftafel te
voorschijn en zei snel en geagiteerd:
"Cécile had mij hier opgesloten, heelemaal uit de grap natuurlijk,
maar ik vond het toch heel akelig en ik was zoo bang..."
"Bang?" viel Frits langzaam in, terwijl hij haar ernstig in de oogen
keek. "Maar voor mij ben je toch niet bang, Roodkapje?"
"O neen," zei Elsje, een anderen kant uitkijkende. "Heelemaal niet
natuurlijk, maar ik dacht dat je misschien boos op me zoudt wezen."
"Als je niet bang voor me bent, waarom durf je me dan niet aan
te kijken?"
"Dat ... dat durf ik wel."
"Doe het dan eens."
Zij wierp het hoofd een weinig achterover, als wilde ze hare
verlegenheid trotsch onderdrukken, en zag hem aan, boos op zichzelf,
omdat ze voelde, dat ze al weer een kleur kreeg.
"Dus je bent heelemaal niet bang voor me?" vroeg hij met een fijn
lachje, dat Elsje opeens in een geheel andere stemming bracht en een
uitdrukking in hare oogen deed ontstaan, die Frits niet begreep. Het
was, alsof zij plotseling erg verontwaardigd werd.
"Neen, volstrekt niet natuurlijk," riep ze, terwijl ze vlug als de
wind van hem wegliep, de kamer uit.
"Hij lacht mij uit," fluisterde zij met trillende lippen, toen ze in
hare eigene kamer was. "Ik heb zeker heel gek gedaan! O, wat moet ik
beginnen, wat moet ik beginnen!"
Maar terwijl ze zich verkleedde, werd ze kalmer. Ze zou hare tante
dadelijk den brief van Line laten zien en haar vragen of zij over een
paar dagen naar haar toe mocht gaan. Als zij Frits maar niet meer
zag, zou alles wel beter met haar worden en als zij dan terugkwam,
werd het engagement tusschen Cécile en hem zeker heel gauw publiek en
zou alles van zelf gemakkelijker worden. Zij hield de lippen stijf op
elkaar gedrukt, terwijl ze hierover nadacht en dwong zich letterlijk
tot kalmte, toen ze weer naar beneden gaan moest en de anderen zien.
"Een vrij goedkoope aardigheid van je, Cilly," hoorde zij Frits tot
Cécile zeggen, toen zij de kamer inkwam. Hij schoof snel een stoel voor
haar naast grootmama, toen hij haar zag, maar Elsje lette er niet op
en ging terstond naar hare tante, die een weinig van de anderen af,
op de canapé zat te lezen.
"Het spijt me voor je, kindlief, maar daar kan niets van komen,"
zei mevrouw d'Ablong half fluisterend, toen ze Line's briefje
had gelezen. "Ik heb die vriendschap toegelaten toen je nog op de
kostschool waart en ik ben er ook niet tegen dat dat meisje en jij
nog brieven aan elkaar schrijven--zoo langzamerhand zal dat ook wel
uitslijten. Ik begrijp wel dat het een teleurstelling voor je is,
niet naar haar toe te gaan, maar heusch, die menschen behooren niet
tot onzen stand en wij kunnen niet met hen omgaan, dat gaat niet. Je
moet maar een heel beleefd briefje terugschrijven dat het je spijt,
maar dat grootmama je nu liever hier houdt."
"Maar tante, grootmama heeft daar toch niets van gezegd."
"Neen, maar ik weet toch dat het zoo is. Kom kind, trek er nu je hart
maar af en kijk niet zoo verdrietig. Maar Elsje, je hebt tranen in de
oogen! Wat is er toch met je? Je bent den laatsten tijd bepaald anders
dan vroeger. Ga hier eens even bij mij op de canapé zitten. Is er wat,
kind? Kom, zeg het mij maar."
"Neen tante, er is niets, heusch niet," zei Elsje met zooveel nadruk,
dat mevrouw d'Ablong haar lachend aankeek. "Ik zou alleen zoo dolgraag
naar Line willen gaan."
"Ja, maar dat kan nu niet en daar spreken we nu ook niet meer
over. Maar ik geloof dat je niet heelemaal de zuivere waarheid spreekt
meisje, en dat je wel wat scheelt."
Het trof gelukkig voor Elsje dat juist op dit kritieke oogenblik de
gong voor het middagmaal werd geluid.
Zij volgde de anderen met een zucht van verlichting en deed haar best
onder het eten zoo spraakzaam en vroolijk mogelijk te zijn. Frits
babbelde druk met haar mede en zij vond ten slotte dit uur lang zoo
moeielijk niet, als zij gevreesd had dat het zijn zou.
Maar na den eten werd zij weer moedeloozer. Louise en Cécile
waren dadelijk naar boven gegaan, grootmama rustte even en mevrouw
d'Ablong en Frits liepen druk in gesprek samen in den tuin. Elsje
stond alleen onder de veranda, geheel vervuld van de teleurstelling,
dat zij niet bij Line mocht gaan logeeren en ook weer angstig over
de geheime blijdschap, die zij in haar hart voelde, omdat ze hier
moest blijven. Het was alles onrustig en gejaagd in haar en gehoor
gevend aan een opwelling om in de plechtige eenzaamheid van het bosch,
de kalmte te zoeken, die zij noodig had, liep zij de dennenlaan op
zij van het huis in en gaf zich over aan de gewaarwording van innig,
rein genot, die ze steeds voelde, als ze alleen was met de natuur.
"Hč, hoe heerlijk!" zuchtte ze, opkijkend naar de blauwe lucht
en de verkwikkenden harsgeur inademend, terwijl er een weldadig
gevoel van vredige berusting in haar hart kwam, vermengd met het
oude gevoel van schaamte over hare kleingeloovige zwakheid. Met een
ernstige uitdrukking op haar gezicht, liep ze langzaam voort tot ze
opeens verschrikt stil stond bij het hooren van de stem van Frits,
die haar riep.
"Elsje, Elsje, Roodkapje, wacht even!" riep hij en zonder te
antwoorden, keerde zij zich om en zag hoe hij hijgend en op een drafje
naar haar toekwam.
"Mag ik met je meewandelen?" riep hij, en verbaasd dat zij niet
dadelijk "ja, graag," zeide, vroeg hij toen hij bij haar stond:
"Nu, wil je me mee hebben of niet?"
Elsje wist zelf nauwelijks later, hoe zij de woorden er uit had
gebracht, maar overweldigd door een vreemden angst om alleen met
hem te zijn en om, als zij later met Frits thuiskwam, de spottende
blikken van Louise en Cécile op zich gevestigd te zien, zei ze gejaagd:
"Ik....ik ga liever alleen, eigenlijk."
Frits kreeg een kleur en beet zich op de lippen. Hij zag er boos uit,
vond Elsje.
"Dan zal ik je natuurlijk geen oogenblik langer met mijn gezelschap
lastig vallen," zei hij koel, keerde haar den rug toe en sloeg een
zijpad in naar het bosch.
Al Elsje's rust was verdwenen en toch had zij geen berouw over haar
gedrag. "Laat hij dan maar boos wezen, ik kon niet anders," mompelde
ze, terwijl ze terstond den terugweg naar huis insloeg. Zij mocht
hem eens weer tegenkomen als zij verder wandelde en dat wilde ze in
geen geval!
Ze vond de vier andere dames al aan de theetafel zitten, toen ze de
veranda inliep en met geheime vreugde merkte ze op, dat Loulou en
Cécile verbaasd keken, toen zij zagen dat ze alleen was. Grootmama
vroeg ook: "He, heb je Frits niet mee gebracht?" en Elsje antwoordde
heel gewoon: "Neen grootmama," zonder te blikken of te blozen. "Dan
is hij toch zeker alleen gaan wandelen," zei grootmama weer en Elsje
zweeg; ze wist immers, dat de oude dame het bij het rechte eind had.
"Wat blijft hij dan vreeselijk lang uit," zei Cécile, "niet heel
beleefd tegenover jou, Lou, het is je laatste avond."
"O, _ik_ mis hem niet erg," fluisterde Louise met een veelbeteekenenden
blik op Elsje.
"Nu begrijp ik toch heusch heelemaal niet, waar Frits blijft," begon
grootmama weer, toen het over negenen was en haar kleinzoon nog maar
steeds niet terug kwam.
"Misschien is hij nog even naar zijn huis gegaan," zei mevrouw
d'Ablong.
"Neen, dat denk ik niet, dan zou hij het mij wel gezegd hebben."
Het werd half tien, tien uur en nog kwam Frits niet. "De heerlijke
zomeravond zal hem zeker tot een bizonder lange wandeling verleid
hebben," zei grootmama. "Hij houdt ook zoo dolveel van de heide bij
maanlicht, evenals jij, Elsje. Hoe is het, kind? Je bent zoo stil,
dunkt me."
"Ik heb wat hoofdpijn, grootmama," zei Elsje zacht.
"Dan zou ik maar dadelijk naar bed gaan, Elsje," zei mevrouw d'Ablong
bezorgd. "Je hebt bijna nooit hoofdpijn; een lange nacht zal je
goed doen."
"Ja, ik wil eigenlijk wel graag gaan," antwoordde Elsje, die er erg
tegenop zag Frits weer te zien, na de ontmoeting in de dennenlaan.
"Blijf morgenochtend nog maar rustig wat liggen als je je niet prettig
voelt, hoor," zei grootmama, toen zij Elsje goeden nacht wenschte.
"Ja, laten wij maar vast afscheid nemen," zei Louise, "ik ga al om
half negen weg--dan ben je misschien nog niet bij de hand."
"Dan mag ze ook wel afscheid nemen van mama en mij," zei Cécile,
"want wij brengen je met het rijtuig naar den trein, zooals je weet
en gaan dan verder."
Elsje bleef verbaasd staan en keek mevrouw d'Ablong aan. "U en Cécile
gaan toch nog niet weg, tante?" vroeg ze verwonderd.
"Neen, wij gaan maar voor twee dagen uit logeeren," antwoordde mevrouw
d'Ablong met een geheimzinnig lachje. "Ik mag er je niets meer van
vertellen, dat wil Cilly niet hebben. Het moet een verrassing zijn
voor je en voor Frits ook natuurlijk; die zou zeker van avond niet
zoo lang uitblijven, als hij wist dat Cilly er morgen en overmorgen
niet zal zijn. Nacht Elsje, ga maar gauw naar bed, hoor."
Elsje begreep er niets van. _Wat_ moest een verrassing zijn voor haar
en voor Frits en waarom mocht Frits niet weten dat Cécile twee dagen
uit logeeren ging? Grootmama had ook al zoo geheimzinnig geglimlacht
en later weer zoo heel ernstig gekeken, toen ze Elsje een kus gaf
en met nadruk zeide: "Nacht mijn lief kleindochtertje!" Zou zij
toen gemeend hebben dat zij graag wilde dat Elsje wezenlijk hare
kleindochter werd? Elsje schrikte over hare eigene vermetelheid,
toen deze gedachte bij haar opkwam. Hoe was het mogelijk dat zij zoo
iets _durfde_ te denken! Grootmama was natuurlijk erg ingenomen met
het engagement van Frits en Cécile en zijzelf _moest_ probeeren er
ook mede ingenomen te zijn. Als hare tante en Cécile over twee dagen
weer thuis waren, zou het dan toch zeker publiek worden--Elsje wou
nu erg graag dat het maar zoover was. Hč, wat was haar hoofd moe en
wat deed het pijn! Zij moest maar gauw probeeren in slaap te komen.
Den volgenden ochtend werd zij heerlijk verkwikt wakker en was juist
op het punt om op te staan, toen de deur harer kamer langzaam werd
geopend en hare tante, binnenkwam. Zij zag er bizonder vriendelijk uit,
boog zich over Elsje heen, kuste haar en zeide:
"Ik zou nog maar rustig een beetje blijven liggen, meisje, tot wij
weg zijn. Frits is gisteravond laat thuis gekomen, maar ik heb hem
van ochtend toch al gesproken. Neen, kijk mij eens even goed aan. Ben
je van plan vandaag weer heelemaal in je eentje te gaan wandelen of
mag Frits nu wel met je mee, ondeugend kind?"
Elsje kleurde tot achter de ooren. Dus Frits had alles aan hare tante
verteld,--dat vond ze in 't geheel niet aardig van hem!
"O, ik wil ook wel met Frits wandelen," zei ze koel.
"Zoo jonge dame, wil je dat wel? Nu, dan wensch ik je een prettige
wandeling, hoor!"
Toen, opeens ernstig wordend, knielde mevrouw d'Ablong bij het ledikant
neer en zei op zachten toon:
"Mis je je grootmoeder nu nog zoo erg, Elsje? Of heb je toch ook bij
mij een gelukkig leven gehad?"
"O ja tante, ja," riep het jonge meisje uit met een dankbaren blik. "U
bent zoo goed voor me en zoo lief."
"Niet altijd," zei mevrouw d'Ablong met zulk een glans van teederheid
in de donkere oogen, dat Elsje er aangedaan van werd, de armen om
haar hals sloeg en zeide:
"Ik houd toch zooveel van u, tante."
"Zóóveel?" vroeg mevrouw d'Ablong glimlachend. "Meer dan van iemand
op de wereld, Elsje?"
Elsje antwoordde niet dadelijk. Toen zei ze heel zacht:
"Dat weet ik niet."
"Dan hoop ik dat je het spoedig weten zult," zei hare tante vriendelijk
en met nadruk. Even later had zij de kamer verlaten.
Het was met een gemengde gewaarwording van teleurstelling en
verlichting dat Elsje, toen zij beneden kwam, bemerkte dat niet
alleen hare tante, Cécile en Louise vertrokken waren, maar dat ook
Frits reeds ontbeten had en naar het dorp gegaan was om boodschappen
te doen. Tegen koffietijd kwam hij terug, maar terstond na het lunch
ging hij naar zijn kamer, waar hij "allerlei te beredderen" had,
zooals hij beweerde. Grootmama en Elsje gingen toen samen buiten zitten
handwerken, maar het was een vreemde, ongezellige middag, vond de oude
dame en wat Elsje betreft--zij was zoo stil en tevens zoo ongedurig
dat grootmama haar telkens vroeg, of de hoofdpijn nog niet over was
en of zij niet eens even zou gaan liggen. Elsje was blij, toen het
etenstijd was, maar bedaarder werd zij er niet op, toen Frits haar
na den eten aarzelend vroeg, of zij lust had nog eens naar de heide
te wandelen, naar het bekende plekje, dat zij zoo mooi vond. "O ja,
ik wil heel graag," zei ze snel--ze durfde nu niet te zeggen dat ze
eigenlijk liever alleen uit wilde gaan--"dan neem ik een boek mee,
als je 't goed vindt, het lijkt me zoo prettig toe, daar een beetje
te gaan zitten lezen."
"Zeker, dat vind ik uitstekend," antwoordde Frits, "ik zal ook een
boek halen."
Een paar minuten later wandelden zij, ieder gewapend met een boek,
de bewuste dennenlaan door naar den heuvel bij de heide. Frits had
ook nog een klein pakje in zijn hand. Elsje begreep volstrekt niet,
waarom hij dat meenam en wat het bevatten kon--het was een bruin
papieren pakje en zij keek er een paar malen nieuwsgierig naar, maar
durfde toch niet vragen, wat er in het papier was. Zij voelde zich weer
vervelend verlegen en weinig op haar gemak. Het was onuitstaanbaar,
en als Frits nu maar wat meer gepraat had en er niet zoo ernstig had
uitgezien, juist alsof hij nog wat boos op haar was, zou ze wel gauw
wat minder geagiteerd geworden zijn, geloofde ze. Nů was ze heel blij,
toen ze het heuveltje beklommen hadden en de heide zich in al hare
pracht van geur en kleuren voor hunne oogen uitstrekte.
"Hier ga _ik_ zitten," zei Elsje, terwijl ze zich neervlijde tegen
de zachte glooiing van den rand der heide.
"Dus dat beteekent dat ik verder mijn heil moet zoeken?" vroeg Frits
lachend. "Of is daar heusch plaats voor twee?"
"Natuurlijk wel."
"Zit je gemakkelijk?" vroeg Frits weer, met zijn elleboog onder het
hoofd, in liggende houding voor zich uitkijkend en met zijn boek nog
ongeopend naast zich op den grond. Elsje sloeg met ijver de bladzijden
van het hare om.
"O ja, heel gemakkelijk," zei ze, zonder op te zien, hoewel ze heel
goed voelde dat Frits haar aanzag.
"Wat lees je op 't oogenblik?" vroeg hij even later, zonder zijne
oogen van haar gezicht af te wenden, dat beurtelings bleek en rood
werd, tot Elsje's diepe ergernis.
"Nu, wat lees je? Het is zeker een erg mooi gedeelte van het boek,"
begon hij weer. "Je bent er zoo in verdiept."
Elsje zou niet hebben kunnen antwoorden op die vraag, al had zij ook
nog zoo graag gewild. Zij _wist_ niet wat zij las, heelemaal niet
en zij vond dat het zoo niet langer uit te houden was en ongeduldig
opspringend, riep zij uit:
"Ik ga nog even een eind loopen. Het is hier zoo... zoo benauwd,
vind ik."
"Benauwd?" riep Frits verwonderd, terwijl hij eveneens opsprong. Maar
niettegenstaande zijn verbazing over Elsje's woorden, scheen hij
het zelf ook opeens wat "benauwd" te krijgen. Hij zag er ten minste
niets koel en kalm uit, toen hij voor Elsje ging staan en haast
fluisterend vroeg:
"Wil je mij je horloge nog eens laten zien?"
Met een zucht van verlichting dat de vraag zoo gewoon was, haalde
Elsje het horloge te voorschijn. Frits hield het even in zijn hand,
toen vroeg hij dringend:
"Wil je me voorlezen, wat er op staat, Roodkapje?"
Elsje maakte het kettinkje los en hem het horloge nog eens overreikend,
zei ze:
"Lees het zelf maar, het staat er duidelijk op."
Hij keek haar even zwijgend aan, toen zei hij langzaam:
"Ik wou veel liever dat jij het deedt."
"O, heel goed," antwoordde ze met gemaakte luchthartigheid. "Er staat:
'Aan mijne lieve kleindochter.' Aardig van grootmama, he?"
Frits vond het zeker bizonder aardig, maar hij liet er zich toch
niet over uit. Zijne oogen stonden heel ernstig, terwijl hij toezag,
hoe Elsje haar kettinkje met bevende vingers weer vastmaakte; toen
greep hij hare beide handen en vroeg:
"Wil je dat wezenlijk zijn, Elsje? Wil je grootmama's kleindochter
worden in werkelijkheid?"
"Hoe...hoe dan?" vroeg ze angstig.
"Begrijp je dat niet?" vroeg hij snel, maar op hetzelfde oogenblik
zag hij dat zij het wčl begreep. Er kwam een glans van geluk in hare
oogen en een gloed over haar gezichtje, die hem duidelijk zeiden, wat
haar antwoord zou zijn op zijn vraag en toch herhaalde hij ongeduldig:
"Wil je, Elsje, wil je?"
"Cécile..." stamelde ze, "ik dacht dat Cécile en jij..."
|