free book ebook online reading
eBook Title
Elsje (een verhaal voor meisjes)
Author Language Character Set
A.C. Kuiper Dutch ISO-8859-1


You are here --- [ Home / Author Index K / A.C. Kuiper / Elsje (een verhaal voor meisjes) / Page #12 ]

terwijl ze zich telkens afvroeg, waarom het toch deftiger was om op
gemaakt zachten toon te spreken en zijne vreugde en droefheid weinig
te toonen, dan om zich precies voor te doen zooals men werkelijk was
en zich voelde.

Toch had zij geen onaangename vacantie. Hare tante en Cécile waren
vriendelijker dan vroeger en zij bemerkte wel dat zij meer met haar op
hadden en zich veel minder over haar schaamden en ergerden dan een jaar
geleden. Cécile had echter een wonderlijke manier om Elsje achteraf
te houden en zichzelf op den voorgrond te brengen, als zij met andere
loges in aanraking kwamen. Heel veel kon dit Elsje nu wel niet schelen,
maar het was toch een eigenaardig prettige gewaarwording voor haar,
toen Frits kwam en minstens evenveel notitie van haar nam als van
Cécile. Hij bleef haar hardnekkig "Roodkapje" noemen en toen in het
dorp het bericht de ronde deed dat de koninginnen een bezoek zouden
komen brengen, raadde hij Elsje sterk aan, zich op den grooten dag
als Roodkapje te verkleeden en in dit kostuum aan de jonge koningin
een mandje met wafels te overhandigen. Nu, daaraan dacht Elsje niet,
maar zij had wel een gevoel, alsof ze zichzelf niet was, toen zij
op den feestdag na het ontbijt op de duin voor het hotel stond en
in de kronkelende dorpsstraat beneden, tusschen de hooge linden,
de vroolijke vlaggen zag wapperen, die helder beschenen werden door
de volle, rijke zon. Koningin Wilhelmina zien! Het was iets, waarvan
ze had gedroomd en waarnaar ze had gehunkerd jaren lang en toen Frits
haar den vorigen avond de versieringen in het dorp had laten kijken,
was het haar plotseling zoo vreemd week geworden om het hart, dat het
haar benauwde en zij angstig had uitgeroepen: "Als zij nu opeens eens
niet kwamen!"

Wat had Frits haar toen uitgelachen--gelukkig was Cécile er niet
bij geweest! Die was veel kalmer bij het vooruitzicht; zij had de
koninginnen al zoo verbazend vaak gezien!

De vorstelijke rijtuigen zouden langs het hotel voorbijkomen en
de gasten behoefden dus in 't geheel geen moeite te doen. Dat vond
Elsje eigenlijk een beetje jammer en o, wat moest het nog lang duren,
eer zij kwamen! Het was nu half tien en zij konden niet vóór elf uur
komen, had Frits gezegd. Hoe zou ze den tijd klein krijgen!

"je bent te laat, zij zijn al weer weg! Ik moest je wel de groeten doen
van koningin Wilhelmina," klonk de stem van Frits achter haar. Elsje
keerde zich lachend om.

"Dan hebben zij wel een _bizonder_ kort bezoek aan het dorp gebracht,"
zei ze. "Hoe is het mogelijk dat zij dan toch nog tijd hebben gevonden
om met jou te spreken?"

"Lieve tijd, hoe brutaal! Bedenk een beetje wie je voor je hebt,
jonge dame! Vergeet niet dat ik heel gauw Mr. Frits d'Ablong zal
zijn en spoedig beroemd en bekend in het buitenland, zoowel als in
ons eigen kleine landje."

"In het buitenland?" vroeg Elsje verbaasd.

"Ja zeker, want zoodra ik gepromoveerd ben, ga ik een poosje naar
Duitschland en als ik dan terugkom, probeer ik een plaats als
rentmeester te krijgen op een groot buiten in Gelderland. Dat is
altijd grootmama's wensch geweest en als die nu werkelijk eenmaal
vervuld wordt, ben ik natuurlijk heel wat meer waard dan nu. Ik wed
dat je me dan heelemaal niet meer Frits durft te noemen."

"Misschien wel niet," zei Elsje zacht.

"Maar Roodkapje, wat scheelt er nu aan?" vroeg hij lachend. "Kom,
kijk mij eens recht in de oogen en zeg eens gauw dat je me nooit
anders dan Frits zult noemen."

Wat had Elsje opeens? Zij begreep het zelf niet. Confuus voor Frits
was zij eigenlijk nog nooit geweest, maar op dit oogenblik kwam er
eensklaps een vreemde verlegenheid over haar, waartegen zij zich
te vergeefs poogde te verzetten, terwijl ze hare oogen opsloeg,
hem aanzag en zei:

"Ik wil heel graag altijd Frits zeggen."

"Wel natuurlijk," zei hij vroolijk. "O, daar komen tante en Cilly
aan. Hierheen dames, als 't je blieft; er is hier voor allen
plaats." En hij ging de anderen voor naar een groote veranda, waar
de vorstelijke stoet langs zou rijden en stoelen waren neergezet.

"Niet waar, mevrouw, wij staan allen op en maken eenvoudig een buiging,
als zij komen? U doet toch zeker ook niet mee aan dat luide roepen der
dorpsbewoners? Die kunnen hier trouwens ook moeilijk komen bij het
hotel; de weg is smal. Maar u bent het toch met mij eens, nietwaar,
dat het veel deftiger en welstandiger is om eerbiedig te buigen dan
zoo oorverdoovend te juichen?"

Het was een der gasten uit het hotel, die deze vragen tot mevrouw
d'Ablong richtte, die met Cécile, Frits en Elsje onder de veranda
had plaats genomen.

"O ja, zeker, zeker," haastte zij zich te antwoorden, terwijl het
overige gezelschap eerbiedig toeluisterde. "Dat spreekt van zelf. Ik
ben het volkomen met u eens."

Elsje alleen had niet naar het gesprek geluisterd. Met een kloppend
hart zat zij het plechtige oogenblik af te wachten. Frits keek haar
nu en dan van ter zijde aan, glimlachend over haar jonge geestdrift.

Eindelijk, eindelijk, daar naderden zij. Langzaam en statig kwamen
de rijtuigen dichter bij. Elsje's hart klopte nu bijna hoorbaar
en als in een droom volgde zij het voorbeeld der anderen en stond
op van haar stoel. Daar was het rijtuig der koninginnen vlak voor
haar. Hare blijde oogen zagen een jeugdige, blonde verschijning,
die met een innemend lachje en een bevallige buiging het eerbiedig
nijgen der hotelgasten beantwoordde, en uiting gevend aan het warme
gevoel van liefde en bewondering, dat haar bezielde, wuifde Elsje
met hare beide handen en riep met bevende lippen, luid en juichend:

"O koningin, koningin, koningin!"

Er gleed een vroolijk lachje over het gelaat van haar, wie deze
uitroep gold en met stralende oogen zag Elsje het rijtuig na, toen
zij de hand harer tante op haar arm voelde.

"Stil toch kind, stil toch, je hoort toch dat niemand anders wat
roept!" klonk het verdrietig.

"Vreeselijk aanstellerig van je, Elsje," fluisterde Cécile, die haar
sierlijkste buiging ten beste had gegeven.

"Kom tante, zij was zoo erg blij!" bracht Frits verontschuldigend in
het midden. "Ik zou dolgraag meegeroepen hebben met Elsje, als ik maar
gedurfd had. Koningin Wilhelmina zal je nu natuurlijk nooit vergeten,
Roodkapje. Hadt je nu nog maar een mandje wafels bij je gehad en je
kapje op!"

Maar mevrouw d'Ablong was niets gesticht over Elsje's uiting van
geestdrift. "Zulke dingen doen deftige menschen niet, dat behoort
niet zoo," zei ze 's avonds tot haar, toen ze haar nog eens onder
handen nam. "Ik ben anders wel tevreden over je tegenwoordig, maar
je moet heusch wat meer op Cécile letten, die weet altijd precies,
hoe zij zich gedragen moet. De andere gasten keken zoo verbaasd en
vreemd op, toen jij daar opeens zoo hard aan 't roepen gingt!"

Het was misschien niet goed van Elsje, maar _deze_ berisping trok zij
zich heel weinig aan. Zij was zóó blij dat zij de koningin gezien
had en zoo opgetogen over haar, dat er voor 't oogenblik althans,
geen plaats was in haar hart voor spijt over hetgeen ze in haar groote
vreugde had gedaan. Zij luisterde beleefd naar wat hare tante zeide,
maar dacht er verder niet over na.

En wie beschrijft hare verrukking, toen ze op een der eerste ochtenden
na de vacantie, de eetkamer op school inkwam en op haar bord een
pakje vond liggen, dat een groot kabinetportret der jonge koningin
bleek te bevatten. Met groote ingenomenheid bekeek zij het en zag
toen dat achter op het karton geschreven stond:

"_Met hartelijke groeten van Frits d'Ablong. Ter herinnering aan_
18 _Augustus._"



Hoofdstuk XIV.

"Kindersproke."


"O tante, zóó lang?" had Elsje gevraagd, toen mevrouw d'Ablong zeide
dat zij haar tot haar achttiende jaar op kostschool wilde laten blijven
en nu was ten slotte de tijd om, voordat zij het zelf haast wist. Zij
zou het niet geloofd hebben als iemand het haar drie jaren geleden
had voorspeld, maar toen de dag van het afscheid naderde, voelde zij
zich zoo bedroefd en zag zij er zoo tegen op het gelukkige leven,
dat zij op school gehad had, vaarwel te zeggen, dat zij er werkelijk
een oogenblik ernstig over dacht, hare tante te smeeken, haar nog
een jaar te laten blijven. Maar, zoo onhartelijk en ondankbaar wilde
zij toch niet zijn. "Nu verlang ik er bepaald naar dat je voor goed
thuiskomt, kind," zei mevrouw d'Ablong den laatsten keer dat zij
Elsje bezocht. "Cécile gaat zoo verbazend veel uit, nu zij eenmaal
gepresenteerd is en ik ben zoo bang dat ik haar gauw heelemaal zal
verliezen..."

"Waarom tante?" viel Elsje haastig in. Zij wist dat de wensch van
grootmama spoedig zou worden vervuld en Frits er in geslaagd was
een betrekking als rentmeester te vinden. Het groote buiten, waar hij
werkzaam zou wezen, lag op een klein uur afstands van de villa der oude
dame en dezen zomer zou Frits voor goed uit Duitschland terug komen
en zijn nieuwen werkkring aanvaarden. Elsje had hem slechts een paar
malen even gezien in de laatste twee jaren; hij was dikwijls in het
land geweest buiten den vacantietijd. Toen zij hem het laatst ontmoet
had, in de vorige zomervacantie, buiten bij grootmama, was het haar
opgevallen dat Cécile en hij zoo vertrouwelijk samen waren. Zij had
toen weer sterk het onderscheid gevoeld tusschen Cilly en zichzelf,
want, hoewel hare manieren nu, volgens mevrouw d'Ablong, "bijna
onberispelijk" waren, overviel haar toch telkens in tegenwoordigheid
van Cécile en Frits, een gevoel van linkschheid, dat haar verlegen en
stil maakte. Zij had zich niets gelukkig gevoeld die dagen dat Frits
buiten was en het eigenlijk een verlichting gevonden, toen hij weer
vertrekken moest. Het was niet lief van haar, dat voelde ze wel, maar
zij kon het niet heel goed verdragen dat hij en Cécile het zoo bizonder
goed samen konden vinden, en toch, wat ging het haar eigenlijk aan,
zij schaamde zich er over dat het haar zoo hinderde. Wat verbeeldde
zij zich wel? Frits was immers ook altijd even vriendelijk en beleefd
jegens haar; _meer_ verlangde zij toch niet? Zij werd telkens boos op
zichzelf, als zij zoo redeneerde, maar.... heel veel hielpen die toorn
en dat redeneeren haar niet. Zij had zich echter vast voorgenomen,
het heusch heel prettig te vinden, als zij hoorde dat Frits en Cécile
samen zouden trouwen; nu hare tante echter, naar zij dacht, met dit
bericht voor den dag zou komen, verlangde zij er heelemaal niet naar,
het te hooren. Zij kreeg een kleur, toen zij op de geheimzinnige
woorden van mevrouw d'Ablong inviel met haar:

"Waarom tante?"

"Wel meisje, wat komt dat er levendig uit!" lachte hare tante. "Zoo,
zoo, begin je je ook al zoo verbazend voor dergelijke dingen te
interesseeren? Nu, ik heb wel hoop dat mijn aardig nichtje _ook_
nog wel eens iemand zal vinden, die heel veel van haar houdt. Je
ziet er veel beter uit, Elsje. Je moet maar veel rose dragen, die
blouse flatteert je bepaald. Neen, kijk mij eens even goed aan! Ik
geloof heusch dat ik je bij je kin moet vasthouden; je draait
telkens je hoofd om. Ziezoo, nu moet je me wel aankijken, ondeugend
kind. Ik denk wezenlijk meisje, dat je met die blauwe oogen nog
eens iemand betooveren zult. Wordt je nu al verlegen om zoo'n gewoon
complimentje? Wat ben je toch een grappig, kinderlijk schepseltje! En
wou je nu zoo dolgraag eens weten, waarop ik zoo pas doelde? Krijg
je nu al weer een kleur en wat kijk je vreeselijk ernstig! Nu Elsje,
ik denk.... ik denk haast wel dat Cécile gauw geëngageerd zal zijn."

"O," zei Elsje met een zucht, terwijl ze haar gezicht wegtrok en haar
best deed blij te kijken.

"Ik denk," vervolgde mevrouw d'Ablong met een trotsch lachje, "dat zij
een allersnoeperigst bruidje zal wezen; maar zoover zijn wij nog niet,
gelukkig. Ik mag je nog niet vertellen met wien Cilly trouwen gaat,
dat heb ik haar stellig beloofd en je moet er haar ook nog maar niet
over schrijven, dat heeft ze liever niet. Er zijn redenen waarom het
engagement voorloopig nog geheim moet blijven, maar je begrijpt zeker
wel dat ik nu nog meer verlang om je voor goed thuis te krijgen, he?"

"O ja, tante."

"Vooreerst zal Cécile nog wel niet trouwen, maar haar aanstaande man
zal haar natuurlijk heel dikwijls van mij weghalen, dat spreekt van
zelf. Ik denk dat zij een erg knap paar zullen zijn. Maar nu mag
ik er je niets meer van vertellen. Cilly heeft me dat zoo op het
hart gedrukt. Nu kindje, daar luidt de bel voor je lunch, ga maar
gauw heen--tot Juli hoor! Wij zien elkaar dan terug bij grootmama;
ik zal er voor zorgen dat er nog een paar nette, nieuwe toiletjes
voor je worden gemaakt. En o ja, denk er aan dat je er niets van laat
blijken, als je bij grootmama komt, dat je van Cécile's engagement
afweet. Het moet bepaald nog strikt geheim blijven tot het najaar;
pas dus goed op, hoor."

"Ja zeker tante."

Dit was een van de redenen, waarom Elsje er zoo tegen opzag van
haar gelukkigen kostschooltijd afscheid te nemen. "Frits en Cécile
geëngageerd," dacht ze, "wat zullen zij mij dan uitstekend goed
kunnen missen! Ik vind het heerlijk, heerlijk, grootmama weer te
zien, maar alles zal nu wel heel anders wezen dan vroeger. Grootmama
zal natuurlijk, evenals tante, erg opgaan in die twee. Maar ik
moet mijn best doen. Tante is zoo lief voor mij tegenwoordig
en... en... misschien valt het wel mee. Ik vind het vreemd dat
Frits eerst in Augustus thuiskomt, hij zal toch wel heel erg naar
Cécile verlangen. Vóór dien tijd zal het dan toch wel heel prettig
zijn bij grootmama; ik wou dat ik dan later nog wat bij Line mocht
gaan logeeren."

Line was de dochter van den bloemist. Elsje en zij waren nu elkaars
"grootste" vriendinnen en vonden het een verschrikkelijk denkbeeld
dat de tijd spoedig aanstaande was, waarop zij elkaar niet meer
dagelijks zouden zien. Zij namen zich echter stellig voor, elkaar
trouw te schrijven en Line rekende er vast op, dat Elsje eens gauw
bij haar zou komen logeeren.

"Dag Elsje, dag lieve, lieve Elsje!" zei ze, toen het uur van afscheid
nemen werkelijk was gekomen en de twee vriendinnen elkaar voor het
laatst omhelsden. "Je schrijft me nu heusch dadelijk, he? Ik beloof
je dat ik je brief heel gauw zal beantwoorden. Ik hoop dat je het
heerlijk hebben zult buiten, bij die lieve oude dame. Ik vind het
verrukkelijk om naar huis te gaan, maar o, wat wou ik dolgraag dat
je nu al met me mee gingt!"

"Kom Line, nu moet Elsje heusch weg, haar koffer is al naar het
station," kwam de directrice tusschenbeide. "Heb je al de andere
meisjes ook al goedendag gezegd, Elsje? Het spijt iedereen dat je
voor goed weggaat. Je bent mij een heel lieve leerling geweest, kind;
God zegene je!"

Elsje was verbaasd te zien, hoe de anders zoo statige dame de tranen
in de oogen had. Nu kon zijzelf zich ook niet langer goed houden. Tot
op dit oogenblik had zij dapper tegen hare ontroering gestreden,
maar thans begaf haar opeens alle zelfbeheersching en hare handen
voor het gezicht slaande, riep ze snikkend uit:

"Och juffrouw, ik wou hier zoo vreeselijk graag nog wat blijven;
ik heb het hier zoo heerlijk gehad..."

"Kom lieve meid, je zult het immers bij je tante ook weer heel prettig
hebben! Doe maar goed je best om een lieve tweede dochter voor haar te
zijn. Dag kind, dag kind! Laat mij maar eens gauw wat van je hooren."

En het rijtuig reed met Elsje en de Fransche secondante, die haar naar
het station bracht, weg, terwijl zij nog maar al met hare hand uit
het raampje wuifde, tot het laatste stipje van het kostschoolgebouw
uit het gezicht was verdwenen.

O, wat was het heerlijk, toen zij aan het eind harer reis aankwam,
terstond toen zij uit den coupé stapte, het lieve gezicht van grootmama
voor zich te zien! "Welkom thuis, kind, welkom thuis!" zei de oude
dame, Elsje naar zich toetrekkend en een kus gevend. "Wat heb ik naar
je verlangd!"

"En ik naar u, grootmama," zei Elsje warm.

"Ja? Kom, dat is goed. Jacob staat met het rijtuig op ons te
wachten. Kijk, de paardjes trappelen al van ongeduld om je thuis te
brengen. Je ziet Cilly zeker ook al, he? Zij is maar heel gemakkelijk
in het rijtuig blijven zitten; tante wacht je thuis op. Jammer
dat Frits er nu nog niet is, die verlangt ook naar je. Kijk je zoo
nieuwsgierig, omdat je niet weet wie die andere jonge dame is, die
naast Cilly zit? Maar je kent haar toch heel goed! Zij logeert ook
een poosje bij mij. Kom, ga maar gauw mee."

"O ja, nu zie ik het; het is Loulou van Rensen," zei Elsje, nu juist
niet op verheugden toon.

"Dag Elsje, welkom hier," zei Loulou vriendelijk, zoodra ze haar
zag. "Vindt je het niet verbazend prettig om voor goed van kostschool
af te zijn? Wat zie je er goed uit, zeker ook van blijdschap, he?"

"Dat weet ik niet," zei Elsje lachend. "Dag Cécile."

"Dag Elsje, welkom hier," was al wat Cécile zeide, maar Elsje lette
er niet op en was dadelijk druk in gesprek met grootmama, die alles
weten moest van de directrice en van het afscheid en vooral van
Elsje's grootste vriendin.

Mevrouw d'Ablong begroette Elsje vrij hartelijk en nam haar dadelijk
mee naar hare kamer om haar de nieuwe japonnetjes te laten zien, die
zij voor haar in orde had laten maken. "Dat opgestoken haar staat je
bizonder goed," zei ze, "maar je moet er bepaald een schildpadden
naald in steken. O, daar komt grootmama ook al weer aan. Die heeft
wat naar je verlangd, kind; Cilly zou haast jaloersch geworden zijn."

"Ik kom Elsje een brief brengen, zeker van Miss Piper," zei de oude
dame, die de kamer binnenkwam, gevolgd door Cécile en Louise.

"Cilly heeft _geen_ reden om jaloersch te wezen. Is het wel, _madame
la baronne_?" fluisterde Loulou lachend.

"Sst! Stil toch!" fluisterde Cécile terug. "En wees toch niet zoo
flauw met je _madame la baronne_! Dat ben ik heelemaal niet...."

"Maar je zult er toch op lijken, als je later op het kasteel woont."

"Och wat, kasteel! Het is heelemaal geen kasteel, het is een heel
gewoon huis!"

"Maar...."

"Toe, stil nu," zei Cécile op gebiedenden toon. "Is het een brief
van Miss Piper, Elsje? En vindt ze het niet naar, dat ze nu al een
jaar van ons weg is?"

"Zij schrijft heel hartelijk, lees maar eens," zei Elsje. "Ik vind
het erg aardig dat zij er aan gedacht heeft dat ik vandaag voor goed
thuis kwam."

"Nu moet je mij eens even al je aandacht schenken, kind," zei
grootmama, een klein doosje te voorschijn halend. "Ik had het je
al willen geven op je achttienden verjaardag, maar tante vond het
aardiger, als je het nu kreegt. Kijk eens!"

En het doosje openend, liet zij Elsje een allerliefst geëmailleerd
gouden horloge zien.

"Neem het er maar uit," zei ze met een vriendelijk knikje, toen Elsje
er met een verbluft gezicht naar stond te kijken.

Voorzichtig en een beetje verlegen gehoorzaamde ze.

"Lees eens, wat op den rand staat," zei de oude dame weer. "Ik hoop
dat het je bevalt."

"O grootmama," was al wat Elsje zeide, toen ze de kleine letters op den
rand van het horloge ontcijferde. "Aan mijn lieve kleindochter," stond
er en toen ze die woorden las, was het Elsje een oogenblik, alsof ze
werkelijk hare eigene lieve grootmoeder terug had gekregen. Er kwam een
warm, weldadig gevoel in haar hart bij het besef, hoe de oude dame ook
haar geheel als hare eigene kleindochter wenschte te beschouwen en het
horloge in het étui op de tafel leggend, liep ze naar grootmama toe,
sloeg op hare oude, kinderlijke wijze de armen om haar hals en zei:

"O dank u, dank u hartelijk."

"Wat een roerend schouwspel!" zei Cécile zachtjes tot Louise, die
met haar bij het raam stond.

"Och, ik vind het eigenlijk heel aardig dat ze zoo blij is," fluisterde
Louise terug. "En wat is ze er lief gaan uitzien, Cilly. Ze heeft
zoo'n mooie kleur van haar gekregen en ik heb vroeger nooit opgemerkt
dat ze zulke aardige oogen had."

"Lieve tijd, Lou, ze kan best hooren wat je zegt. Houd je toch stil!"

Maar Elsje had het niet gehoord. Zij was veel te veel vervuld van het
bezit van haar horloge en druk in gesprek met grootmama en mevrouw
d'Ablong. "Hoe maakt Liesje het toch?" vroeg ze, toen Louise later
een praatje met haar maakte, "vindt ze het nog zoo prettig op school
en is ze alweer gegroeid?"

"O ja, ze is bepaald al weer grooter dan toen jij haar het laatst
zaagt en ze vindt het erg deftig dat ze nu heusch acht jaar is."

"Ik verlang haar weer eens te zien," zei Elsje.

"Ik geloof dat ze ook erg naar jou verlangt, maar ze zal je nu wel
niet meer bij den naam durven noemen."

"Dat zal ze wel, hoop ik," zei Elsje lachend. "En anders zal ik het
haar wel leeren."

Het viel haar dien eersten dag zeer mee, dat Louise zooveel
vriendelijker jegens haar was dan ze verwacht had, maar den volgenden
dag scheen deze het weer noodig te vinden, Elsje wat meer op een
afstand te houden. Zij was zooveel jonger en Cécile had eigenlijk wel
gelijk, het was vervelend dat dat jonge kind nu telkens mee moest,
als zij wandelen gingen. Zij konden nu lang zoo vrij en genoegelijk
niet meer praten als zij tot hiertoe hadden gedaan.

Heel erg geneerden zij zich trouwens niet, toen zij na het ontbijt met
Elsje in het bosch liepen. Elsje deed eerst haar best mee te praten,
maar toen het gesprek langzamerhand uitsluitend over de bals liep,
die Cécile en Louise den vorigen winter hadden bijgewoond en toen
de laatste Cilly voortdurend plagend _madame la baronne_ noemde en
allerlei geheimzinnige toespelingen maakte op iemand, die ook wel
dolgraag naast Cilly zou hebben willen loopen, begon het Elsje te
vervelen en liep zij zwijgend voort, zooveel mogelijk de plechtige
schoonheid van het bosch genietend. Maar het gefluister en gegiegel
naast haar hinderde haar toch en zij was blij, toen het tijd werd om
naar huis te gaan. Grootmama kwam de meisjes uit de veranda tegemoet,
toen zij hen zag aankomen. "Een telegram! Een telegram van Frits!" riep
ze. "Hij komt morgen al thuis."

"O, hoe vreeselijk gezellig!" riep Cécile terug, terwijl Elsje
haar snel aankeek. Wat nam Cécile het bericht eigenlijk gewoon
op! Zij praatte er niet eens verder over, toen zij in huis waren,
maar greep gretig naar twee brieven, die de post juist voor haar had
gebracht. Hoe vreemd! Zij moest toch wel heel blij zijn, dat hij nu
al zoo gauw kwam. Het engagement werd dan zeker dadelijk publiek,
al was het nog geen najaar. Foei, wat was zijzelf weinig kalm! Wat
had zij toch? Het zou heel aardig wezen, Frits eens weer te zien, maar
daarom behoefde haar hart nu toch niet zoo dwaas onstuimig te kloppen
en was het volstrekt niet noodig dat hare wangen zoo gloeiden! "Wel,
kindje, wat staan je oogen helder, bevalt het luie leventje je al
goed?" vroeg grootmama, en Elsje knikte een beetje verlegen, zij
voelde zich zoo vreemd en o, ze zag zoo tegen morgen op. Ze zou dan
natuurlijk heel verheugd moeten kijken, als men haar vertelde dat
Cécile en Frits geëngageerd waren en ze was er in werkelijkheid niets
mee ingenomen. Ze kon het niet helpen, het was misschien heel leelijk
van haar, maar ze vond het in 't geheel geen prettig vooruitzicht,
om die twee zoo heel intiem samen te zien. "Ik ben een akelig,
onuitstaanbaar, ondankbaar schepsel!" zei ze tot zichzelf, toen ze
's avonds alleen op haar kamer was en in een alles behalve kalme
stemming. "En ik _moet_ morgen blij kijken en heel vroolijk zijn,
maar och, ik wou ... ik wou dat ik Frits verschrikkelijk naar vond!"

Met dezen onvriendelijken wensch in haar hart viel zij in slaap.

Ze was wonderlijk kalm, toen het uur naderde, waarop Frits thuis
komen zou. Zij zag er nu niets tegenop, heelemaal niet en dat was
erg gelukkig, vond ze, maar och lieve tijd, al hare kalmte verdween
als sneeuw voor de zon, toen zij Frits voor zich zag. En hij was
zelf nog wel zoo stil, ja zelfs een beetje verlegen, toen hij haar
goedendag zeide. "Je bent zoo veranderd," zei hij, terwijl hij met
iets eerbiedigs in zijne oogen keek naar de slanke, bevallige gestalte
en het frissche meisjesgezicht, waarover een eigenaardig bekoorlijke
beschroomdheid lag. Elsje _kon_ niet anders dan ernstig kijken op dit
oogenblik. Zonder een woord te spreken, legde zij hare hand in die
van Frits en keek hem aan. Toen voelde zij zich opeens zoo onrustig
en gejaagd, dat ze het een verademing vond, toen hij zich van haar
afwendde, omdat grootmama hem iets vroeg.

"Nu komt het, nu komt het!" dacht Elsje, toen het geheele gezelschap
na de koffie bij elkaar in de veranda stond en Frits Cécile plaagde,
omdat zij hem niet met een kus welkom had geheeten. "Je hebt snood
de belofte gebroken, die je me jaren geleden gedaan hebt," zei hij,
waarop Cécile beweerde dat zij nooit beloofd had, dat zij hem altijd
"zoo overdreven hartelijk" zou begroeten, als zij hem zag. "Dat zou
ook heelemaal niet _comme il faut_ zijn," fluisterde Louise haar in,
waarop Frits absoluut weten wilde, wat zij gezegd had en Elsje maar al
op heete kolen stond, omdat zij ieder oogenblik verwachtte dat mevrouw
d'Ablong of grootmama over het engagement van Frits en Cécile zou gaan
spreken. Dien dag gebeurde dit echter niet en tot Elsje's verwondering
ook den volgenden niet en den daarop volgenden en toen er een week
voorbij was gegaan, zonder dat iemand ook maar een enkele toespeling
op het bewuste engagement had gemaakt, kwam zij tot de overtuiging dat
men het toch niet eerder bekend wenschte te maken dan in het najaar.

Deze gedachte moest haar kalmer hebben gestemd, maar tot haar schrik
was dit het geval niet. Het was ook zoo vreemd dat Cécile en Frits
elkaar betrekkelijk zoo weinig zochten en dat de eerste telkens
lange wandelingen met Louise ging maken, zonder dat men wist, waar de
beide meisjes gebleven waren. Na den eten waren zij telkens spoorloos
verdwenen en het was nu al een paar malen gebeurd dat Elsje haar op
het tennisveld achter het huis had gezocht en daar Frits aangetroffen
had. Hij had dan telkens verrast opgekeken, als hij haar zag en eenmaal
waren zij heel prettig samen gewandeld naar de heide, naar de plek,
waar hij Elsje eens in liggende houding had aangetroffen. Hij was
toen erg vriendelijk en zeide dat hij zoo blij was geweest, haar weer
te zien en te kunnen denken dat zij zich nu veel gelukkiger voelde,
dan toen zij voor 't eerst die plek had bezocht en zij had toen maar
even geknikt--zij _kon_ niet spreken; o, als hij eens geweten had,
hoe onrustig en bang het was in haar hart!

Zij wilde en durfde zich niet afvragen, wat dit wonderlijke gevoel
veroorzaakte in haar binnenste, maar het maakte haar ongelukkig
en opgewonden tegelijk en toen zij dien avond weer op haar kamer
naar buiten stond te kijken, wendde zij zich opeens woest af van
het vredige schouwspel daar buiten en riep uit: "O, ik wil het niet,
ik wil het niet! Het zou schande zijn, ik _mag_ niet!" En in een diep
bedroefde stemming, overstelpt door een gevoel van schaamte en weemoed,
knielde zij neer en bad vurig en smeekend:

"Heer, neem die liefde weg uit mijn hart. O, ik smeek U, neem haar
weg en help mij, help mij!"

Maar haar strijd werd haar niet gemakkelijk gemaakt. "Ik wou dat hij
maar minder vriendelijk was," dacht ze, telkens als Frits een gesprek
met haar aanknoopte en haar op allerlei wijzen toonde dat hij haar
aardig vond en van haar hield. "Waar is Roodkapje? Gaat Roodkapje
niet mee?" hoorde zij hem steeds roepen, als er questie was van
een wandeltocht of iets dergelijks. "Ik mag je toch immers nog wel
Roodkapje noemen?" had hij gevraagd. "Ik vind het zoo aardig, zoo'n
naampje voor mij apart!" En zij had toen een beetje stroef "ja" gezegd,
boos op zichzelf, omdat de laatste woorden haar zoo welkom waren.

Als zij ten minste uiterlijk maar heel kalm had kunnen zijn,
dan zou het nog niet zoo erg zijn geweest, maar het kostte haar
groote moeite, zich bedaard voor te doen, vooral als zij telkens de
spottende oogen van Cécile en Louise op zich zag gevestigd, wanneer
Frits haar een beleefdheid bewees of met haar praatte. Zij vond het
bepaald een verademing, toen er, na een droogte van eenige weken,
plotseling een dag kwam, waarop het zoo hevig regende dat er van
uitgaan geen sprake kon zijn. Zij besloot nu rustig den geheelen
middag op hare kamer te gaan zitten schrijven, aan een langen brief
aan Line. Gelukkig werd zij niet in haar voornemen verhinderd, maar
moeite kostte haar de brief wel--het was zoo vreemd om over koetjes
en kalfjes te schrijven aan hare vriendin, terwijl haar hart vol
strijd en droefheid was. "Zóó is het toch maar het beste," zei ze,
toen ze den brief met een zucht sloot. Toen kwam er een lachje op
haar gezicht. Wat was zij toch eigenlijk dwaas! Kom, zij zou er wel
overheen komen; zij moest er vooral maar niet te veel aan denken;
als Frits en Cécile eenmaal getrouwd waren, kwam alles wel weer in
orde. Bij die gedachte zuchtte ze echter weer, alsof dat "in orde zijn"
toch maar betrekkelijk zou wezen.

"Komt Cilly en Loulou, vroolijkt ons eens wat op door een beetje
muziek," zei grootmama 's avonds onder theetijd. "Ik word heelemaal
somber door dien aanhoudenden stortregen vandaag. Wil je eens wat
zingen, Louise, en heeft Cilly moed, je te accompagneeren?"

"O ja zeker," riepen de beide meisjes tegelijk uit. Frits deed de
piano open en even later klonken de vroolijke tonen van een Fransch
liedje door de kamer.

"Alleraardigst!" riep grootmama, toen het uit was. "Zingt nu nog eens
een paar duetten, ik hoor jullie zoo graag samen."

De meisjes waren onvermoeid en zongen met lust en volharding door,
totdat de schemering inviel en Cécile beweerde dat zij nu "heusch
onmogelijk een noot meer kon lezen."

"Het spijt me toch wel, dat ik Elsje in 't geheel geen muziek heb laten
leeren," zei mevrouw d'Ablong tot grootmama. "Zij scheen er echter
weinig aanleg voor te hebben, maar nu mist ze het toch, dunkt me."

"Ze moet haast wel aanleg tot zingen hebben met die welluidende stem,"
zei Frits opeens.

Elsje werd verlegen en Louise en Cécile stootten elkaar aan.

"Elsje kan zoo fraai reciteeren," zei Cécile, "misschien wil zij
dat nu wel eens voor ons doen. Wij zitten nu net zoo poëtisch in
schemerdonker en daar heeft ze geen licht voor noodig."

"Ik weet niet of Elsje er lust in heeft," zei grootmama langzaam en
een weinig bevreesd dat Elsje er tegenop zou zien, in dit gezelschap
iets voor te dragen.

"Dat denk ik wel," zei mevrouw d'Ablong beslist, terwijl Elsje zwijgend
voor zich keek, onzeker wat zij zeggen zou.

"Wil je, Roodkapje?" vroeg Frits dringend. "Het behoeft maar een
kleinigheid te wezen."

"Komaan, Elsje, ik weet dat je het heel goed doet," zei mevrouw
d'Ablong snel. "Je hebt het zoo uitmuntend geleerd op school en het
al zoo dikwijls gedaan, wees nu niet laf."

"Nu begin ik nog meer te verlangen. Ik heb je nog nooit hooren
reciteeren, Roodkapje," zei Frits weer.

"Ik wil wel, tante," zei Elsje zacht, "als ik maar wist wat."

"Kijk, je kunt door het raam de sterren zien schijnen; het wordt
beter weer, inspireert je dat niet?" vroeg Louise lachend.

En de flonkerende sterren schenen Elsje werkelijk op een inval
te brengen.

"Wij hebben de laatste weken op school iets geleerd, dat ik
bizonder mooi vond," zei ze. "Zal ik dat nemen? Maar het is heel
eenvoudig. _Kindersproke_ heet het; misschien kent u het, grootmama?"

Neen, niemand kende het. "Begin maar gauw, dan zijn wij even ver als
jij," zei Cécile.

En met een heldere stem, eenvoudig en zonder eenige gemaaktheid,
begon Elsje te reciteeren:


KINDERSPROKE.

Nacht is niet boos... Als hij komt de nacht,
Maakt hij den hemel open,
En veel sterren en sterretjes komen zacht
Op gouden voetjes geloopen.
Zij zijn nieuwsgierig, en naar beneê'
Zouden ze heel graag komen;
Maar ze zijn bang voor de groote zee
En voor de hooge boomen.

't Is boven óók donker ... maar zij hebben licht!
De zon gaf ze allemaal lichtjes,
Voordat hij naar bed ging; die houden ze dicht
Bij hun gouden sterregezichtjes.
Zij kijken, en lachen, en knikken goênacht,
En zeggen: "je moet gauw gaan slapen."
Zij worden eerst naar bed gebracht,
Als de zon heeft uitgeslapen.

Ze wand'len boven den ganschen nacht
Op hun kleine bloote voetjes;
Dat doet geen pijn ... de wolken zijn zacht,
En ze gaan ook maar zoetjes, zoetjes;
Ze mogen nóóit leven maken; dàt zou
De moede menschen hind'ren...
'k Geloof niet dat _ik_ ze hooren zou;
Maar er zijn ook _zieke_ kind'ren.

'k Zou heel graag eens naar boven gaan,
Als 'k wist hoe daar te komen...
Vogels hebben vleugels aan,
Die vliegen boven de boomen.
Bouwen ze boven ook hun nest?
Of zou hun dat niet bevallen?
En loopen je altijd alleen?--Je zoudt best
Uit je open huis kunnen vallen.

Hebben je boven ook een tuin,
En bloemen ... en kersen ... en bijen,
--Die brommen zoo!--en een hooge duin
Waar je op en af kunt rijen?
En je moeders handen, zijn ze ook zoo zacht
Als ze je 's morgens komt wasschen,
En de zeep zoo schuimt, en een watervracht
Over je rug komt plassen?

In _mijn_ bosch woont een nachtegaal.
Hebben je kleine muschjes,
Die je voeren kunt?--Ben je allemaal
Broertjes ... broertjes en zusjes?
Ik krijg er haast ook een: 't bedje staat klaar,
Hebben jullie allemaal bedjes?
Maar waar zijn ze dan, ik zie er geen .. waar?
'k Hou 't mijne nu altijd netjes.

Twee, tien, twintig ... altijd meer
Komen je aangeloopen...
In mijn oogen strooien je prikkeltjes neer...
Ik hou ze niet meer open!
Tien, zes, honderd... ik ben te moe
Om je allemaal te tellen...
Als ik wakker word, is de hemel toe
En 'k heb nog zóóveel te vertellen...
    
<<Page 11   |   Page 12   |   Page 13>>
Go to Page Index for Elsje (een verhaal voor meisjes)

You are here --- [ Home / Author Index K / A.C. Kuiper / Elsje (een verhaal voor meisjes) / Page #12 ]