|
|
"Ik vond het een aardige verrassing voor je haar hier te vinden," zei
de oude dame, terwijl ze zachtjes hare hand over Elsje's haar streek.
Elsje's hart was zoo vol, dat zij niets anders doen kon dan grootmama's
hand grijpen en die stevig drukken.
Liesje was natuurlijk opgetogen en bleef steeds zoo dicht mogelijk
bij Elsje. Aan tafel moest zij naast haar zitten, na den eten was zij
er niet af te brengen te helpen bij het uitpakken van den koffer en
zij vond het heerlijk, toen Elsje later terstond beslist den wensch
uitte om Liesje zelf iederen avond naar bed te brengen. Toen het
kleine meisje eindelijk onder de dekens lag, na hare beide armen om
Elsje's hals te hebben geslagen en na haar met een "nacht snoes!" een
nachtkus te hebben gegeven, dronk Elsje heerlijk rustig thee onder
de veranda met de oude mevrouw d'Ablong en Frits, en ging de avond
voorbij onder gezellige, vroolijke gesprekken. Noch grootmama noch
Frits schenen iets aan te merken te hebben op Elsje's manieren of
op hare wijze van zich uit te drukken en toen ze later alleen op
hare kamer was, vroeg zij zich verwonderd af, hoe het kwam dat zij
zich hier in huis zoo bizonder op haar gemak voelde. Met een zucht
van geluk legde zij zich ter ruste en toen de oude dame nog even naar
haar kwam kijken, deed zij als Liesje, sloeg de armen om grootmama's
hals en fluisterde:
"Wat houd ik toch veel van u en wat is het heerlijk weer bij u
te zijn!"
En nu volgden er dagen voor Elsje, die zij haar geheele leven niet weer
zou vergeten, dagen van rein genot, waarin de vrede en blijmoedigheid
terugkeerden in haar hart. Bijna overweldigend was voor haar in
het begin de aanblik van de prachtige natuur. "Nu moet je maar eens
alleen een eind gaan wandelen," zei grootmama den eersten ochtend na
het ontbijt. "Neen, Liesje blijft van morgen bij mij--je bent nu mijn
patiëntje en ik reken er op dat je me stipt zult gehoorzamen. Tegen
koffietijd kan Liesje je dan wel hier in de dennenlaan tegemoet
komen. Ga dien kant maar eens uit, je zult het daar heel mooi vinden."
Elsje gehoorzaamde met een lachend gezicht en liep langzaam de
dennenlaan in op zij van het huis. Het was er zoo heerlijk stil
en mooi en het rook er zoo lekker! Met innig welbehagen ademde ze
de verkwikkende lucht in en wandelde voort, terwijl de grond hoe
langer hoe heuvelachtiger werd en zij soms even stil moest staan om
adem te scheppen. "Wat ben ik gek gauw moe," dacht ze. Toen ze bij
grootmoeder was, kon ze uren achtereen loopen, zonder iets te voelen
en nu was ze nog geen half uurtje van huis, of ze kreeg al lust om
eens even te gaan zitten. Maar nu al rusten, dat was toch al te erg,
vond ze. Neen, ze zou nog doorloopen tot aan dien hoogen heuvel, daar
op zij van den weg. Dien moest zij even beklimmen, men had daar zeker
een prachtig uitzicht; ze kon daar dan wel een poosje gaan zitten. Ze
hijgde wel wat, terwijl ze haar voornemen ten uitvoer bracht, maar
zij gaf den moed niet op en toen ze bovenop den heuvel gekomen was,
hoe werd hare moeite toen beloond!
Plotseling stond ze voor een groot heideveld, waarover de zon vol
scheen en aan de purperkleurige bloesems van het heidekruid een
schitterenden glans verleende. Als een glinsterend, reusachtig tapijt,
vol gloed en kleuren strekte zich de heide uit, terwijl tusschen
den overvloed van bloeiende Erica, enkele blauwe klokjes groeiden,
waarvan de teere stengels zachtjes door den morgenwind heen en weer
werden bewogen. Een zoete welriekende geur steeg uit het kruid op en
een oogenblik was het Elsje, terwijl ze dien inademde, als stond ze
weer bij de heide in de buurt van het huisje van hare grootmoeder. Het
scheen haar alles zoo bekend, zoo heerlijk bekend, hier voelde ze
zich thuis, zoo geheel en al! 0, God was goed, zoo goed voor haar,
dat Hij haar dit liet genieten! Even stond ze doodstil en ernstig op
te kijken naar de rein-blauwe lucht--toen, als overweldigd door een
gevoel van onuitsprekelijke, hartstochtelijke vreugde, wierp zij
zich languit voorover op de heide en greep liefkoozend met beide
handen in het taaie, veerkrachtige kruid. Zoo bleef ze liggen, met
wellust de heidelucht opsnuivend en zich geheel overgevend aan een
gewaarwording van groot, oneindig genot. Eindelijk hief zij het hoofd
op, plantte hare beide ellebogen in den grond en keek gretig voor zich
uit. Het zachte gegons der bijen, het fluisteren van den wind door
de dennen naast haar, het rinkelen van de belletjes van een huifkar
heel in de verte, was al wat de stilte verbrak. Recht vóór haar,
in de diepte, zag ze het dorp liggen, met de roode daken der huisjes
aardig afstekend tegen het groen der hoornen en aan hare linkerhand
vertoonde zich een glooiende heuvelenrij, gelijk aan die, welke zij
zooeven had beklommen. En terwijl ze daar lag, werd het zeer rustig
en vredig in haar en kwamen haar de welbekende woorden in de gedachten:
"_Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulpe komen
zal._"
Hoe lang ze zoo bleef liggen, met al haar hart genietend, zou ze
niet hebben kunnen zeggen, maar ze schrikte op, toen ze plotseling
het zachte stemmetje van Liesje aan haar oor hoorde fluisteren:
"Slaap je? Waarom blijf je daar zoo stil liggen?"
"Zoo zoo, jonge dame, hebben wij het ons zo gemakkelijk mogelijk
gemaakt?" klonk de stem van Frits toen. "Gelukkig dat wij je eindelijk
gevonden hebben; dat is me een zoeken geweest, he Liesje?"
Verlegen sprong Elsje op. Dat Frits haar daar zoo had moeten zien
liggen! Wie weet, hoe ontzettend weinig jongedamesachtig hij hare
houding gevonden had! Als tante het hoorde....
"Ik ... ik vond het zo heerlijk hier!" zei ze. "Ik wist niet ... ik
dacht ... het spijt me erg dat ik niet wat netter zat."
"Maar Roodkapje, wat scheelt er nu aan?" En Frits lachte
hartelijk. "Wie zit er nu ooit 'netjes' op de heide! En ik vond je
houding juist zoo schilderachtig! Neen, kijk maar niet zoo verschrikt;
ik meen het, hoor. Het was alleen een beetje moeielijk je te vinden,
maar Liesje heeft me dapper geholpen bij het zoeken. Je zult wel
trek hebben na je vermoeienden tocht, he?" En hij keek haar plagend
aan. Elsje lachte vroolijk.
"Ik houd zooveel van de heide," zei ze. "Toen ik nog bij grootmoeder
woonde ging ik er zoo dikwijls heen."
"Ja, de heide is prachtig," zei Frits. "Kom, zullen we nu naar huis
gaan? Ja Liesje, blijf jij maar naast Elsje loopen aan dien kant,
dan ontsnapt ze ons niet weer. Waar heb je vroeger gewoond, Elsje?"
Elsje vertelde het hem en Frits toonde zooveel belangstelling in
haar vroeger leven, dat zij er over doorpraatte tot zij de villa
hadden bereikt.
"Wel kindje, je begint er al wat beter uit te zien," zei
grootmama. "Was het mooi buiten?"
"Zij heeft er niet veel van gezien. Ze heeft een dutje gedaan op de
heide" zei Frits.
"0 neen, heelemaal niet!" riep Elsje verontwaardigd uit. "Ik heb maar
al liggen kijken naar alles--het was er zoo prachtig!"
"Je hebt heerlijk gedroomd," spotte Frits weer en toen Elsje hevig
ontkennend het hoofd schudde, legde grootmama de hand op haar arm en
zei vriendelijk:
"Laat hem maar praten, kind; ik geloof heelemaal niet dat je geslapen
hebt."
Hoofdstuk XIII.
"Koningin! Koningin!"
"Ziezoo Liesje, nu ben je heusch heelemaal klaar. Neen, neen, je moet
niet te veel aan de bladeren trekken, dan gaan de kransen dadelijk
stuk. Ja, loop maar flink rechtop--dan zie je er dubbel deftig uit."
En Liesje liep met een gewichtig gezicht en kleine, voorzichtige pasjes
naar grootmama toe, die onder een breeden beuk op een mosheuveltje
zat uit te rusten van de lange wandeling, die het gezelschap samen
had gemaakt.
"Hè, nu wil ik ook heel graag eens even zitten," zei Elsje met de
handen nog vol eikebladeren. Frits, Liesje en zij waren druk aan het
plukken geweest en Elsje was daarop ijverig aan het kransen vlechten
gegaan, zoodat Liesje nu een lange guirlande droeg op haar witte jurk,
armbanden om de polsen en een krans op het blonde haar.
"Prachtig hoor!" zei grootmama, toen het kleine meisje vlak voor haar
ging staan met de woorden: "Kijk eens!"
"Nu moet Elsje zelf ook bekransd worden," zei Frits, terwijl Elsje en
hij zich naast de oude dame neervlijden, "kom Roodkapje, wij hebben
die eikebladeren niet voor niets geplukt. Niet zoo lui zijn als 't
je blieft. Ik sta er op dat je een krans voor jezelf vlecht en dan
nog een voor grootmama en een voor mij."
"En als ik dat nu eens niet doe?" vroeg Elsje lachend.
"Dan noem ik je nooit meer Roodkapje."
"Alsof dat zoo'n straf was!" riep Elsje uit, om toen plotseling
van toon te veranderen en langzaam, en als bij zichzelf te zeggen:
"Ja .... dat zou ik toch wel een beetje jammer vinden."
Grootmama keek snel op. "Waarom wordt je zoo graag Roodkapje
genoemd?" vroeg ze.
Elsje antwoordde niet dadelijk. Toen zei ze: "Het herinnert me zoo
prettig aan vroeger."
"Waarom ben jij Roodkapje?" vroeg Liesje met groote oogen.
"Omdat zij soms boodschappen gaat doen met een heel aardig, rood
wollen kapje op," zei Frits.
"En waarom zet je het dan nu nooit op?" vroeg Liesje. "Je hebt altijd
dien grooten hoed op, als wij samen boodschappen doen in het dorp. Doe
je morgen dan dat aardige, roode kapje eens op?"
"Morgen zijn tante en Cécile hier," zei Elsje langzaam.
"Maar je hebt dat kapje toch zeker ook niet bij je, wel?" vroeg
grootmama. Het deed haar leed op te merken hoe weinig Elsje naar het
gezelschap van mevrouw d'Ablong en Cécile scheen te verlangen. Zij
was nu drie weken bij de oude dame gelogeerd geweest, drie gelukkige,
zonnige weken, waarin hare oude opgewektheid en hare gezondheid geheel
waren teruggekeerd, maar hoe vroolijk en spraakzaam zij overigens
ook was, over hare tante en Cécile sprak zij bijna nooit.
Zij werd een beetje verlegen bij grootmama's vraag omtrent het
bewuste kapje en beschroomd, erg bang dat men haar uit zou lachen,
zei ze bijna fluisterend:
"Ja, ik heb het wel meegenomen in den koffer, omdat ik dacht .... als
ik soms eens alleen uitging .... het leek me zoo aardig het dan eens
op te zetten en me dan te verbeelden dat ... dat alles nog net was
als vroeger."
Er volgde een oogenblik van algemeen stilzwijgen en Liesje trok
Elsje den hoed van het hoofd en zette haar voorzichtig haar eigen
breedgeranden hoed op. Elsje scheen hiervan niets te bemerken--zij
was geheel in gedachten verdiept en keek stil voor zich uit het
donkere bosch in, waar de zon door de dichte bladeren heen, kleine
lichtvlekjes wierp op het groene mos. Met een grappig ernstig gebaar
legde Liesje haar vingertje tegen den mond om Frits en grootmama te
waarschuwen, Elsje niet opmerkzaam te maken op wat zij gedaan had. Zij
verried dit echter onmiddellijk zelf door voor Elsje te gaan staan,
in de handen te klappen en juichend uit te roepen:
"Daar heb ik je gefopt! Daar heb ik je gefopt! O, wat zie je er
mooi uit!"
"Ik geloof dat ik een prachtigen hoed op heb," zei Elsje, die haar
stil had laten begaan, maar heel goed gemerkt had wat zij deed. "Dien
houd ik dan maar op vandaag, denk ik, hij is zoo heerlijk voor de
zon met dien breeden rand."
"En met al dat gebabbel over dien hoed wordt er maar heelemaal niets
meer aan de kransen gedaan," mopperde Frits. "Het is wat moois! Als
ik dat geweten had, had ik me ook niet zoo uitgesloofd met het plukken
van eikebladeren!"
"Stil maar, ik begin al weer!" lachte Elsje vroolijk. "Zal ik er dan
eerst maar een voor u maken, grootmama?"
"Dank je kind, ik ben over die ijdelheid heen."
"Nu, ik eigenlijk ook," zei Elsje met een wijs gezicht.
"Lieve tijd, wat een aanstellerij!" riep Frits uit. "Alsof niet alle
meisjes nuffig waren! Maar zoo kom je er niet af! Ik wil een krans
hebben voor mijn strooien hoed en een beetje gauw ook!"
"Plaag dat arme kind toch niet zoo, Frits," zei grootmama.
"Alsof zij mij nooit plaagde!" zei Frits, op een toon van verdrukte
onschuld.
"Ik doe nu in ieder geval heel gedwee wat je me bevolen hebt," zei
Elsje bedaard.
"Wil je van avond het roode kapje eens opzetten als wij uitgaan?" vroeg
Liesje weer.
"Dat weet ik nog niet," zei Elsje langzaam, bedenkend dat hoogst
waarschijnlijk heden avond mevrouw d'Ablong en Cécile er zouden
zijn. De eerste had geschreven dat zij niet precies het uur van hare
aankomst bij grootmama kon melden, omdat Cécile en zij nog even in de
stad aan wenschten te gaan onderweg. In ieder geval moest grootmama
maar geen rijtuig aan het station sturen, zij zouden er daar wel
een nemen.
"Als Elsje het aardige, roode kapje opzet, moet je mij even roepen,
hoor Liesje," zei Frits. "Ik ben verlangend er de kennis mee te
vernieuwen. Och, och, wat keek je me _toen_ dankbaar aan Elsje, toen ik
je voor 't eerst zag! De tijden zijn wel veranderd! Nu krijg ik haast
nooit eens een vriendelijk woord en het grieft me tot in mijn ziel
te zien, hoe weinig het je aanstaat, dien krans voor mij te maken."
"Maar ik doe het met plezier," zei Elsje lachend.
"Ik hoop dat je de zuivere waarheid spreekt," zei Frits. "Ik houd er in
't geheel niet van dat iemand zich voor mij opoffert."
"Pruttel nu maar niet langer, de krans is klaar," zei Elsje. "Als
't je blieft. Doe hem maar gauw om je hoed."
"Ik had gedacht dat jij dat nu eens netjes voor mij doen zoudt."
"Toe Frits, help mij eens even op, wij moesten nu maar weer naar huis
wandelen," zei grootmama. "Het loopt tegen etenstijd."
Frits gehoorzaamde en bleef toen stokstijf staan met zijn hoed vast
op het hoofd gedrukt. Elsje sprong snel op met den krans nog in hare
handen. Daar viel Liesje's hoed haar af.
"O, o, o!" riep Liesje. "Hij duikelt het heuveltje af. Kijk eens! O,
wat aardig!"
Frits liep den vluchteling snel na, gaf Liesje en Elsje ieder hare
eigene hoeden terug en bleef toen weer stokstijf staan, erg rechtop,
in dezelfde houding als daareven.
"Komt kinderen, nu een beetje voortgemaakt!" riep de oude dame.
"Nog één oogenblikje, grootmoedertje," zei Frits. "Kom Roodkapje,
probeer eens of je zoo hoog kunt reiken en leg mij den krans eens om
den hoed, terwijl ik dien op heb."
"Zooveel grooter ben je niet dan ik," meesmuilde Elsje, maar zij moest
toch op hare teenen gaan staan en hare armen hoog uitrekken om bij den
hoed te kunnen komen. Een beetje hijgend en met moeite was ze bezig
het kunststuk te volbrengen, terwijl Frits lachend op haar neerzag,
toen zij plotseling ontsteld keek bij het hooren van een welbekende
stem, die riep:
"Hier zijn ze, hier zijn ze!"
Snel liet Elsje hare armen zakken en trad achteruit, terwijl hare
tante en Cécile naderden. Zij waren een uur geleden aan de villa
gekomen, hadden even gewacht, maar waren toen ongeduldig geworden en
de wandelaars gaan zoeken.
"Dol gezellig dat wij u zoo makkelijk hebben gevonden," zei Cécile,
grootmama een kus gevend. "Ik heb _onzinnig_ naar u verlangd,
grootmoedertje."
"En naar mij toch zeker ook?" vroeg Frits, met welgevallen naar zijn
nichtje kijkend. Zij zag er allerliefst uit in haar zomertoiletje van
licht crème en met den witten hoed met klaprozen op het donkere haar.
"Neen, naar jou natuurlijk heelemaal niet," zei ze met een coquet
lachje. "Hoe maak je het? En hoe gaat het jou, Lizzie, och, Elsje
bedoel ik. Dag, Liesje, kleine snoes, hoe heb jij het?"
En met een bevallige beweging knielde zij bij Liesje neer op het mos
en kuste haar.
"Ik loop met Elsje. Mag ik met Elsje?" vroeg Liesje, toen het
gezelschap zich in beweging zette om naar huis te wandelen.
"Ja, maar ik loop ook naast Elsje," zei Frits. "Kijk eens Cilly,
heeft Roodkapje mijn hoed niet mooi versierd?"
"O, stond ze daarom zoo ongeneerd vlak bij je?" vroeg Cécile scherp.
"Zoo, heb je dat nog net gezien? Ja, ja, Roodkapje en ik zijn beste
maatjes."
"Kom eens hier, Elsje," riep mevrouw d'Ablong, zich omkeerend. Zij liep
met grootmama voor de anderen uit. "Ik moet je eens goed aankijken
en eens zien of je heusch heelemaal weer de oude bent geworden. Dat
is een gesukkel geweest, he?"
"Ik blijf bij Elsje," riep Liesje weer en Cécile en Frits liepen
dus samen.
Cécile scheen niet bizonder tevreden over het onderhoud dat zij toen
met haar neef had.
's Avonds ten minste, toen Elsje alleen op haar kamer was en zich
gereed maakte om naar bed te gaan, kwam zij bij haar met een zeer
ontevreden gezicht en zei:
"Hoor eens Elsje, ik vind het heel onplezierig, maar ik moet eens
even met je spreken."
"Met mij? Wat is er dan?" vroeg Elsje verbaasd en fluisterend. "Praat
niet te luid, want dan maak je Liesje wakker."
"Ik heb je maar een paar woorden te zeggen, maar ik hoop dat je
me goed begrijpen zult. Val mij als 't je blieft niet in de rede
en luister goed. Ik heb mij ontzettend geërgerd, toen Frits mij
van middag vertelde dat je hem zooveel over je vroeger leven hadt
medegedeeld. Enfin, dat is nu eenmaal gebeurd en daar is dus niets
aan te veranderen, hoewel ik volstrekt niet begrijp, wat Frits met
jouw dorp te maken heeft,--maar veel erger is het dat je je hier in
huis en vooral tegenover Frits zoo belachelijk vrij gedraagt. Frits
is te goedhartig en grootmama te lief om daarvan iets te zeggen,
maar ik raad je sterk aan in 't vervolg wat minder het hoogste woord
te hebben en je familiare grappen voor je te houden. Ik heb je nu
bijtijds gewaarschuwd, voordat mama ernstig boos op je wordt en je
eens goed onder handen neemt. Nu zal zij er misschien niet meer met
je over spreken, als je ten minste je best doet dat alles anders
wordt. Vergeet niet waar je staan moet en bedenk als 't je blieft
dat je toch altijd maar een gewoon dorpskind blijft, al ben je dan
ook honderdmaal mijn nichtje. Nacht Elsje."
Elsje antwoordde niet, ook niet op de laatste woorden; ze bleef
doodstil bij het raam naar buiten staan kijken, toen Cécile reeds lang
de kamer had verlaten. Zij zag heel bleek en hield de handen stijf
tegen elkaar gedrukt, maar zij schreide niet en bleef uiterst bedaard,
hoewel het lang niet bedaard was in haar binnenste. Geruimen tijd
bleef ze zoo staan, al maar in dezelfde houding naar buiten kijkend
in den plechtigen maneschijn, toen ontspanden zich hare trekken en
met een zucht liet zij het venstergordijn zakken en ontkleedde zich.
Zij was op 't punt om in bed te stappen, toen haar iets inviel en
zij aarzelend en langzaam naar haar koffer toeging, dien opende,
naar iets zocht en eindelijk het bekende roode kapje te voorschijn
haalde. Zij hield het even in hare handen, keek er naar met half
lachende, half weemoedige oogen, sprong toen eensklaps op, strikte
het kapje om haar hoofd vast en ging voor den spiegel staan. De witte
nachtpon en het roode kapje staken grappig bij elkander af en vormden
nu juist geen toilet, dat goed bij elkaar paste, maar .... Elsje zag
toch in het korte oogenblik dat ze in den spiegel keek, dat het kapje
haar heel aardig stond en zoodra ze tot deze ontdekking kwam, bloosde
zij van schaamte over hare ijdelheid, liep snel van den spiegel weg,
trok zich het kapje van het hoofd, bergde het heelemaal onder in den
koffer weg en besloot het nooit, nooit weer op te zetten, zoolang
ze hier was. Frits zou er stellig wel niet meer om vragen, maar in
ieder geval zou ze het toch zeker niet doen. Zij _wilde_ niet nuffig
en coquet worden evenals Cécile en o--misschien, misschien _was_ ze
wel te vrij geweest en te familiaar, maar grootmama en Frits hadden
er toch niets van laten blijken dat ze dat vonden en ze was hier zoo
innig gelukkig geweest. Cécile had ook altijd zooveel aanmerkingen,
maar--ze moest toch oppassen en ze zou stiller zijn en geen grappen
meer maken en heel veel met Liesje alleen gaan wandelen en goed op
haar manieren letten; ze zou erg haar best doen dat tante tevreden
over haar kon zijn--dat nam ze zich vast voor.
Na dien avond was het gedaan met Elsje's zorgelooze uren van
genot. Grootmama en Frits waren wel even vriendelijk en alles bleef
even mooi, maar zij voelde zich telkens niet op haar gemak, vond
het maar het allerprettigst heele ochtenden en middagen met Liesje
alleen naar het bosch te gaan en was boos en verlegen tegelijk, als ze
Cécile's oogen waarschuwend op zich gevestigd zag. Frits plaagde haar
eerst dat ze zoo graag het heele bosch voor Liesje en zich alleen had
en dat zij het overige gezelschap telkens ontvluchtte, maar Elsje keek
dan zoo verschrikt en wist zoo heelemaal niet wat ze moest antwoorden,
dat hij haar met rust liet en zich alleen verwonderd afvroeg, hoe
zij opeens zoo veranderd was. In zijn bijzijn en dat van grootmama
behandelde Cécile Elsje altijd beleefd en goed, al hield zij haar
op een afstand. Een groote troost was voor Elsje het gezelschap van
Liesje, hoewel het kleine meisje haar telkens in verlegenheid bracht
door herhaaldelijk te vragen of zij het roode kapje nu niet eens op
wilde zetten. Mevrouw d'Ablong keek dan heel verbaasd en eindelijk
moest Elsje haar klein vriendinnetje bepaald verbieden, er meer naar
te vragen; Frits bemerkte al heel gauw dat het onderwerp zijn tante
niet aangenaam was en zweeg er dus over. Grootmama kwam trouw elken
avond even bij Elsje's bed om haar nog eens goeden nacht te kussen en
deed dit in deze dagen bizonder hartelijk, maar zij vroeg haar niet,
of haar iets scheelde en wat; zij begreep heel goed, welken strijd
het meisje had te strijden, maar vond het toch niet goed tusschen
haar schoondochter en Elsje te komen. Mevrouw d'Ablong was trouwens
vrij tevreden over het gedrag van haar nichtje en eens zelfs kwam ze
opzettelijk bij haar op haar kamer en zei:
"Nu moet ik je eens een prijsje geven, kind. Ik vind wezenlijk dat
je wat vooruit gaat in je manieren en vanavond vooral heb je je
zoo bescheiden en netjes gedragen, dat ik er plezier in had. Ik had
niets op je houding aan te merken, toen je bij dat tafeltje platen
zat te kijken."
Elsje glimlachte flauw. Zij had dien avond zoo erg lang gevonden en
zoo verlangd om maar naar boven te gaan!
Het was eenige dagen na dit gesprek dat grootmama en mevrouw d'Ablong
een lang onderhoud hadden in de veranda. Frits, Cécile, Elsje en
Liesje waren samen naar het bosch gegaan. "Ik laat je nu eens niet
weer zoo rustig je gang gaan, Roodkapje," had Frits 's ochtends aan
het ontbijt lachend gezegd. "Je blijft hier nu nog maar zoo kort,
ik wil nu nog een beetje van je gezelschap profiteeren, daar moet je
je dus maar in schikken."
Cécile zorgde er echter wel voor dat Frits zich ook dezen ochtend
meer met haar bemoeide dan met Elsje. De wandeling was echter zoo
mooi en Liesje babbelde zoo gezellig, dat Elsje toch erg genoot en
in een heel opgewekte stemming weer thuis kwam.
"Ga eens even met grootmama en mij mee, Elsje," zei mevrouw d'Ablong
na de koffie. "Wij hebben je iets heel gewichtigs te zeggen."
Elsje keek verschrikt op en volgde hare tante met een kloppend hart
naar het aardige, kleine boudoir, waar de oude dame reeds rustig in
haar gemakkelijken stoel voor het raam zat te wachten.
Zij trok Elsje naar zich toe en zei:
"Kom nu maar eens prettig hier bij me zitten, kind, in dat lage
stoeltje. Neen, een beetje dichterbij; ik heb je graag vlak naast me."
Elsje keek haar dankbaar aan, terwijl ze gehoorzaamde. Mevrouw d'Ablong
ging tegenover de oude dame zitten en begon:
"Grootmama vindt, Elsje, en ik vind het ook, dat het goed voor je zijn
zou, eens wat meer met meisjes van je eigen leeftijd om te gaan. Cilly
is nogal wat ouder dan jij en zooveel meer ontwikkeld en buitendien
is er nog heel veel dat je leeren moet en dat je ook gemakkelijker
leeren zult, als je onder meisjes bent, dan wanneer je privaatlessen
krijgt. Grootmama en ik gelooven ook dat je dan gelukkiger zult
zijn en je later wat meer bij ons zult thuis voelen. Ik ben daarom
van plan veranderd en besloten je wèl naar kostschool te sturen en
ook liefst zoo gauw mogelijk. Neen, kijk maar niet zoo verschrikt,
je zult het er heel prettig vinden en je gezondheid is nu weer zoo
goed, dat ik je wel van mij durf te laten gaan. De kostschool, die
ik op het oog heb, is op de badplaats, waar Cilly en ik gelogeerd
hebben. Ik heb er heel veel goeds van gehoord en de directrice een
paar malen gesproken. Zij weet nu alles van je vroeger leven af en zal
zeker doen wat zij kan om je leven bij haar gelukkig te doen zijn,
mits .... je goed je best doet, gehoorzaam haar raad opvolgt en er
vooral op let, je even beschaafd en netjes te gedragen als de andere
meisjes. De zeelucht zal zeker ook heel goed voor je wezen en ik hoop
en vertrouw dus dat deze maatregel aan het doel zal beantwoorden en
je langzamerhand heelemaal zóó worden zult, dat ik er trotsch op kan
zijn dat je mijn nichtje bent."
"Maar je bent nu toch ook al trotsch op Elsje, niet waar?" zei de
oude dame met een vriendelijk knikje, terwijl ze hare zachte hand op
die van Elsje legde. Het meisje werd beurtelings rood en bleek.
"Ik hoop het nog veel meer te worden," zei mevrouw d'Ablong zeer
beslist. "Kom kind, kijk maar niet zoo verschrikt. Ik ben overtuigd
dat het nieuwe leven je wel bevallen zal. Je moet natuurlijk nog
heel veel leeren, maar je bent pas vijftien jaar en als je nu bij
voorbeeld tot je achttiende op kostschool blijft...."
"O tante, zóó lang?" viel Elsje verschrikt in.
"De tijd zal om zijn, voordat je het weet, lieveling," zei
grootmama. "En dan moet je de heerlijke vacanties niet vergeten,
waarin je natuurlijk heel dikwijls bij mij komt logeeren."
"Mag ... mag ik weggaan, tante?" vroeg Elsje, die vurig verlangde,
alleen te zijn. Zij had een gevoel alsof ze zich niet langer
goed zou kunnen houden--op dit oogenblik scheen het haar nog iets
verschrikkelijks toe naar een kostschool te worden gestuurd, om daar,
zooals zij stellig verwachtte, door de andere meisjes, die wèl al
"jonge dames" waren, uitgelachen en geplaagd te worden. Maar zij _zou_
haar best doen; zij zou alles doen wat ze maar kon, om hare tante
niet te veel tot last te wezen en ze zou moed houden ook!
En ze _bleef_ moed houden en strijden tegen het overweldigende gevoel
van eenzaamheid, dat haar soms dreigde te bemachtigen. Het was maar
goed dat zij al heel spoedig vertrekken moest. Het nieuwe schooljaar
was reeds sedert een paar weken ingegaan en toen het besluit van
mevrouw d'Ablong eenmaal vaststond, werd er haast achter het werk
gezet en ruim een week nadat Elsje gehoord had, welk nieuw leven
haar wachtte, was zij reeds met hare tante op weg naar de bewuste
badplaats en reed ze, met een erg benauwd gevoel in de keel, naar het
deftige kostschoolgebouw, dat een tijdlang hare woning zou wezen. De
directrice, een statige, lange dame met doordringende, bruine oogen,
ontving haar echter zoo hartelijk en sprak haar zoo vriendelijk toe,
dat zij verruimd adem haalde, toen de eerste begroeting achter den rug
was en zelfs veel minder zenuwachtig was dan ze gedacht had te zullen
zijn, toen zij afscheid van hare tante genomen had en de directrice
volgde naar de groote eetzaal, waar ruim twintig meisjes aan de tafel
zaten, gereed om het lunch te gaan nuttigen. Elsje kreeg een stoel
naast een bleek, heel blond meisje, dat er zeer verlegen uitzag en hare
oogen op haar bord hield geslagen. De verlegenheid van hare buurvrouw
maakte Elsje vrijmoediger; zij keek bedaard om zich heen en bemerkte
tot haar blijdschap dat volstrekt niet alle meisjes onberispelijk
rechtop zaten en zich zoo elegant gedroegen als Cécile. De Engelsche
onderwijzeres, die tegenover Elsje zat, moest telkens een of andere
vermaning toedienen met betrekking tot het hanteeren van mes, vork
en glas en Elsje vond het een heel aangename gewaarwording dat zij
haar zoo goed kon verstaan--dàt had zij aan Miss Piper te danken en
zij was er nu haast blij om dat zij zooveel mooie zomerdagen alleen
in haar gezelschap had doorgebracht. Na het lunch werd zij aan al de
onderwijzeressen en aan de meisjes voorgesteld. Er waren verscheidene
nieuwe leerlingen onder en zij waren lang niet allen zoo knap en
zoo begaafd, als Elsje had gevreesd. Wel was zij natuurlijk zeer
ten achter bij de meeste meisjes van haar leeftijd, vooral wat het
Fransch en Duitsch betrof, waarmee zij nog geheel van voren af aan
moest beginnen, maar haar aanleg en haar wil waren zeer goed en dit
kon niet van al de andere leerlingen worden gezegd. Er waren er onder,
die naar kostschool waren gestuurd omdat ze bizonder moeilijk leerden,
of bizonder lui van nature waren. Onder de uitnemende leiding der
directrice en het goede onderwijs maakten echter de meesten flinke
vorderingen en wat Elsje betrof,--zij deed zoozeer haar best en begon
spoedig zooveel lust te krijgen in haar werk dat ze zich in de lesuren
bepaald gelukkig voelde. Hare belangstelling en ambitie waren opgewekt
en met groot genot kon zij soms over hare boeken gebogen zitten,
geheel verdiept in een geschiedenisles of in een of ander vers, dat
zij later zou moeten reciteeren. Dat reciteeren was in het eerst een
ontzettend iets voor haar. De directrice had als vasten regel ingesteld
dat alle meisjes een avond in de week iets moesten voordragen. Allen
kwamen dan in het salon, dat anders alleen Zondags werd gebruikt,
bijeen en na de thee namen de werkzaamheden een aanvang en moest
ieder meisje haar best doen, zóó goed haar bijdrage op te zeggen,
als zij dit maar met mogelijkheid kon.
De "nieuwelingen" zagen in het begin altijd erg tegen dezen avond op,
maar de directrice, die zelf bizonder goed reciteerde en een zeer
welluidende stem had, hielp allen zoo goed terecht en met zooveel
geduld, dat hare leerlingen hoe langer hoe meer moed begonnen te
vatten en ook Elsje, toen zij eenige maanden op school geweest was,
den "reciteeravond" werkelijk prettig begon te vinden. Met de andere
meisjes kon zij goed overweg. Er waren er, die haar een beetje vreemd
aanzagen, toen zij met groote vrijmoedigheid allerlei omtrent haar
vroeger leven vertelde, maar zij deed dit zoo aardig en vroolijk en
als het nichtje van de deftige mevrouw d'Ablong vond men haar toch
zoo geheel _comme il faut_, dat de meesten met gretige ooren naar
haar grappige verhalen luisterden. Want op ernstige wijze sprak zij
over haar dorpsleven slechts met haar kamergenoot, het blonde meisje,
naast wie zij den eersten dag aan tafel had gezeten. Dit meisje was
het eenige kind van een rijken bloemist, die in Gelderland woonde
en van den dokter den raad had gekregen, zijn zwak dochtertje de
zeelucht te laten genieten. Verscheidene leerlingen der deftige
kostschool vonden het wat beneden zich, zich veel met de dochter van
een bloemist te bemoeien, al was deze ook nog zoo rijk en het meisje
zelf voelde wel dat sommige harer aristocratische schoolkameraadjes
haar "minder" rekenden en hare aangeboren schroomvalligheid werd
daardoor nog grooter. Met Elsje echter was zij geheel op haar gemak
en het waren gelukkige oogenblikken voor de beide meisjes, als zij
naast elkaar mochten gaan op de lange, dagelijksche wandeling langs
het prachtige strand. De leerlingen moesten dan netjes in de rij
loopen, iets wat voor de meesten een kwelling was en Elsje vooral
voelde soms een bijna onweerstaanbare neiging in zich opkomen om
weg te snellen van de anderen naar een hooge duin in de verte, die
hijgend te beklimmen en in vrije eenzaamheid het mooie uitzicht
te genieten op de grootsche zee, die haar ernstig maakte en deed
jubelen tegelijk. Eens zelfs trok zij, in een uitgelaten bui, haar
vriendinnetje lachend mee uit de rij en liep met haar een eind de zee
in, om toen met natte laarzen en neergeslagen oogen, langzaam terug
te keeren tot de zeer toornige Française, die de meisjes dien dag op
de wandeling vergezelde. Elsje begreep later zelf niet hoe zij het
had durven doen! Het was alsof zij soms uiting geven _moest_ aan het
gevoel van vroolijken levenslust in haar hart, want over 't geheel was
zij zeer gelukkig in haar tegenwoordig leven en er waren oogenblikken,
waarin hare zonnige natuur haar bijna dwong tot juichen en zingen.
"Zij is een mijner beste en liefste leerlingen," verzekerde de
directrice aan mevrouw d'Ablong, toen Elsje een jaar op de kostschool
had doorgebracht, "het is alleen maar jammer, dat zij soms van die
wonderlijke, luidruchtige buien heeft. Zij is dan zoo levendig en
vol grappen, dat zij al de andere meisjes aan den gang maakt en... ja
eerlijk gezegd, heb ik zelf soms moeite mijn lachen te bedwingen. Zij
kan zoo aardig origineel met een of andere opmerking voor den dag
komen. Zij heeft bepaald vele gaven, lieve mevrouw, en het is treffend
om te zien hoe zij onder den indruk komt van een mooi natuurtafreel,
dan is ze stil en ernstig, maar er zijn dagen dat haar levenslust
haar vergeten doet waar zij is en zij zal nog veel moeten leeren,
eer zij zich volkomen gracieus en _ladylike_ gedraagt. Dat drukke en
opgewondene moet wat getemperd worden."
"O ja zeker, zeker, levendigheid is goed, maar luidruchtigheid kan
ijselijk burgerlijk zijn," antwoordde mevrouw d'Ablong zeer beslist.
Zij zou reden hebben zich nog meer te ergeren aan Elsje's gemis aan
aristocratische bedaardheid. Tot groote teleurstelling van Elsje,
ging men in de zomervacantie niet bij grootmama logeeren. Met de
Paaschdagen had Elsje haar even gezien en er zich op verheugd in
Juli en Augustus eenige weken bij haar te komen, maar toen de groote
vacantie aanstaande was, schreef hare tante haar dat Cécile weer een
week of zes aan zee moest doorbrengen en dat zij zelf daarom besloten
had met de beide meisjes kamers te nemen in het badhotel, waar zij
den vorigen zomer met Cilly had gelogeerd. Grootmama schreef aan
Elsje hoe het haar speet, dat zij haar nu niet bij zich zou krijgen;
zij moesten nu beiden maar hopen op den volgenden zomer; het jaar
zou gauw genoeg om zijn en in de Kerstvacantie kwam de oude dame
stellig bij haar schoondochter logeeren. Wat zou Elsje dan al een
jonge dame zijn! Zij was nu immers al zestien jaar? Frits beweerde,
dat hij haar nauwelijks meer "Roodkapje", zou durven noemen, als hij
een paar dagen in het hotel kwam logeeren bij zijn tante.
Dus Frits zou ze toch wèl zien! Dat vond Elsje nogal prettig en toen
de vacantie eindelijk daar was en mevrouw d'Ablong haar het aardige
slaapkamertje toonde, dat zij voor zich alleen zou hebben en haar een
paar vriendelijke woorden zei, omdat zij op school zoo goed haar best
had gedaan en toen Cécile zich verwaardigde ook vrij aardig jegens
haar te wezen,--trok het denkbeeld in het hotel zes weken door te
brengen, haar meer aan.
Er waren verscheidene gasten en men at aan table d'hôte. Het trof
toevallig dat Elsje een paar plaatsen van hare tante en Cécile af een
stoel kreeg naast een vriendelijken, ouden heer, die al heel gauw een
praatje met haar begon. Elsje antwoordde vroolijk en ongedwongen. Zij
had er nogal tegenop gezien met zooveel vreemde menschen aan tafel
te zitten, maar nu de maaltijd even aan den gang was, viel het haar
erg mee. Hare tante keek telkens eens tersluiks langs de tafel heen,
of Elsje netjes at en netjes zat en bemerkte tot haar voldoening dat
het meisje erg "aangeleerd" was in het verloopen jaar. Alles ging
goed tot het dessert, toen de oude heer allerlei grappen met zijn
buurmeisje begon te maken over een schoteltje pralines en flikjes,
waarvan hij haar zeer overvloedig had bediend. Elsje's oogen begonnen
te schitteren van pret. Zij had een kleur gekregen, eerst van een
beetje agitatie, later van het drukke praten en van het plezier en
zij zag er zoo aardig en aantrekkelijk uit in haar frissche jeugd, dat
haar buurman hoe langer hoe meer welbehagen in haar kreeg. Toevallig
was het juist een oogenblik heel stil aan tafel, toen de vroolijke,
oude heer iets zeide, dat Elsje in een luiden, helderen lach deed
uitbarsten, die echter plotseling verstomde, toen men haar verbaasd
aanzag en hare tante met een gezicht vol strenge berisping haar kant
uitkeek. Het was gedaan met Elsje's zorgelooze vroolijkheid. De oude
heer fluisterde haar toe dat zij niet zoo verlegen moest zijn en dat
hij nog wel eens veel luider gelachen had, maar dat troostte Elsje
niet en zij was blij toen het tijd was om van tafel op te staan, ook
al vreesde zij dat haar nu van haar tante een strafpredikatie wachtte,
die dan ook niet uitbleef.
Den volgenden dag was haar plaats veranderd en zat ze naast mevrouw
d'Ablong aan een hoek der tafel. Haar vroegere buurman knikte haar
vriendelijk toe uit de verte en maakte 's avonds een praatje met haar,
maar Elsje was toen zoo bedaard en antwoordde zoo _einsilbig_, dat
hij nauwelijks wist, hoe hij het met haar had. Eenige dagen later was
hij vertrokken--eigenlijk maar een rust, dacht Elsje met een zucht,
|