free book ebook online reading
eBook Title
Elsje (een verhaal voor meisjes)
Author Language Character Set
A.C. Kuiper Dutch ISO-8859-1


You are here --- [ Home / Author Index K / A.C. Kuiper / Elsje (een verhaal voor meisjes) / Page #10 ]

had haar daarvan weerhouden. Ook had ze niet over haar lot geklaagd;
dat zou zóó ondankbaar geweest zijn, vond ze. Och heden, daar waren
zij al bij de gracht, dan moest ze Evert nu terugsturen en zelf ook
weer naar huis gaan. Juist wilde zij haar vriendje goedendag zeggen,
toen een grappig tooneeltje voor het smalle hoekhuis der stille gracht,
haar aandacht trok.

Een steviggebouwde vischboer, klein van stuk, maar overigens stoer
en forsch, met een rond, frischrood gezicht, levendige bruine oogen,
die half listig, half schalksch keken, en geelblond haar, waarvan een
lok van voren onder zijn pet uitkwam, stond, met zijn vischkar naast
zich, druk over zijn koopwaar te onderhandelen met het dienstmeisje
van het hoekhuis. Zij schenen het niet eens te kunnen worden over
den prijs der "prachtige, springlevende" botjes, die de boer niet
ophield met groote welsprekendheid aan te prijzen. Een slagersjongen
met een mand op den rug en een paar straatjongens stonden met open
monden te luisteren naar het levendige debat, zonder er zich ook maar
een oogenblik in te mengen. Het zeer belangstellende, toeschouwende
publiek werd thans nog vermeerderd door Elsje en den kleinen Evert.

"Geloof me, kindlief, ik kan ze je onmogelijk minder geven dan voor
zestig cents," begon de vischboer weer.

"Dat kan je begrijpen, vijf-en-veertig," zei het dienstmeisje,
"geen cent meer en dan zijn ze nog heel goed betaald ook!"

"Dat meen je niet! Ik zie aan je gezicht dat je het niet meent. Dat
kan ik immers niet doen! Al stond de koningin daar nu in eigen persoon
voor me..."

"Nu heel best dan," viel het dienstmeisje snibbig in, "dan moet je
het laten, maar houd me dan ook niet langer op," en meteen maakte
zij een beweging, alsof ze de voordeur wou sluiten.

"Nou, neem ze dan in vredesnaam maar," zei de consequente vischboer
met een zucht en met een gezicht, alsof hem het grootste onrecht werd
aangedaan. "Ik kan nou eenmaal niet zoo van jou weggaan, daarvoor
heb ik te veel hart voor je, maar anders, 't is schande, schande."

"Ja, praat jij maar toe," lachte het dienstmeisje, "kom, maak ze maar
gauw schoon. Ik heb wel wat anders te doen dan hier den heelen morgen
naar jou te staan luisteren."

Op dit oogenblik, terwijl Elsje en Evert met de grootste aandacht
het gesprek volgden, kwam mevrouw d'Ablong, in gezelschap van mevrouw
van Rensen, de gracht langs. De laatste zag Elsje het eerst.

"Vergis ik me, of is dat uw nichtje, die daar staat te kijken naar
die onappetijtelijke vischkar?" vroeg ze aan haar buurvrouw.

"Wel neen, Elsje is thuis," zei mevrouw d'Ablong, maar ze keek toch
haastig naar de plek, waar de vischboer nog stond met zijn bewonderend
gehoor om zich heen.

"Ja, ik geloof toch, dat zij het is," zei ze snel. "Hoe durft ze! Ik
begrijp niet...."

"Zij schijnt nog niet in _alle_ opzichten een jonge dame te zijn,"
zei mevrouw van Rensen met een spottend glimlachje. "Uw taak is niet
gemakkelijk, lieve mevrouw."

De arme mevrouw d'Ablong had juist met veel voldoening aan hare
aristocratische kennis verteld, dat Elsje haar "dorpsmaniertjes"
geheel begon kwijt te raken!

"Ik neem hier nu maar afscheid van u," begon mevrouw van Rensen
weer, terwijl zij staan bleef en hare gezellin moeite deed kalm te
blijven. Hoe kon Elsje nu toch ook zoo ongemanierd zijn! "Dag lieve
mevrouw, zal ik Cilly maar hartelijk van u groeten? Loulou is steeds
in één adoratie voor haar."

Mevrouw d'Ablong nam haastig afscheid en liep toen vlug naar Elsje toe,
die half met den rug naar haar toegekeerd stond. Zij keek verschrikt
op, toen zij een hand op haar schouder voelde en een bekende stem
aan haar oor hoorde zeggen:

"Wat doe jij _hier_? Ga terstond mee naar huis."

"O ja tante," stamelde Elsje, "ik .... ik was al op weg. Ik ... ben
maar even uit geweest."

Evert hield hare hand stijf vast en zag ernstig op naar de deftig
gekleede dame, die zoo boos keek.

"Wat is dat voor een kind?" vroeg zij scherp.

"Ik heet Evert, Jacob, Ferdinand Mors," zei het kereltje trotsch,
"en Elsje zegt...."

"Nog eens, wie is dat kind?" viel mevrouw d'Ablong in, terwijl zij
zich met Elsje en Evert van het vischtooneel verwijderde.

"Het is het zoontje van den kruidenier," zei Elsje bijna fluisterend.

"Dus je bent daar _toch_ heen geweest, hoewel ik het je bepaald
verboden had?" vroeg hare tante met ingehouden toorn.

"Ja," antwoordde Elsje heel zacht.

"Waarom knijp je mijn hand zoo vreeselijk stijf?" vroeg Evert met
een helder stemmetje. "Ben je bang voor die mevrouw?"

Elsje antwoordde niet. Het schreien stond haar nader dan het lachen.

"Ik wil nu maar liever naar huis," zei Evert, hare hand loslatend.

"Wij zullen je wel even brengen, kind," zei mevrouw d'Ablong
opeens. "Wijs ons den weg maar."

Tot Elsje's verbazing sloegen zij de breede winkelstraat weer
in. Mevrouw d'Ablong sprak geen woord meer en het was haar aan te zien
dat zij haar best deed, bedaard te blijven. Zij keek in 't geheel
niet naar Elsje, maar strak voor zich uit. De kruidenierswinkel was
spoedig bereikt. Evert duwde gedienstig de rinkelende winkeldeur open
en vloog naar binnen, op zijn moeder toe.

"Wij hebben zoo'n plezier gehad," zei hij, "en er was een vischkar
met een vroolijken man en Elsje en ik..."

"U bent zeker de moeder van dit jongetje?" vroeg mevrouw d'Ablong
beleefd, maar zeer uit de hoogte en zonder er aan te denken dat zij
Evert in zijn verhaal stoorde.

"Jawel mevrouw," antwoordde de kruideniersvrouw, terwijl ze met een
verwonderden blik nu eens naar Elsje, dan naar mevrouw d'Ablong keek.

"Dan mag ik u nog wel eens vriendelijk dank zeggen voor uw gastvrijheid
tegenover mijn nichtje," zei Elsje's tante, terwijl ze haar beurs uit
den zak haalde, er een gouden tientje uitnam en dit op de toonbank
legde. "Dit kan zeker wel voor den spaarpot van uw kleinen jongen
dienen?"

"O ja, ja," riep Evert verheugd. "Staat het koninginnetje erop,
moeder?"

"Het spijt me dat Evert uw geschenk gezien heeft, mevrouw," zei
zijn moeder beleefd, "want ik zou het u liever weer teruggeven. Wij
zijn niet vriendelijk voor Elsje geweest met het doel er geld voor
te krijgen."

"O neen, dat begrijp ik heel goed," zei mevrouw d'Ablong haastig en
vol verlangen om een eind te maken aan het onderhoud. "Maar u wilt
het toch zeker wel aannemen voor den spaarpot van uw zoontje? Ik
.... ik wou u ook nog even zeggen ... u begrijpt ... mijn nichtje
leeft in zoo'n geheel andere omgeving.... Ik geloof dat het voor
beide partijen aangenamer zal zijn, als zij u niet meer bezoekt."

Elsje werd vuurrood en keek het raam uit. Zij _kon_ de goede
kruideniersvrouw niet langer aanzien.

"O! u bedoelt dat wij niet goed genoeg voor haar zijn? Niet deftig
genoeg?" vroeg deze, met iets scherps in hare stem.

Mevrouw d'Ablong zweeg; het was geheel onnoodig deze vragen nog
te beantwoorden. Die vrouw achter de toonbank had het heel juist
uitgedrukt--dat was precies wat zij bedoelde.

"Het zou mij spijten, als ik u gekrenkt had," zei ze eindelijk op
vriendelijken toon. "Ik ben u werkelijk heel dankbaar voor uwe
goedheid tegenover mijn nichtje en zijzelf is vol lof over uwe
hartelijkheid. Maar....

"Jawel, jawel, ik begrijp u heel goed," viel de kruideniersvrouw
snel in, terwijl hare oogen schitterden van nog iets anders dan
verontwaardiging. "Neem je geld terug, als 't je blieft, mevrouw,
wij hebben dat niet noodig. U zult wel gelijk hebben, het zal beter
zijn dat Elsje niet meer hier komt." En met driftige haast begon zij
de theebussen en trommels op de planken aan den muur te verschikken.

Mevrouw d'Ablong wachtte even, kuchte en zei eindelijk:

"Dan zullen wij nu maar heengaan, juffrouw. Ik dank u nog zeer voor
uwe vriendelijkheid jegens mijn nichtje."

De kruideniersvrouw keerde zich snel om. "Ik geloof dat u iets
vergeet, mevrouw," zei ze, toen zij het geld nog op de toonbank zag
liggen. Mevrouw d'Ablong deed precies alsof zij haar niet hoorde en
liep den winkel uit. Elsje volgde langzaam. Met een bedroefd gezicht
wendde zij zich nog even om, keek de kruideniersvrouw smeekend aan
en fluisterde:

"Houd het als 't je blieft voor Evert, och toe, als 't je blieft. We
zien elkaar toch nog wel _eens_ weer, denk ik."

En na den kleinen, zeer verbaasden Evert snel een kus gegeven te
hebben en zijn moeder een treurig afscheidsknikje, haastte ze zich,
zich bij hare tante te voegen.

Deze bleef zwijgend naast haar loopen en deed juist alsof Elsje
niet bij haar was, totdat zij thuis waren gekomen. Toen opende zij
terstond de deur der zijkamer, nam haar nichtje mee naar binnen,
keek haar strak in de oogen en zei zeer beslist:

"Nu zeg ik je eens vooral Elsje, dat ik niet verkies, ja--dat ik
je _verbied_, weer naar die menschen toe te gaan. Heb je me goed
begrepen? Ik verbied het je ten strengste. En als ik ooit bemerk
dat je mijn gebod overtreden hebt, zal ik je stellig straffen, heel
stellig hoor. Begrijp je me goed?"

"Ja tante," zei Elsje, die op dat oogenblik bepaald bang voor haar was.

"Goed. Dan zullen we de zaak nu hierbij laten rusten. Alleen heb ik je
nog te zeggen dat ik er ook sterk tegen ben, dat je 's ochtends alleen
uitgaat--of op welken tijd van den dag dan ook. Pas op dat dat nooit
weer gebeurt. Ik wil het eenvoudig niet meer hebben. Ik wist niet waar
ik me bergen zou van schaamte, toen mevrouw van Rensen en ik je daar
bij die rare vischkar zagen staan. Denk er aan dat je me gehoorzaamt,
anders zal ik andere maatregelen moeten nemen en veel strenger voor
je zijn. Je weet dus nu precies, waar je je aan te houden hebt?"

"Ja, tante, ja."



Hoofdstuk XII.

Naar Buiten!


"Misschien zal het dan toch maar beter zijn Elsje thuis te laten
met Miss Piper," zei mevrouw d'Ablong op een ochtend in Juni, toen
de dokter er geweest was en haar geraden had, Cécile een poosje de
zeelucht te laten genieten.

"O ja mama, veel beter," antwoordde Cilly beslist. "Hadt u er
heusch over gedacht haar mee te nemen? Zij weet zich nog zóó weinig
te gedragen. Verbeeld u, met haar in dat groote hotel en aan table
d'hôte, dat zou immers heelemaal niet gaan!"

"Och, dat weet ik niet. Zij begint toch wezenlijk al aardig aan te
leeren. En de zeelucht zou zeker ook goed voor haar zijn; zij is
bizonder stil den laatsten tijd en ze ziet er ook weer minder goed
uit dan ze gedaan heeft. Het spijt me dat ik den dokter niet eens
gevraagd heb, wat hij ervan dacht."

"Maar mama, hij heeft immers verleden week nog gezegd dat zij nu heusch
totaal beter was en dat ze alleen nog maar wat versterkt behoefde te
worden. Zoo'n rustig tijdje met Missy alleen zal juist heel goed voor
haar zijn. En in September gaan wij immers bij grootmama logeeren. Dan
komt Lizzie dus toch buiten!"

"Och Cilly, waarom blijf je dat arme kind nu toch altijd Lizzie
noemen? Ik vind het zoo overdreven van je. Elsje is immers een heel
aardige naam en je doet er haar zoo'n verdriet mee dat je nog altijd
Lizzie zegt! Zij doet zelf haar best om hier te wennen en zich
naar mijn zin te gedragen, waarom wil jij nu ook niet een beetje
vriendelijker voor haar zijn?"

"Ik begrijp u niet, mama," zei Cécile, terwijl zij zich met een
zucht in een gemakkelijken stoel liet vallen. "Ik dacht juist dat ik
mij niets te verwijten had tegenover Lizzie of Elsje, als u dat dan
zooveel liever hebt. Ik wil haar ook wel Elsje noemen, hoe kon ik ook
weten dat zij daar zoo bizonder op gesteld is! Maar ik vind het heel
verdrietig dat ik het u niet naar den zin heb gemaakt. Ik doe zóó
mijn best. Toen zij jarig was laatst, heb ik nog bloemen voor haar
gekocht en toen heeft ze me daar nog wel zoo overdreven hartelijk voor
bedankt. Ik kon het toch niet helpen dat die verjaardag een treurige
dag voor haar was!"

"Neen Cilly, dat spreekt van zelf, dat kon je ook niet. Maar ik
houd vol dat je meer van Elsje zult kunnen gaan houden, als je dat
wilt--wezenlijk wilt en dat jij kunt maken, dat ze zich hier in huis
meer op haar gemak gevoelt en beter over weg kan met jouw kennissen."

"Maar mama, hoe kunt u het zeggen! Loulou en Cato vinden juist dat
ik er mij bizonder goed onder houd dat Elsje hier moet wonen. Als
u eens wist hoe moeielijk ik het soms vind om mij niet aan haar te
ergeren en niet driftig te worden, als zij rare dingen zegt of doet."

"Nu kom Cilly, dat gebeurt nu toch zoo heel dikwijls niet meer."

"Och, laten wij er maar niet meer over spreken, mama, wij worden het
toch niet eens en--dat zult u misschien heel dwaas vinden--maar ik
krijg er zoo'n hoofdpijn van. De dokter vond bepaald ook dat ik erg
zenuwachtig was. Och, maar dat komt er niets opaan. Ik beloof u dat
ik mij nog meer zal inspannen en laat Elsje dan maar wèl met ons mee
gaan op reis. Laten we dan nu heusch over wat anders gaan spreken,
mama, ik kan wezenlijk niet langer over Elsje praten. Het is heel
flauw van me natuurlijk, maar het agiteert me ontzettend."

En met een air van lusteloosheid leunde zij achterover in haar stoel
en deed hare oogen dicht, alsof ze eigenlijk te moe was om nog een
woord te zeggen.

"Cilly, kindje," zei mevrouw d'Ablong ongerust, terwijl zij opstond
en zich over Cécile heenboog, "voel je je wezenlijk moe? Maar waarom
heb je me dat dan niet eerder gezegd? En heb je hoofdpijn ook? Ja,
je ziet bepaald bleek! Maar snoesje, waarom laat je me dan toch ook
doorspreken?"

"Och het is niets, mama," zei Cécile, hare oogen openend en tot hare
moeder opslaande, "ik voel me alleen maar een beetje op, anders niet."

"Maar hoe komt dat dan? Zou je het je gisteren te druk hebben gemaakt
met dien bazaar? Je hebt toch goed geslapen van nacht?"

"Ja moedertje, zeker. Toe, wees nu maar niet ongerust. Ik ben heusch
heel wel, alleen maar een beetje zenuwachtig."

"Maar Cilly, dat ben je anders nooit, wat is er dan toch? Je hebt
toch niets dat je hindert?"

Cécile zweeg even, toen zei ze:

"Het is heusch niets, mama. Het zal wel weer overgaan, wezenlijk."

"Maar dan gaan we dadelijk naar zee, morgen of overmorgen. Waarom
heb je het mij toch niet eerder gezegd, snoesje? Er _is_ toch immers
niets dat je hindert?"

"Och lieve mama, laten wij er nu maar niet meer over praten. Het is
heel kinderachtig van me om zoo zenuwachtig te zijn. Maar het is waar,
ik voel me eigenlijk al lang een beetje zwak en op. De zeelucht zal
mij wel heelemaal weer opknappen, heusch. Het komt alleen, omdat...."

"Nu, omdat?"

"Och neen, laat ik het u maar niet zeggen. Zullen we dus maar besluiten
dat Elsje met ons meegaat, moedertje?"

"Dat weet ik niet. Elsje kan mij nu ook op 't oogenblik niets
schelen. Wat is er, Cilly? Ik moet het weten!"

Cécile sloeg de oogen neer, keek toen weer op met een smeekenden blik
en zei:

"Ik zeg het heusch liever niet, mama, ik doe er u bepaald verdriet
mee."

"Alsof je me nu geen verdriet doet! Kom kindje, zeg het mij nu."

Weer sloeg Cécile de oogen neer. Toen fluisterde ze, half klagend:

"Ik had het u veel liever niet willen zeggen. Het is alleen maar,
dat.... dat ik zoo moe word van Elsje."

"Moe van Elsje! Hoe meen je dat, lieveling?"

"Ik weet niet hoe ik het zeggen moet, mamaatje," zei Cécile, haar hoofd
tegen den schouder van mevrouw d'Ablong leggend, die teeder de armen
om haar heensloeg. "Het is eigenlijk al heel lang. Het agiteert me dat
Elsje zoo dikwijls iets doet dat u hindert, het maakt me geagiteerd
dat u vindt dat ik niet lief voor haar ben, en.... en... och het
agiteert me heelemaal dat zij er is. Erg flauw van me, vindt u
niet? Ik vind het zelf ook en het is dus veel beter dat zij wel met
ons meegaat. Langzamerhand zal ik die rare kuren wel afleeren."

"En heb je je daardoor nu al lang zwak en moe gevoeld, Cilly? Hoe is
het mogelijk dat ik daar niets van gemerkt heb!"

"Ik heb gedaan wat ik kon om het u niet te toonen," zeide Cécile,
haar moeder een kus gevend. "U hadt toch al genoeg verdriet, lief
moedertje. Maar nu spreken wij er niet meer over, he? En Elsje gaat
stellig met ons mee?"

Maar mevrouw d'Ablong schudde het hoofd.

"Neen, nu gaan we zeker met ons beiden. Arm kindje! Heeft je dat
allemaal zoo gehinderd? Ik ben blij dat ik het weet; Elsje moet nu
stil bij Missy blijven en als wij dan later allen samen bij grootmama
zijn, ben jij weer heelemaal gezond en sterk, hoop ik. En dan zal
langzamerhand alles wel beter gaan."

"Bent u heusch niet boos op mij, moedertje?"

Tot eenig antwoord trok mevrouw d'Ablong haar dichter naar zich toe
en kuste haar. "Boos op jou, lieveling? In 't geheel niet, hoor. Houd
je nu maar heel, heel rustig vandaag. Beloof je me dat?"

"O ja mama; ik ben toch eigenlijk wel heel blij dat u het weet. Het
is zoo'n heerlijke verlichting!"

Een week later waren mevrouw d'Ablong en Cécile vertrokken naar de
drukke modebadplaats, die Cécile het meest aantrok en brak er voor
Elsje een rustige, doch zeer eentonige tijd aan. Miss Piper was lief
en vriendelijk voor haar en aanmerkingen maakte zij weinig, maar
het was een mooie, warme zomer en Elsje kon de drukkende stadshitte
en de benauwde atmosfeer in den tuin van haar tante, nauwelijks
verdragen. Miss Piper deed wat zij kon om het haar aangenaam te
maken. Met groote hartelijkheid sprak zij met haar over den dood
harer grootmoeder en met geduld hielp zij haar aan het handwerk,
een reusachtig stuk tapisserie, waaraan mevrouw d'Ablong wenschte dat
Elsje een gedeelte van haar vrijen tijd zou wijden. Het was gewoonlijk
te warm om 's middags uit te gaan en den eenen dag na den anderen
zaten zij samen op het bordes, dat aan de zaal grensde en op den tuin
uitzag. Elsje's oogen werden moe van het kijken naar het helwitte
zonnescherm, dat boven haar hoofd gespannen was en de kleine tuin
met de keurig aangelegde perken vol vuurroode geraniums en lichtrose
maandroosjes, begon zijn bekoorlijkheid voor haar te verliezen,
toen de langdurige droogte de paden stoffig en hard had gemaakt en
de bladeren der struiken er bestoven en vaal begonnen uit te zien.

Bezoek kwam er, nu Cécile en haar moeder van huis waren, heel weinig en
buitendien waren vele families ook op reis of naar buiten, zoodat het
er langs de grachten somber en doodsch uitzag met zooveel luiken voor
de ramen en briefjes met "afwezig" op de deuren. Op hare dagelijksche
ochtendwandelingen met Miss Piper naar het park, had Elsje dikwijls
een gevoel alsof zij iemand anders was, niet hetzelfde meisje als
die Elsje, die vroolijk en vol levenslust iederen dag begon, toen zij
bij hare grootmoeder woonde, niet hetzelfde meisje als die Elsje, die
grappen maakte met Krelis en de meisjes van het dorp en voor wie tot nu
toe het leven een bron van rein genot was geweest. Het was ook juist,
alsof zij opeens veel ouder geworden was--soms kon zij 's ochtends
opstaan met zulk een overweldigend gevoel van gedruktheid, dat het
haar bijna angstig maakte en zij al hare krachten moest inspannen
om vriendelijk en geduldig te zijn tegen Miss Piper. Dan werd ze
soms boos op zichzelf, verweet zich dat zij schandelijk ondankbaar
was bij al het goede, dat haar tegenwoordig leven toch ook had en
werd dan weer overmand door een hartstochtelijk verlangen naar haar
grootmoeder, door een vurig snakken ook naar één dag, één uur in de
stilte en de schoonheid der natuur. Zij was zoo stil in het bijzijn
der gouvernante en ging er zoo bleek en teer uitzien dat Miss Piper
zich ongerust over haar begon te maken en eindelijk besloot mevrouw
d'Ablong over haar te schrijven. Het liep reeds tegen September, maar
er moest toch nog bijna een maand verloopen eer Cécile en haar moeder
van de badplaats terug zouden komen; het zou dus nog vrij lang duren,
eer Elsje's tante haar weerzag.

Op een drukkend warmen ochtend, terwijl Elsje bleek en met een
vreemde lusteloosheid, die zij vroeger nooit had gekend, tegenover
de gouvernante op het bordes zat te handwerken, haalde deze haar
schrijfgereedschap te voorschijn. Zij was juist een brief aan mevrouw
d'Ablong begonnen, toen de deur der zaal plotseling werd geopend,
een vlugge stap door de kamer klonk en Frits d'Ablong op het bordes
verscheen. Hij zag er bizonder opgewekt uit en zijn gezicht was
bruingebrand door de zon, maar hij keek terstond heel ernstig, toen
hij Elsje's bleeke gezichtje zag en haar scherp onderzoekend aanziende,
vroeg hij vriendelijk:

"Hoe is het, Roodkapje? Nog niet heelemaal weer beter?"

Nu zag Elsje niet bleek meer. Een donkere blos verspreidde zich over
haar wangen en voorhoofd en hare lippen begonnen te beven, toen zij
trachtte te antwoorden. Tot haar ontsteltenis kon zij niet anders
uitbrengen dan: "Ik.... ik ben...." en begon toen opeens bitter
te schreien.

"Het is niets.... niets.... het is erg flauw," snikte ze, boos op
zichzelf en erg verlegen. Wat moest Frits wel van haar denken en
wat had zij nu toch weer? Zij had werkelijk in het huis harer tante
al veel meer tranen vergoten in dien korten tijd dat zij er woonde,
dan in al de jaren van haar vroeger leven.

Vol schaamte wendde zij het hoofd af en wilde opstaan om zachtjes
heen te gaan, maar Frits hield haar tegen met de woorden:

"Ik zie wel dat je nog lang niet beter bent. Kom, kom, wees maar
bedaard. Je moet eens naar buiten, dat zal je goed doen. Het is hier
ook zoo benauwd in de stad. Wat zegt u, Miss Piper, heeft zij de
buitenlucht niet dringend noodig?"

De gouvernante knikte, ernstig toestemmend.

"Grootmama heeft tot voor een paar dagen in de meening verkeerd dat
Elsje met tante en Cécile meegegaan was," hernam Frits, "en ik zelf
ben op reis geweest. Wij dachten niet anders of je waart druk bezig
je frissche roode wangen terug te krijgen in de versterkende zeelucht,
Roodkapje," ging hij lachend tot Elsje voort. "Een paar dagen geleden
eerst hoorde grootmama door een brief van tante, dat jij met Missy
thuis waart gebleven en daarom kom ik je nu uit haar naam vragen,
of je lust hebt nu maar zoo gauw mogelijk bij ons buiten te komen en
dan natuurlijk niet eerder dan met tante en Cilly weer naar stad te
gaan. Wil je, of blijf je liever hier?"

Of zij wilde? Met een kreet van blijdschap en stralende oogen sprong
zij op. "Als.... als ik mag, als tante het goed vindt," stamelde zij.

"Ik ben juist een brief aan mevrouw d'Ablong begonnen," zei Miss Piper
met een geruststellend knikje, "zij vindt het zeker heel goed dat je
gaat. Zal ik het haar vragen?"

"O ja, dolgraag."

"Dus dat blijft dan afgesproken," zei Frits, "ik ben blij dat je er
lust in hebt. Grootmama verlangt erg je eens weer te zien. Wij kunnen
dan samen reizen, want ik blijf een paar dagen hier in de stad. Zou
je tegen overmorgen klaar kunnen zijn? Dan zal tante wel al geschreven
hebben dat zij het uitstekend vindt, dat je bij ons komt."

"O ja, ik kan best klaar, mijnheer," zei Elsje, die een gevoel had,
dat zij eigenlijk op dit oogenblik al klaar was om op reis te gaan.

"_Mijnheer!_ Wat beteekent dat nu, Roodkapje? Weet je wel dat je me
beleedigt, als je me niet eenvoudig Frits noemt, evenals Cilly? Ik
zal jou mademoiselle Roodkapje moeten gaan noemen, als jij mijnheer
tegen mij zegt! Mag ik vragen, hoe oud u zijt, mejuffrouw?"

"Ik ben pas vijftien geworden," antwoordde Elsje lachend.

"En ik pas twee-en-twintig," zei Frits. "Ja, dan moet je toch wel een
beetje eerbied voor me hebben! Je zoudt me wel 'oom' kunnen noemen
als we samen reizen, maar ik heb toch liever dat je Frits zegt. En
wat gaat u dan doen, Miss Piper, als Roodkapje u verlaat?"

"Dan hoop ik reeds nu mijn vacantie te beginnen en naar Engeland
te gaan."

"Dus dan komt alles mooi in orde," zei Frits. "Dan zal ik de dames
nu maar verlaten, dan kom ik morgenavond nog wel even hooren of ik
het genoegen zal hebben, overmorgen Roodkapje mee naar grootmama te
nemen. Dag Missy, dag Roodkapje."

"Ik _heet_ eigenlijk Elsje," zei ze met haar ouden, vroolijken lach.

"Ja, dat weet ik wel, maar ik heb je als Roodkapje leeren kennen en
zoo heet je dus bij mij. Kom, laat mij maar eens netjes even uit,
dat doet Cilly ook altijd."

Elsje gehoorzaamde lachend. Bij de voordeur reikte Frits haar nog
eens de hand en zei: "Nu, dag Roodkapje. Ik zal straks aan grootmama
schrijven hoor, dat je hoogstwaarschijnlijk komt."

"Dag mijn.... Frits," zei Elsje verlegen.

"Zóó! Dat klinkt al _heel_ hartelijk," plaagde hij haar met
een ondeugende flikkering in zijn oogen, maar Elsje overwon hare
verlegenheid, gaf hem met een spottend gezicht een deftige, kleine
hoofdbuiging tot afscheid en deed de voordeur dicht.

Toen verdween al hare deftigheid terstond. Vlug als de wind snelde
zij de gang door, de zaal in en het bordes op, sloeg onstuimig de
armen om Miss Piper's hals, drukte zich tegen haar aan en riep uit:

"O Missy, Missy, ik ben zoo blij, zoo vreeselijk blij. O, hoe heerlijk,
hoe heerlijk!"

En Miss Piper legde de pen neer, schoof den brief van zich af, trok
Elsje dichter naar zich toe en liefkoosde en kuste haar, al maar
zachtjes mompelend: "_Dear little Elsie! Poor darling! I am glad too,
my pet!_"

Het was Elsje alsof haar adem stilstond, toen Miss Piper den volgenden
dag den brief van mevrouw d'Ablong opende, die het antwoord bevatte
op de gewichtige vraag. Gelukkig liet Missy haar niet lang in
onzekerheid. Elsje's tante schreef dat zij er niet tegen was dat
haar nichtje reeds nu naar grootmama vertrok, maar dat Elsje dan
vooral erg haar best moest doen zich _ladylike_ te gedragen en niet
te uitgelaten en te druk te zijn. Miss Piper kon dan naar Engeland
vertrekken en Cécile en zijzelf hoopten over een week of drie ook
bij grootmama te komen.

Twee dagen later, 's middags om twee uur, reed Elsje, in gezelschap
van Frits, naar het station. Het was haar bijna alsof zij droomde,
toen hij haar verzekerde dat zij nog vóór vijven bij grootmama buiten
zouden zijn en zij keek zegevierend naar de stoffige, warme straten
en grachten, die zij langs reden--het was zoo'n heerlijke gedachte
dat zij die nu in weken niet zien zou! Maar bij al haar blijdschap
dacht zij toch telkens aan de waarschuwing harer tante om zich vooral
te gedragen als een jonge dame en toen Frits haar in den coupé had
geholpen en tegenover haar ging zitten, moest hij er om lachen dat
zij zulk een deftig _air_ aannam en hem met zulk een zachte stem
antwoordde op zijn vraag, of zij gemakkelijk zat en of de zon haar
niet hinderde. Er waren nog twee meisjes van Elsje's leeftijd in
den trein. Zij reisden met hare moeder en het duurde niet lang of
Frits had een gesprek met deze aangeknoopt. Langzamerhand geraakten
de drie meisjes ook met elkaar aan het praten en spoedig klonk er
telkens een luid en frisch gelach, als Frits een grappig verhaal deed
of Elsje plaagde. Hij had er plezier in haar aan den gang te brengen
en aardige, gevatte antwoorden uit te lokken op zijn plagerijen en in
een bizonder vroolijke stemming namen zij eindelijk afscheid van hun
reisgezelschap en verlieten den trein bij een schilderachtig gelegen
klein station, dat Elsje levendig herinnerde aan dat van het dorp,
waar zij gewoond had.

"Kijk eens, daar wacht Jacob al op ons," zei Frits, op een ouden
koetsier wijzend, die op den bok van een kleinen _panier_ gezeten,
uitkeek naar de logés van zijn meesteres. Hij groette beleefd toen
hij Frits en Elsje bemerkte en even later zaten zij in het sierlijke
rijuigje. De aardige, jonge paardjes zetten zich vlug in beweging en
voort ging het den straatweg over, het dorpje door en eindelijk door
een prachtige beukenlaan op de bevallige villa toe, die door de oude
mevrouw d'Ablong werd bewoond.

Het was een ritje van een half uur ongeveer, maar in dien korten tijd
genoot Elsje al zooveel, als had zij uren gereden door de bekoorlijke
streek. Haar spraakzaamheid van zooeven was geheel verdwenen, maar al
bracht zij het niet onder woorden, Frits zag wel aan de glinsterende
oogen, waarmee zij om zich heen keek en aan de uitdrukking van vredig
geluk op haar gezicht, hoe zij genoot. Nu en dan haalde zij diep adem
en eens zelfs hoorde hij haar zacht neuriën bij zichzelf op een wijze,
alsof zij er zich nauwelijks van bewust was dat zij dit deed. Toen
het rijtuigje voor het hek der villa stilstond en zij grootmama onder
de veranda zag staan, ontwaakte zij uit haar mijmering en sprong zoo
vlug uit den _panier_ dat Frits uitriep: "Neen maar, wat een haast
heb je, Roodkapje!"

Ja, zij _had_ haast. Toen zij het lieve gezicht der oude dame zag,
sprong haar hart op van vreugde en was al hare kalmte weg.

"O grootmama, lieve grootmama!" zei ze, toen deze haar hartelijk
welkom heette en kuste.

"Ik ben er ook nog, grootmoedertje," zei Frits naderbij
komend. "Roodkapje was er wel toe over te halen om nu al bij u te
komen, zooals u ziet, maar u moet haar niet al te veel verwennen,
want dan wordt ze brutaal."

"Brutaal?" Elsje keerde zich snel om en herinnerde zich met schrik de
waarschuwingen harer tante. "Dat ben ik toch niet geweest?" vroeg ze.

"Wel neen, hoe heb ik het nu met je? Ik dacht juist dat je zoo goed
tegen plagen kondt," antwoordde Frits. "Zal ik maar naar mijn kamer
gaan, grootmama, en u verder de zorg voor deze jonge dame over laten?"

"Ja, dat is best. Ga jij dan maar met mij mee, kind, dan zal ik je
je slaapkamer wijzen. Vindt je het hier niet mooi?"

"Prachtig mooi!" zei Elsje op bijna eerbiedigen toon, terwijl ze
bewonderend keek naar het lieflijke uitzicht, dat men van uit de
veranda had naar alle kanten heen. Het huis lag aan den lommerrijken
straatweg, vlak tegenover de oprijlaan van een groot, ouderwetsch
kasteel, waarvan de puntige torentjes en hoekvensters tusschen het
donkere groen der linden te voorschijn kwamen. Aan den rechterkant
leidde een dennenlaan naar het heuvelachtige bosch en de heide en
aan den linkerkant lagen, tusschen het bouwland verspreid, enkele
boerderijen.

De oude dame liet Elsje stil genieten, terwijl deze met genot overal
rond keek en de geurige dennenlucht inademde. Grootmama zag met deernis
hoe teer en bleek zij er uitzag en nam zich vast voor alles te doen,
wat zij kon om haar verblijf hier gelukkig te maken.

"Kom kindje, nu moet je je goed eens gaan afdoen en je eens
wasschen. Wij eten om half zes, dus je hebt nog net den tijd om een
beetje uit te rusten. Wil je me maar volgen?"

Zij gingen door de openstaande glazen deuren naar binnen en toen
de gang door naar boven naar een groot portaal, waarop verscheidene
deuren uitkwamen.

"Je ziet, ik heb plaats voor vele logés," zei de oude dame, "maar op
't oogenblik zijn alleen de kamers van Frits en mij bezet en die
van jou. Ik dacht dat je het wel prettig zoudt vinden, als er geen
vreemden waren."

"O ja," antwoordde Elsje met haar geheele hart, terwijl ze hare
gastvrouw volgde naar een vrij groote kamer, die eenvoudig gemeubileerd
was, maar er toch bizonder aantrekkelijk uitzag. Er stonden twee
ledikanten, een waschtafel voor twee personen, een met neteldoek
gedrapeerde toilettafel en eenige stoelen, terwijl de vensters van
buiten met klimrozen waren begroeid. Voor de ramen hingen neteldoeksche
gordijnen en het viel Elsje op, dat een daarvan vreemd bol uitstond
van onderen, alsof men er iets achter had gezet. Zij had geen tijd
te onderzoeken wat dit was, want plotseling klonk de muziek van een
reinen, vroolijken kinderlach door het vertrek, het gordijn werd
met een ruk terzijde geschoven en ... kleine Liesje van Rensen stond
voor haar.

"Dàt dacht je niet, he?" riep ze, snel naar Elsje toeloopend, die
met een kreet van blijdschap bij haar neerknielde en toen dankbaar
opzag naar grootmama.

"Kleine Liesje had de buitenlucht ook noodig, moet je weten," zei
deze lachend. "En hare ouders vonden haar nog te jong om met de
geheele familie mee op reis te gaan. Daarom is ze toen maar bij mij
gekomen. Ze zou eerst pas de volgende week..."

"Ja, ik zou eerst veel later gaan," viel Liesje ijverig in, "maar
toen kwam er opeens een brief of ik gisteren al kon komen!"
    
<<Page 9   |   Page 10   |   Page 11>>
Go to Page Index for Elsje (een verhaal voor meisjes)

You are here --- [ Home / Author Index K / A.C. Kuiper / Elsje (een verhaal voor meisjes) / Page #10 ]