|
|
uit de danszaal had verwijderd en hoewel zij haar die straf zelf niet
zou hebben opgelegd, vond zij het niet kwaad dat Elsje toonde zich
genoeg te schamen over haar gedrag op het tooneel, om maar liever
niet meer mee te dansen. Ze zal naar hare kamer gegaan zijn, dacht
mevrouw d'Ablong en ze vatte half en half het voornemen op, naar haar
toe te gaan en haar na een ernstige terechtwijzing te vergunnen, zich
weer bij de dansenden te voegen--maar werd in de uitvoering van dit
plan telkens verhinderd door de gedachte dat Elsje zich misschien
weer op een of andere manier "kinderachtig" zou gedragen en haar
compromitteeren. Neen, het was wellicht maar beter dat het lastige
kind boven bleef. Cécile had nu ook juist zoo heel veel plezier,
dat zou misschien veranderen, als Elsje weer beneden kwam. Zij moest
straks maar eens even naar haar gaan kijken en als zij dan wat al
te bedroefd was, haar wat lekkers brengen--een portie ijs en een
taartje--en zeggen dat zij in 't vervolg maar wat beter haar best
moest doen. Misschien had Cécile ten slotte toch gelijk gehad; het
was niet verstandig geweest, Elsje tot het feest te laten blijven. Ze
kon nu in de volgende week ook wel weer vertrekken. Hare tante zou
haar dan zelf brengen en meteen eens zien, hoe de oude grootmoeder
het maakte--de laatste berichten waren iets minder gunstig geweest.
Mevrouw d'Ablong haastte zich niet, Elsje op haar kamer te gaan
toespreken. Frits had al een paar maal gevraagd of "Roodkapje" heusch
naar bed gegaan was. Dat had zij nu niet moeten doen, beweerde hij;
zóó erg was het toch niet dat zij nog niet gewend was om als actrice
op te treden! Hij vond het jammer dat zij nu in 't geheel niets aan
de partij had. Kon hare tante haar niet laten zeggen of gaan zeggen
dat ze wezenlijk weer beneden komen moest?
Mevrouw d'Ablong gaf op beide vragen een ontwijkend antwoord. Zij vond
het niet noodig Frits op de hoogte te brengen omtrent de beweegredenen,
die haar noopten, Elsje van de balzaal verwijderd te houden--Frits
zag dat zij het onderwerp van Elsje's afwezigheid liever verder
onaangeroerd liet en sprak dus over wat anders. Later zocht hij nog
eens of hij Elsje ook ergens in een verborgen hoekje zag zitten,
maar toen al zijn pogingen vruchteloos bleven, gaf hij het op en
kwam tot de overtuiging dat zij zich werkelijk voor goed op haar
kamer had teruggetrokken. Cécile was blij dat Elsje "zoo verstandig"
geweest was naar bed te gaan en Loulou en Cato waren het geheel met
haar eens. Emma vond het jammer, maar zei niet veel en de overige
gasten hadden nog te weinig van Elsje gemerkt, om zich erg over haar
al of niet tegenwoordig zijn te bekommeren.
Er gingen dus twee, drie uren voorbij, voordat iemand bemerkte dat
Elsje het huis harer tante had verlaten. Tweemaal was deze op het punt
naar boven te gaan, maar telkens werd zij door een of ander in haar
voornemen verhinderd en toen zij het eindelijk ten uitvoer bracht,
was het laat en hadden de gasten reeds afscheid genomen. Het laatste
rijtuig reed weg en Cécile liet zich met een zucht op een der canapés
neervallen, volkomen bereid nog een praatje met Frits te houden voordat
ze naar boven ging, toen hare moeder opeens met een verschrikt, bleek
gezicht weer binnen kwam met het onrustbarende bericht dat Elsje
niet op haar kamer was en noch Keetje, noch de andere dienstboden,
noch grootmama en Miss Piper haar hadden gezien. Niemand begreep waar
zij heengegaan kon zijn. Keetje en Dina waren bezig het geheele huis
te doorzoeken, maar ook dit was vruchteloos, zooals bleek toen de
beide dienstmeisjes in de danszaal verschenen.
"Zijn jullie overal geweest en heb je Anna ook ondervraagd?"
"Ja mevrouw," zei Dina, "maar Anna is den geheelen avond in de keuken
geweest, natuurlijk. Zij had de jongejuffrouw in 't geheel niet gezien,
zei ze."
"Wat moet ik beginnen?" zei mevrouw d'Ablong zich tot Frits wendend,
die angstig toegeluisterd had.
"Ik weet het waarlijk niet, tante," zei hij. "Misschien zal het
het beste zijn dat ik er terstond op uitga en eens zie of ze in
haar droefheid over haar mislukt spel ook naar buiten geloopen en
verdwaald is. Zij houdt zoo ontzettend veel van wandelen en in de
lucht zijn en het is mogelijk dat ze op dezen mooien avond even de
straat opgeloopen is...."
"Dan heeft ze al een heel raren tijd uitgekozen voor hare wandeling,"
viel Cécile scherp in. "Kom mama, zij zal wel weer terug komen, ik zou
mij nu maar niet dadelijk zoo ongerust maken. En wat behoeft Frits er
nu ook terstond op uit te gaan, ze komt natuurlijk van zelf wel weer
terug! Als ze wezenlijk zoo dwaas is geweest om te gaan wandelen en
verdwaald is, zal een politieagent haar wel weer thuis brengen."
"Neen, neen, neen! Ik heb geen rust, voordat ze veilig en wel weer hier
is," zei Frits. "Dat arme kind! Ik ga dadelijk mijn jas aantrekken,
tante."
"Och Frits, wees nu toch niet zoo onverstandig!" riep Cécile. "Ik
vind het onzinnig, als je gaat!"
"Dat is niet anders," antwoordde Frits snel. "Ik ga onmiddellijk. Als
ik haar niet vind, zal ik dan de politie maar in den arm nemen, tante?"
"Ja, ja, zeker. Doe alles maar precies, zooals 't jou het best
dunkt. Je bent een heerlijke steun voor me, Frits; wat moest ik
beginnen zonder jou van nacht?"
Frits hoorde de laatste woorden niet eens meer, hij was de kamer al
uit en heel spoedig daarop het huis.
"Ga jij nu maar dadelijk naar bed, kindje," zei mevrouw d'Ablong
tot Cécile, die erg uit haar humeur was, "anders heb je morgen nog
hoofdpijn. Je zult toch wel al moe zijn."
"Ja mama, ik blijf natuurlijk niet op," zei Cécile wrevelig, "ik
zou niet weten waarvoor ik dat doen zou. Gaat u niet naar bed? Dat
vervelende kind zal wel terug komen, daar zou ik me niet ongerust
over maken."
"Ik hoop het hartelijk," zei hare moeder, "maar natuurlijk ben ik
ongerust, Cilly, dat spreekt nu toch waarlijk van zelf. Ik wou dat
ik Elsje hier maar nooit te logeeren had gevraagd."
"Ja, dàt wou ik ook," zei Cécile zeer beslist. "Toe mama, gaat u
nu toch mee naar boven. Dina en Keetje en Anna desnoods ook, kunnen
immers wel opblijven."
"Neen, neen, ik ga niet naar bed, voordat ze er weer is. Loop vooral
zachtjes voorbij grootmama's kamer, Cilly. Zij was bijna in slaap,
toen ik zooeven bij haar kwam en ik heb haar alleen maar gevraagd of
Elsje ook bij haar geweest was. Zij weet niet dat zij weg is."
"Dat is ten minste één geluk," zeide Cécile. "En Missy?"
"Die zal mij wel gezelschap houden van nacht. Zij weet alles."
"O, dus dan blijft u ten minste niet alleen, gelukkig. Nacht
moedertje."
"Nacht lieveling. Probeer je dan heusch om gauw in slaap te komen en
je niet te angstig te maken over Elsje?"
"Ik ben heelemaal niet angstig, mama. Ik wou dat u het maar wat minder
waart. O, daar is Missy! Ik hoop dat dat nare wachten niet te lang
zal behoeven te duren."
Maar het wachten duurde wèl lang. Cécile was reeds een paar uur vast
in slaap, mevrouw d'Ablong had de dienstboden naar bed gestuurd en Miss
Piper en zijzelf begonnen hoe langer hoe ongeduldiger en ongeruster te
worden, toen Frits eindelijk terug kwam. Hij zag er moe en verslagen
uit. Nergens had hij eenig spoor van de vluchteling kunnen ontdekken,
alleen had een politieagent even over tienen een meisje in een lichte
jurk de gracht langs zien snellen. Hij had haar de straat op den hoek
zien inslaan, maar haar verder uit het oog verloren.
Het was verschrikkelijk. Mevrouw d'Ablong verloor geheel hare
zelfbeheersching en snikte het uit, zichzelf de hevigste verwijten
doende, dat zij niet eerder naar Elsje had omgezien. Frits en Miss
Piper deden al wat zij konden om haar tot bedaren te brengen. De
politie was van alles onderricht, verzekerde Frits en zou zeker het
verloren schaap wel weer terug brengen--zij moesten niet zoo gauw
den moed verliezen. Maar zijn stem beefde, terwijl hij dit zeide
en de vreeselijkste vermoedens rezen bij hem op, als hij bedacht,
hoe weinig Elsje den weg kende in de groote stad en hoe licht zij
in het water geloopen of op een andere wijze verongelukt zou kunnen
zijn. Telkens zag hij haar weer voor zich, zooals hij haar voor 't
eerst gezien had met het aardige, roode kapje om het frissche, jonge
gezichtje en met de dankbare uitdrukking in de blauwe oogen. Ook hij
verweet zich dat hij haar te veel aan haar lot had overgelaten na de
tooneelvoorstelling en hoe hij ook zijn best deed hoopvol te blijven,
zijn ongerustheid werd grooter, hoe meer het eene uur na het andere
verliep, zonder dat de politie iets van zich liet hooren.
Mevrouw d'Ablong liet zich eindelijk overhalen, even op de canapé
te gaan liggen en wat te rusten, toen de ochtend langzaam begon
te naderen.
Zij waren op Cécile's kamer gaan zitten, omdat het na het eerste
half uur in de half ontredderde balzaal niet meer uit te houden
was. Voortdurend herinnerd te worden aan al de luidruchtige
vroolijkheid, die daar kort geleden had geheerscht en dan zoo
beangst van hart te zijn, was niet te dragen. En de onzekerheid,
die hen bleef kwellen, den geheelen nacht door, was ook nauwelijks
te dragen;--toen de morgen aanbrak, kon zelfs Frits zijn ongerustheid
niet meer verbergen.
Het was ongeveer zeven uur en nog zoowat schemerdonker, toen
Elsje gewekt werd door een gebons tegen haar deur, dat door twee
kleine, stevige vuisten werd veroorzaakt. "Elsje, Elsje, opstaan,
opstaan!" riep Evert's kinderstemmetje zoo luid, dat Elsje al
heel vast zou hebben moeten slapen, als zij niet reeds door het
vuistenbombardement wakker geworden was. Met een zucht richtte zij
zich op. Een oogenblik keek ze verbaasd om zich heen, heel spoedig
echter herinnerde ze zich waar ze was, waarom ze half gekleed te
bed lag en hoe het kwam dat ze zich zoo moe en dof en ongelukkig
voelde. Nog nooit was haar zoo sterk de neiging overvallen, om haar
hoofd weer op het kussen te leggen en weer te gaan slapen--nog nooit
was zij met zulk een treurig, moedeloos hart den dag begonnen. Haar
frissche, jonge levenslust had haar tot nu toe hiervoor bewaard, ook
al de dagen die zij reeds bij hare tante aan huis had doorgebracht,
maar nu--nu was het alsof alle moed haar had begeven, nu scheen het
haar toe dat op dit oogenblik niemand zoo ongelukkig, zoo verlaten,
zoo hulpeloos was als zij.
"Ben je wakker?" riep Evert weer ongeduldig. "Je moet opstaan. Ik
ben al bijna heelemaal klaar. Moeder zegt dat je op moet staan."
Hij luisterde een seconde, of zij ook antwoordde, toen riep hij weer:
"Mag ik even bij je komen?"
Die vraag kon Elsje niet onbeantwoord laten. Er kwam een flauw lachje
op haar gezicht, zij sprong het bed uit en deed de deur open. Daar
stond Evert in al de glorie van bretels, een echten jongensbroek en
een rood wollen lijfje.
"Ik moet mijn kiel nog aan, zie je," zei hij. "Maar ik ben al
gewasschen en mijn haar is ook al opgekamd."
Dat was wel te zien, de blonde kuif stond recht en glimmend van het
water overeind.
"Maar, wat ben jij ook al ver!" vervolgde hij op teleurgestelden toon,
"ik dacht dat je nog op bed lag, toen ik je kwam roepen."
"Dat was ook zoo," zei Elsje.
"Heb je je dan zóó gauw aangekleed? Je moet je toch zeker alleen nog
maar wasschen en je jurk aantrekken, he?"
"Ik ben niet uitgekleed geweest," zei Elsje, die te waarheidlievend
was om hem in den waan te laten, dat ze zóó gauw terecht kon met
haar toilet.
Evert keek haar met groote oogen aan.
"Ben je dan met al je rokken aan in bed gaan liggen?" vroeg hij. "Mag
je dat van je moeder?"
"Ik heb geen moeder meer," zei Elsje, terwijl ze bij hem neerknielde
en de tranen haar in de oogen schoten. "Neen, ik _mag_ eigenlijk
niet half aangekleed gaan slapen, zooals ik van nacht gedaan heb,
maar ... maar...."
"Waarom begin je opeens te schreien?" vroeg Evert medelijdend. Hij
legde zijn kleine ronde armen om haar hals, drukte haar hoofd tegen
zich aan en zei: "Heb je je pijn gedaan? Zal ik het afkussen?" En
zonder Elsje's antwoord af te wachten, raakte hij haar wang zacht
aan met zijn roode lipjes.
"Neen, ik heb geen pijn," zei Elsje, hem door hare tranen heen
lachend aanziende, "en het is heel flauw van me dat ik schrei. Ik
zal me ook maar eens flink wasschen en mijn haar netjes opkammen,
net als jij. Kom, ik moet maar gauw voortmaken." En zij sprong snel op.
"En ik moet mijn kiel nog aan," zei Evert met een gewichtig
gezicht. "Dan kom ik weer bij je terug als ik heelemaal klaar
ben. Vindt je dat goed?"
"Ja best."
Evert verdween om zijn kiel aan te trekken en vader en moeder met
veel drukte te vertellen, hoe Elsje "bijna heelemaal aangekleed"
in bed gelegen had.
Ons meisje deed al haar best in een moediger stemming te
geraken. "Kom," zei ze bij zichzelf, toen Evert haar verlaten had,
"ik wil nu werkelijk niet langer zoo flauw zijn. Eigenlijk is het ook
dom van me geweest om weg te loopen gisteravond, want nu wordt tante
natuurlijk straks heel ongerust, als ze me aan het ontbijt niet ziet
en ik weet zelf niet eens wat ik beginnen moet. Het zal misschien het
allerbeste zijn dat ... dat ik toch weer naar tante terug ga straks
... en haar eerlijk alles vertel...."
Dit was zeker een kloek besluit, maar kalmer werd Elsje er niet op
toen zij het genomen had. Zij werd hoe langer hoe zenuwachtiger, toen
zij zich voorstelde welk een ontvangst haar in het huis van mevrouw
d'Ablong wachten moest en niet dan met inspanning gelukte het haar,
eenige aandacht te schenken aan haar toilet. Zij moest eens even
vrij ademhalen--hoe was het mogelijk dat zij dat akelige korset had
aangehouden van nacht--hè, zij zou het even uittrekken! Zoo gezegd,
zoo gedaan, en een kreet van verbazing en vreugde ontsnapte haar, toen
ze haar onderlijfje en het korset losgemaakt had en plotseling iets
ritselend op den grond hoorde vallen, dat ... het kostbare parelsnoer
bleek te zijn! Waarschijnlijk was het slootje door grootmama niet heel
stevig vast gemaakt en los gegaan, toen Elsje voor het open raam naar
buiten zat te kijken. Op voor haar onverklaarbare wijze was het snoer
van haar hals af en naar beneden gegleden en tusschen het verachte
korset vastgeraakt. Met stralende oogen raapte zij het van den grond
op, bekeek het nauwkeurig, zag tot haar groote blijdschap dat het in
't geheel niet beschadigd was en legde het voorzichtig neer op een
stoel. Met de grootste haast kleedde en waschte zij zich toen. Nu
moest ze in ieder geval maken dat ze zoo gauw mogelijk weer bij hare
tante terug was. Als zij maar niet telkens zoo vreemd duizelig geweest
was en het niet zoo akelig geklopt en gebonsd had in haar hoofd! Zij
moest ieder oogenblik eens even stilstaan om op haar verhaal te
komen. Het was of het kamertje met haar in de rondte draaide--hè,
zoo raar! Toen ze een glas water gedronken had werd het een beetje
beter, maar ze bleef zich toch rillerig en onaangenaam voelen en trok
huiverend de dunne, rose jurk aan,--ze was zóó koud! Maar ze _moest_
zich haasten--als ze terstond als ze klaar was naar het huis van
mevrouw d'Ablong terugliep, zou ze misschien nog vroeg genoeg komen
om zich even te kunnen verkleeden en aan het ontbijt te zijn, voordat
haar tante beneden was. Zij zou haar dan alles vertellen natuurlijk,
hoewel ze daar vreeselijk tegen op zag, maar dat kon niet anders,
dat sprak van zelf.
Daar werd de deur van haar kamertje geopend en de kruideniersvrouw
stond voor haar met Evert aan de hand.
"Goed geslapen, Elsje?" vroeg ze vriendelijk. "Wacht, laat ik die
jurk maar eens even voor je vastmaken. Zóó. Maar meisje, wat zijn je
handen ijskoud! Ga maar gauw mee naar beneden, daar begint de kachel
al heerlijk te branden."
"Ik zou eigenlijk graag dadelijk naar huis willen gaan," zei
Elsje. "Kijk, dit was het, wat ik verloren had. Ik dacht dat het
voor goed weg was gisteravond en toen ben ik weggeloopen van tante
in mijn schrik. Maar ik had het niet moeten doen; het was verkeerd
van mij en daarom moet ik nu terstond naar huis--anders wordt tante
bepaald ongerust."
"Maar je moet toch eerst een boterham eten, Elsje, en wat warms
drinken en dan zal mijn man wel dadelijk naar je tante toegaan en
haar zeggen waar je bent. Vertel mij maar even waar ze woont."
"Neen, neen, ik moet zelf gaan en dadelijk," zei Elsje erg gejaagd,
terwijl ze de parelen, die de onschuldige oorzaak waren geweest van
zooveel onrust en angst, in den zak van haar jurk liet glijden. "Ik
moet nu terstond weg, wezenlijk. Ik dank u heel vriendelijk dat ik hier
heb mogen slapen en ... als ik kan, wil ik ook graag eens wat voor
u doen, maar nu moet ik naar tante terug. Is ... is er misschien ook
een oude hoed voor mij en een doek of zoo iets? Ik ben zoo erg koud."
"Waarom heb je je zomerjurk aan?" vroeg Evert, "en waarom ga je
dadelijk weer weg? Blijf je niet met me spelen van ochtend?"
"Neen, neen, nu niet, een anderen keer."
"Hè, waarom nu niet?" vroeg Evert weer met een pruilend lipje.
"Stil jongen, niet lastig zijn," zei zijn moeder. "Elsje komt wel eens
gauw weer terug, is 't niet Elsje? Ze moet ons dan nog een heeleboel
vertellen. Waar ze woont en waar ze logeert en hoe haar tante heet
en nog allerlei dingen meer, maar nu gaan we naar beneden."
De goede vrouw was, zooals te begrijpen is, erg nieuwsgierig wie en wat
Elsje eigenlijk was, maar Elsje was veel te zenuwachtig om nauwkeurig
te letten op wat zij zeide en haar te antwoorden en toen ze een reepje
brood gegeten had en een slokje gedronken uit het glas met warme melk,
dat de kruideniersvrouw haar voorzette, stond ze snel van tafel op,
liet zich een ouden, wijden wintermantel van haar gastvrouw aantrekken,
betuigde dat zij het best zonder hoed kon doen, toen er niet dadelijk
een voor haar te vinden was, nam afscheid van het kleine gezin en
liep snel den winkel uit. Evert riep haar nog na of zij niet een nieuw
zakje met rozijnen hebben moest, want zij had hem verteld hoe zij het
vorige was kwijt geraakt, maar zij hoorde hem niet eens meer en liep
op een draf voort, de drukke straat door en de deftige gracht op.
Het was nu acht uur en de melkboeren, bakkers en enkele dienstmeisjes,
die zij tegen kwam, keken haar verbaasd na, terwijl zij in haar
zonderling kostuum voortsnelde. Het was dan ook een wonderlijke
verschijning: die meisjesgestalte gehuld in een vaalbruinen, lakenschen
mantel met ouderwetsche, neerhangende wijde mouwen, die ver over de
handen vielen--daaronder de lichte, in 't oog vallende jurk en de
zijden kousen met de lage, goudlederen schoentjes en het blonde haar,
dat woest in den wind fladderde.
Maar evenmin als den avond te voren stoorde Elsje zich nu aan de
blikken der voorbijgangers; zij liep voort, voort, tot ze eindelijk
geheel buiten adem op de stoep stond van het huis van mevrouw
d'Ablong. De kruidenier had aangeboden haar thuis te brengen, maar
zij had zijn aanbod afgeslagen, overtuigd dat zij veel vlugger zou
kunnen loopen als ze alleen was. Nu ze echter op de stoep stond en
aangescheld had, scheen het haar toe dat ze er niet zoo verschrikkelijk
tegen op zou hebben gezien naar binnen te gaan, als er iemand bij
haar was geweest. In haar hoofd begon het nog harder te kloppen en
klappertandend, rillend en bevend wachtte zij het oogenblik af, dat de
deur geopend zou worden. Lang behoefde zij niet te wachten. De deur
werd met een ruk open gedaan door Frits, die bij iedere schel hoopte
dat er bericht van de politie zou zijn en met smeekende oogen en de
woorden: "O, het spijt me zoo vreeselijk!" liep Elsje de gang in. Op
hetzelfde oogenblik overviel haar zulk een hevige duizeling dat ze
zich onmogelijk staande kon houden en met de handen rondtastend en
een zwakken kreet om hulp, op het marmer neerzakte. In een oogenblik
had Frits haar van den grond getild en zijn arm om haar heenslaande,
zei hij zacht:
"Stil maar Elsje, stil maar. Wij zijn heel blij dat je er weer
bent. Haal maar eens flink adem. Zoo! Steun nu maar goed op
mij. Tante is binnen. Wij gaan dadelijk naar haar toe. Niet bang
zijn, het is niets, niets. Kom, kom, niet zoo beven! Straks maar
gauw naar bed, he? De warmte zal je goed doen. Arm kind, arme kleine
Roodkapje! Gelukkig dat wij je weer hebben."
"Wat is er, is er bericht?" vroeg de stem van mevrouw d'Ablong
haastig, terwijl de deur der kamer waar zij had zitten wachten,
snel werd geopend. "Toe Frits, kom toch gauw."
"Er is heel goed bericht tante," zei Frits, "ik kom u Elsje zelf
brengen," en een oogenblik later stond hij met Elsje, die er doodsbleek
en zeer bevreesd uitzag, voor Miss Piper en Mevrouw d'Ablong.
"O tante, tante," riep het arme kind, "het spijt me zoo vreeselijk! Het
spijt me zoo vreeselijk! Hier zijn ze weer! Ik dacht dat ze
weg waren gisteravond en toen ben ik weggeloopen in mijn angst,
omdat.... ik.... bang was dat u heel boos zoudt zijn.... maar hier
zijn ze weer!" En snel haalde ze de kostbare parelen uit haar zak
en legde ze haar tante in de hand. Toen begon ze weer over al hare
leden te beven, alles draaide voor hare oogen en met den uitroep:
"Ik ben zoo koud, zoo akelig koud!" viel ze op een stoel neer.
"_She is fainting, she's fainting!_" riep Miss Piper bij haar
neerknielend, terwijl zij uit alle macht Elsje's handen begon te
wrijven; maar flauw vallen deed deze nog niet, hoewel ze zich hoe
langer hoe zieker en akeliger begon te voelen.
"Ik zal me dadelijk gaan verkleeden, tante," zei ze, met een zwakke
poging om op te staan, "och wees maar niet al te boos op mij, het
spijt me zoo vreeselijk, zoo vreeselijk! Het was heel leelijk van me
om weg te loopen, maar ik was zoo bang en toen....
"Niet praten zooveel," zei Miss Piper. "Jij moet nemen een lange rust
en probeeren te slapen."
"Tante, tante, bent u erg boos?" riep Elsje, angstig naar mevrouw
d'Ablong kijkend, die met Frits stond te fluisteren.
"Neen kindje, neen," zei ze, veel te blij dat Elsje er weer was om haar
te kunnen beknorren. "Wind je nu maar niet zoo op. Je bent ziek en je
moet maar dadelijk naar bed. Frits zal naar den dokter gaan, die zal
je wel gauw weer opknappen, hopen we. Maar waar ben je toch den heelen
nacht geweest, toch niet aldoor op straat? Er is zóó naar je gezocht."
Met horten en stooten, veel te moe om geregeld haar wedervaren te
kunnen vertellen en toch niet gerust voordat haar tante alles wist,
deed Elsje haar verhaal, waarbij Miss Piper haar telkens in de rede
viel door te zeggen dat ze "moest probeeren te kalmeeren haarzelf"
en "niet weenen, niet weenen", en "wezenlijk moest nemen een rust
nu." Elsje gunde zich echter geen rust, voordat ze, zoo goed en zoo
kwaad als het ging, haar hart geheel had uitgestort en nauwkeurig
had aangeduid, waar de kruidenier woonde, die haar zoo gastvrij had
geherbergd. Zij was erg bang dat de kruideniersvrouw haar mantel niet
terug zou krijgen en eerst toen haar tante haar vast had beloofd dat
het kleedingstuk nog dien ochtend door den oppasser zou worden terug
bezorgd met een vriendelijk briefje en toen ze nog eens en nog eens
had gehoord dat niemand boos op haar was, liet ze zich overhalen naar
boven te gaan en zich door Keetje, die nu natuurlijk bizonder hartelijk
voor haar was, te laten uitkleeden. Mevrouw d'Ablong bracht haar een
geklopt ei met wijn en ging toen zelf nog wat rusten, terwijl Miss
Piper haar voorbeeld volgde, maar eerst Cécile van alles op de hoogte
bracht, die later, zonder veel medelijden voor Elsje uit te spreken,
alles aan grootmama vertelde, die erg met de arme vluchtelinge te
doen had. De dokter kwam 's middags en constateerde dat Elsje hevig
de koorts had en veel kou had gevat op haar avontuurlijken tocht. Hij
zou den volgenden ochtend weerkomen--er was nu nog weinig van te
zeggen of zij werkelijk ziek zou worden of niet.
De oppasser bracht den mantel, keurig in een doos gepakt, aan de
kruideniersvrouw terug met een eigenhandig geschreven briefje van
mevrouw d'Ablong. Elsje had haar verteld dat zij den naam harer tante
niet had genoemd en ook niet had gezegd waar deze woonde en mevrouw
d'Ablong vond het bij nader inzien ook onnoodig, het kruideniersgezin
daaromtrent thans in te lichten. Zij gebood den oppasser de vrouw
een belooning in geld te overhandigen, niet te zeggen wie hem zond
en schreef het volgende briefje:
"_Elsje's tante zendt u haren vriendelijken dank voor de goede zorgen
en de gastvrijheid, aan haar nichtje verleend._"
De kruideniersvrouw keek vreemd en wat teleurgesteld op, toen ze het
briefje las. De belooning in geld wezen haar man en zij eenigszins bits
van de hand; dàt was het niet, waarnaar zij verlangden, maar: "ik had
gedacht dat het meisje zelf ons hartelijker zou hebben behandeld," zei
ze. De geheele geschiedenis bleef even raadselachtig als zij geweest
was, vooral toen Elsje niet meer van zich liet hooren en ook niet in
den winkel verscheen, hoewel Evert telkens verlangend naar haar uitzag.
Hoofdstuk X.
Grootmama.
"Een telegram, mevrouw, of u zoo goed wilt zijn, hier even uw naam te
teekenen," met deze woorden kwam Dina twee dagen later de eetkamer
binnen, waar mevrouw d'Ablong, grootmama, Miss Piper en Cécile aan
het ontbijt zaten.
"Zeker _toch_ een telegram van Lizzie's grootmoeder," zei Cécile
ontevreden, "om te vragen hoe het op dit oogenblik met haar is. En
u zoudt nog wel niet te alarmeerend schrijven, mama!"
"_Cilly, Cilly dear_," begon Miss Piper op vermanenden toon, maar op
het zelfde oogenblik uitte de oude dame een kreet van schrik en vroeg:
"Mijn hemel Lize, wat is er? Wat zie je doodsbleek! Zeg toch in
vredesnaam wat er is!"
"Mijn lieve moeder is gestorven," zei mevrouw d'Ablong met bevende
lippen, het telegram aan grootmama overreikend, "ze is van nacht
plotseling heengegaan, terwijl wij rustig lagen te slapen. Mijn lieve,
lieve moeder!"
Zij bedekte haar gezicht met de beide handen en begon zacht te
schreien. Cécile stond langzaam van tafel op.
"Och moedertje, wat spijt me dat voor u," zei ze, haar arm om haar
moeders hals slaande en bij haar neerknielend. "Geen wonder dat u
bedroefd bent, arme mama! Ja, leg uw hoofd maar tegen mij aan en
schrei maar eens goed uit! Wat een vreeselijk plotseling bericht
ook--zij hadden u toch ook eerst wel een brief kunnen schrijven,
om u wat voor te bereiden."
"Ik moet er dadelijk heen, ik moet terstond op reis," zei mevrouw
d'Ablong, met koortsachtige haast van tafel opstaande en Cécile zacht
van zich afduwend. "Ik wil mijn lieve moeder ten minste nog even zien,
voordat... voordat ze begraven wordt. Och, waarom heeft zij zoo alleen
moeten sterven! Waarom was ik niet bij haar! Ik zou stellig nog eens
naar haar toegegaan zijn, als Elsje niet ziek geworden was...."
"Ja, die arme Elsje, wat zal die ontzettend bedroefd zijn," zei de
oude dame zacht, "zij verliest _alles_ in hare grootmoeder."
"Och heden ja, wat moet zij nu beginnen, nu staat ze heel alleen op
de wereld," zei Cécile, "hier kan ze natuurlijk niet blijven en ze
is nog te jong om in betrekking te gaan."
"Foei Cilly," zei haar grootmoeder verwijtend, "hoe zou je moeder er
nu ooit toe komen om dat lieve kind aan haar lot over te laten! Haar
plaats is...."
"Ja, zeker, Elsje's plaats is _hier_," viel mevrouw d'Ablong
zenuwachtig in, geheel vervuld als zij op dit oogenblik was van het
verlangen om te doen wat zij maar kon, om hare nalatigheid tegenover
hare moeder op een of andere wijze goed te maken.
Cécile haalde even nauw merkbaar de schouders op, maar zweeg. Hare
moeder was nu veel te bedroefd om bedaard over iets te kunnen praten,
redeneerde zij bij zichzelf, maar dat Elsje voor goed hier in huis
zou blijven was natuurlijk al te dwaas.
"Het zal heel moeielijk zijn, het arme kind te vertellen dat hare
grootmoeder gestorven is," begon de oude dame weer, "vooral omdat
het bericht haar licht weer erger ziek zou kunnen maken. Wij kunnen
het toch niet lang voor haar verborgen houden natuurlijk."
"Neen, dat gaat niet," zei mevrouw d'Ablong zeer zenuwachtig. "En wie
zal het haar zeggen? Ik moet terstond op reis en zij slaapt nu nog--de
dokter heeft zoo gezegd dat zij zooveel mogelijk rust moet hebben."
Zij keek haar schoonmoeder met een angstig vragenden blik aan en deze
knikte haar geruststellend toe.
"Ik zal van ochtend wel met den dokter spreken en hem vragen of ik
het haar zeggen mag," zei ze.
"Wilt u dat doen? Dan ben ik u heel, heel dankbaar. Dan ga ik nu
terstond naar boven om mij klaar te maken. Ja Cilly lieveling, ik
wil heel graag dat je even met mij mee gaat naar mijn kamer. Och,
ik had jou ook zoo graag nog eens meegenomen naar haar toe; nu is
het te laat."
Ja, nu was het te laat! Het was zeker niet meer dan natuurlijk dat
Cécile, onder de bestaande omstandigheden, weinig of niets voelde
voor den dood der brave, oude vrouw, die zulk een trouwe, goede moeder
voor Cécile's eigene mooie moeder was geweest, maar mevrouw d'Ablong
voelde toch een steek in haar hart, toen Cilly, terwijl ze bij de
voordeur afscheid van haar nam, bedaard zei:
"Als het er is, neemt u dan een portret van uw moeder mee, mama? Ik
weet heelemaal niet hoe zij eruitzag."
En Elsje? Het arme kind had sedert den ochtend, waarop zij van haar
vreemden tocht was teruggekeerd, al den tijd te bed doorgebracht. De
dokter had bedenkelijk het hoofd geschud, toen hij haar voor de tweede
maal bezocht, gezegd dat hij bevreesd was voor een longaandoening en de
grootste voorzichtigheid aanbevolen. Het was mogelijk dat de ziekte van
tamelijk langdurigen aard zou zijn en het was dus niet ongewenscht dat
de patiënt op een vroolijker kamer lag, ergens waar zij de zon eens
kon zien en niet alleen de kachel warmte bracht. Grootmama opperde
terstond het plan dat haar kamer, die ruim en vroolijk was en aan den
zonnigen tuinkant lag, voor Elsje in orde zou worden gemaakt. Zoo heel
lang zou zij zelf toch niet meer blijven logeeren en buitendien kon
zij heel goed slapen op de logeerkamer, waar de patiënt nu lag. Deze
werd dus, terdege in wollen dekens gewikkeld, naar het andere vertrek
overgebracht en daar lag zij thans gerust te slapen, terwijl Keetje
nu en dan heel zacht binnenkwam om de kachel te verzorgen en te zien
of de zieke al wakker was en naar haar ontbijt verlangde. Eindelijk
hoorde ze Elsje diep zuchten en met een zwak stemmetje vragen:
"Ben jij daar, Keetje?"
"Ja jongejuffrouw, bent u goed wakker? Zal ik dan uw ontbijt maar
halen?"
Er kwam geen antwoord, zoodat Keetje naar het bed toe ging en haar
vraag herhaalde. Elsje lag nog met gesloten oogen; thans opende zij
die en zei met een lachje:
"Ik ben toch zoo vreeselijk lui. Ik zou best nog een beetje kunnen
slapen."
"Dan zou ik het maar doen ook--straks kom ik wel eens weer naar u
kijken. Kom, doe maar gauw de oogen weer dicht."
"Ja. Maar Keetje...."
"Ja, jongejuffrouw?"
"Hoe is het met allemaal beneden? Goed?"
Keetje zweeg verlegen. Straks zou het arme kind weten wat er niet
"goed" was--hoe moest zij haar vraag beantwoorden?
Maar Elsje maakte het haar gemakkelijk. Zij wachtte Keetje's antwoord
niet af, maar had haar hoofd al weer op het kussen omgedraaid en was
bijna weer in slaap.
Het was omstreeks elf uur, toen ze verkwikt en met een heerlijk
gevoel van flink uitgerust te zijn, opnieuw wakker werd. Met geopende
oogen, maar zich overigens geheel overgevend aan een behagelijke
gewaarwording van zalige rust, bleef ze doodstil in dezelfde houding
liggen, al haar aandacht wijdend aan een vriendelijken zonnestraal,
die onder de neergelaten gordijnen door naar binnen scheen. Ze voelde
zich te zwak en te dommelig op dit oogenblik om er aan te denken,
hoe mooi en lieflijk het thans buiten zijn moest, waar het vroege
voorjaar de kastanjes reeds deed uitbotten en over alles licht en
glans wierp. Het was haar genoeg, warm gekoesterd te mogen rusten in
het ruime, makkelijke bed, dat de lieve oude dame haar had afgestaan
en stil tevreden te zijn, omdat het akelige gehamer en gesis in haar
hoofd en de benauwde pijn op haar borst zich van ochtend nauwelijks
deden gevoelen.
Even bleef ze zoo liggen, toen ze plotseling geheel wakker werd door
een gefluister in hare nabijheid, waarvan ze duidelijk de woorden
opving:
"Ja, het zal toch maar beter zijn dat het haar nu gezegd wordt. Ze zal
toch naar hare tante vragen, als zij die den geheelen dag niet ziet
en buitendien ben ik er volstrekt geen voorstander van, dergelijke
dingen voor patiënten verborgen te houden, als het niet absoluut
noodzakelijk is."
Elsje herkende de stem van den dokter en hoorde grootmama antwoorden:
"Dan moet ik het haar straks zeggen, als zij wakker is, het arme
kind! Wilt u ook nog even naar haar kijken, dokter, al slaapt ze?"
"Neen, neen, ik slaap niet," riep Elsje uit, geheel opgeschrikt uit
haar zoete rust. "Wat is er, wat is er?"
"Stil, stil, rustig meisje, rustig," zei de dokter, met de oude dame
naderbij komend. "Kom, ik ben zoo gewend dat mijn patiëntje gehoorzaam
is. Ga gauw weer liggen, zóó!" En hij legde zijn koele hand op haar
voorhoofd en dwong haar stil te blijven liggen.
"Maar wat is er toch, dokter?" vroeg ze weer.
De dokter antwoordde niet, maar nam een stoel en ging bij het bed
zitten, bevoelde Elsje's pols, deed haar eenige vragen en zei toen
op hartelijken toon:
"Er is iets gebeurd, Elsje, daar je heel bedroefd om zijn zult. Er
is van ochtend bericht gekomen over je grootmoeder en dat bericht is
niet gunstig."
Zij bleef hem strak aanzien, maar scheen nog volstrekt niet te
vermoeden, waar zijne woorden op doelden.
"Elsje," zeide de oude dame zacht, terwijl ze zich over haar heenboog
en haar diep in de oogen zag. "Mijn lief, lief kind, je grootmoeder
is gestorven."
Elsje keek haar aan, met zulk een vreemde, onzekere uitdrukking in
de oogen, zoo geheel alsof zij niet begreep wat haar gezegd was,
dat grootmama zachtjes herhaalde:
"Zij is dood, Elsje."
"Neen, neen!" riep het arme kind nu, terwijl ze met een woeste beweging
de beide handen der oude dame greep, "dat kan niet, dat kan niet! Dat
bericht is verkeerd, zoo ziek was grootmoeder niet! Maar ze is zeker
erger, dan wil ik naar huis... en dan mag ik ook wel! Ik ben zooveel
beter en ik verlang zoo vreeselijk..."
"Dat zou nu niet meer helpen, Elsje, ze is werkelijk gestorven."
|