|
|
"Heel graag," zei Elsje zacht en boos op zichzelf, omdat ze weer dien
onverklaarbaren drang tot schreien voelde.
"Mooi zoo, geef mij dan nu een kus en laat mij je eens even goed
aankijken. Ik moet toch weten, hoe mijn nieuw kleindochtertje er
uit ziet."
Zij trok Elsje dichter naar zich toe, kuste haar op de wang, nam haar
hoofd tusschen de beide handen en keek haar vriendelijk in de oogen.
"Ziezoo, nu heb ik je portret al in mijn hoofd," zei ze, terwijl Elsje
haar dolgraag nog een kus zou hebben gegeven, als ze maar gedurfd had.
Toen ze zich dien avond te slapen legde, voelde ze zich gelukkiger
dan ze nog gedaan had, sedert ze bij hare tante logeerde. Over hetgeen
bij Louise van Rensen voorgevallen was, had Cécile thuis niets gezegd.
Hoofdstuk VIII.
De Feestavond.
De gewichtige dag aan den avond waarvan de partij zou plaats hebben,
was aangebroken en in het huis van mevrouw d'Ablong heerschte een
ongewone drukte. De beide deuren der twee kamers, die en suite
met elkaar waren verbonden en zich vooraan in het huis bevonden,
stonden wijd open, wel een bewijs dat er iets buitengewoons
aan de hand was, want deze kamers werden alleen bij feestelijke
gelegenheden gebruikt. Mannen liepen onophoudelijk af en aan met
hooge, mooie planten in groene kuipen om de hoeken der kamers te
versieren en guirlandes van dennengroen en puntige, glanzige klimop
werden met smaak om den spiegel en aan den muur bevestigd, waar
zij schilderachtig afstaken tegen de teere, lichte kleuren van het
behang. Cécile hield met een kritisch oog het toezicht over alles,
terwijl hare moeder nu en dan even binnen kwam om te zien, of men
goed vorderde met de versiering. "Het moet alles nu eens heel mooi
zijn, mama," had Cécile gezegd, "eens wat anders dan vroeger,"
en mevrouw d'Ablong vond alles goed, wat Cécile goed vond en was
alleen maar bang dat zij zich te veel zou vermoeien, als zij het zich
's ochtends reeds zoo druk maakte. Grootmama was met haar kleinzoon,
die den vorigen avond gearriveerd was, gaan wandelen. Zij had Elsje
gevraagd om mee te gaan, maar daar kon geen denken aan zijn, had
Cécile gezegd. Elsje moest noodzakelijk haar rol nog eens bestudeeren,
zij kende die volstrekt niet prompt en buitendien was er nog van
allerlei te doen. Het was een groote teleurstelling voor Elsje, die
toch al veel minder aan de oude dame had dan zij aanvankelijk had
gehoopt. Cécile wist altijd op een behendige manier tusschen beide
te komen, om een toenadering tusschen deze twee te verhinderen. Zij
vond het onnoodig en ongewenscht dat hare grootmoeder zich veel met
Elsje bemoeide en deze onder hare bescherming nam. Elsje moest weten,
waar zij staan moest; zij was nu eenmaal uit een totaal anderen stand
en het was al mooi genoeg dat zij bij de deftige mevrouw d'Ablong
logeeren mocht, zooveel mooie kleeren cadeau kreeg, bij de partij
mocht zijn, enz. enz. Frits was ook veel te vriendelijk jegens Elsje,
hij deed heusch net soms, of hij haar niet onaardig vond! Dat was nu
niet noodig, oordeelde Cécile; Elsje zou er maar brutaal van worden,
zij was toch al onbescheiden genoeg. En buitendien, zij hoorde hier
eigenlijk niet--het was vervelend altijd dat kind overal bij. Cécile
zou blij zijn, als zij weer goed en wel naar haar dorp vertrokken
was. Mama had haar eigenlijk maar nooit hier moeten laten komen!
Intusschen, zij was niet van plan, haar plezier te laten bederven door
Elsje. Gelukkig gedroeg deze zich thans ten minste iets beter dan in
't begin en als zij zich nu 's avonds maar een beetje achteraf hield
en wat bescheiden was, ook niet te veel danste, want dat deed ze nog
allesbehalve mooi,--dan zou alles wel goed afloopen.
's Avonds, voordat de beide meisjes zich gingen kleeden voor het feest,
nam Cécile Elsje nog eens onder handen op haar kamer. "Gedraag je nu
_als 't je blieft_ een beetje netjes," zei ze, "en lach vooral niet
zoo onbeschaafd luid. Dat deedt je gisterenavond telkens, als Frits een
aardigheid zei. Die keek ook al zoo vreemd op, toen hij het hoorde!"
"Dat is niet waar," zei Elsje driftig.
"Zulke uitdrukkingen gebruikt men bij ons niet," antwoordde Cécile
doodbedaard en uit de hoogte. "Je weet nu, waaraan je je te houden
hebt. Stel je niet op den voorgrond van avond, dans niet te veel, want
dat gaat je nog heel onelegant af en zeg geen onbehoorlijke dingen."
"Dat doe ik nooit," zei Elsje koppig.
"Je hebt me nu, geloof ik, wel begrepen," hernam Cécile scherp. "O,
daar is Keetje om je te helpen bij het kleeden."
Cécile verdween en Keetje haastte zich, aan Elsje's toilet te
beginnen. Een beelderige baljurk van de zachte, rose stof gemaakt, die
mevrouw d'Ablong in den winkel had uitgezocht, lag op het bed. Cécile
zou een nieuw balkleedje dragen van het bewuste, teergele, kantachtige
weefsel met de fijne, blauwe bloempjes. Elsje had een kleur gekregen,
toen de naaister haar paste en er over uit was, zoo goed als het rose
haar stond. Ze was meisje genoeg, om hiervoor niet ongevoelig te zijn
en ze verlangde naar het bal en zag er tegen op tegelijk. Keetje
besteedde bizonder veel zorg aan het kapsel en slaagde werkelijk
gelukkig.
"Kijk nu eens even in den spiegel, jongejuffrouw," zei ze, "en zie
eens, hoe het u zoo bevalt. De kuif zit, dunkt me, veel beter dan
anders, ik heb er erg mijn best op gedaan."
"Ik vind het keurig," zei Elsje verlegen; zij was niet gewend om veel
in den spiegel te kijken. Een lichte huivering van half prettige, half
"griezelige" agitatie voer haar door de leden, toen Keetje de jurk
voorzichtig van het bed nam en haar over de schouders liet glijden. Het
ruime lijfje, smaakvol met een weinig ragfijne kant gegarneerd, zat
keurig, en aardig staken de lage, goudleeren dansschoentjes en de
zijden kousen onder den ruimen rok uit. Elsje bleef met neergeslagen
oogen staan, terwijl Keetje handig en vlug haar werk deed. Zij had een
gevoel, alsof zij iemand anders was en toen Keetje op goedkeurenden
toon zei: "Ziezoo, nu bent u klaar!" keek ze met een droomerig lachje
op. Ze verroerde zich niet en haar hart klopte sneller, toen Keetje
de kaarsen op den schoorsteen aanstak en zei:
"Nu moet u eens voor den grooten spiegel gaan staan, _zóó_, dan kunt
u uzelf van top tot teen bekijken."
Zij duwde Elsje zacht naar voren en toen deze de oogen opsloeg,
zag ze haar beeld plotseling levensgroot in den fraaien spiegel
weerkaatst. Met zekeren nieuwsgierigen schroom keek ze naar de bekende
en toch zoo ongewone verschijning. Ze zag een bedeesd meisjesgezicht
met een warmrood blosje op de wangen, groote, schitterende oogen,
waarin een uitdrukking van kinderlijke verlegenheid lag, een half
blooten hals, door een teere kantwolk omsloten, en een stevig, rond
figuurtje, waaromheen lichtrose plooien bevallig waren gedrapeerd. Ze
haalde eens diep adem en keerde zich half beschaamd van den spiegel af,
als vond ze dat ze nu reeds meer dan lang genoeg gekeken had. Keetje
bezag haar nog eens met een langen, onderzoekenden blik, om te
ontdekken of zij nog iets verzuimd had, toen zei ze:
"Nu ga ik mevrouw even roepen, jongejuffrouw. Zij heeft mij gezegd
dat ik dit doen moest, als u klaar waart."
Zij ging de kamer uit en kwam bijna onmiddellijk terug met mevrouw
d'Ablong, die reeds geheel gekleed was in een japon van zware,
ruischende zwarte zijde. Een prachtige, diamanten broche prijkte aan
haar hals.
"Heel netjes," zei ze, nadat zij Elsje nauwkeurig van top tot teen
had opgenomen. "Kijk maar niet zoo bedremmeld, kind; kom, laat mij
eens zien hoe je gezicht er uit ziet." En het meisje vriendelijk bij
de kin vattend, keek ze haar lachend aan.
"Wat heb je een kleur en wat schitteren je oogen!" zei ze, "het is
net of je een ander kind bent. Nu, vindt je het nu ook prettig dat
ik je die mooie jurk heb gegeven en ben je nu van plan om eens een
heelen boel plezier te hebben van avond?"
Elsje knikte.
"Wat zal grootmoeder verlangen naar al je verhalen," vervolgde mevrouw
d'Ablong, die in een bizonder goed humeur was, nu ze zag hoe lief
Elsje het mooie toiletje stond. "Je zult wel dansers krijgen hoor,
doe vooral goed je best om de passen netjes te maken."
En in een, bij haar zeer ongewone, opwelling van teederheid voor Elsje,
kuste zij haar op de wang.
"Maar kindje, wat gloeit je gezicht!" riep zij uit, "ben je zoo
opgewonden?" Toen, met een plotselinge verandering van toon: "Ik vind
toch dat die garneering om den hals wat kaal staat. Je hals is ook
niet blank genoeg om zoo ver bloot te zijn. Je moest eigenlijk... ja,
wacht eens, ik zal je voor dezen éénen keer mijn parelsnoer leenen;
dat zal bepaald mooi staan bij die crème kant. Maar het is heel, heel
kostbaar, Elsje, pas dus vooral goed op dat je het niet verliest. Het
is een erfstuk van de familie d'Ablong en buitendien een groote som
gelds waard."
"Maar dan wil ik het eigenlijk veel liever niet dragen, tante, als
er eens wat aan kwam...."
"Onzin! Wat zou er nu aan een parelsnoer komen, dat je gewoon om je
hals draagt! Blijf hier maar even wachten, ik kom dadelijk weer terug."
Een paar minuten later kwam zij de kamer weer in met den kostbaren
ketting in haar hand. Juist wilde zij de deur sluiten, toen Cécile
op den drempel verscheen.
"Ik zag u hierin gaan, mama," zei ze, "ik ben klaar. Niet onaardig,
vindt u wel?"
Mevrouw d'Ablong keerde zich snel om en met een glans van moederlijken
trots op haar gelaat, keek ze naar de jonge meisjesgestalte, die in al
de schoonheid van een allerelegantst toiletje, kwistig met lichtblauwe
strikken en volants van slap neerhangende kant versierd, voor haar
stond. Het weelderige, donkere haar viel krullend en golvend neer
langs den blanken hals en werd alleen in bedwang gehouden door een
lossen strik van lichtblauw lint, dat mooi afstak bij de warmbruine
kleur van het haar. De groote, donkere oogen, de fraaie teekening der
wenkbrauwen, de lange oogwimpers, de bevallige ronding der armen,
de slankheid van het figuurtje--alles scheen bij deze smaakvolle
kleeding nog meer uit te komen dan anders en zonder de minste poging
om hare bewondering te verbergen en Cécile's ijdelheid te temperen,
riep mevrouw d'Ablong uit:
"Allerbeelderigst Cilly! Je ziet er meer dan snoeperig uit! Heeft
grootmama je al gezien en Frits?"
"Neen mama."
"Dan zou ik maar gauw naar beneden gaan. Het is ook al niet vroeg
meer. Maar kijk nog eens even naar Elsje; vindt je niet dat dat
japonnetje haar aardig staat?"
Cécile verwaardigde zich niet, meer dan een vluchtigen blik op haar
nichtje te werpen en zei op onverschilligen toon:
"Het gaat nogal." Toen opeens driftig: "Maar mama, waarom heeft ze
uw parels aan?"
"Het stond anders zoo kaal; die kant valt zoo erg naar beneden,
hier van voren."
"Nu, u moet het weten, maar ik vind dat parels al allerminst bij
Lizzie passen."
"Kom Cilly, nu niet zulke onaardige dingen zeggen," zei hare moeder
op vergoelijkenden toon. "Nu maar naar beneden meisjes, ik ben trotsch
op jullie alle twee."
Grootmama en Frits waren vol lof over het fraaie baltoiletje van Cécile
en Frits plaagde zijn nichtje met haar zwak voor mooie kleeren. Naar
Elsje keek de oude dame met een vriendelijke tinteling in hare oogen,
alsof het haar goed deed in het eenvoudige kindergezichtje te zien,
dat gloeide van koortsachtige spanning. Zij trok Elsje naar zich toe
en kuste haar en Frits keek haar vroolijk aan en zei lachend:
"Niet alle dansen weggeven aan anderen, hoor Roodkapje! Ik reken er
vast op dat je er twee of drie met mij doen zult."
"Aan het dansen zijn wij nog zoo gauw niet toe," viel Cécile haastig
in. "Eerst babbelen we een beetje en laten onze balboekjes vullen, maar
voordat het wezenlijke dansen begint, voeren we het tooneelstukje op."
"O," riep Frits, groote oogen opzettend, "moet daar die fraaie tribune
voor dienen?"
"Ja, en nu vertel ik je verder niets meer," zei Cécile met geveinsde
knorrigheid. "Je moogt het gordijn wegtrekken, dat als scherm dienst
doet van avond en dan moet je oplettend en bewonderend naar de
comedie kijken."
"UEd. hebt maar te bevelen," zei Frits, het hoofd buigend.
Toch kwam het anders uit dan Cécile zich had voorgesteld. Toen al de
gasten, een vroolijke, levendige stoet van jongens en meisjes van 14
tot 18 jaar, verschenen waren en de prettige tonen der muziek werden
gehoord, smeekten allen zoo dringend om een, twee dansjes, voordat
er iets anders gebeurde, dat Cécile wel toe moest geven, hoewel
zij het niet heel vleiend vond dat er naar de tooneelvoorstelling
niet meer werd verlangd. Daarbij kwam dat Frits met onverklaarbaren
slechten smaak er op stond den eersten dans met Elsje te doen, die
verbaasd en verrukt haar hand op zijn arm legde en door hem geholpen,
veel beter en met veel meer genot danste dan zij had durven hopen. En
hoewel het Cécile gelukte de jeugdige cavaliers, die zich als om strijd
verdrongen om hunne namen in haar balboekje op te schrijven, van Elsje
af te houden, toch verminderde dit het gevoel van bitterheid niet,
dat bij haar opkwam, toen ze Frits ook den tweeden dans met Elsje zag
doen. Eindelijk, bij den derden zag ze haar als "muurbloem" op een der
stoelen zitten en toen deze dans afgeloopen en het oogenblik gekomen
was, waarop de actrices zich uit de balzaal moesten verwijderen,
ging ze snel naar Elsje toe en fluisterde:
"Ga terstond mee, we moeten ons stukje doen."
Elsje stond dadelijk op en volgde haar naar de achterkamer, waar een
klein tooneel was geïmproviseerd, terwijl de meisjes zich verkleeden
moesten in een vertrekje, dat door een deur met de achterkamer was
verbonden. Een tweede deur kwam op de gang uit. Loulou, Cato, en Emma
waren er reeds, toen Cécile en Elsje binnen kwamen.
"O Cilly, wat zie je er beelderig uit van avond!" riep Cato. "Jij
bent natuurlijk weer la reine du bal."
"Zoo!" zei Cécile op onverschilligen toon. "Ik heb anders nog niet
heel veel plezier gehad; ik schaam me zóó over Lizzie."
"Over mij?" vroeg Elsje verbaasd, wier vroolijke oogen toonden dat
_zij_ wel plezier gehad had.
"Ja, over jou! Heet hier anders soms iemand Lizzie?"
"Alsof ik wel zoo heette!" lachte Elsje. "Maar wat heb ik dan gedaan?"
"Als je dat niet begrijpt, kan ik het je niet uitleggen," zei Cécile
boos. "Je hebt je heel onbehoorlijk en coquet aangesteld. Sta daar
nu maar niet zoo dom te kijken, maar maak liever voort. Denk er
aan dat jij het eerst opkomen moet en dus ook het eerst klaar moet
zijn. Speel nu als 't je blieft een beetje goed en spreek duidelijk,
maar gil en lach niet zoo onbeschaafd."
Elsje antwoordde niet. Zij wilde zich goed houden en beet zich op de
lippen om zichzelf tot zwijgen te dwingen. De anderen keken Cécile
verbaasd aan, maar achtten het ook wijs niets te zeggen. Emma hielp
Elsje aan hare kleeding en zette haar het nette, witte mutsje op,
dat zij als dienstmeisje dragen moest. Allen waren druk bezig, hare
baltoiletten te verwisselen voor de eenvoudiger kleedij, waarin zij
haar rol vervullen moesten.
Eindelijk kon de voorstelling een aanvang nemen. In lange rijen
zaten en stonden de gasten in afwachting van hetgeen zij te zien
zouden krijgen. Frits trok met een plechtig gezicht het gordijn weg
en Cécile duwde Elsje naar voren en fluisterde boos:
"Kom, gauw nu maar, treuzel niet, als 't je blieft."
"Neen," zei Elsje gejaagd, terwijl ze zich opeens heel zenuwachtig
voelde en buitengemeen geneigd om weg te loopen, _niet_ in de richting
van het tooneel. Zij vermande zich echter en trad moedig naar voren,
hoewel ze vreemd duizelig werd en hare oogen als in een witten
nevel zagen.
Zoo duidelijk sprekend als haar maar mogelijk was, begon ze te spelen,
maar ze wist nauwelijks, wat ze zeide. Ze kende echter haar rol zoo
prompt dat ze geen oogenblik haperde, totdat plotseling een jongensstem
uit de toeschouwers riep:
"Niet met je rug naar het publiek! Keer je eens om!"
"Sst.... stil.... stil...." riepen verscheidene andere stemmen.
"Nu ja, maar we zien en hooren zoo niets," zei de eerste stem weer.
Elsje keerde zich om--zij wist niet eens dat zij met haar rug naar
het publiek toe had gestaan--en begon nog eens. Nauwelijks echter had
zij een paar zinnen gezegd, of hare stem begaf haar. Zij hapte naar
adem en keek met een hulpelooze, angstige uitdrukking in hare oogen
naar de zee van nieuwsgierige gezichten voor haar. Zij probeerde nog
eens en nog eens, maar er kwam geen geluid. De tooneelkoorts had het
arme kind deerlijk in hare macht; zij stond te trillen op hare beenen,
het suisde in hare ooren en zij voelde zich diep ongelukkig. Al haar
moed begaf haar en met een wanhopig gebaar sloeg zij de handen voor
het gezicht en barstte in tranen uit.
Frits schoof snel het gordijn weer voor het tooneel.
"Even geduld, dames en heeren," riep hij, "een onzer actrices is
een weinig ongesteld geworden. Straks zal de voorstelling wel weer
opnieuw kunnen beginnen."
Intusschen had Cécile Elsje driftig bij den arm genomen en meegetrokken
naar het kleedkamertje. Elsje volgde gedwee en hard snikkend.
"Je hebt alles, alles bedorven!" knorde Cécile. "Wij hadden je nooit
mee moeten laten spelen! En wat moeten wij nu beginnen?" vervolgde ze,
zich tot de anderen wendend, "met die erbarmelijk snikkende Lizzie
kunnen wij niets uitvoeren."
"Mag ik binnen komen?" vroeg een stem aan de deur, die op de gang
uitkwam.
"Wie is daar, wie is daar?" riepen Loulou en Emma tegelijk.
"Wie ben je?" riep Cécile.
"Kitty van Heusde," antwoordde de stem. "Laat mij heusch maar
binnen--ik kom jullie helpen."
Emma opende de deur en een klein, dik meisje met een rond, prettig
gezicht, trad snel binnen.
"Ik wou vragen," zei ze, "of ik voor dienstmeisje zal spelen. Ik ken
het stukje heel goed, wij hebben het juist bij ons thuis opgevoerd,
op Papa's verjaardag. Misschien wil zij," en zij wees medelijdend op
Elsje, die op een stoel zat te schreien, "er wel graag af."
"O ja natuurlijk," zei Cécile. "Dat treft heerlijk, Kit. Verkleed je
dan maar gauw. Kom Lizzie, trek dat costuum eens uit. Het zal je wel
passen denk ik, Kitty, jullie zijn zoowat even groot."
Elsje gehoorzaamde en bleef toen met een treurig gezicht, in haar
onderlijfje zitten. Emma vroeg haar vriendelijk of ze haar even zou
helpen om haar baljurk weer aan te trekken, maar ze schudde droevig
het hoofd. De andere meisjes lieten haar aan haar lot over. De
voorstelling begon weer, thans met de allesbehalve bedeesde Kitty
van Heusde als dienstmeisje, en was in vollen gang, toen Elsje nog
steeds bitter terneergeslagen in het kleedkamertje zat. Juist waren
al de vijf actrices op het tooneel bezig, toen de eene deur van het
vertrekje zacht geopend werd en de oude grootmoeder binnen kwam.
"Maar kindje," zei ze, hare hand op Elsje's schouder leggend, "zit
je hier nog zóó? Wel foei, dat is nu net om kou te vatten en ziek te
worden! Kom, laat ik je maar eens gauw weer netjes maken. Dit is je
japonnetje, he?"
"Ja," zei Elsje, "maar ik durf toch niet weer naar binnen."
"Niet weer naar binnen! Dat meen je niet! Je zult eens zien hoeveel
plezier je nog zult hebben. Sta maar eens gauw op."
Elsje durfde niet tegen te stribbelen en in een oogenblik had de
handige, oude dame haar de mooie, rose jurk aangetrokken. Het kostbare
parelsnoer werd weer om haar hals bevestigd, toen sloeg grootmama
den arm om haar heen, trok haar naar zich toe en zei:
"Zullen we nu samen weer naar binnen gaan?"
"Ik durf wezenlijk niet," zei Elsje bevend.
"Kom, kom, een beetje moedig wezen. Leg je hand maar hier, zóó;
nu gaan we gearmd naar binnen."
Elsje drukte zich dichter tegen de oude dame aan, toen zij de danszaal
weer inging. Het binnenkomen viel haar echter erg mee. Al de gasten
waren verdiept in het tooneelstukje en bijna niemand keek om, toen
hare begeleidster met haar op een der achterste rijen zitten ging,
waar nog twee stoelen leeg waren. Mevrouw d'Ablong alleen wierp haar
een koelen blik toe en wenkte grootmama om naar voren te komen en haar
vroegere plaats in te nemen. De oude dame knikte echter ontkennend
en bleef bij Elsje.
Met een hoogroode kleur en koude handen zat deze verlegen en beschaamd
naast haar en hoewel zij zich langzamerhand een beetje meer op haar
gemak begon te voelen en weer eens om zich heen durfde te zien,
kwam de vroolijke stemming, waarin zij bij het begin van den avond
was geweest, niet terug. Toen het comediestukje geëindigd was en
de jeugdige actrices levendig waren toegejuicht en herhaaldelijk
teruggeroepen, nam grootmama afscheid en ging naar hare kamer. Zij
was moe en men zou zich nu ook wel zonder haar kunnen amuseeren,
betuigde ze lachend. Zij fluisterde Elsje nog een paar bemoedigende
woorden toe en ging toen heen. Het arme kind voelde zich nu weer erg
verlaten. Hare tante durfde zij niet onder de oogen komen en Frits
evenmin en toen Cécile, Loulou en Cato haar met spottende gezichten
voorbij gingen en ze Cato hoorde zeggen: "Dat laffe kindje moest
maar naar bed gaan, dunkt me," trok zij zich angstig terug in een
stil hoekje achter een paar hooge dennestruiken, waar toevallig een
stoel stond. Juist vroeg ze zich af, of het werkelijk maar niet beter
zou zijn dat ze stil naar haar kamer ging--niemand zou haar zeker
missen, dacht ze met bitterheid--toen ze een frissche koelte hare
wangen voelde streelen en bemerkte dat ze dicht bij een raam zat,
dat half open stond, zeker om te verhinderen dat het in de balzaal
te benauwd werd. Het was een mooie Februari-avond en Elsje knielde
met een zucht van welbehagen voor het venster neer, legde haar hoofd
op het kozijn en keek naar buiten. Wat flonkerden de sterren en wat
was de lucht donkerblauw en welk een heerlijke geur verspreidden de
dennen naast en achter haar! Als zij de dansmuziek niet zoo duidelijk
had gehoord, zou ze zich bijna hebben kunnen verbeelden dat ze buiten
was in het bosch, met de plechtige stilte van den avond om zich heen
en den schitterenden sterrenhemel boven haar hoofd. Hé, wat was het
heerlijk om die verkwikkelijke koelte over hare gloeiende wangen te
voelen glijden! Zij stak haar hoofd verder buiten het raam en keek
met een ernstig gezicht naar boven, terwijl ze hare handen gevouwen
op de vensterbank hield. Zoo bleef ze onbewegelijk een oogenblik
zitten. Een lokje van heur haar viel naar voren en zij schoof het
met de linkerhand weg, waarbij deze even in aanraking kwam met het
kanten plooisel om haar hals. Tegelijkertijd voelde ze plotseling dat
ze het parelsnoer niet meer om had. Met een snelle beweging trok zij
haar hoofd naar binnen, voelde nog eens en nog eens, maar de kostbare
ketting was geheel verdwenen. Hevig verschrikt sprong zij op en zocht
op den grond om zich heen, op de vensterbank, bij de dennen--alles te
vergeefs. Zij wist zeker dat ze het snoer nog om had gehad toen ze hier
ging zitten, want ze had toen nog een paar achterharen losgetrokken uit
het slootje, dat daaraan was blijven haken--waar kon de ketting opeens
gebleven zijn? Radeloos sloeg zij de handen in elkaar en trachtte na te
denken. Daar viel haar iets in! Misschien was het slootje losgeraakt
en het parelsnoer uit het raam naar buiten gevallen, terwijl zij naar
den sterrenhemel opkeek. Terstond stak zij haar hoofd weer buiten
het venster en keek scherp rond, of zij in het maanlicht de parelen
ook ergens op de stoep zag liggen. Maar er was niets te zien dan de
blauwe steenen der stoeptreden en de stille, rustige gracht, die op dit
oogenblik van den avond gewoonlijk zeer weinig werd bezocht. Zij moest
verder zoeken, verder zoeken.... Als er eens iemand voorbij gekomen
was en het parelsnoer opgeraapt en meegenomen had, terwijl zij bezig
was bij de dennen er naar te zoeken! Haar hart klopte hevig bij die
verschrikkelijke gedachte! Nooit, nooit zou zij hare tante weer onder
de oogen durven komen, voordat ze het kostbare sieraad teruggevonden
had! Wie was er, die haar helpen kon? Niemand, niemand! Grootmama was
zeker al te bed gegaan, Miss Piper zat den geheelen avond rustig op
haar kamer en buitendien--zij zouden toch niet weten, waar de parels
gebleven waren! O, zij moest zoeken, zoeken, net zoolang tot zij ze
weer had, den geheelen nacht door, als het noodig was. Hoe kon zij hier
ook nog blijven staan! Zij moest dadelijk naar buiten gaan en overal
kijken bij de stoep--van hieruit kon zij toch ook onmogelijk goed zien.
Daar hoorde zij de stem van Frits roepen: "Waar is Roodkapje toch?" En
Cécile, die lachend terugriep: "Zeker naar boven gegaan, het is
kleine kinderen-bedtijd!" En bevend en angstig, doodsbenauwd dat
iemand haar zien zou, snelde zij uit haar schuilplaats naar de deur
der kamer, die zich gelukkig dicht bij het venster bevond. Tot haar
blijdschap kwam ze niemand tegen in de helder verlichte gang en in
een ondenkbaar kort oogenblik had ze de voordeur geopend en stond ze
op de stoep. Toen keek ze snel rond. Daar was het open raam, waaruit
ze naar buiten had gekeken, dan zou het snoer hier kunnen liggen. Ze
liep haastig twee der stoeptreden af en zocht, zocht uit alle macht,
dan hier, dan daar, overal waar het maar met eenige mogelijkheid
heen zou hebben kunnen glijden--maar het was en bleef weg. Het was
verschrikkelijk! Het arme kind werd hoe langer hoe wanhopiger. In
haar zenuwachtigen toestand deed ze zichzelf de hevigste verwijten
over hare onvoorzichtigheid om het hoofd uit het raam te steken. Met
gloeiende wangen, een brandend gevoel in de oogen en overigens koud
en rillend van agitatie, liep zij nog eens en nog eens de stoep op
en af. Al haar zoeken bleef vruchteloos, een hevige angst voor den
toorn harer tante maakte zich van haar meester en in hare radeloosheid
nauwelijks in staat tot geregeld denken, stond zij een oogenblik met
bange, groote oogen te kijken langs de stille gracht. Wat moest ze
beginnen? Weer naar binnen gaan, durfde ze niet--kon ze maar ergens
heen gaan, vluchten, weg, ergens, waar ze dien nacht kon blijven en
dan morgen naar huis, naar grootmoeder en die alles vertellen. Die
zou haar dan wel helpen om alles aan tante te schrijven....
En tante zou haar niet missen van avond, die dacht natuurlijk dat
zij al naar bed was, dat dacht Cécile immers ook.... maar waar zou
ze heen; waar?
Daar kreeg ze plotseling een inval. Ja, ja, dat zou gaan! En zonder
zich een oogenblik te bedenken, vloog ze als een pijl uit den boog de
hooge huizen langs, een wonderlijke verschijning in haar fladderend
licht toiletje, zonder hoed op het wuivende blonde haar en met de
dunne, sierlijke dansschoentjes aan de voeten. Op den hoek der gracht
sloeg ze de breede winkelstraat in, die nog helder verlicht was;
het was ongeveer tien uur. De voorbijgangers keken nieuwsgierig naar
haar, maar zij lette niet op hunne verbaasde gezichten en snelde al
maar voort, voort, tot ze voor den kleinen kruidenierswinkel stond,
waarmee ze vroeger kennis had gemaakt. Met een bevende hand deed ze de
winkeldeur open en trad binnen. Een man, die achter de toonbank stond,
keek haar met sprakelooze verwondering aan. Dat was een vreemde klant
op den laten avond, vond hij.
"Ik.... ik.... is uw vrouw binnen?" vroeg Elsje hijgend.
"Jawel, die is thuis," zei de man met een hoofdknik. "Maar wat moet
u met haar, jongejuffrouw? Het is al zoo laat, ik begrijp niet...."
"Dus zij is binnen?" viel Elsje hem haastig in de rede en zonder zijn
antwoord af te wachten, liep ze de smalle gang door en de kamer achter
den winkel in. De kruidenier volgde haar terstond.
"Lieve tijd, wat is dat?" riep zijn vrouw, ontsteld van haar stoel
opspringend, toen ze Elsje zag. "Wat moet dat jonge dametje hier,
Gerrit? En in die dunne kleeren...."
"Ik ben het, Elsje, u kent mij toch nog wel?" zei Elsje gejaagd
en schreiend. "En ik kom u vragen, of ik hier van nacht mag
blijven. Morgen ga ik weer weg--naar huis terug, naar grootmoeder."
"Ja, nu zie ik het," zei de vrouw, "je bent dat zelfde meisje,
dat Evert laatst voor een ongeluk heeft bewaard. Maar lieve kind,
waarom ben je weggeloopen van die tante, bij wie je logeerde en dan
nog wel zoo koud gekleed! Kom, schrei nu niet. Vertel mij maar eens
waar je logeert, dan zal mijn man je wel even thuis brengen. Wat is
er toch? Waarom ben je zoo vreeselijk bedroefd?"
"O, ik kan het u niet zeggen en ik kan niet weer naar tante terug
gaan, heusch niet! Ik heb iets verloren van haar, iets heel kostbaars
en ik kan niet weer naar haar toegaan, voordat dat terug is! Och,
laat mij hier van nacht blijven, als 't je blieft, als 't je blieft."
"Maar je tante zal zoo ongerust worden, als ze niet weet, waar je
bent. Kom, zeg ons nu maar even, waar ze woont en schrei niet meer
zoo vreeselijk! Het is toch zeker ook maar een ongeluk geweest dat
je dat mooie ding hebt verloren. Ik zou maar gauw weer naar huis gaan
en haar alles zeggen, dat is veel beter, gerust, en dan zal mijn man
je even brengen. Is 't niet Gerrit?"
Gerrit, die zijn vrouw voortdurend het woord liet doen en nog steeds
met de uiterste verbazing op zijn gezicht stond toe te kijken,
knikte toestemmend.
"Neen, neen!" riep Elsje angstig. "Ik kan niet weer terug, wezenlijk
niet, och, geloof mij toch! En tante zal niet ongerust zijn, want
zij denkt dat ik al in bed lig. Laat mij hier blijven van nacht, als
't je blieft, als 't je blieft! Morgen zal ik weer weggaan...."
Er was niets met haar te beginnen. Zij was zoo over stuur en zoo
angstig bevreesd dat men haar haar zin niet zou geven, dat de vrouw
eindelijk hoofdschuddend toegaf, haar in Gerrit's gemakkelijken stoel
bij de tafel duwde en zei:
"Nu, nu, blijf hier dan maar van nacht. Rust nu maar eens even uit
en probeer wat kalmer te worden."
Toen ging zij met haar man de kamer uit.
"Wij moeten haar in vrede's naam van nacht maar hier houden," zei
ze. "Het arme kind is heelemaal in de war. Het is te hopen dat die
tante van haar werkelijk niet ongerust over haar is. Als ze nu van
nacht eens goed geslapen heeft, zal ze morgen wel wat handelbaarder
zijn. Ze kan natuurlijk toch niet reizen in die jurk; ze heeft niet
eens een hoed en mantel bij zich en wie weet, of ze wel reisgeld heeft
meegenomen! Ze schijnt opeens weggeloopen te zijn. Ze ziet er als een
echte jongejuffrouw uit nu met die mooie kleeren, heel anders dan toen
ik haar voor 't eerst zag. Toen leek ze een gewoon burgermeisje. Het
is een raadselachtige geschiedenis, Gerrit; misschien komen we er
morgen achter. Er is nu niets uit het arme kind te krijgen. Ik moet
haar maar gauw in bed stoppen. Gelukkig dat Jan net voor vier dagen
naar zijn ouders is, nu kan ze in zijn bed slapen."
Jan was de bediende, een buitenjongen, die bij den kruidenier in de
leer was.
Hoofdstuk IX.
Groot Verdriet.
Een half uur later stond Elsje met een bedrukt gezicht en rood
beschreide oogen naast de goedhartige kruideniersvrouw op een klein,
hoogst eenvoudig gemeubileerd zolderkamertje met een bedstee, waarvoor
hardgele gordijnen hingen.
"Kijk," zei haar gastvrouw, de gordijnen opentrekkend, "het bed is
groot genoeg en ik heb er mooi, schoon linnen voor je opgelegd. Kom,
wees nu maar niet meer bedroefd en ga maar gauw slapen. Wat zal de
kleine Evert het aardig vinden je morgenochtend te zien! Denk er aan
dat je de kaars uitblaast als je klaar bent en slaap lekker! Morgen
zal alles wel weer in orde komen, daar ben ik niets bang voor. Nacht
Elsje!"
Elsje sloeg met een plotselinge, hartstochtelijke beweging de armen
om haar hals, legde haar kloppend hoofd tegen den schouder der goede
vrouw en barstte weer in tranen uit.
"O, ik verlang zoo naar huis, naar grootmoeder!" snikte ze, in korte,
afgebroken zinnen, "ik vind het zoo vreeselijk, vreeselijk hier in
de stad--o, ik wou dat ik er nooit gekomen was, nooit! Ik .... ik
wou dat ik maar weg was .... ik wou...."
"Stil, stil," viel de vrouw haar sussend in de rede, "je moet nu niet
meer schreien, wezenlijk niet. Je zult nog hoofdpijn krijgen en ziek
worden, als je je zoo vreeselijk over stuur maakt. Kom, kom, kom,
stil nu, stil nu."
Zij maakte zich zacht los uit de omarming van het snikkende kind,
schonk een glas water in, liet haar drinken en zei op beslisten toon:
"Nu moet je wezenlijk terstond naar bed gaan. Kijk, hier op dezen
stoel ligt een nachtjak van mij voor je. Dat zal je wel een beetje te
wijd wezen, maar dat is niets, beter te wijd dan te nauw. Kom, drink
nog maar eens, zie zoo, nu bedaard het al een beetje, he? Nacht Elsje."
En haar onverwachte gast nog eens vriendelijk toeknikkend, ging
ze heen.
Toen Elsje alleen gelaten was, bleef ze voortschreien, eerst
hartstochtelijk en met zenuwachtige snikken, toen zachter en
bedaarder. Eindelijk was het alsof ze geen kracht meer had om langer te
schreien, geen kracht om uiting te geven aan het gevoel van wanhopige
smart, dat haar bezielde, geen kracht om iets anders te doen dan met
doffe lijdelijkheid, gekleed als zij was, op het bed te gaan liggen
en met starende oogen voor zich uit te zien. Langzamerhand echter
kwam iets van haar ouden moed weer boven. "Zoo mag het niet langer,"
fluisterde ze, terwijl ze zich van het bed liet afglijden. "Ik moet
wezenlijk probeeren of ik wat kan slapen. Misschien .... misschien
gebeurt er morgen iets, dat.... mij helpt."
Zij trok de dunne rose jurk en hare dansschoentjes uit en besloot
zich maar niet verder uit te kleeden en zoo in bed te gaan. Zij was
veel te gejaagd, veel te veel onder den indruk van het half onbestemde
denkbeeld dat zij het druk zou hebben morgen en vroeg klaar zou moeten
zijn, om zich thans rustig te kunnen ontkleeden en bedaard te gaan
slapen. Zij huiverde en rilde van koude en zenuwachtigheid en toen
ze de kaars uitgeblazen had en was gaan liggen, scheen het haar een
onmogelijkheid toe, dat zij in slaap zou komen. Haar hoofd begon te
kloppen en te gloeien en met tergende duidelijkheid stonden haar nu
eensklaps de bezwaren voor den geest, die aan haar terugreis op morgen
zouden zijn verbonden. Ze had geen geld bij zich--hoe zou ze dan een
kaartje kunnen betalen? Grootmoeder zou misschien, neen zeker, heel
boos zijn, als ze zoo opeens voor haar stond, weggevlucht van hare
tante. En tante zelf--die zou het haar zeker nooit, nooit vergeven,
nog minder misschien dan het verliezen van het parelsnoer. En ze
kon toch ook niet reizen in die dunne, lichte jurk, zonder hoed of
iets! Maar misschien zou de kruideniersvrouw haar wel een of ander
willen leenen--als zij ten minste iets had, dat haar paste. Ja,
ja, die zou haar wel willen helpen, als ze kon. Maar mocht ze wel
weggaan, zou hare tante zich niet erg ongerust maken waar zij toch
was--morgenochtend aan het ontbijt zou men haar natuurlijk missen! O,
wat moest ze beginnen, wat moest ze beginnen! Ze wist zich geen raad,
heelemaal geen raad en onrustig woelde zij op het bed heen en weer,
totdat eindelijk een weldadige slaap zich over haar ontfermde en haar
tijdelijk rust gaf.
Intusschen was het bal bij mevrouw d'Ablong onafgebroken, met
steeds toenemende levendigheid, voortgezet. Cécile was na de
tooneelvoorstelling geheel en al de koningin van het feest geworden
en hare moeder zag met fiere goedkeuring, hoe iedereen als om strijd
haar dochtertje fêteerde. Zij bemerkte vrij spoedig dat Elsje zich
|