|
|
"Nu, in vredesnaam dan maar," zei Cécile met een zucht. "Dus je
komt _zeker?_"
"Ja, maar eerst de twee...."
"Jawel, jawel, gauw dan maar."
Zij ging op de teenen staan en Frits boog zich tot haar over. Juist
op het oogenblik dat zij zijn wang aanraakte, kwam Elsje de kamer
in. Zij bleef verlegen bij de deur staan.
"Wie is daar?" riep Cécile, zich omkeerend. "O, Lizzie, ben jij
het? Kom maar binnen."
En alsof ze het niet onaardig vond, dat Elsje zag hoe vrij ze met
haar neef omging, kuste zij hem hartelijk.
"Dat was wezenlijk goed gemeend," zei Frits. "Je bent zoo kwaad niet,
als je wel lijkt. En vertel mij nu eens, wie Lizzie is. Wij kennen
elkaar al van van ochtend, is het niet, Lizzie?"
"Dan behoef ik ook niet meer te vertellen wie zij is," zei Cécile
spottend.
"Ik heet Elsje," zei haar nichtje snel, "Elsje van den Berg en ik
woon buiten bij mijn grootmoeder. Ik ben hier bij tante gelogeerd."
Keetje had haar een der jurken aangetrokken, die van de naaister thuis
gekomen was. Het was een donkerblauwe stof en de jurk was zoo aardig
gegarneerd en kleurde zoo goed bij Elsje's blond haar en het frissche
rood harer wangen dat mevrouw d'Ablong met welgevallen opmerkte hoe
goed zij er op dit oogenblik uitzag.
"Ja, ja, ze heet Elsje," zei ze. "Zij is het eenige kind van mijne
overledene zuster, Frits, en ook door hare grootmoeder opgevoed,
evenals jij."
"He, dat vind ik aardig!" zei Frits. "Dan zullen wij wel goede vrienden
samen worden, Elsje."
"Hè, zeg toch Lizzie," zei Cécile.
"Wel neen, ik vind Elsje veel mooier. Heb jij Lizzie gemaakt van
dien aardigen, Hollandsche naam? Zeg Elsje, wordt je ook wel eens
Roodkapje genoemd?"
Elsje zweeg bedremmeld en keek verlegen naar hare tante. Zij durfde
niet vroolijk te antwoorden op de toespeling op haar toilet van
dien ochtend.
"O, daar is Miss Piper," zei Frits opstaande om de Engelsche te
begroeten, die juist op dit oogenblik binnen kwam.
Tot Elsje's blijdschap werd er thans een begin gemaakt met het lunch
en was zij niet langer het onderwerp van het gesprek. Frits babbelde
onophoudelijk voort en vertelde allerlei vroolijke grappen, waarom zij
telkens hardop lachen moest. Hare tante keek haar soms waarschuwend
aan, als Elsje naar hare meening, onbehoorlijk luid lachte, maar
Frits vond het aardig, hare blauwe oogen van pret te zien glinsteren
en toen hij wegging, zei hij:
"Dag Roodkapje. Ik ben blij dat je ook vroolijk kijken kunt. Geen al
te deftige Lizzie worden, hoor!"
Hoofdstuk VII.
"Ik bedank er voor!"
"En wilt u dan vooral goed op hare manieren letten, mijnheer? Zorgen
dat ze wat netter loopt en zoo verder? Ze behoeft juist niet zooveel
dansen te kennen, als ze maar wat mee kan doen. Ik ben er op gesteld
dat ze een klein beetje meer elegance krijgt en ze wil zelf graag
haar best doen, is het niet Elsje?"
"Ja tante," zei Elsje zacht.
Zij stond met een ernstig gezicht naar den dansmeester te kijken,
die zich bereid had verklaard haar een weinig dansles te geven,
opdat ze niet geheel onbeslagen op het ijs zou komen ter gelegenheid
van de partij van Cécile. De eerste les zou thans een aanvang nemen
in de leerkamer, terwijl Miss Piper het toeschouwend publiek zou
uitmaken. Elsje was blij dat Cécile het veel te druk had met het
leeren van haar rol om naar de dansles te komen kijken.
"Ik zal mijne beste krachten aan de jonge dame wijden, mevrouw
d'Ablong," zei de dansmeester met een sierlijke buiging. "U weet, ik
heb groot succès gehad met uwe dochter, verbazend succès bepaald. Zoo
iets lichts en elegants en zwevends, zoo uitermate bevallig...."
"O jawel, daar hebt u gelijk in," viel mevrouw d'Ablong ongeduldig
in. "Maar mijn dochter is..."
"Van nature reeds zoo allerinnemendst," zei de dansmeester met een
beleefd lachje.
"Ja juist," was het antwoord, dat een beetje trotsch en uit de hoogte
gegeven werd. "Nu, u weet nu, geloof ik, mijn bedoeling. Dag Elsje,
doe goed je best. Dag Missy, ik zal probeeren die kant voor u te
krijgen. Dag mijnheer Meudon."
"Uw dienaar mevrouw," zei de dansmeester met een tweede buiging.
Mevrouw d'Ablong ging heen en Elsje zuchtte even en ging toen
rechtop staan als een kaars. Het was haar aan te zien dat zij zich
vast voorgenomen had, haar beste beentje voor te zetten. Maar ook in
den letterlijken zin des woords, was dit niet gemakkelijk. De kleine
dansmeester kweet zich met groot geduld van zijn taak, maar Elsje vond
het verbazend moeielijk, precies te doen wat hij verlangde. "Als u
zoo goed wilt zijn, om naar mijn voeten te kijken," zei hij telkens
en heel gehoorzaam keek ze strak naar de keurige, blinkende schoenen
van haar onderwijzer. "Vooral het hoofdje recht houden!" riep hij dan
weer, waarop Elsje verschrikt gehoorzaamde, zonder hare oogen van de
schoenen van mijnheer Meudon af te wenden. "Flink rechtop en de armen
niet zoo ver van het lijf. Ziezoo, nu de eerste pas, de derde.... zóó,
dat gaat al beter. O, maar u moet geen kromme knieën maken! Ja juist,
zoo is het goed. Probeer nu eens op de maat van mijn viool. Een,
twee, drie.... een, twee, drie.... een, twee, drie....e, een, twee,
drie.... Kijk eens, dat gaat al heel aardig. Wel, wel, wat bent u
warm! Eens even rusten?"
"Heel graag mijnheer."
"Dan zou ik maar een oogenblikje gaan zitten. Hebt u nooit eerder
dansen geleerd?"
"Neen mijnheer."
"Maar dan gaat het heusch al vrij goed. Vindt u ook niet,
juffrouw?" vroeg hij, zich tot Miss Piper wendend, die Elsje telkens
bemoedigend had toegeknikt, zonder dat deze er iets van gemerkt had.
"Ik versta niet u," zei Miss Piper. "Ik ben Engelsch."
"O...." zei mijnheer Meudon teleurgesteld. "Maar u spreekt toch
Hollandsch?"
"Heel klein. Het is moeielijk aan mij."
"Vindt u niet," begon hij, langzaam en zeer gearticuleerd sprekend,
alsof hij met een doove sprak, "dat zij," en hij wees naar Elsje,
"al goed danst?"
"Zij wil gauw leeren, u meent?"
"Ja."
"Ik hoop zoo," zei Miss Piper lachend. "Zij heeft alleen juist
begonnen."
"Ja zeker en alle begin is moeielijk," zei de goedhartige dansmeester,
"kom jonge dame, nog maar eens op de maat van de viool."
Elsje deed al haar best, maar toen de les afgeloopen was, was ze
moe en had ze een gevoel dat ze het nooit zou leeren. Met een zucht
streek ze zich het lastige ponyhaar van het voorhoofd weg en keek
naar buiten in den tuin, waar de regen bij stroomen neerviel en
plassen als kleine meren vormde tusschen de vuilwitte sneeuw, die op
de bloembedden lag. Het zag er somber uit, alles grauw en vaal met
een egaal-grijze doffe tint--"echt weer om heerlijk in mijn kamer te
gaan zitten, met den rug naar het raam en het gezicht naar het vuur,"
had Cécile 's ochtends gezegd. De regen viel gestadig neer in dichte,
rechte stralen en alles droop van het water; de kale takken van den
beuk in den tuin, de glibberige, houten schutting, de klimop langs
het tuinhuisje--alles was doornat; het zag er uit, alsof er niet meer
water bij kon, zoo doorweekt en drassig. En toch scheen het Elsje
heerlijk, om eens even, al was het ook maar vijf minuten, in dien
regen te zijn. Zij was nu al een week bij hare tante en het was haar
als had ze bijna geen frissche lucht ingeademd in dien tijd. Buiten
hare ochtendwandeling, was ze nog maar weinig uit geweest en dan nog
steeds met mevrouw d'Ablong en telkens in het rijtuig, omdat het weer
"zoo heel ongunstig" was, volgens deze. En er was zooveel te doen voor
die partij! Dan weer moest Elsje haar rol van dienstmeisje instudeeren,
dan weer gepast worden, want zij kreeg werkelijk ook een baltoiletje,
dan weer vermaningen aanhooren, hoe ze zich gedragen moest, of zich
het haar op verschillende wijzen laten kappen door Keetje, opdat
zij toch vooral op Cécile's feest niet te "boerinne-achtig" voor
den dag zou komen. Bijna den geheelen dag was men met haar bezig,
om haar te fatsoeneeren en te kneden naar één model, dat van Cécile,
op wie zij toch in de verste verte nooit zou gelijken, zooals mevrouw
d'Ablong herhaaldelijk met een trotsch lachje verzekerde. Het begon
Elsje te vervelen, o zoo erg soms, en als hare grootmoeder haar niet
telkens zoo opgewekt en bemoedigend had geschreven en als zij niet
steeds had gedacht: "Na de partij mag ik weer naar huis",--zou zij
zich zeker niet zoo geduldig en gehoorzaam hebben kunnen gedragen.
Van de merkwaardigheden van de stad had ze nog weinig of niets
gezien. "Als Cécile's partij voorbij is, kan Miss Piper wel eens met je
uitgaan, die weet uitstekend den weg," zei mevrouw d'Ablong, toen Elsje
het eens waagde te vragen, of ze eens wat van de stad mocht gaan zien,
"alleen laat ik je niet weer uitgaan, dat spreekt van zelf."
En nu, terwijl de regen tegen de ramen kletterde, snakte het kind
er letterlijk naar, om dien ook op hare wangen te voelen, om den
frisschen, woesten wind met hare haren te laten spelen, om er zich door
te laten voortzwiepen tot ze hijgend stil moest staan, zooals ze dat
zoo dikwijls gedaan had, lachend en vroolijk, op den verlaten straatweg
buiten haar dorp, met geen andere getuigen dan de enkele boomen, die
het hoofd schenen te schudden over den dartelen, onbeschaamden wind.
Zij haalde eens diep adem, terwijl Miss Piper ernstig naar haar keek
en zich afvroeg, waarom hare oogen zoo schitterden en ze zoo ongeduldig
met den voet op den grond stampte.
"_Poor child_!" zei de gouvernante bij zichzelf. Toen, naar Elsje
toegaande en de hand op haar schouder leggend, vroeg ze:
"Wat is het, Elsie?"
Cécile was de eenige in huis, die haar nog "Lizzie" noemde. Miss
Piper deed haar best, Elsje te zeggen, ten volle bereid haar genoegen
te doen.
Elsje keek verschrikt om. Gehoor gevende aan een opwelling van
teederheid, trok de Engelsche haar naar zich toe en herhaalde hare
vraag.
"Ik zou zoo vreeselijk graag eens wandelen gaan," zei Elsje.
"Wandelen? In dit weer?"
"Ja, ja, in dit weer!" riep Elsje, zich losrukkend, op opgewonden
toon. "In dit weer! En in mijn eigen jurk, zonder parapluie en op
een ruime, opene plek, waar men de wolken zien kan, de zware, donkere
wolken, en waar men den regen en den wind nog erger voelt dan in de
stad en ... waar men aan geen mooie manieren en rijke kleeren en al
wat stijf is behoeft te denken! En waar men het mooist kan zien, hoe
de lucht langzaam helderder wordt met lichte strepen en heel kleine,
lichtblauwe vlekjes en waar ...."
"Lieve tijd Lizzie, wat bezielt je? Staat ze nu al te acteeren,
Missy?" klonk opeens de stem van Cécile, die ongemerkt binnen gekomen
was. "Dat is anders nu nog niet noodig. Bewaar dat maar voor van avond,
dwaas kind."
"_For shame, Cilly_," zei Miss Piper berispend. "_Why can't you be
kind to your cousin_?"
Cécile haalde de schouders op, terwijl Elsje, zonder een woord te
zeggen, haastig het vertrek verliet. Haar gemoed was vol. Driftig liep
ze naar boven naar haar kamer en de deur vrij onzacht dichtslaande,
riep ze uit:
"Ik kan het hier niet langer uithouden! Ik moet weg, zoo gauw
mogelijk! Niemand houdt van me hier en niemand heeft me noodig! En
ik verlang zoo verschrikkelijk naar grootmoeder!"
En de handen voor het gezicht slaande, viel ze neer op een stoel en
barstte in tranen uit.
"Ik word hier slecht," snikte ze, "heel, heel anders dan thuis. En ik
ben hoe langer hoe laffer! Telkens die akelige tranen en dat nare,
benauwde gevoel in mijn keel. Ik wou dat ik hier nooit gekomen
was--nooit, nooit! Och, waarom wou grootmoeder ook zoo graag dat
ik hier heen ging? Ik hoor hier niet, ik doe letterlijk nooit iets
goed en tante schaamt zich over mij... en die akelige Cécile... och,
grootmoeder, grootmoeder!"
Zij gleed van den stoel af, knielde er bij neer en bleef zoo zacht
voortschreien.
Eindelijk bedaarde hare droefheid wat en de handen vouwend, bad ze
eenvoudig en ernstig: "Help mij, lieve Heer, o, help mij toch!"
Toen sprong ze op, waschte haar gezicht, knikte haar beeld in den
spiegel vroolijk toe en zei: "Kom Elsje, moed gehouden! Denk aan
grootmoeder!"
En met een plotselinge verandering van toon: "O, hoe heerlijk,
heerlijk zal het zijn als ik haar weerzie! Hoeveel dagen zou dat nog
moeten duren?"
Maar ze hield zich goed en dien middag aan tafel deed ze zoo haar
best zich naar de regelen der etiquette te gedragen, dat hare tante
haar goedkeurend toeknikte en zachtjes zei:
"Ziezoo Elsje, je begint al aardig aan te leeren. Let vooral altijd
goed op Cilly."
Na den eten reden Cécile en Elsje samen naar het huis van Louise of
"Loulou" van Rensen, waar de eerste repetitie plaats zou hebben van
het tooneelstukje, dat op de partij moest worden vertoond. Cato en
Emmy waren al aanwezig, toen de beide nichtjes Louise's kamer binnen
kwamen, die zich op een der bovenverdiepingen van het groote huis
bevond. Mevrouw van Rensen, dezelfde dame, die mevrouw d'Ablong
bij het station had aangesproken, was ook binnen. Zij zou naar de
voorstelling kijken en hare op- en aanmerkingen ten beste geven. Ze
begroette Cécile hartelijk en vriendelijk, maar behandelde Elsje erg
uit de hoogte, zei dat ze haar al eens gezien had aan het station,
maar eigenlijk niet recht begreep hoe zij familie kon zijn van mevrouw
d'Ablong en dat het haar zeker heel vreemd was, zoo'n heel ander leven
te hebben hier dan op haar dorp. Elsje antwoordde niet veel en Cécile
deed niets om haar uit de verlegenheid te helpen en mevrouw van Rensen
op de hoogte te brengen omtrent hare betrekking tot mevrouw d'Ablong,
zoodat de avond al dadelijk onaangenaam begon voor Elsje en zij zich
geweld aan moest doen, kalm te blijven en haar rol bedaard en prompt
op te zeggen, 's Ochtends in de leerkamer had hare tante haar dit
nog eens voor de zooveelste maal laten doen en haar precies gewezen,
hoe ze los en ongedwongen, met een stofdoek in de hand, de kamer door
gaan moest en opgewekt en levendig spreken. Elsje was hierin werkelijk
beter geslaagd dan hare tante had durven hopen, maar nu zij mevrouw van
Rensen tot toehoorster had en de andere meisjes met strakke gezichten
naar haar stonden te kijken, overviel haar een gevoel van verlegenheid,
dat zij niet bij machte was te overwinnen en speelde zij stijf en
gedwongen. Zij was blij, toen haar taak verricht was en de anderen
aan de beurt kwamen. Niemand zei iets van haar spel, terwijl mevrouw
van Rensen uitbundig was in haar lof omtrent het acteeren der anderen
en vooral Cécile prees, die een jong getrouwd vrouwtje voor moest
stellen en bedrijvig met haar sleutelmandje heen en weer dribbelde.
"Snoesig, vindt u niet?" fluisterde Loulou haar moeder in, terwijl
Cécile aan het spelen was. "En dan moet u straks eens opletten,
hoe doddig zij er uitziet met dat kapotje!"
"Ja. Het is jammer dat gij niet allemaal al in uw kostuum kunt spelen
van avond. Cilly is bijna klaar met haar kleeding, dunkt me."
"O, maar wij ook. Op de groote repetitie bij Cilly aan huis, kleeden
wij ons natuurlijk allemaal geheel zooals 't moet."
Daar vloog opeens de deur open en stormden twee kinderen, een jongen
en een meisje, de kamer in.
"Mama, mama!" riepen ze tegelijk. "Papa vraagt of u beneden komt, neef
Gerard is er en of wij even mochten blijven kijken naar de comedie!"
"Sst.... stil, stil!" zei mevrouw van Rensen, half lachend. Het
aardige tweetal, een jongen van 5 en een meisje van 4 jaar, bleef
hijgend en met roode wangen naast haar staan. "Gaat maar stil hier
zitten," zei hunne moeder fluisterend, "maar dan heel rustig zijn;
dan moogt ge wel even blijven kijken."
De kinderen gingen naast elkaar op de canapé zitten en mevrouw van
Rensen verliet de kamer.
Cécile speelde door alsof er niets gebeurd was en Loulou's broertje
en zusje keken naar haar met onverholen belangstelling. De "comedie"
scheen hun echter niet mee te vallen, want nadat zij een paar minuten
rustig hadden geluisterd maar niets begrepen, keken ze met groote
oogen om zich heen, vol verlangen naar iets, dat hunne aandacht meer
blijvend zou boeien.
Elsje had hen met een lachend gezicht gade geslagen, terwijl de andere
meisjes in haar werk verdiept waren. Elsje was ook de eenige, wier
rol thans geheel was geëindigd en toen het kleine meisje haar zag,
wenkte zij haar terstond door onophoudelijk knikken en grappige,
animeerende bewegingen met haar handje, om tusschen haar en haar
broertje op de canapé te komen zitten.
Elsje liet zich niet lang bidden en er kwam een warm, gelukkig gevoel
in haar hart, toen de beide kinderen zich tegen haar aanvlijden en
het kleine meisje vertrouwend naar haar opkeek.
"Moet je heelemaal niet meespelen?" vroeg ze, zóó zacht dat Elsje
haar onmogelijk verstaan kon.
Zij boog zich dichter naar het roode mondje toe, dat nu vlak bij
haar wang de gewichtige vraag herhaalde en haar toen als van zelf,
een kus gaf.
"Dat was een presentje! Dat dacht je niet, he?" lachte het kleine
meisje vroolijk.
"Ik wil heel graag nog zoo'n presentje," fluisterde Elsje, terwijl
ze haar hand over het zachte, blonde haar van het kind streek.
"Wat! Wat voor presentje?" vroeg de kleine jongen nieuwsgierig, die in
het geheel niet op zijn zusje geleek, maar donkerbruin haar en groote,
bruine oogen had.
"Niet zeggen, niet zeggen!" zei het meisje, maar Elsje kon den
vragenden blik van haar aardigen, kleinen buurman niet weerstaan en
hem een kus op de ronde wangen drukkend, zei ze:
"Dàt presentje! Bevalt het je?"
"Gunst Lizzie, je let heelemaal niet op!" riep Loulou opeens
scherp. "Toe kinderen, gaat nu maar weer naar beneden; het is hoog
tijd voor jullie om naar bed te gaan. Wat bezielt de juffrouw toch
dat ze jullie heelemaal vergeet!"
"We mochten vandaag laat opblijven om de comedie!" riep haar zusje
triomfantelijk.
"En we zitten hier nu net zoo gezellig!" riep het broertje.
Een algemeen gelach volgde, maar Louise bleef onverbiddelijk. Zij
stuurde de twee kinderen de kamer uit, riep aan de trap: "Juffrouw,
komt u Liesje en Tom halen?" en deed toen de deur dicht.
"Hè Lou, hoe wreed!" zei Emma medelijdend.
"Nu ja, maar die kinderen blijven vandaag veel te laat op en als we hen
nu nog langer hier hadden gehouden, waren ze hoe langer hoe lastiger
geworden. Toe, laten we nu maar gauw nog eens repeteeren. Kom Lizzie,
sta nu op van die canapé en begin te spelen."
Elsje gehoorzaamde. Louise, Cécile en Cato gingen op de canapé zitten,
dicht bij elkaar, met spottende gezichten, alsof zij afgesproken
hadden, nu eens flink om Elsje te gaan lachen. Emma bleef bij haar
staan met het boekje in de hand, om haar voort te helpen als zij
haperde en Elsje begon te spelen.
Het ontging haar natuurlijk niet dat de drie meisjes op de canapé zich
vroolijk om haar maakten. Zij giegelden en fluisterden onophoudelijk
onder elkaar, maar hoewel haar bloed begon te koken, hield zij zich
goed en liet zich niet van haar stuk brengen. Zooveel mogelijk haar
best doende niet op de plaaggeesten te letten, speelde zij door,
totdat Cécile opeens proestend en met tranen in de oogen van het
lachen, uitriep:
"Lieve tijd Lizzie, wat speel je stijf en houterig; ik geloof dat je
het met opzet doet om ons te ergeren!"
"Neen, heelemaal niet!" riep Elsje, terstond uit haar rol vallend en
met een kleur van verontwaardiging. Ze spande zich echter met waren
heldenmoed in, om zich dapper te houden en vervolgde haar spel. Emma
schudde afkeurend het hoofd tegen hare vriendinnen, maar zij letten
er niet op.
"Zeg Cilly, hoe kom _jij_ toch aan die boerin tot nichtje?" fluisterde
Cato, den zakdoek voor den mond houdend en terstond weer proestend
van het lachen.
"Hardrood zijn haar wangen en geel is heur haar!" zei Louise, bijna
overluid en op een toon, alsof ze een vers reciteerde. "Wanneer gaat
ze eigenlijk weer weg, Cilly?"
"Ik geloof dat ze na de partij naar haar lieflijk dorp teruggaat,"
antwoordde Cécile op alles behalve fluisterenden toon.
Nu was Elsje's geduld ten einde. Zonder het te willen, had zij wel
_moeten_ hooren, wat er gezegd was en met fonkelende oogen, driftig,
geheel buiten zichzelf, riep ze uit:
"En ik wou dat ik dadelijk terug kon gaan, van avond nog, nu,
terstond! Ik wou dat ik nooit, nooit hier gekomen was in die nare,
groote stad en bij jullie, die .... die .... heelemaal geen gevoel
hebt! Ik wou dat ik bij mijn grootmoeder was gebleven .... die is zoo
engelachtig voor me, als jullie je heelemaal niet kunt voorstellen! En
ik _wou_ dat ik weer in mijn lieflijk dorp was, Cécile, want dat is
het, je hebt gelijk dat je het zoo noemt, het is er heerlijk! En ik
wou dat ik weer buiten kon wandelen in de frissche, heerlijke lucht
en langs de hooge boomen en over onze mooie heide--alleen, alleen met
den ruimen, prachtigen hemel boven me en al die plechtige stilte om
me heen! Alleen, zonder al die rare, opgeprikte menschen, zonder al
die mooie kleeren en zonder jullie, die zoo'n verschrikkelijken hekel
aan me hebt! O, ik wou dat ik weg kon dadelijk, dadelijk! Maar jullie
zult nu geen last meer van me hebben! Ik bedank er voor om met jullie
comedie te spelen! Ik ga naar huis, speelt maar alleen!"
En met bevende lippen en ijskoude handen, maar met het hoofd fier in
den nek geworpen--ze _wilde_ niet schreien--snelde ze de kamer uit.
"Mijn hemel, wat een burgerlijk, aanstellerig kind!" zei Cato, toen
Elsje verdwenen was, maar de anderen, ook Cécile, zwegen beschaamd
en Emma keerde zich om, om niet te laten zien dat zij tranen in de
oogen had.
"Ze kan toch onmogelijk alleen naar huis gaan," zei Louise, na eenige
oogenblikken van algemeen stilzwijgen. "Ze weet zeker den weg niet,
wel Cilly? En het regent ook zoo!"
"Ik denk dat ze wel weer terug zal komen," zei Cécile. "Ze zal
veel te bang zijn dat mama boos op haar is, als ze zoo opeens thuis
komt. Laten we maar stil afwachten, wat zij doet; ik geloof nooit dat
ze zonder mij weg zal gaan en buitendien weet ze ook heelemaal niet,
hoe ze loopen moet."
"Zal ik eens even gaan zien, waar ze gebleven is?" vroeg Emma. "Hè,
waarom moesten jullie haar nu ook zóó plagen! Laat ik maar eens gauw
gaan zoeken..."
"Neen, neen, neen!" viel Cécile haastig in. "Blijf stil hier, Emma,
dan komt ze bepaald veel gauwer terug."
Intusschen was Elsje, met het vaste voornemen het huis uit te loopen,
de trap afgegaan. Op een der onderste treden struikelde ze en viel. Ze
deed zich gelukkig in 't geheel geen pijn en wilde juist weer opstaan,
toen in hare nabijheid een deur langzaam en met moeite werd geopend
en een kleine gestalte in een wit nachtjapontje op den drempel
verscheen. Twee aardige, bloote voetjes trippelden naar Elsje toe,
een zacht handje werd tegen haar wang gelegd en een vleiend stemmetje
vroeg:
"Heb je je pijn gedaan? Wat viel je met een bons! Ik hoorde het
heelemaal."
"Liesje, Liesje, kom gauw hier, kindje! Niet op dat koude
portaal!" riep een stem uit de kamer, waarop Elsje's vriendinnetje
terugriep: "Ja, ja, ik moet even helpen!"
"Of kan je wel alleen opstaan?" vroeg ze, toen Elsje snel opsprong,
"Kom maar gauw even mee naar binnen; juf zal je wel weer beter maken,
die is heel lief."
En Elsje's hand pakkend, trok ze haar snel met zich mee in de
kinderkamer, waar haar broertje al te bed lag en een vriendelijke
kinderjuffrouw Elsje lachend toeknikte.
"Liesje is altijd vol ijver om iedereen te helpen," zei ze. "Kom
vrouwtje, nu gauw in bed. Het is toch al zoo erg laat geworden
van avond."
"Kom je ons goeden nacht zeggen?" riep Tom vanuit zijn ledikantje.
Elsje antwoordde niet. Het was haar alsof ze droomde. In een
opgewondene, driftige stemming, met een diep ongelukkig gevoel
in haar hart, was ze zooeven de trap afgekomen en nu stond ze daar
plotseling in een warme, vroolijke kamer en drie gezichten keken haar
vriendelijk en vol belangstelling aan. Liesje zette een stoel voor
haar bij de tafel en dribbelde toen met een grappig, bedrijvig air
naar de juffrouw toe, fluisterde deze iets in en lachtte tevreden,
toen zij zei: "Ja, dat mag wel, maar dan ook terstond naar bed hoor!"
Het kleine meisje schoof vlug een tabouret bij den schoorsteen,
klauterde er op en haalde een doos te voorschijn, waarmee ze terstond
naar Elsje toeliep.
"Wil jij dit even open maken?" vroeg ze. "Kijk maar eens, wat er
in is."
Elsje opende de doos en zag een stuk chocolade liggen, dat blijkbaar
een deel had uitgemaakt van een sinterklaas-letter.
"Dat ziet er erg lekker uit," zei ze. "Is dat van jou, Liesje?"
"En van Tom," zei Liesje. "Proef er maar eens van." "Neemt ze het
heele stuk?" riep Tom vanuit zijn bed. Het scheen hem wat _heel_
royaal toe, alles aan Elsje af te staan.
Liesje liep haastig naar zijn bed toe en haar hoofdje naast het zijne
op het kussen leggend, fluisterde zij hem iets in, dat blijkbaar
zijn goedkeuring niet geheel wegdroeg, want hij schudde met groote
levendigheid van neen en betuigde bovendien nog:
"Dat wil ik niet, heelemaal niet, hoor." Liesje bedacht zich even,
toen fluisterde zij hem weer iets in en nu kwam hij blijkbaar tot
andere gedachten.
"Mag ik er dan den heelen dag mee spelen en kom jij er dan heelemaal
niet aan?" vroeg hij.
Zij knikte bevestigend en toen riepen ze tegelijk, Liesje met een
erg blij gezichtje:
"Je moogt het heele stuk chocolade nemen; het is heelemaal voor jou."
"Neen," zei Elsje, die evenals de juffrouw, lachend naar de beide
kinderen gekeken had, "dat is veel te jammer, dan blijft er niets
voor jullie over."
"Jawel, jawel, je moet het nemen, heusch," zei Liesje, terwijl ze
naar Elsje toekwam en een laatsten, niet geheel ongevoeligen blik op
de lekkernij wierp. "En nu ga ik naar bed."
En terwijl Elsje bij haar neerknielde, sloeg ze de armpjes om haar hals
en zei: "Nacht...." Toen plotseling zichzelf in de rede vallend met
een vroolijken, reinen lach, die Elsje als muziek in de ooren klonk,
"maar ik weet nog niet eens, hoe je heet!"
"Ik heet Elsje."
"Elsje? Wat aardig! Nacht Elsje...." en met haar zachte wang tegen
die van hare nieuwe vriendin, fluisterde ze: "Neem je het nu heusch
wel heelemaal? Toe, doe je het?"
Elsje drukte haar vaster tegen zich aan. "Kleine schat!" zei ze
zacht. "Ja, ik zal de chocolade nemen, hoor en ik dank je heel,
heel hartelijk."
"En Tom ook," zei Liesje, hare armen losmakend.
"Ja zeker, Tom ook. Ik dank jou ook hartelijk voor die heerlijke
chocolade, Tom," riep Elsje.
"Tot je dienst," riep Tom wijs terug.
Nu was Liesje's hart eindelijk gerust en liet ze zich gewillig door
de juffrouw overdekken en toestoppen.
"Blijf je nog een beetje hier in de kamer?" vroeg ze toen aan Elsje.
"Neen, neen, ik moet nu dadelijk weer naar boven," zei Elsje
snel. Haar drift was verdwenen, zij schaamde zich zelfs een beetje
over haar uitval van straks en was nu vast besloten, weer naar de
andere meisjes toe te gaan. Het aardige tooneeltje op de kinderkamer
had haar in een geheel andere stemming gebracht. Kom, ze moest weer
moedig zijn, zich niet zoo gauw van haar stuk laten brengen--het was
toch ook alles maar voor een tijd!
Ze nam haastig afscheid van de kinderjuffrouw en Tom en Liesje en
ging toen, wel met een kloppend hart, maar uiterlijk zoo bedaard als
haar mogelijk was, naar Louise's kamer terug.
Er kwam een zegevierende uitdrukking op Cécile's gezicht, toen zij
binnenkwam en zij keek Emma aan, alsof ze zeggen wou: "Heb ik het
je niet gezegd?" Er werd echter geen woord over het voorgevallene
gesproken. Louise en Cato waren koel beleefd tegen Elsje, Cécile
bemoeide zich niet met haar en Emma durfde niet te vriendelijk te zijn,
uit vrees dat de anderen haar zouden uitlachen.
Het stukje werd nog eenmaal gerepeteerd, toen was het tijd om naar
huis te gaan.
Tot Elsje's verwondering zeide Cécile in het rijtuig geen woord over
haar uitbarsting van drift. Zij sprak trouwens in het geheel niet
en nam geen de minste notitie van Elsje, totdat het rijtuig voor het
huis van mevrouw d'Ablong stil hield. "Het zal mij eens verwonderen
of grootmama nog op is," zei ze toen, "misschien is ze al naar bed
gegaan, vermoeid van de reis."
"Zou je grootmama dan vandaag al komen?" vroeg Elsje uit het rijtuig
stappend.
"Ja, van avond, terwijl wij uit waren."
Dus al weer iemand om kennis mee te maken en zich niet mee op haar
gemak te voelen, dacht Elsje met een zucht, terwijl ze Cécile in huis
volgde. De beide meisjes ontdeden zich van haar hoed en mantel en
gingen toen naar de zaal. Cécile liep vlug naar binnen, Elsje volgde
langzaam en verlegen.
In een gemakkelijken stoel bij den open haard, met het zachte schijnsel
van het lamplicht vallend op haar mooi, wit haar, waarbij het kapseltje
van zwarte kant aardig afstak, zat een oude dame met levendige,
donkere oogen, die sterk aan die van haar kleinzoon Frits d'Ablong
herinnerden. Op haar schoot lag een handwerk van fijne, zachtrose
wol en een grove haaknaald van wit been bewoog zich ijverig heen
en weer in hare kleine, welgevormde handen. Zij keek terstond op,
toen de meisjes binnenkwamen en liet zich met een lachend gezicht
door Cécile op beide wangen kussen.
"Zoo Cilly, ben je daar eindelijk?" zei ze met een welluidende
stem. "Is dat nu een manier om uit te zijn, als je oude grootmoeder
bij je komt! Toe kindje, ga eens even op zij. Is dit nu het dochtertje
van je zuster, Lize?" En zij knikte Elsje vriendelijk toe.
"Ja mama," zei mevrouw d'Ablong.
"Kom eens even bij me, lieve meid," zei de oude dame. "Ik vind het
aardig dat wij ook kennis met elkaar maken. Mijn kleinzoon heeft mij
al van je verteld. Kom, geef mij ook maar een kus. Je hebt ook nog
een oude grootmoeder, he?"
"Ja mevrouw," zei Elsje met haar hand in de zachte, warme hand der
vriendelijke dame.
"Dan moest je mij ook maar grootmama noemen, zoolang je hier bent. Wil
je dat wel?"
|