|
|
agitatie weer aan haar soep begon. De anderen hadden de borden reeds
leeg; zij vond het verschrikkelijk alleen te zitten eten, met de
spottende oogen van Cécile strak op zich gevestigd.
Het dienstmeisje bleef aarzelend wachten; zij zag dat hare meesteres
ongeduldig werd en durfde toch het bord niet weg te nemen, terwijl
Elsje nog at. Het arme kind zou met plezier de rest van haar soep
onaangeroerd hebben gelaten, als zij maar gedurfd had.
Eindelijk was zij bijna klaar en hield het bord schuin om het met den
lepel goed schoon te kunnen maken. Maar hare tante, die haar ergenis
onmogelijk langer kon bedwingen, kwam driftig tusschenbeide.
"Leg nu je lepel neer, Elsje," zei ze kortaf. "Neem dat bord weg,
Dina; ik begrijp niet, waarom je van middag zoo langzaam bent."
"Maar ik heb het nog niet heelemaal op, tante," zei Elsje, om het
dienstmeisje te verontschuldigen.
"Neem dat bord weg," herhaalde mevrouw d'Ablong streng tot Dina,
"en geef de jongejuffrouw een ander mes en een andere vork--je hadt
moeten zien dat deze geheel nat zijn."
Dina haastte zich haar verzuim te herstellen en Elsje zweeg
bedrukt. Toen het dienstmeisje heengegaan en teruggekomen was,
het vleesch en de groenten had rondgediend en weer kon verdwijnen,
tot ze gebeld werd om het dessert op tafel te zetten--was Elsje weer
tamelijk op haar gemak gekomen en hoewel ze niet veel at, uit vrees
van de anderen op haar te laten wachten, smaakten de keurig toebereide
spijzen haar toch goed. Zij deed al haar best, zoo netjes mogelijk te
eten en keek nu en dan tersluiks naar Cécile om te zien hoe deze mes
en vork hanteerde. Elsje vond het vreemd, dat zij haar mes bijna even
ijverig gebruikte als haar vork en het was haar heel ongemakkelijk, de
vork niet vlak bij de tanden vast te houden--maar zij deed wat ze kon
en slaakte een zucht van verlichting, toen ze haar bord had leeggegeten
zonder een aanmerking van mevrouw d'Ablong te hebben gehoord.
Het dessert werd opgezet en Dina plaatste naast ieder bord een fraai
kommetje van doorschijnend, rood glas, met water gevuld.
Elsje keek er nieuwsgierig naar. Waarvoor zouden die moeten dienen? Wat
zag dat water er helder uit en hoe verleidelijk scheen het haar toe
er even een klein slokje van te drinken! Ze had zoo'n dorst en het
karafje weer ter hand nemen durfde ze niet goed na het ongeluk van
daareven. Die mooie kommetjes gebruikten rijke menschen zeker veel in
plaats van glazen. Ze liet het stukje witten podding met roode vla
nog onaangeroerd op haar bord liggen; ze moest wezenlijk eerst eens
even drinken--ze had zoo'n verbazenden dorst! Voorzichtig nam ze het
bewuste kommetje in hare beide handen en zette het aan den mond. He,
het water was lauw, hoe vreemd en wat smaakte dat naar! Juist wou ze
het sierlijke, glazen bakje weer neerzetten, toen Cécile haar aanzag
en boos zei:
"Ze kan niet met ons aan tafel eten, mama. Kijk nu toch eens even."
Elsje schrikte, meende dat ze gemorst had op haar jurk of iets heel
onbehoorlijks gedaan en liet in hare verwarring het kommetje uit hare
handen glippen. Groote en kleine roode scherven vielen op haar bord,
op de tafel en op den grond en met een angstig gezicht keek ze hare
tante aan.
"Ik zou maar naar boven gaan, Elsje. Ik vind het heel verdrietig dat
je je nog zoo weinig weet te gedragen," zei mevrouw d'Ablong.
Elsje stond op, waarbij eenige scherven van haar jurk afvielen op
den grond. Zij raapte ze snel op.
"Ga nu terstond kind, en laat die dingen liggen."
Met een bedroefd gezicht en met een haastigen, teleurgestelden blik
naar den podding, dien ze nu in 't geheel niet zou proeven, ging
Elsje de kamer uit.
Hoofdstuk V.
Van Top tot Teen herschapen.
Toen mevrouw d'Ablong een kwartier later in het salon kwam, vond ze
daar haar nichtje niet, zooals ze verwacht had. "Dan zal ze zeker
maar naar haar kamer gegaan zijn," dacht ze en liep met een zucht de
trap op. Nu reeds voelde ze eenig berouw dat ze Elsje te logeeren had
gevraagd--er zouden zooveel van die kleine, lastige onaangenaamheden
komen en het beviel haar volstrekt niet, haar gemakkelijk leven door
allerlei moeielijkheden met Elsje bedreigd te zien. Maar, zij had het
verzoek harer moeder toch niet kunnen weigeren--ze was nu eenmaal
dezen weg ingeslagen en ze moest er op voortgaan, daaraan was geen
twijfel. Ze moest het kind dan maar flink onder handen nemen van
tijd tot tijd, zoolang ze hier was en... misschien was het wel niet
noodig, dat Elsje later voor goed bij haar in huis kwam. Zoo oud was
de grootmoeder toch ook nog niet en zoo heel ziek scheen ze eigenlijk
ook niet te zijn en het was dus heel wel mogelijk dat Elsje volwassen
was en ergens een werkkring had gevonden, voordat haar grootmoeder
stierf. Dan zou zij heel makkelijk wat voortgeholpen kunnen worden
met geld en kleeren nu en dan; hare tante zou haar dan niet uit het
oog verliezen en goed voor haar zijn... uit de verte. Als alles zóó
ging, zou mevrouw d'Ablong zelf ook heel tevreden wezen.
Maar, terwijl het kind bij haar in huis was, moest ze zich beter
gedragen, dat sprak van zelf.
"Ik kom eens even met je spreken, Elsje," zei ze, de deur openend
van de logeerkamer, waar Elsje de eenzaamheid had gezocht. "Waarom
ben je niet naar de zaal gegaan, toen ik je wegstuurde?"
"Ik wou veel liever hier blijven, tante," zei Elsje met iets angstigs
in hare stem.
"Waarom?"
Zij antwoordde niet dadelijk, maar wreef zenuwachtig hare handen
over elkaar.
"Ik doe toch alles verkeerd," zei ze eindelijk op koppigen toon.
"Hoor eens Elsje, als wij goede vrienden zullen blijven, moet je je
zooveel mogelijk voornemen, om _niet_ alles verkeerd te doen. Want
wat je daar zegt, is waar, je _doet_ bijna alles verkeerd. Maar als
je wezenlijk wilt, als je heel goed op Cilly let en haar navolgt in
alles, als je probeert om zooveel als het kan natuurlijk, op haar te
gelijken, dan...."
"Ik verlang er niets naar om op Cécile te lijken," zei Elsje,
heel driftig.
Het was er uit, voordat ze het wist en terstond, _toen_ het er uit
was, had ze berouw. Maar alles, wat zij dien dag had doorgemaakt, het
droevige gevoel van verlatenheid, dat haar weer overvallen was na het
ongeluk aan tafel en vooral het wreede, hatelijke gedrag van Cécile,
hadden haar in zulk een bittere stemming gebracht dat het haar was,
als leefde ze in een bangen droom en als was zij plotseling van de
vroolijke, levenslustige Elsje veranderd in een arme verschoppelinge,
door niemand begeerd en door niemand bemind. Als hare tante Cécile
buiten het gesprek had gelaten, zou Elsje haar drift hebben kunnen
bedwingen, maar nu liep de maat van haar geduld over en met fonkelende
oogen, snel en bijna woest, bracht ze er de noodlottige woorden uit.
"Wil je wel eens dadelijk zeggen dat je dat niet meent, ondeugend,
brutaal kind?" riep mevrouw d'Ablong, haar bij de schouders
vattend. "Kom, kijk mij aan en zeg dat je het niet meent."
Elsje barstte in tranen uit.
"Laat mij weer naar huis gaan!" snikte ze. "Och, laat mij toch weer
naar grootmoeder gaan! Ik vind het hier vreeselijk, vreeselijk! En
ik wil veel liever nooit, nooit weer hier komen! Ik doe toch niets
zooals ik moet en ik vind het hier vreeselijk, vreeselijk!"
Zij had hare tante van zich afgestooten en schreide bitter, met de
handen voor het gezicht geslagen.
Met een strenge uitdrukking in hare oogen, bleef mevrouw d'Ablong
zwijgend bij haar staan. Er was niets met het meisje te beginnen,
zoolang ze zich zoo aanstelde, oordeelde zij, maar dergelijke dwaze
buien moesten in het vervolg vermeden worden, dat stond vast.
Eindelijk bedaarde het snikken wat.
"Mag ik als 't je blieft morgen weer terug naar huis?" vroeg het
kind met een smeekenden blik. "Ik durf best alleen te reizen en... en
grootmoeder zal het geld wel weerom geven."
"Dat is natuurlijk te dwaas om van te praten, Elsje. Ik zou die
kinderachtigheid nu maar uit mijn hoofd zetten. Je bent oud genoeg om
te begrijpen, dat je het bij mij aan huis volstrekt niet 'vreeselijk'
behoeft te hebben, als je je verstandig gedraagt. Ik ben ernstig
boos op je om die leelijke, afgunstige woorden, die je zooeven hebt
gezegd. Je bent jaloersch op Cécile en dat had ik van jou allerminst
verwacht. Ik reken er op dat je die ongepaste jaloezie zult trachten te
overwinnen en _nooit_ zult toonen. Begrijp mij goed en doe wat ik zeg,
anders zullen we maatregelen nemen, die je heelemaal niet aanstaan,
juffertje. Je bent moe en alles is ongewoon voor je natuurlijk en
ik zal je voor ditmaal dus vergeven. Ga straks naar bed en kom niet
meer beneden. Keetje zal je een kop thee brengen en als je nog iets
noodig hebt, kun je het haar zeggen."
En zonder het bedroefde kind verder met een blik te verwaardigen,
ging mevrouw d'Ablong de kamer uit.
Niet lang daarna kwam Keetje boven met een nachtjapon van Cécile en
verdere toiletbenoodigdheden voor Elsje.
"Mevrouw dacht dat het goed voor u zijn zou om nu maar naar bed
te gaan, jongejuffrouw," zei ze. "Zal ik u even helpen met het
uitkleeden? Dan kan ik u een kopje thee brengen, als u in bed bent."
Elsje stond langzaam op van den stoel, waarop ze in moedeloos gepeins
was verzonken geweest.
"Ja, ik zal naar bed gaan," zei ze, "maar je behoeft me niet te
helpen. Ik kleed me altijd alleen uit."
"Maar misschien gaat het een beetje gauwer, als ik u help met dien
vastgespelden rok," zei Keetje goedhartig. Elsje zag er zoo bedroefd
en terneergeslagen uit, dat het dienstmeisje medelijden met haar
kreeg. Dina had natuurlijk in de keuken verteld wat er aan tafel
met Elsje was gebeurd en hoe boos mevrouw d'Ablong had gekeken en nu
Keetje het jonge gezichtje van het "dorpskind" zoo bitter bedrukt zag,
kwam haar goed hart boven.
"Kom," zei ze, "ik zal wel maken dat u gauw rustig en wel te bed ligt,
jongejuffrouw. En wie weet, hoe lekker u dan slaapt."
"Ik hoop het," zei Elsje zacht. "Maar wil je me Elsje noemen, als
't je blieft, dat zou ik veel prettiger vinden."
"Ik geloof niet dat mevrouw dat zou willen hebben," lachte Keetje
vroolijk. "Ziezoo, daar is de blauwe rok al uit. Straks zal ik
alles wel netjes opvouwen. Die nachtjapon zal wel een beetje te lang
zijn. Kijk, heb ik geen mooie voor u uitgezocht? Dat is allemaal echt
Fransch borduursel."
Elsje voelde niet heel veel belangstelling voor het "echt Fransche
borduursel", maar Keetje's vriendelijkheid deed haar toch goed en
met een half ingehouden snik vroeg ze:
"Woont jouw moeder ook buiten?"
"Neen, hier in de stad. Wilt u nu in dien lagen leuningstoel gaan
zitten, dan zal ik uw haar uitschuieren. Pas op dat u niet over de
nachtjapon struikelt."
Het was toch wel prettig om zich zoo'n beetje te laten bedienen, nu
ze zoo erg moe was, dacht Elsje, terwijl ze makkelijk leunde tegen
den rug van haar stoel. En wat was het een heerlijk gevoel, die zachte
aanraking van Keetje's hand aan heur haar en de gelijkmatige beweging
van den schuier over haar hoofd!
"Nu bent u klaar en nu ga ik gauw een lekker warm kopje thee voor u
halen," zei het dienstmeisje eindelijk. "Is dat goed?"
"Ja, als 't je blieft."
Keetje ging heen en Elsje stond op om in bed te gaan. Eerst moest
ze nog even kijken hoe het er buiten uitzag. Ze schoof het gordijn
op zij, drukte haar gezicht tegen het raam en keek op naar het
kleine stukje lucht, dat vanuit haar kamer zichtbaar was. Hè,
wat fonkelden de sterren mooi--wat zou het prachtig, prachtig zijn
op de heide, dicht bij het huisje harer grootmoeder! Als zij maar
eens even bij haar kon zijn, even de armen om haar hals kon slaan
en haar een nachtkus geven, dan zou haar moed wel weer terugkomen,
dacht ze. Maar ze moest zich dapper houden, ze moest haar best doen,
niet weer flauw zijn en driftig tegen tante; ze had het grootmoeder
beloofd! Ze liet het gordijn los en slikte even. Ze wou nu niet meer
schreien. Ze was wezenlijk kinderachtig geweest, daar had tante wel
gelijk in. Morgen zou alles zeker wel beter gaan en met het optimisme
van een kind, begon zij zich voor te stellen, hoeveel gelukkiger dan
nu, zij zich morgenavond als zij naar bed ging, misschien voelen
zou. Tante zou dan ook wel niet meer boos zijn. Kom, ze moest nu
maar rustig gaan slapen. Zou ze ... zou ze nog eens even in dien
grooten spiegel kijken hoe die prachtige nachtpon haar stond met al
die breede strooken? Verlegen, alsof er iemand in de kamer was, die
haar uit kon lachen, ging ze voor den langen spiegel staan en keek
nieuwsgierig naar de meisjesgestalte in het lange, witte, bijna den
grond rakende gewaad. Was zij dat heusch? Ze vond eigenlijk wel dat
ze er heel deftig uitzag met die geborduurde kanten om de mouwen en
dat lange, breede borduursel van voren. Zoo moest grootmoeder haar
eens even kunnen zien! Als zij zoo eens plotseling voor haar staan
kon en haar goeden nacht zeggen! Wat zag haar gezicht er beschreid
uit en wat werd zij koud, zoo dicht bij het raam! Vlug liep ze naar
het ledikant, trok de dekens over zich heen en genoot de zachte,
mollige warmte van het veeren bed. Ze was zoo moe, zóó moe; Keetje
moest nu maar gauw komen met de thee, dan kon ze het licht meteen
uitdraaien. Daar schoot haar plotseling te binnen, dat ze grootmoeder
van avond nog een briefkaart had willen sturen met het bericht dat
ze goed was overgekomen. Hoe was het mogelijk dat ze dat had kunnen
vergeten! Misschien zou Keetje nog raad weten te schaffen.
Daar was ze juist met een grooten kop thee in de hand. Elsje kwam
dadelijk met haar vraag voor den dag. "Mevrouw is juist bezig een
briefkaart te schrijven," zei Keetje, "en ze zou uwe groeten doen,
zei mevrouw. Drink nu maar gauw deze warme thee op, dat zal u goed
doen. Ziezoo, zal ik u nu nog eens instoppen?"
"Ja, heel graag."
Keetje streek het laken glad, schudde de kussens op, trok de
dekens dichter om Elsje heen en zag er daarbij zoo vriendelijk en
aantrekkelijk uit in haar helder katoenen japonnetje, met den keurigen
witten boezelaar en het nette geplooide mutsje, dat Elsje het prettig
vond om naar haar te kijken en met een dankbaren blik zei:
"Dankje wel, hè, dankje wel."
"Kan ik nu nog iets voor u doen?" vroeg Keetje eindelijk. "Zal ik
het licht maar uitdraaien?"
"Ja, als 't je blieft."
Het dienstmeisje deed het gas uit en verliet de kamer met een
vriendelijk "goeden nacht." Elsje was op het punt haar terug te
roepen en nog iets te vragen, maar zij durfde niet goed, zei zacht
bij zichzelf: "Het is te flauw" en deed toen hare oogen dicht, vast
besloten, dadelijk te gaan slapen.
Zij deed ze echter terstond weer open, toen tot hare verwondering
de deur der kamer geopend werd en Keetje weer binnen kwam met een
brandend nachtlichtje in de hand. Heel zacht zette zij dit op de
tafel neer om Elsje niet te storen en juist wilde ze weer weggaan,
toen een zacht stemmetje zei:
"Ben je daar nog, Keetje?"
"Jawel, jongejuffrouw."
"Wil je.... wil je even bij me komen?"
Keetje kwam terstond bij het bed.
"Ik.... ik.... wil jij me een nachtzoen geven? Dat doet grootmoeder
altijd."
Het dienstmeisje dacht er niet aan op dit oogenblik, of "mevrouw"
een dergelijke familiariteit wel zou goedkeuren, boog zich over Elsje
heen en kuste haar op het voorhoofd.
"Slaap lekker," zei ze.
"Dank je wel," zei Elsje. "Dank je wel voor al je
vriendelijkheid. Nacht Keetje."
"Nacht jongejuffrouw. Zult u nu gauw gaan slapen?"
"Ja wezenlijk."
En met de gedachte aan grootmoeder en aan den brief dien zij haar
morgen zou schrijven, viel Elsje in slaap.
Om elf uur kwam haar tante even naar haar kijken.
"Ze slaapt gelukkig rustig," dacht ze, "we moeten nu in vredesnaam
maar hopen dat alles morgen beter gaat."
Den volgenden ochtend om half acht bracht Keetje Elsje een warme,
wollen ochtendjurk en voelde deze zich zeer verkwikt en bemoedigd
door de lange nachtrust, die ze had gehad. Aan het ontbijt liep
alles tamelijk goed voor haar af. Cécile was stil en een beetje
uit haar humeur, maar bemoeide zich weinig met haar en Miss Piper
was vriendelijk en beleefd evenals gisteren, terwijl mevrouw
d'Ablong blijkbaar haar best deed, om haar meer op haar gemak te
zetten. Dadelijk na het ontbijt bracht zij haar naar een aardige,
vroolijke kamer, die nog altijd de "kinderkamer" werd genoemd en op den
tuin uitzag. Er stond een groote tafel met een groen lakensch kleed
en tegen den muur waren boekenkasten geplaatst, waarvan de planken
met geschupte, groenlederen randen waren versierd. Elsje had nog nooit
zooveel boeken bij elkaar gezien en keek nieuwsgierig naar al de roode,
groene, zwarte, gele en bruine banden in de hooge eikenhouten kasten.
"Hier neemt Cécile hare lessen altijd," zei mevrouw d'Ablong. "Je weet
immers dat ze niet meer school gaat? Vandaag is ze wat moe en moet ze
maar eens vacantie nemen: jij kunt hier dus van ochtend rustig gaan
zitten schrijven. Kijk, hier staat een inktkoker en in dat vloeiboek
zijn wel postpapier en couverts. Als je met je brief klaar bent, moet
je maar even op dit knopje drukken. Dat is een electrische schel en
als je hierop drukt, komt Dina terstond bij je en zal zij je brief
naar de post brengen. We moeten maar wat vroeg koffiedrinken vandaag;
dat ga ik van middag met je naar den kapper en de naaister en zoo
verder. Denk er aan dat je de groeten van mij doet aan grootmoeder en
haar vraagt, of ze ons eens gauw bericht stuurt hoe het met haar is."
Een paar minuten later zat Elsje met een hoogroode kleur en een heel
ernstig gezicht haar brief te schrijven. Het was behagelijk warm
in de kamer en heel rustig om haar heen, maar het viel haar toch
allesbehalve gemakkelijk, den brief precies zóó te krijgen, als zij
dien hebben wou. Grootmoeder moest vooral niet den indruk ontvangen
dat zij ongelukkig was en telkens naar huis verlangde, maar Elsje
vond het heel moeielijk een opgewekten brief te schrijven, vooral
ook omdat het schrijven zelf al een heel ding voor haar was. Toen
het postvelletje vol was, streek ze met een zucht de hand over het
voorhoofd en las het geschrevene over met een gezicht, dat duidelijk
toonde dat ze er weinig mee ingenomen was. Zij had het ook zoo warm
en dat vervelende losse haar gaf haar telkens een gevoel, alsof ze
haar _eigen_ hoofd niet had vandaag. Keetje had wel getracht het
haar geheel op te maken naar Elsje's zin, maar dit was haar maar half
gelukt--het zat zoo akelig weinig stevig, vond Elsje.
Met een uitdrukking van ontevredenheid in de oogen, zat ze naar de
dikke, groote letters op het papier te kijken, toen mevrouw d'Ablong
binnen kwam.
"Ben je _nog_ niet klaar, kind?" vroeg ze. "Het is al elf uur."
"Ja, tante, mijn brief is af," zei Elsje, haastig opstaande.
"Goed, ga dan gauw mee naar beneden. Wij hebben nog zooveel te doen
vandaag. Hè, wat staat die jurk je akelig! Wij zullen wat nette,
nieuwe kleeren voor je laten maken. Vindt je het niet heerlijk,
dat je dat allemaal zoo maar van me krijgt?"
"Het is heel vriendelijk van u tante, maar.... maar mijn roode jurk
zit me zoo erg gemakkelijk, die heb ik het liefst aan."
"O, maar als een goede naaister jurken voor je maakt, zullen die je
nog prettiger zitten natuurlijk. Kom, treuzel nu niet langer."
Niet lang daarna reed Elsje in gezelschap harer tante de drukke straten
door naar een der deftigstige modemagazijnen der stad. Men had haar een
winterhoed opgezet, dien Cécile niet meer droeg en een kort lakensch
manteltje aangetrokken, dat haar te nauw was, zoodat zij zich niet heel
behagelijk voelde "Wacht maar, we zullen wel gauw een jonge dame van
je maken," zei mevrouw d'Ablong, toen het rijtuig stilstond voor een
grooten winkel met spiegelruiten, waarachter zooveel fraaie stoffen in
donkere en lichte tinten en zooveel kostbare kant, zijde, fluweel en
wit dons lagen uitgestald dat Elsje groote oogen opzette. Zij volgde
hare tante schuchter, toen een bediende in livrei met een beleefde
buiging het portier en de glazen deuren van den winkel opende.
Mevrouw d'Ablong liep tusschen de toonbanken aan beide zijden door,
terwijl haar nichtje zeer bedeesd achteraan kwam. Het was haar alsof
al die dames en heeren achter de toonbanken haar nazagen en alsof de
deftige mevrouwen, die hier hare inkoopen deden, haar aankeken met
oogen, die duidelijk zeiden: "Jij behoort hier niet, kind!" Ze was
blij, toen hare tante de trap opging, die toegang verleende tot een
zaal, waar slechts twee jonge meisjes aanwezig waren en waar stapels
fijn linnengoed in de winkelkasten tegen den muur waren geborgen. Er
heerschte een aangename warmte en Elsje vond dat de winkeljuffrouw,
die hare tante aansprak, een vriendelijk gezicht had.
"Wat is er van uw dienst, mevrouw?"
"Ik zou graag eens meisjeskorsetten van u willen zien," zei mevrouw
d'Ablong. "Het is voor dit meisje. Zij komt van buiten en ik moet
allerlei ondergoed voor haar hebben. De korsetten kunnen hier immers
gepast worden, niet waar?"
"O ja zeker mevrouw, als u zoo goed wilt zijn mij even te volgen."
Zij ging de zaal door naar een klein zijvertrekje, waar de zon
vroolijk naar binnen scheen en men door een hoog boogvenster een
levendig uitzicht had op de drukke straat, die er vroolijk uitzag in
het heldere, vriezende weer.
"O tante, wat is het hier aardig!" riep Elsje, naar het raam
toeloopende en terstond daarop een kleur krijgende over hare
vermetelheid.
Mevrouw d'Ablong keek haar ontevreden aan; zij vond het in 't
geheel niet noodig dat de winkeljuffrouw wist dat Elsje haar nichtje
was. Het kind was eerst zoo dwaas verlegen geweest hier en nu opeens
die uitroep!
"Jawel, het uitzicht is hier niet onaardig," zei ze kortaf. "Maar
kleed je nu maar gauw uit; wij hebben nog zooveel te doen. Zoudt u
meteen eens onderlijfjes willen laten zien, juffrouw?"
"Gaarne." En het meisje ging heen.
"Komaan, Elsje, haast je wat," zei hare tante ongeduldig. "De juffrouw
komt dadelijk terug met de korsetten."
"Maar ... maar tante, moet ik me dan hier heelemaal uitkleeden?" vroeg
het kind met een angstig gezicht.
"Natuurlijk. Als wij alles eerst nog thuis laten sturen, duurt het
weer langer, eer je er een beetje presentabel uitziet."
"Maar ik wil veel liever niet zoo'n stijf korset aan hebben,"
klaagde Elsje.
"Geen woord meer. Je doet nu dadelijk, wat ik je zeg," klonk het
gebiedend.
Met een zucht kleedde Elsje zich uit en liet zich door de geduldige
winkeljuffrouw het eene korset na het andere aanpassen. O, wat
verveelde het haar en wat werden hare beenen moe en stijf van dat
lange staan! En hoe ongemakkelijk zaten haar al die nare, rare
machines met ontelbare baleinen en wat was het verschrikkelijk om
telkens weer de juffrouw te hooren zeggen: "Ziet u mevrouw, van boven
past dit heel goed, maar de jongejuffrouw is wat heel breed om het
middel en de heupen." De arme "jongejuffrouw" had op het laatst een
gevoel alsof ze een mismaakt schepsel was! En al was het warm in de
kamer, toch werden hare armen en haar hals zoo koud en kreeg ze zulk
akelig kippenvel! Hoe was het toch mogelijk dat het hare tante niet
verveelde naar dat verschrikkelijke passen te kijken en dat zij maar
steeds met dezelfde nauwkeurigheid haar oordeel ten beste gaf!
"U kunt dien veter nog wel wat meer aantrekken," zei ze, toen Elsje
eindelijk een korset aan had, dat tamelijk goed paste. De juffrouw
voldeed aan het bevel en Elsje kreeg een gewaarwording alsof ze in
een soort van harnas vastgesnoerd zat.
"Het zit me nauw," waagde ze te zeggen.
"Nauw jongejuffrouw?" vroeg het meisje verbaasd. "Dat is toch een heel
wijd nummer. Het zal u nog wat ongemakkelijk zijn omdat het nieuw is,
maar ik geloof dat u er heel spoedig aan zult wennen."
"Zij moet dit maar aanhouden," zei mevrouw d'Ablong beslist. "Nu de
onderlijfjes, juffrouw."
Elsje begreep dat tegenstribbelen niets zou baten en onderwierp zich
aan haar lot met de kalmte der wanhoop.
Met een onderlijfje kwam men gelukkig sneller klaar en eindelijk namen
zij afscheid van het onderkleeren-departement en bracht de onvermoeide
mevrouw d'Ablong haar nichtje in een geheel ander gedeelte van het
"modemagazijn", dat in Elsje's oogen een reusachtigen omvang had.
Zij bevonden zich nu in een ruim vertrek, waar de japonstoffen werden
verkocht. Elsje's tante koos een paar donkere stoffen voor jurken uit
en begaf zich toen naar een kamer, waar Elsje de maat genomen werd
en een zeer elegant gekleede dame met mevrouw d'Ablong overlegde, hoe
de jurken gemaakt moesten worden. Hiermee was men veel gauwer gereed
dan Elsje had durven hopen en hoewel het akelig korset haar knelde en
zij zich niet heel opgewekt voelde, verheugde zij zich toch over het
feit, dat ze zich niet _weer_ zoo lang behoefde te laten passen. Juist
wilde hare tante zich met haar naar de mantelzaal begeven, toen haar
nog iets scheen in te vallen en ze tot de elegante dame zei:
"O ja juffrouw, u hebt zeker nieuwe stoffen ontvangen voor
baltoiletjes? Waar kan ik die zien?"
"Gaat u even zitten mevrouw en de jongejuffrouw ook, dan kan ik ze
wel dadelijk hier laten brengen."
Ze drukte op een knopje en een jongen verscheen om even later terug
te keeren met het verlangde.
"Vindt u dit niet bizonder lief, mevrouw?" zei de juffrouw, een
lichtrose stof vertoonend, die zacht en wollig aanvoelde en toch dun
en fijn was. "Dat zou deze jongejuffrouw heel goed staan."
"Jawel, maar wat hebt u daar? Is dat lichtgeel of wit, die kantachtige
stof met die fijne, blauwe bloemetjes?"
"Dit bedoelt u? Dat is heel zacht crème, mevrouw, iets beelderigs
voor een brunette, vindt u niet? Voor uwe eigene dochter
misschien.... u.... neemt u me niet kwalijk, maar u bent immers
mevrouw d'Ablong?"
"Ja, en ik wou juist een baljaponnetje hebben voor mijn
dochtertje. Stuurt u me dit maar eens op zicht, als 't je
blieft. En.... ja, doet u er dat rose dan ook maar eens bij; het kon
zijn dat ik voor dit meisje ook een baltoiletje noodig had."
"Als 't u belieft, mevrouw."
Elsje kon hare ooren nauwelijks gelooven. Een baljurk noodig voor
haar! Met groote oogen keek ze haar tante aan, terwijl deze de beide
stoffen nog eens nauwkeurig bezag.
"Dus dan stuurt u deze twee van avond nog op zicht?" vroeg ze nog eens.
"Jawel mevrouw."
"Kom Elsje, dan gaan we nu mantels passen."
Elsje ging snel mee. Een vraag brandde haar op de lippen.
"Tante," zei ze zacht, toen mevrouw d'Ablong op het punt was, de
"mantelzaal" binnen te gaan.
"Wat is er?"
"Heb ik misschien ook een baljurk noodig?"
Mevrouw d'Ablong glimlachte en keek Elsje vriendelijker aan dan ze
vandaag nog gedaan had.
"Wou je dat graag?"
"Ik zou vreeselijk graag eens een bal willen zien," zei Elsje. "Maar
ik zou er liever stil naar kijken dan er aan meedoen, omdat.... omdat
ik niet weet of ik alles wel naar uw zin doen zou."
"Als je je goed houdt en geen kuurtjes hebt en als je op Cécile's
manieren let en die probeert na te volgen, dan.... dan laat ik je
bij ons blijven tot na de partij. Cécile heeft er iederen winter
een en dit jaar zal er niet alleen gedanst worden, maar ook comedie
gespeeld. Als ik dus tevreden over je ben, zul je dat alles bijwonen."
"O!" was al wat Elsje zeide, maar al was de gedachte haar pijnlijk
dat zij de belooning om bij de partij tegenwoordig te zijn, nog moest
verdienen, toch scheen het haar iets onuitsprekelijk heerlijks toe
eens een "echt bal" te zien. Dat zou iets zijn om van te vertellen,
als ze weer tegenover grootmoeder op haar oude plaatsje zat!
"Hoe mooi tante," zei ze met een dankbaren blik op den warmen,
donkerbruinen mantel, dien mevrouw d'Ablong voor haar kocht. Het
korset begon wezenlijk al een beetje te wennen, vond ze, hoewel ze
een hooge kleur had, omdat ze zooveel minder makkelijk adem haalde
dan anders. Er werd bij een Fransch sprekende modiste een hoed met
veeren voor haar gekocht; toen gaf hare tante den koetsier bevel naar
den kapper te rijden.
Dat viel Elsje niet mee; zij had gehoopt dat zij nu weer naar huis
terug zouden gaan, of dat zij eens wat zou mogen gaan wandelen. Ze
was zoo gewend om veel in de frissche lucht te zijn; ze snakte er
letterlijk naar om de aanraking van den wind te voelen op hare wangen
en zich te koesteren in de volle, heldere Januarizon. Met een zucht
ging ze met haar tante het "damessalon" van den "coiffeur" binnen.
"Ik kom zelf maar even bij u, mijnheer," zei mevrouw d'Ablong tot een
klein mannetje met donker, krullend haar, "omdat er nogal haast bij
is. Wilt u eens zien, wat er van dit haar is te maken? Zet je hoed
eens af, kind."
"Tot uw dienst, mevrouw," zei de beleefde kapper, buigend als een
knipmes. "Ga toch zitten als 't u belieft en wil de jongejuffrouw
dan in dezen stoel plaats nemen?"
En met veel drukte en een vertoon van grooten ijver, schoof hij Elsje
een lederen stoel met hooge zitting toe en haalde zijn kam en schaar
te voorschijn.
"Het is geen mooi haar," zei mevrouw d'Ablong, "maar u kunt er toch
misschien wel iets aan doen dat het wat aardiger en meer gedistingeerd
zit."
"O ja zeker mevrouw, zeker. Wilt u het hoofd een _klein_ weinigje
meer rechtop houden, jongejuffrouw? Zoo is het goed, dank u. Ik
geloof dat het lang geleden is dat dit haar gepunt is, mevrouw. Hoe
zoudt u het vinden, als ik de jonge dame een heel klein weinigje
kleursel in het haar deed? De kleur is.... als ik het zeggen mag,
een beetje.... ordinair."
"Neen, neen, verf wil ik niet in mijn haar hebben!" riep Elsje,
driftig opspringend. "Dat kan niet, dat vind ik veel te vies!"
"Ga maar gauw weer zitten, kind," zei haar tante bedaard, maar met een
zeer strengen blik. "Neen mijnheer, u behoeft geen andere kleur aan
het haar te geven; van dergelijke kunstmiddeltjes houd ik heelemaal
niet, dat weet u wel. Hoe zou het staan, als het een weinig gegolfd
werd en als u wat pony knipte van voren?"
"Dat zou wel gaan, mevrouw. Als de jongejuffrouw zoo goed zou willen
zijn, haar hoofdje wat stiller te houden. Zoo! Als dit achterhaar
nu goed weggeschuierd is en het ponyhaar een weinigje gefriseerd,
zult u eens zien hoe goed het staat."
En ijverig gebruikte hij de krultang, waarbij het Elsje hoe langer
hoe benauwder te moede werd.
Eindelijk legde hij het, in hare oogen zeer hatelijke, instrument
neer, nam den schuier, streek het achterhaar glad en strikte het lint
om Elsje's hoofd. Toen zijn werk met een blik vol innig welgevallen
beschouwend, zei hij:
"Zie eens mevrouw, nu bevalt het u zeker beter, niet waar? Deze
coiffure geeft de jonge dame een geheel ander voorkomen, vindt u
niet? Alleen nog een klein, heel klein droppeltje van iets, om de
kleur iets minder geel te maken?"
"Kijk mij eens goed aan," zei mevrouw d'Ablong, zonder op de vraag
van den kapper te letten. "Trek niet zoo met je wenkbrauwen. Neen,
neen, niet dat haar wegschuiven van je voorhoofd."
"Het jeukt zoo," zei Elsje verdrietig.
Weer keek haar tante haar aan met een afkeurenden blik; toen zei ze:
"Zoo kan het wel blijven, mijnheer. Als er nog iets aan veranderd
worden moet, zal ik u wel een boodschap sturen."
|