|
|
"_Blijft_ ze Elsje heeten, zoo lang ze hier is, mama?" vroeg ze toen,
terwijl ze naast hare moeder de gang doorliep en Elsje langzaam volgde.
Mevrouw d'Ablong bleef lachend staan.
"Waarom vraag je dat, Cilly? Bevalt je die naam dan niet?"
"Ik vind hem zoo echt boerinne-achtig," zei Cécile met een opgetrokken
neusje. "Wij kunnen haar heusch zoo niet blijven noemen. Ze kan
wel "Lizzie" heeten--dat klinkt veel ... veel netter. Ze moet toch
heelemaal anders gemaakt worden, voordat ze met onze kennissen kan
omgaan."
"Nu ja, dat weet zij ook wel, is het niet, Elsje?" vroeg mevrouw
d'Ablong zich tot haar nichtje wendend. "Maar vandaag moet zij nu
eerst maar eens een beetje op haar gemak komen; het is alles nog
zoo vreemd en zoo heel anders dan bij haar thuis. Kom lieveling,
wijs jij haar nu haar kamer eens, dan ga ik even Missy goeden dag
zeggen. Is zij op de zaal?"
"Ja mama."
Zij waren een trapje opgegaan, dat met een dikken. Smyrnaschen
looper was belegd en stonden voor een hooge, eikenhouten kamerdeur,
die toegang gaf tot de "zaal", waar Cécile's Engelsche gouvernante
voor een hoog opvlammend haardvuur zat te handwerken.
"Ga maar met Cilly mee, Elsje," zei hare tante, "en blijf dan maar
even wachten tot ik bij je kom; dan kunnen wij eens zien of er ook
een jurk van Cécile is, die je van avond aan kunt hebben. Je kunt
zóó niet aan tafel komen."
"Ik begrijp niet...." begon Elsje met een stem, die van boosheid
trilde.
"Je behoeft ook niet te begrijpen, kind," viel mevrouw d'Ablong haastig
in, terwijl Cécile Elsje spottend aanzag, "alles, wat je te doen hebt,
is met Cilly mee naar boven te gaan en op je kamer op mij te wachten."
En zonder af te wachten of haar nichtje nog iets te zeggen had, opende
zij de eikenhouten deur en trad de zaal binnen met een vriendelijk:
"_Well Missy, and how are you?_
"Dezen kant op," zei Cécile kortaf, terwijl ze even een trotsche
beweging met haar hoofd maakte in de richting die Elsje gaan
moest. "Wacht, ik zal je maar voorgaan. Niet stampen op de trap met
die lompe schoenen, als 't je blieft."
Elsje's bloed begon te koken, maar weer kwam de gedachte aan hare
grootmoeder haar als 't ware smeeken, de driftige woorden terug
te houden, die haar op de tong lagen. Zij volgde Cécile zonder een
woord te zeggen en vroeg zich in het voorbijgaan met bitterheid af,
hoe zij met mogelijkheid luid zou hebben kunnen "stampen" op de zware,
mollige loopers van de trap.
Haar hand gleed voorzichtig in den groven wollen handschoen over de
breede leuning, terwijl Cécile haar in al de elegance van keurige, lage
goudleeren schoentjes en zwart zijden kousen voor ging. Spoedig stonden
zij op een ruim, breed portaal, waar het gas reeds aangestoken was en
eindelijk opende Cécile aan het eind van dit portaal een deur en zei:
"Hier moet je wezen. Nu weet je het."
Meteen keerde zij zich om en liet haar nichtje midden in de halfdonkere
kamer alleen staan. Elsje hoorde haar over het portaal trippelen
en onderdrukt giegelen, terwijl zij onduidelijk de woorden opving:
"O, wat een kind, wat een lompe boerin!" Toen werd alles stil.
Haar eerste werk was naar de deur te gaan en die te sluiten. Toen
sloeg zij de handen voor het gezicht en klaagde bitter en luid:
"O, grootmoeder, grootmoeder, was ik maar weer bij u! Ik houd het
niet uit, o, ik houd het niet uit!" Toen weer fluisterde ze, met een
plotselinge opwelling om heldhaftig te zijn en moedig, ter wille van
de oude vrouw, die haar zoo liefhad:
"Maar ik _moet_ mijn best doen, ik moet, ik moet! Ik wil niet schreien,
niet laf zijn--tante zal ook wel dadelijk komen,--ik wil niet dat zij
mij bedroefd ziet, dat mag niet, nooit! Kom Elsje, niet flauw zijn,
wat zou Krelis je uitlachen, als hij je nu eens kon zien!"
Er kwam een glimlach op haar gezicht bij de gedachte aan Krelis en
zijne grappige plagerijen en met een zucht deed zij het wollen kapje
af en liep naar de groote, wit porceleinen kachel om hare handen te
warmen. Het liep tegen halfvijf en begon hoe langer hoe donkerder te
worden in de kamer en hoe langer hoe somberder ook, vond Elsje. Zij
liep naar het raam toe en zag een binnenplaats, waarvan men een
gedeelte een vroolijker aanzien had trachten te geven door er eenige
_evergreens_ in groene kuipen neer te zetten. Elsje kon maar een klein,
klein stukje zien van de helderblauwe winterlucht--het zwaarmoedige
uitzicht benauwde haar en met een lichte huivering keerde zij zich van
het raam af en trachtte om zich heen te zien in de duistere kamer. Heel
veel vroolijker zag het er daar, nu althans, niet uit. Tegenover
het raam, tegen den muur, stond een groot eikenhouten ledikant met
een sierlijke sprei van witte kant, gevoerd met rose zijde, die Elsje
werkelijk prachtig vond. Naast den zwart marmeren schoorsteen stond een
zware, breede waschtafel ook van eikenhout en voorzien van een fraai,
marmeren blad en een reusachtig waschstel van Fransch porselein, met
takken chrysantemums beschilderd. Aan den eenen kant van het raam
prijkte een eikenhouten kleerenkast met een langwerpigen spiegel,
waarin Elsje zichzelf levensgroot zag weerkaatst; aan den anderen
kant stond een toilettafel, ook alweer voorzien van een spiegel en
van candelabres, flacons, toiletkussens, doellooze flaconkleedjes,
enz. Donkergroene overgordijnen en een donkergroen kleed droegen
er juist niet toe bij om het vertrek een blijmoediger aanzien te
geven, terwijl het eentonige, doffe getik der marmeren pendule op den
schoorsteen, op sombere wijze de doodsche stilte verbrak. Elsje had
groote moeite niet te veel onder den indruk te komen der naargeestige
omgeving om zich heen. In geduldige houding stond ze bij de kachel af
te wachten, wanneer het haar tante zou believen tot haar te komen--maar
heel geduldig en gedwee zag het er niet uit in haar hart. Er kwam een
diepe zucht over hare lippen, toen de deur eindelijk geopend werd en
mevrouw d'Ablong binnentrad, gevolgd door een dienstmeisje met eenige
kleeren over den arm.
Hoofdstuk IV.
"Elsje" of "Lizzie."
"Maar kind, waarom heb je niet even gescheld om het licht te laten
aansteken?" zei Elsje's tante. "Hoe kom je er bij om hier zoo in het
donker te blijven staan! Steek even de kaarsen aan op het toilet,
Keetje, en leg die kleeren maar op het bed. De jongejuffrouw zal zich
vandaag wel alleen kleeden."
Keetje gehoorzaamde en terwijl ze nieuwsgierig keek naar de
"jongejuffrouw," die er--zooals zij later in de keuken vertelde, "niets
jongedamesachtig uitzag met hare dikke, roode wangen,"--vroeg ze:
"Wilt u het gas niet aan hebben, mevrouw?"
"Jawel, dat is goed en vraag dan aan juffrouw Cécile of ze ook even
hier komen wil."
"Ja mevrouw."
Keetje stak de gaspitten aan, deed de overgordijnen dicht, stookte
het vuur wat op en verdween. Het zag er nu vroolijker uit in de kamer,
vond Elsje en haar tante keek ook heusch wat vriendelijker. Dit deed
haar moed scheppen om te vragen:
"Zou ik mijn eigen jurk niet mogen aanhouden, tante?"
"Neen, Elsje, dat gaat heelemaal niet. Ik wil volstrekt niet dat
Miss Piper je ziet in die verschrikkelijke jurk en buitendien zouden
Cécile en ik ook onmogelijk den heelen avond naar dat leelijke toilet
kunnen kijken. Kom, trek je jurk maar gauw uit. Ik heb geen lust,
hier lang bij je te zitten en ik moet er natuurlijk vandaag bij zijn,
terwijl je je verkleedt; anders weet je zeker niet, hoe je doen moet."
Elsje voelde wel dat tegenstribbelen niet zou baten, en begon langzaam,
met een bedroefd gezicht, haar jurk los te maken. Terwijl zij hiermee
bezig was, werd er aan de deur geklopt en riep de stem van Cécile:
"Mag ik binnen komen, mama?"
"Zeker snoesje, kom maar gauw hier."
Elsje's vingers trilden. Als Cécile er nu ook nog bijkwam, was het
heelemaal niet meer om uit te houden.--O, kon zij toch maar wegloopen;
het was verschrikkelijk! Het schreien stond haar nader dan het lachen
en met een klagende stem zei ze:
"Ik kan dat haakje niet los krijgen."
"Help haar maar eens even, Cilly," zei mevrouw d'Ablong ongeduldig. "Ze
treuzelt zoo verbazend."
Cécile gehoorzaamde, maakte het weerbarstige haakje los, trok Elsje
met een ruk de geliefde, roode jurk van de schouders en zei spottend:
"O, o, wat een dikke, roode armen! En die handen! Echte
werkmeide-handen! En o mama, kijk toch eens, wat vreeselijk grof
vel! Dat wordt bepaald nooit beter; de stumper is er mee geboren."
"Ik kan wel alleen," zei Elsje, knorrig Cécile op zijde duwend.
"Hè, wat geeft ze me daar een stomp!" riep Cécile uit, zich boos over
den arm wrijvend. "Ik bedank er voor om haar te helpen, mama."
"Ik heb je hulp ook heelemaal niet noodig," zei de arme Elsje, buiten
zichzelf van ergernis.
"Bedaard wat meisje, bedaard wat!" zei hare tante berispend, "bedenk
een klein beetje wie je voor hebt, als 't je blieft. Kom maar hier
bij mij zitten, Cilly lieverd, dan kan ze zien, hoe ze alleen klaar
komt. Leg die leelijke jurk nu maar eens eindelijk neer, Elsje,
en trek je laarzen uit. Er staan lage schoentjes voor je bij het bed."
Elsje deed wat haar gezegd werd, terwijl ze uit alle macht slikte om
hare tranen in te houden.
"Trek nu die zijden kousen aan," gebood mevrouw d'Ablong.
De zijden kousen pasten gelukkig en de mooie pantoffeltjes ook,
zoodat het eerste gedeelte van Elsje's toilet spoedig klaar was.
"Ziezoo, wasch je nu eerst maar eens flink."
Elsje schonk voorzichtig water uit de lampetkan in de groote kom,
nam een handdoek en doopte den tip ervan in het water. Zij was op
het punt om den natten handdoek naar haar gezicht te brengen, toen
Cécile in lachen uitbarstte en riep:
"Maar mama, kijk toch eens! Ze wascht zich met de punt van den handdoek
in plaats van met een spons! En hemeltje, wat boent ze zich!" Want
Elsje begon in haar drift met den handdoektip stijf en snel over haar
gezicht te wrijven.
"Lach haar nu niet _al_ te veel uit, Cilly, zij moet natuurlijk nog
allerlei leeren. Er ligt een spons in dat bakje, Elsje; gebruik die
een volgenden keer. Kijk, op de toilettafel liggen een kam en schuier;
doe nu eerst je haar, voordat je je handen wascht."
"Mijn haar doen, tante?"
"Ja, dacht je dat je er dat stijve vlechtje in zoudt mogen houden? Maak
het maar gauw los en kam het haar goed uit."
"Een _verschrikkelijk_ leelijke kleur van haar," merkte Cécile
op. "En wat is het akelig glad en sluik! Echt melkboerenhondehaar,
vindt u niet, mama?"
"Maar snoesje, hoe kom je aan _die_ uitdrukking?"
"Och, zoo noemen ze zulk haar altijd. Wist u dat niet? Maar mama,"
vervolgde ze fluisterend, "wat is ze vreeselijk leelijk, vindt u
niet? Hoe is het toch mogelijk, dat _zij_ familie van u is! En dan
zoo allernaarst burgerlijk! Ze moet er heel wat anders uitzien,
eer ze onze kennissen onder de oogen kan komen!"
"Niet _iedereen_ ziet er even snoeperig uit!" zei mevrouw d'Ablong,
terwijl ze Cécile in de kin kneep en een kus gaf. Cilly streek met
een tevreden lachje haar krullend haar naar achteren.
"Strik nu dat fluweelen lint netjes om je haar, Elsje," zei hare tante.
"Noem haar toch als 't je blieft Lizzie, moedertje," vleide
Cécile. "Dat klinkt heusch zooveel beter."
"Ik zal het probeeren, lieveling."
Elsje zweeg. Niets kon haar op dit oogenblik meer schelen. Zij voelde
zich zoo ongelukkig dat het haar nauwelijks een vermeerdering van
haar leed toescheen, niet bij haar eigen naam te worden genoemd.
"Kind, kind, wat gaat dat onhandig!" zei hare tante. "Heb je dan nog
nooit een strik gemaakt? Kom maar eens hier."
Elsje gehoorzaamde. Mevrouw d'Ablong kamde het "akelig sluike"
haar naar achteren en strikte het zwart fluweelen lint om Elsje's
hoofd. Toen probeerde ze een kuif te maken, maar het haar viel
weerbarstig neer, glad en slap, zonder eenige elasticiteit.
"Ik moet morgen dadelijk maar eens met je naar den kapper,
Els... Lizzie," zei hare tante. "Misschien kan hij je wat ponyhaar
knippen, dat je er een beetje meer presentabel uitziet. We moeten het
nu vandaag maar zoo laten. Probeer nu eens of die lichtgroene jurk je
past; ja die, met dat teere resedakleurtje. Wat stond jou die altijd
beelderig, Cilly; het is eigenlijk jammer dat je dat japonnetje nooit
meer draagt."
"Die kleur wordt nu al weer zoo ouderwetsch," zei Cécile.
De lichtgroene jurk paste Elsje niet. Hare armen gleden gemakkelijk
door de ruim neerhangende mouwen heen, maar de rok was te lang en
het lijfje veel te nauw. Met geen mogelijkheid kon de zijden veter,
waarmede de jurk dichtgesnoerd behoorde te worden, zoo strak door
de vetergaatjes worden getrokken, dat de beide kanten tegen elkaar
kwamen en om het middel was het kleedje in het geheel niet vast te
krijgen. "Trek toch maar niet meer, mama; zij _barst_ er letterlijk
uit," riep Cécile, schaterend van het lachen.
"Ja, het gaat niet," zuchtte haar moeder. "Wat moet ze dan in
vredesnaam aan! Deze blauwe jurk is niets wijder. Weet jij ook wat?"
"Misschien kan ze die flanellen blouse aan van me! U weet wel, die
lichtgele; ik draag haar weinig meer. Mij was ze altijd veel te wijd."
"O ja, dat kunnen we wel eens probeeren. Och, schel even, lieveling."
Cécile trok aan het schelkoord en Keetje verscheen weer.
"Haal eens even die crème flanellen blouse van juffrouw Cécile en
den blauw-serge rok, die in de kast hangt op haar kamer en ook het
zijden ceintuur; dat ligt zeker op je toilettafel, Cilly?"
"Ja, mama."
De lichte blouse pastte Elsje beter, maar scheen hare roode wangen nog
rooder en haar middel nog dikker te maken, door al de ruime rimpelingen
en plooitjes, waarmee de stof gegarneerd was. Toch zag zij er niet
onaardig uit in haar nieuwe kleedij. De donkere rok werd door Keetje
voorzien van een opnaaisel, hing toen netjes en stond, zooals Cécile
beweerde, "nog het minst gek." Het breede ceintuur werd om het middel
vastgestrikt en de lange einden beletten te zien, hoe het split van
den rok met spelden vast was gestoken; de boord was Elsje veel te nauw.
"Ziezoo, eindelijk klaar," zei mevrouw d'Ablong met een zucht. "Ga
nu eens even daar staan, kind--onder het gas, dat ik goed kan zien
hoe alles zit."
Met een akelig ongemakkelijk gevoel, alsof al hare kleeren van haar
af moesten zakken en alsof heur haar heel slordig zat--net of ze pas
uit bed kwam en het heerlijk stevige vlechtje nog maken moest--liep
Elsje naar het midden der kamer.
Cécile ging naast haar moeder staan en beiden beschouwden haar nichtje
met een kritisch oog.
Elsje's trots kwam boven. Met verhoogde kleur en schitterende oogen,
hief ze het hoofd op en keek hare beide kwelgeesten strak aan. De
verlegene uitdrukking verdween en hare fiere houding, de glinsterende
sterretjes in de blauwe oogen en het werkelijk aardige toiletje misten
hunne uitwerking niet.
"Als er nu nog een aanmerking komt, doe ik terstond mijn eigen jurk
weer aan," besloot ze bij zichzelf.
"Ze ziet er werkelijk iets beter uit," zei mevrouw d'Ablong tot Cécile,
"vindt je ook niet?"
Cécile antwoordde niet dadelijk, maar bekeek Elsje nog eens, met
tergende langzaamheid. Toen zei ze:
"Ja, wel _iets_."
"Kom Elsje, ga dan nu maar mee...."
"Toe mama, neem haar nu toch wezenlijk liever Lizzie. Iedereen zal
denken dat u de meid roept als u Elsje zegt."
"En toch _blijf_ ik zoo heeten," zei Elsje, zeer gedecideerd.
Cécile keek haar spottend aan.
"Och kind, stel je niet zoo aan, als 't je belieft, he!" zei ze op
minachtenden toon. "Kom mama, zullen we nu eindelijk naar beneden
gaan? Missy is al zoo lang alleen."
Zij opende de deur voor mevrouw d'Ablong, volgde haar en keek niet
meer naar Elsje om.
"Kom Lizzie!" riep hare tante, toen ze op het portaal bemerkte dat
Elsje in de kamer was achtergebleven.
Stokstijf bleef het kind staan, waar zij stond. "Tante roept mij
niet!" mompelde ze boos.
"Lizzie, Lizzie, kom dan toch!" klonk het weer. "Ga nu gauw mee
naar beneden!"
Elsje verroerde zich niet. Zij werd hoe langer hoe koppiger. "Alles
wil ik verdragen," dacht ze met een hart vol bitterheid, "maar mijn
eigen naam zullen ze me niet ontnemen."
"Ga jij maar vast naar de zaal, Cilly," hoorde zij mevrouw d'Ablong
zeggen. "Ik kom dadelijk."
Elsje's hart begon sneller te kloppen, toen ze haar tante weer binnen
zag komen.
"Wat beduidt dat, dat je me te vergeefs laat roepen?" vroeg ze streng.
Geen antwoord. Het meisje stond nog steeds op dezelfde plek,
onbewegelijk als een beeld.
"Kom, antwoord me," hernam mevrouw d'Ablong driftig. "Waarom kwam je
niet, toen ik je riep?"
"U hebt mij niet geroepen."
"Heb ik jou niet geroepen?" En Elsje's tante keek verbaasd. "Wie
anders?"
Elsje haalde met een verlegen lachje de schouders op.
"Lizzie," zei ze.
"En wist je dan niet dat jij daarmee bedoeld werdt, mal kind? Ben je
nog zóó dom?"
"U weet heel goed dat ik Elsje heet naar mijn lieve, lieve
grootmoeder," zei ze, in tranen uitbarstend. De gedachte aan haar
grootmoeder was haar te machtig.
Mevrouw d'Ablong zweeg. Weer gleed, evenals daareven in het rijtuig,
een flauw blosje over hare wangen, maar er kwam nu tevens een zachtere,
teedere uitdrukking in hare oogen, die haar gezicht onuitsprekelijk
aantrekkelijk maakte. Zij sloeg den arm om het snikkende meisje heen
en haar naar zich toetrekkend, zei ze:
"Je hebt gelijk kind, je heet Elsje en anders niet en ik zal je ook
zoo blijven noemen. Kom, schrei nu maar niet meer. Kijk mij eens aan
en laat me eens zien, dat je ook vroolijk kijken kunt."
Elsje sloeg de betraande oogen op en de ongewoon zachte uitdrukking
op het gezicht van mevrouw d'Ablong ziende, vroeg ze zacht:
"Mag ik u een kus geven?"
Tot eenig antwoord trok haar tante haar dichter naar zich toe en
kuste haar. Toen liet ze haar los en zei:
"Zullen we dan nu naar beneden gaan, Elsje?"
"Ja," knikte het kind. "En.... en.... ik zal heusch mijn best doen,
tante."
"Dàt hoop ik. Je moet maar goed opletten hoe Cilly zich gedraagt;
zij heeft zulke bizonder elegante manieren."
Elsje zweeg. Waarom moest hare tante nu ook dadelijk weer Cécile
er bij halen? Maar het was waar--zij zag er erg deftig uit en alles
ging haar zoo gemakkelijk en natuurlijk af! Dát had Elsje dadelijk
wel gevoeld, dat er een groot verschil bestond tusschen haar nichtje
en haar, niet alleen omdat Cécile donker haar en donkerbruine oogen
had en zoo beelderig mooi gekleed was, maar vooral ook omdat ze zulke
lieve, bevallige manieren had, zoo netjes liep en zoo rechtop en met
kleine, aardige pasjes en omdat ze duizend kleinigheden geleerd had,
waarvan Elsje niets afwist en ook, och zoo bitter gaarne, niets weten
_wilde_. Ze voelde zich vandaag zoo akelig linksch en lomp en ze had
zulke nare, gloeiende wangen! Al die vreemde kleeren zaten haar ook
zoo ongemakkelijk en ze had net een gevoel, alsof het lint om heur
haar afzakte,--wat hing dat ook vervelend los in haar nek, zoo warm
en slordig. Had zij haar stijf, glad vlechtje nu tenminste ook maar
mogen behouden!
Ze streek onhandig een weerbarstig lokje weg, toen mevrouw d'Ablong
de deur der zaal opende en zei:
"Dit is mijn nichtje, Missy. Gij kunt u met haar in het Hollandsch
spreken oefenen, Engelsch moet zij nog leeren."
Cécile's gouvernante, Miss Piper, stond langzaam op van haren stoel
bij den haard en bleef bedaard staan wachten, tot Elsje bij haar zou
komen om haar een hand te geven.
Cécile zat aan den anderen kant van het vuur op een lage, sierlijk
gedrapeerde tabouret en keek met een spottend lachje op, toen hare
moeder met Elsje binnen kwam.
Bedremmeld bleef het kind bij de deur staan, totdat mevrouw d'Ablong
haar bij de hand nam en naar Miss Piper toebracht.
"Mijn nichtje, Miss Piper," herhaalde Elsje's tante. "Gij zult gauw
goede vrienden met haar worden, hoop ik. Zij kan nog heel veel van
u leeren. Kom Elsje, geef Missy een hand."
"_Call her Lizzie, please,_" viel Cécile in, op beslisten toon.
"Welkom hier, Lizzie!" zei de gouvernante, Elsje's hand even in de
hare houdend. "Ik hoop, wij zullen gauw zijn vrienden."
Met een dankbaren blik keek Elsje op naar de slanke, geheel in 't
zwart gekleede gestalte en het vriendelijke gezicht met de beschaafde,
fijn besneden trekken. Er lag een zachte glans in de grijze oogen,
die op haar neerzagen en hoewel zij veel te bedeesd was om iets te
antwoorden op het gebroken Hollandsch der Engelsche, dat zoo goed
gemeend was, voelde zij zich toch dadelijk tot haar aangetrokken en
iets moediger gestemd.
"Ga maar naast Cilly zitten, kind," zei mevrouw d'Ablong, "wij gaan
zoo meteen dineeren; je zult wel trek hebben na de reis. Ja, neem
dien stoel maar. Je behoeft er niet zoo voorzichtig mee te zijn;
hij is stevig genoeg. Och Cilly, help haar eens even; ze weet niet,
hoe ze dien stoel verschuiven moet."
Cécile stond langzaam op, trok den stoel met een ruk naderbei en zei:
"Daar! Ga nu maar zitten!"
"_Cilly darling, how unladylike!_" zei miss Piper met een zachte stem.
"Hè neen Missy, niet zoo'n boos gezicht zetten!" riep Cécile,
terwijl ze naar de gouvernante toeging en haar zachte wang tegen de
hare legde. "Toe, u ziet er veel gezelliger uit, als u zóó kijkt,"
vervolgde ze met haar arm om Missy's hals geslagen en smeekend en
een beetje coquet tot haar opziende.
"Kindje, kindje, wees toch zoo opgewonden niet! Dat deugt niets voor
je!" zei mevrouw d'Ablong bezorgd.
"Maar _mother dear,_ ik _ben_ niet opgewonden. Wacht eens, ik zal
wel maken dat Missy weer in een goed humeur komt." En met vlugge
bevalligheid liep ze naar het andere einde der kamer, ging voor de
piano zitten, sloeg met vaste hand een paar accoorden aan en zong
toen met jubelende stem een couplet van "God save the Queen!"
Toen ze geëindigd had, keek ze met een vroolijk gezicht om.
"_Thank you, darling,_" zei Miss Piper.
Cécile bleef bij de piano zitten spelen.
"Ze ziet vandaag toch niet een beetje bleek? En heeft ze in 't
geheel niet over vermoeidheid geklaagd?" vroeg mevrouw d'Ablong aan
de gouvernante.
"O neen, volstrekt niet. Ik geloof eigenlijk dat Cécile altijd gezond
is, mevrouw."
"Jawel, wel gezond, maar zij moet zich toch een beetje in acht nemen,
vind ik. Ze speelt lief van avond, he?"
"Heel lief."
Het gesprek werd in het Engelsch gehouden en Elsje verstond er
natuurlijk niets van. Dat hinderde haar echter niet erg, want nu
behoefde zij er ook geen deel aan te nemen en kon zij ongestoord
om zich heen kijken en al de pracht van de rijk gemeubileerde kamer
bewonderen. Zij had nog nooit zoo iets gezien; waarheen zij ook keek,
overal was het even mooi, vond ze. Voor de hooge ramen hingen, in ruime
plooien, donkerroode gordijnen van zacht, zwaar pluche. Een donkerrood,
mollig smyrnaasch kleed bedekte den grond, terwijl hier en daar een
geelbruin vossevel, of een langharige tijgervacht mooi bij het rood
van het tapijt afstak. De makkelijke stoelen, de portière voor de deur,
het pluche tafelkleed en de smaakvolle, met goud doorstikte draperieën,
over de kleine tafeltjes en boven den spiegel aangebracht, alles was
in harmonie met elkaar en met de warme, teere kleuren van de vazen
en beeldjes, de kostbare snuisterijen en de teergele en rose zijde
der lampekappen, waardoor het licht gedempt en helder tevens heen
scheen. Hoeveel groote en kleine lampen waren er wel? Dat moest ze toch
eens even tellen! Dan kon ze het morgen aan grootmoeder schrijven. Daar
in dien hoek, naast die hooge, fraaibewerkte étagère met boeken, stond
een echte reuzenlamp, vond Elsje. Wat was daar een lange, koperen stang
aan, net een heel dunne, erg uitgerekte steel! En was die neerhangende,
gele kap van echte zijde? Zij had zoo'n fraaien glans en wat hing de
breede, doorschijnende kant er prachtig over heen! Als zij gedurfd had,
zou ze even opgestaan zijn om die lamp eens van naderbij te bekijken,
maar zij was blij dat ze zat en zou voor geen geld de heele kamer
door zijn geloopen naar dien verren hoek! Wat viel het licht van
dat porseleinen lampje op het tafeltje bij de piano mooi op Cécile's
goudbruin kleedje en op haar krullend haar! En wat speelde zij mooi! En
o, wat stond daar in dien anderen hoek een prachtig, wit beeld! Zou
dat nu van marmer zijn en zou het heel koud aanvoelen, als ze het
met hare vingers betastte? En waarom zou dat vrouwebeeld den vinger
zoo waarschuwend tegen den mond houden, alsof het zeggen wou: "Stil,
niet spreken, geen leven maken!" Naast dat beeld stond ook al weer
zoo'n mooie lamp op een standaard en wat werd die groote schilderij
aardig verlicht door het grappige, kleine lampje op een tafeltje,
dat Elsje voor een soort van nieuwerwetsche latafel aanzag en dat een
sierlijk schrijfbureautje van hare tante was! Van de schilderij kon
zij hare oogen niet afhouden. Deze stelde een lichte, opene plek voor
in het bosch en het was Elsje, als zag ze in werkelijkheid de teere,
groene tinten der wilgen en de zonnestralen, die door de takken
speelden. Hé, wat moest het op die plek heerlijk zijn! Zij vergat
heelemaal om voort te gaan met het tellen der lampen, zoo was ze in
de aanschouwing der schilderij verdiept en ze keek verschrikt op,
toen Cécile opeens haar pianospel staakte en vlak aan haar oor zei:
"We moeten eten, Lizzie; ga gauw mee."
Mevrouw d'Ablong en Miss Piper waren de kamer reeds uit. Elsje sprong
snel op.
"Och Cécile, noem mij nu niet weer Lizzie," zei ze dringend. "Tante
heeft zelf gezegd, dat zij mij nooit anders dan Elsje noemen zou."
"Zoo? Nu, dat moet mama weten, maar ik vind Lizzie oneindig mooier en
deftiger en je zult er dus maar aan moeten wennen dat je bij mij Lizzie
heet. Zeur nu niet langer en kijk ook niet zoo knorrig. Ik zal je den
weg wijzen naar de eetkamer; mama zal niet begrijpen, waar we blijven."
Elsje volgde haar met een zucht. Zij vond Cécile naar en onhartelijk,
maar ze wou toch moedig blijven.
De enkele vriendelijke woorden harer tante en van Miss Piper hadden
haar goed gedaan en zij streed dapper tegen het verlangen, om terstond
haar eigene kleeding weer aan te trekken en met den allervlugsten trein
naar haar grootmoeder terug te keeren. Ze keek verrast op, toen ze met
Cécile de ruime eetkamer binnentrad, die aan den tuin gelegen en in
het benedengedeelte van het huis was. Stevige, eikenhouten meubelen,
een langwerpige tafel met gedraaide pooten en stoelen met hooge, rechte
ruggen en groenlederen zittingen, gaven aan het vertrek een geheel
ander aanzien dan het salon boven vertoonde. Bruin beschilderde witte
tegels in eikenhouten lijsten en enkele blauw-porseleinen borden hingen
tegen het goudbruine behang en van een rijke gaskroon viel het licht
tintelend en flonkerend in de fijn geslepen wijnglazen, de kristallen
messenleggers en zoutvaatjes en het zware zilver op de tafel.
"Komt meisjes, wij zitten te wachten," zei mevrouw d'Ablong
ongeduldig. "Hier moet je zitten, Elsje, naast mij."
Elsje haastte zich plaats te nemen en Cécile ging tegenover haar
zitten naast Miss Piper. Een net dienstmeisje stond bij den stoel
van mevrouw d'Ablong en gaf de borden rond, terwijl hare meesteres
de soep opschepte. Elsje vond het haast jammer dat de aardige, losse
bloemschilderingen van het porselein bijna geheel door de dampende
soep werden bedekt, maar zij had ergen trek en begon dadelijk te eten,
toen het bord voor haar stond.
"Je kunt wel heengaan tot ik schel, Dina," zei mevrouw d'Ablong.
Dina verdween.
"Mama," zei Cécile fluisterend, terwijl ze zich over de tafel heen
naar haar moeder toe boog, om niet door de gouvernante verstaan te
worden,--"zeg toch eens dat ze niet zoo afschuwelijk hoorbaar slikt
en die dikke, roode handen wat minder laat kijken."
Zij had luid genoeg gesproken om door Elsje verstaan te worden. Het
arme kind kreeg een kleur, maar zij hield zich goed en at stil door,
met hare oogen naar beneden geslagen.
Juist toen ze weer een lepel vol soep aan den mond bracht, legde hare
tante hare linkerhand op de hare.
"Let er op, hoe Cilly eet," zei ze zacht.
Met al te groote haast slikte Elsje de soep door, om te antwoorden
en toen ze wat zeggen wou, kreeg ze zulk een hevige hoestbui dat zij
er akelig benauwd van werd en de tranen haar over de wangen rolden.
"Hè, wat een vervelend geluid!" zei Cécile. "Je kunt best ophouden,
als je maar wilt, Lizzie."
"_Take some water, do,_" raadde Miss Piper aan.
"Ja, drink eens, Elsje," zei mevrouw d'Ablong ongeduldig. Dat het
kind zich nu ook juist verslikken moest en aldoor die roode handen
aan den mond bracht, terwijl Miss Piper over haar zat!
Elsje schonk met bevende hand en al kuchend een glas water in uit een
klein, elegant karafje dat voor haar bord stond. Haar hand schudde en
het water viel zoo hortend en stootend in het glas, dat dit overliep
en zich een smal stroompje op het tafellaken vormde.
"Kind, wat ben je ook onhandig!" fluisterde mevrouw d'Ablong
wrevelig. "Bel eens even, Cilly, als 't je blieft."
Cécile drukte op het knopje der zilveren tafelschel en Dina kwam
binnen.
"Maak dat eens even een beetje schoon," zei mevrouw d'Ablong met
een blik naar het drijvende stroompje, dat hoe langer hoe breeder
werd. "Je kunt meteen de borden wel wegnemen."
Dina gehoorzaamde handig en vlug, terwijl Elsje met een kleur van
|