|
|
te goed en het trilde om haar ingevallen mond, terwijl zij luisterde
met hare geheele ziel en hare handen gevouwen hield, als bad ze. Bij
de woorden: "_De Heer zal u bewaren van alle kwaad; uwe ziel zal Hij
bewaren...._" kwam er een blijde glans in hare oogen en een zucht van
verlichting over hare lippen en ze knikte even, alsof ze zeggen wou:
"Dat is waar, o ja, dat is waar!"
Moedig hief ze het hoofd op, met den trek van hoop nog steeds in
hare oogen en zoo bleef ze zitten, tot haar kleindochtertje den psalm
uitgelezen had en vroeg:
"Maar verder lezen, grootmoeder?"
"Neen, zoo is het genoeg kind," zei de oude vrouw zacht. Toen, nadat
zij eens diep adem gehaald had: "Elsje, ik heb je wat te zeggen."
"Ja grootmoeder?"
"Ik heb je wat te zeggen, kind; iets, dat....dat je vreemd zult
vinden. Wil je bedaard naar me luisteren?"
"Ja," fluisterde Elsje benauwd en met angstige verwondering haar
grootmoeder aanziende. Wat kon er toch zijn? Waarom keek grootmoeder
zoo heel ernstig? Het gaf haar een gevoel van beklemming.
"Het is nu al twaalf jaar geleden dat je moeder dood is, Elsje, en
al dertien dat je vader stierf. Je moeder was mijn liefste dochter
en je hebt heel, heel veel in haar verloren."
Elsje knikte ernstig. Ja, dat wist ze, dat had grootmoeder haar al
heel dikwijls verteld.
"Over mijn andere dochter, je tante, heb ik nooit veel met je
gesproken, maar je weet dat zij niets op je moeder gelijkt, uiterlijk
niet en innerlijk ook niet. Toch is zij ook mijn dochter en zij meent
het niet kwaad; zij meent het goed, ook al denkt zij anders over
de dingen dan ik. Je weet, Elsje, dat je tante een mooi meisje was,
toen ze jong was en ze zal nog wel mooi wezen....."
"Ik vind het portret niets lief," zei Elsje, geprikkeld door een
onverklaarbaar gevoel van jaloerschheid op die tante, die "uiterlijk
noch innerlijk" op hare eigene lieve moeder leek. Zij zou zich van
dit gevoel geen rekenschap hebben kunnen geven, maar de woorden waren
er uit, bijna voordat zij het zelf wist.
Hare grootmoeder zweeg, maar keek haar aan met iets verwijtends in
de vriendelijke oogen. Een oogenblik was het heel stil in de kamer,
haast even stil als daar buiten, waar de heldere winterzon de kale
takken der boomen verlichtte en alles rondom in rust scheen, in één
kalme, vredige rust. Een breede zonnestraal gleed tusschen de geplooide
witte gordijntjes door langs de tafel op den Bijbel en deed de groote,
zwarte letters glinsteren en de stofjes dwarrelen in het licht. En
bij al die lieflijke rust klopte het onrustig in Elsje's hart en er
kwam een donkerroode gloed over haar gezicht, toen haar grootmoeder
het stilzwijgen verbrak en zei:
"Je hebt je tante nooit gezien, kind; naar een portret alleen mag
iemand niet oordeelen. En buitendien is dit portret al drie jaar
oud. Je tante gaf het mij, toen ze het laatst hier was en jij naar
school waart, zoodat je haar ook toen niet gezien hebt, evenmin als
den vorigen keer. En dat is jammer genoeg, want als je haar maar _eens_
gezien hadt, zou er toch...."
Zij eindigde den zin niet, maar zweeg even. Toen hernam ze, op
eenigszins vergoelijkenden toon:
"Het spreekt van zelf dat je tante anders is dan wij zijn en je bent
oud genoeg om dat te begrijpen, Elsje. Ik heb je nooit heelemaal
verteld, hoe alles met haar is gegaan, maar het voornaamste weet je
toch. Je tante was een heel mooi meisje en toen ze volwassen was,
had zij er geen plezier in, om hier op het dorp of in de buurt te
blijven. Ze wou een betrekking zoeken als kinderjuffrouw en ze was
er knap genoeg voor om dat te worden, dat moet ik zeggen. Ze kreeg
haar zin en ze had het best. De menschen waren goed en vriendelijk
voor haar en het beviel haar ook allemaal wel, tot er een rijk heer
kwam, die zin in haar kreeg en met haar trouwen wou. Dat trok haar
nog veel meer aan dan kinderjuffrouw zijn en ze is toen met dien
rijken heer getrouwd en heeft drie jaren lang een gelukkig leven met
hem gehad. Dat zij haar oude moeder bij al haar pracht en weelde wel
eens een beetje vergat, och, dat is licht te begrijpen...."
Elsje had tot zoover geduldig geluisterd naar het verhaal, dat zij
half kende, maar nu kon zij het toch niet langer uithouden.
"Dat vind ik juist zoo leelijk van tante," riep ze driftig uit,
"dat zij net doet, alsof zij geen lieve, oude moeder meer heeft! Dat
ze te trotsch is om u bij zich te laten komen, dat ze haar dochtertje
nog maar eenmaal hier heeft gebracht en dat jaren geleden, dat ze net
precies doet of ze altijd een schatrijke, deftige dame is geweest,
dat ze u nooit eens heeft opgezocht met oom, toen die nog leefde en
dat ze u alleen met uw verjaardag en met nieuwjaar geregeld schrijft!"
"Stil Elsje, je hebt het recht niet zoo te spreken en je doet me
pijn, kind."
Elsje boog het hoofd en begon te schreien.
"Maar laten wij dan toch ook maar niet over tante spreken," snikte
ze. "Ik heb haar nooit gezien, dat is waar, maar dat verlang ik ook
niet en dat zal ook wel nooit noodig zijn,--ze komt nu toch nooit
meer hier. Het is al heel mooi, als ze eens een brief schrijft!"
"En nu _heb_ ik een brief van haar en daarover juist moet ik eens
heel ernstig met je spreken. Elsje."
Elsje hield van verbazing op met snikken en zag haar grootmoeder,
door hare tranen heen, verschrikt aan.
"Een brief?" stamelde ze.
"Ja, hij kwam gisteren, toen jij naar het dorp waart en....en ik had
er je al eerder van willen vertellen. Tante schrijft heel vriendelijk
en aardig over je. Zij zegt dat het haar spijt dat ze je nog niet
gezien heeft en....en dat ze graag eens kennis met je maken wil."
"Ik niet met haar!" zei Elsje driftig.
Weer keken de oogen der oude grootmoeder zacht verwijtend, zoodat
Elsje de hare neersloeg en hare lippen stijf op elkaar drukte, als
om zichzelf tot zwijgen te dwingen.
"Ik ken je haast niet, als je zoo bent, Elsje," hernam de oude vrouw
met iets strengs in haar stem. "Ik vraag je nog eens of je bedaard
naar mij wilt luisteren?"
Elsje begon weer harder te schreien.
"Als u over tante begint, krijg ik altijd dat akelige, booze gevoel in
me," zei ze. "Ik kan niet van haar houden, omdat ze naar en onhartelijk
is tegen u en ik zou veel liever niet over haar willen spreken--heusch
grootmoeder, veel liever niet. Wat heeft zij ook eigenlijk met mij
te maken?"
"Zij heeft dit met je te maken, Elsje, dat zij de eenige bloedverwant
is, die je nog hebt in de wijde wereld, als ik er niet meer ben. Zij
heeft dit met je te maken dat zij zich bereid heeft verklaard, je
tot zich te nemen en voor je opvoeding te zorgen, als ik dat niet
meer doen kan en...."
"O neen, neen, grootmoeder, dat niet, och neen, dat nooit! Ik smeek
het u, dat nooit! U wordt wel weer beter, de dokter heeft het zelf
gezegd en we zullen nog lang, heel lang bij elkaar blijven en....als
u er niet meer bent, dan...." zij legde haar armen op de tafel,
liet er haar hoofd op zakken en snikte het uit: "Dan wou ik dat ik
ook maar dood ging!"
"Foei Elsje!"
De woorden kwamen er streng berispend uit, maar de lippen der oude
vrouw trilden en hare oogen schoten vol tranen, terwijl ze naar het
gebogene meisjeshoofd keek.
Eenige oogenblikken lang heerschte er diepe stilte, een stilte,
die Elsje benauwde en eindelijk de oogen naar haar grootmoeder op
deed slaan.
"Ik wil wel probeeren om bedaard naar u te luisteren," zei ze zacht.
"Goed kind. Laat ik je dan maar eens precies vertellen, wat tante
schrijft. Het is geen lange brief. Zij vraagt alleen of het mij beter
gaat en of ik wel genoeg ben om jou een poosje te kunnen missen."
Angstig vragend keken Elsje's beschreide oogen, maar zij zeide niets
en knikte alleen even, als om te toonen dat zij nu heusch kalm en
oplettend luisterde.
"Tante denkt--en _ik_ geloof het ook--dat het goed zou zijn, als je
eens een paar weken bij haar kwaamt om kennis te maken met haar en haar
dochtertje. Gij verschilt niet veel in leeftijd; Cécile is vijftien,
geloof ik, en jij bent juist veertien geworden, dus dat komt mooi bij
elkaar. Wie weet, hoe goed je het samen zult kunnen vinden en....tante
en ik denken dat je later waarschijnlijk beter zult kunnen wennen,
als je nu eerst eens een poosje bij haar aan huis bent geweest."
"Mag ik u even iets vragen, grootmoeder?" vroeg Elsje, die nu
doodsbleek zag.
"Natuurlijk kind."
"Ik zou graag willen weten, waarom tante nu op eens vraagt, of ik
bij haar komen wil. Zij....zij heeft vroeger precies gedaan, alsof
ik niet bestond."
Er kwam een flauw blosje op het gezicht der oude vrouw en een verlegene
uitdrukking in hare oogen. Misschien paste het het kind niet, om zoo
iets te zeggen, maar wat zij zeide, was maar al te waar. En dan....zij
zelf had eenige dagen geleden aan hare dochter geschreven. Het had
haar al maanden en maanden zwaar op het hart gelegen, wat er van Elsje
worden moest, als zij eens plotseling van haar weggenomen werd. Elsje
was nog bijna geheel een kind--even veertien jaar, en waar moest zij
heen, als zij eens eensklaps geheel alleen op de wereld stond? Zij
_had_ dan toch immers ook nog een tante en uit zichzelf zou het
kind deze nooit om hulp vragen, dat wist de oude vrouw zeker. En,
of de tante zich veel aan haar nichtje zou laten gelegen liggen,
als niemand haar dit vroeg, ... och, daar was heel weinig van te
zeggen. Een kwaad hart had ze niet maar ze had altijd weinig om andere
menschen gedacht; zij was altijd heel anders geweest dan haar zuster,
van haar vroegste jeugd af. Ze was ook zoo mooi en iedereen bewonderde
haar als om strijd--het was zeker niet onnatuurlijk dat ze altijd erg
vervuld was geweest van haar eigen schoonheid en bevalligheid en dat
ze wel wat ijdel geworden was. Hare hartelijke oogenblikken had ze
toch ook gehad....in de laatste jaren waren die zeker niet talrijk
geweest,--maar toch, maar toch was de oude vrouw, na lang beraad met
zichzelf, geëindigd met aan haar dochter te schrijven. Elsje was toch
ook zoo'n lief kind! Het kon wel niet anders, of ze moest de liefde
winnen van allen, met wie ze in aanraking kwam en het trof toch ook
aardig, dat de nichtjes bijna even oud waren; zij konden zoo veel
aan elkaar hebben! Langzamerhand zou Elsje zeker wel wennen aan haar
nieuw leven en in ieder geval zou hare tante niet veel moeite met haar
hebben--Elsje was zoo'n vroolijk, makkelijk, vlug kind! En de oude
vrouw had dus over haar aan haar dochter geschreven op bescheidene,
nederige wijze, maar toch ook zóó, dat het geweten der rijke mevrouw
d'Ablong was gaan spreken en haar genoopt had aan haar moeder te
schrijven, dat zij Elsje graag eens te logeeren wou hebben. Zij was
geschrikt, toen zij bemerkt had, hoe beverig het schrift der oude
vrouw was en hoe duidelijk de brief de sporen droeg van door een
zwakke, vermoeide hand geschreven te zijn. Nu het gevaar dreigde
dat zij haar moeder misschien spoedig door den dood zou verliezen,
scheen zij er plotseling iets van te voelen hoe groot dit verlies
zou zijn en een paar dagen nadat zij den brief had ontvangen, schreef
zij terug, hartelijker en uitvoeriger dan zij in lang gedaan had. En
de oude vrouw had dit antwoord met ontroering gelezen, blij dat haar
verzoek zóó opgenomen werd, maar....toen zij bedacht dat Elsje met
alles in kennis moest worden gesteld, toen zij bedacht, hoe het meisje
er tegenop zou zien haar te verlaten, toen ze bedacht, hoe eenzaam
en vreemd het kind zich in de weelderige omgeving gevoelen zou en
hoe haar eenvoudig hart terug verlangen zou naar het aardige stille
huisje en de lieflijke, schilderachtige natuur en o, toen ze bedacht,
hoe heel erg zij zelf haar missen zou--toen bekroop haar de vrees,
of zij wel goed gehandeld had en of zij de zorg voor Elsje niet
stil en geloovig had moeten overlaten aan God! Maar lang bleef die
vrees haar niet bij. Neen, ze had goed gehandeld, voor het welzijn
van haar dochter en Elsje, alle twee. Elsje behoorde daar, als haar
grootmoeder niet meer leefde--haar plaats was bij de zuster van haar
moeder, daar kon geen twijfel aan zijn.
En ook--zoo redeneerde de oude vrouw in al den eenvoud van haar
hart--wie weet, of Elsje met haar frisschen levenslust, met haar
aardige, vroolijke praatjes en vooral met de reine, kinderlijke
liefde van haar warm jong hart, niet een bizonder gunstigen invloed
zou kunnen oefenen op haar tante en op het nichtje, dat wel al te veel
gehecht zou zijn aan al de weelderige pracht en het genot, waarin zij
leefde! Moeielijk zou Elsje's leven zeker zijn nu en dan, vooral in
het begin, maar toch zeker niet zóó moeielijk, als wanneer zij heel
alleen zou staan in de wijde wereld en dan--zij wist immers, waar zij
troost en hulp zoeken moest--_"de Heer zal u bewaren van alle kwaad;
uwe ziel zal Hij bewaren"_. Hij zou ook zorgen, dat Elsje's kinderziel
niet bedorven werd, niet verloren ging, maar rein en vroom bleef,
ook te midden van alle wereldsche heerlijkheid en verstrooiing.
"Al had tante je wel eens eerder kunnen vragen om bij haar te komen,
dat is geen reden, waarom je haar niet dankbaar zoudt zijn, dat zij
het _nu_ vraagt," zei grootmoeder, zonder rechtstreeks te antwoorden
op Elsje's uiting, waarom haar tante "vroeger precies gedaan had,
alsof ze niet bestond." "Kom kind, kijk nu eens weer vroolijk. Ik wed
dat je later als je weer thuis bent, opgewonden verhalen doet over
alles wat je bij tante hebt genoten en over de liefheid van Cécile
en haar vriendinnetjes en over de mooie stad en het prachtige huis,
waarin tante woont en over de winkels en al de menschen op straat
en....en over nog een heeleboel meer. Wie weet, hoe weinig lust je
hebben zult om weer bij je oude grootmoeder terug te komen!"
Elsje lachte door hare tranen heen en er kwam een beetje licht in de
duisternis van haar gemoed. Was het dan ook eigenlijk wel zoo heel
erg? Grootmoeder had gelijk. Het zou best kunnen zijn dat zij het
aardig en mooi vond in die groote, drukke stad, dat haar tante erg
meeviel bij de kennismaking en dat zij het met Cécile heel goed kon
vinden. Misschien zouden ze wel een heeleboel grappen hebben samen--het
moest toch ook wel prettig wezen om eens een poosje in één huis te
wonen met een meisje van haar eigen leeftijd! En dan....allerlei
te zien, waarover zij alleen maar eens een enkelen keer had hooren
spreken en later van alles aan grootmoeder te vertellen en aan de
dorpsmeisjes--dàt zou toch wel heerlijk wezen!
Zij stond langzaam van haar stoel op, ging naar de oude vrouw toe en
gaf haar, een beetje verlegen, een kus op de wang.
"Ik heb er wel meer lust in," zei ze zacht.
"Zie je wel!" zei de grootmoeder vroolijk. "Maar dat spreekt immers
ook van zelf! Kom, trek nu gauw je beste jurk aan ...."
"Mag ik het dan straks even aan Aafje en Geertje gaan vertellen en
bij Krelis aan huis? Ik zal niet lang wegblijven."
"Ja zeker, dat is best. Maar maak dan nu gauw voort, kind."
"Ja. Maar grootmoeder, wanneer ... wanneer zou tante me dan verwachten
en wie komt er dan zoo lang bij u?"
"Ik denk dat tante je graag spoedig bij zich wil hebben, Elsje, en
ik zal vragen of Aafje's zuster dan bij mij wil komen. Zij kunnen er
daar nu best een missen, nu Grietje ook uit haar dienst thuis is."
Twee uur later zat de oude grootmoeder in de vredige stilte om haar
heen, met den Bijbel voor zich, den psalm te herlezen en was Elsje
bezig, haar kennisjes het groote nieuws mede te deelen. Er viel een
traan op het oude gele Bijbelblad en driftig veegde Elsje's grootmoeder
hare oogen af en zei zacht:
"Foei, ik moest blij zijn!"
Toen liet ze hare handen in haar schoot glijden en keek lang en
peinzend het raam uit. En met een weemoedig lachje het hoofd schuddend,
fluisterde ze:
"Zij zou geen kind zijn, als het nieuwe haar niet aantrok."
Hoofdstuk III.
Gewichtige Veranderingen.
Spoedig daarop kwam er een kort briefje van mevrouw d'Ablong, waarin
zij hare moeder meldde dat zij Zondags over zou komen om Elsje te
halen, als zij vóór dien tijd geen bericht ontving, dat de oude vrouw
haar kleindochtertje liever bij zich wilde houden. Grootmoeder liet
Elsje hierop tot antwoord schrijven dat zij gaarne met haar tante mee
zou gaan en een poosje bij haar blijven. Het waren maar enkele regels,
maar Elsje vond het toch heel moeielijk, die netjes en duidelijk op
het papier te krijgen en zij had een erge kleur, toen het briefje
af was en, voorzien van postzegel en adres, gereed lag om naar de
post te worden gebracht. Het was haar een pak van het hart, toen de
brief eindelijk weg was, maar kalmer werd zij er toen toch niet op
en hoe meer het gewichtige uur naderde, waarop zij haar tante van
aangezicht tot aangezicht zou aanschouwen, des te ongeduldiger werd
zij. Nu eens was ze uitgelaten bij het vooruitzicht allerlei nieuws
en moois te zullen zien, dan weer benauwde haar de angst om geheel
alleen onder vreemden te gaan--want vreemden waren mevrouw d'Ablong
en haar dochter voor haar, al waren zij ook haar eigene tante en
nichtje. Het meest van alles zag zij er tegen op haar grootmoeder te
verlaten, hoewel de gedachte niet bij haar opkwam, dat deze gedurende
haar afwezigheid weer zieker zou kunnen worden. Grootmoeder was nu
zoo opgewekt en vroolijk, vond Elsje, en ze zag er ook weer beter
uit--zij zou zeker wel gauw heelemaal weer opgeknapt zijn.
Elsje moest maar geen goed meenemen, had haar tante geschreven; zij
zou haar wel een en ander leenen,--Cécile's kleeren zouden haar zeker
ook wel passen. "Dan zal ik mijn mooie, roode jurk maar aantrekken
op reis, vindt u niet, grootmoeder?" vroeg Elsje, "dan zie ik er
dadelijk netjes uit, als ik bij tante kom."
"Ja, doe dat kind," zei grootmoeder en toen het eindelijk
Donderdagochtend geworden was en mevrouw d'Ablong tegen twee uur
verwacht kon worden, was Elsje al heel lang voor dien tijd klaar om
hare tante te ontvangen. De strooien hoed met het vuurroode veertje
lag netjes gereed op een stoel, met een paar wollen handschoenen en
een stevige parapluie. Elsje was geheel reisvaardig, maar zij had toch
gedurig een gevoel, alsof ze nog iets vergeten had en onophoudelijk
liep ze naar het kleine slaapvertrek om te zien, of zij alles wel goed
had opgeredderd en Aafje's zuster veilig haar nieuwe slaapstede kon
betrekken; dan weer trippelde zij naar de keukenkast om te kijken,
of alles op zijn plaats stond.
"Och grootmoeder, ik wou toch eigenlijk maar veel liever niet gaan,"
zei ze opeens met een diepen zucht.
"Maar Elsje!"
"Ik zie er zoo tegen op en het lijkt me niets prettig meer! Ik weet
haast wel zeker dat tante niet van mij houden zal en ik niet van haar."
"Als je zulke dingen zegt, wil ik niet eens naar je luisteren, kind,"
klonk het streng en beslist.
Elsje ging zwijgend op haar gewone plaats voor het raam zitten,
tegenover haar grootmoeder en keek met een bedroefd gezicht naar
buiten. Gisteren was ze nog een eind de heide overgegaan, daar
in de verte, om een boodschap te doen bij vrouw Rikkers, die een
boerderij had en toen had ze nog gedacht, hoe vreemd het toch was dat
de heideplanten nu zoo dor en bruin waren, terwijl zij eenige maanden
geleden zoo prachtig hadden gebloeid, vol geur en kleuren. En toen had
ze er ook over gedacht, wat zij alles wel ondervonden zou hebben, als
al die hei _weer_ bloeide en wat ze dan wel niet allemaal met vrouw
Rikkers zou te bepraten hebben--zij hadden het nu samen altijd al
zoo druk! Maar gisteren, toen had ze zich vroolijk gevoeld en blij,
vol ongeduldig verlangen naar al het ongekende genot, dat haar in
de groote stad wachtte en nu--och nu zou ze veel, veel liever bij
grootmoeder hebben willen blijven. Zij voelde zich ook niets prettig,
zoo raar beverig en zoo akelig benauwd, net of ze niet goed slikken
kon. Ze wou dat tante dien brief maar nooit geschreven had!
Maar er was nu niets meer aan te veranderen. De trein, die mevrouw
d'Ablong naar het kleine dorp brengen moest, waar Elsje woonde, kwam
al nader en nader en stond eindelijk hijgend en blazend een paar
minuten stil voor het onaanzienlijke station, waarbij Elsje's tante
uitstapte. De stationschef keek nieuwsgierig naar de deftige dame in
den langen mantel van bruin pluche, die bevallig sloot om de slanke,
statige gestalte. De chef was eerst een half jaar in dienst en had
er geen het minste denkbeeld van, wie de vreemde dame kon zijn. Met
een trotsche, eenigszins gebiedende uitdrukking in hare mooie,
donkere oogen, liep zij hem langzaam voorbij met de houding eener
koningin. Zij beantwoordde zijn beleefden groet met een genadig
hoofdknikje en ging toen het stille perron over in de richting van
den uitgang. "Wat komt die hier doen!" mompelde de chef bij zichzelf,
terwijl hij haar nazag. Eensklaps scheen zij zich te bedenken; ze
stond stil, keerde zich om, liep terug en trad op den chef toe.
"Is hier geen rijtuig te krijgen?" vroeg ze.
"Als u even geduld hebt, mevrouw. Het logement is hier vlak bij en
daar kunt u heel goed terecht."
"O, kan daar iemand heen worden gestuurd?"
"Wel zeker, mevrouw, als u dat verkiest."
"Goed. Laat er dan dadelijk iemand heen gaan en zeggen dat ik het
rijtuig terstond hebben moet. Ik zal hier blijven wachten."
"Tot uw dienst, mevrouw."
Vijf minuten later was het rijtuig met mevrouw d'Ablong op weg naar
de woning van Elsje's grootmoeder. De oude vrouw stond haastig van
haar stoel op, toen ze het geluid van naderende wielen hoorde. Met
bevende hand schoof zij het gordijntje op zij, om beter langs den weg
te kunnen zien. Zij hield zich goed, ter wille van Elsje, maar haar
hart klopte onstuimig en hare oude oogen deden pijn van de inspanning,
waarmee zij hare tranen terug hield.
Daar kwam het rijtuig aan. Grootmoeder zuchtte eens diep. Misschien
reed het wel voorbij--het was toch niet onmogelijk dat haar
dochter loopen kwam van het station; den weg kende ze waarlijk goed
genoeg! Het rijtuig stond stil. Zij zat er dus wel in! De oude vrouw
liet het gordijntje los en ging weer zitten, bleek als een doode. Maar
zij vermande zich en toen de deur geopend werd en mevrouw d'Ablong
binnentrad, stond zij bedaard op en ging haar tegemoet. Elsje bleef
beschroomd bij het raam staan, met een kleur als vuur en hare handen
stijf geklemd om den rug van haar stoel.
"Dag moeder, hoe gaat het?" zei de bezoekster, terwijl ze met haar
gehandschoende hand de voile voor haar gezicht wegschoof en zich
bukte, om de oude vrouw een kus op het voorhoofd te geven. "U ziet
nog bleekjes; bent u nog zwak?"
"Neen, neen, ik ben bepaald beter. Ga zitten, Lize. Kijk, dit is nu
Elsje. Toe kind, kom hier en geef je tante een hand. Sprekend haar
moeder, vindt je niet, Lize?"
"Ja," zei mevrouw d'Ablong langzaam, "dat dunkt me ook wel." Zij
hield Elsje's hand vast en bekeek haar van het hoofd tot de voeten,
zoodat het arme kind nog verlegener werd dan ze reeds was.
"Zij ziet er ten minste gezond uit, dat is gelukkig. Maar....maar heeft
ze niet nog een andere jurk om aan te trekken voor de reis, moeder?"
Een andere jurk! Elsje trok haar hand driftig los en zei met een
gebaar van trotschheid, dat haar grappig stond:
"Dit is mijn beste."
"O!" zei hare tante met een spottend lachje. "_Dan_ moet je haar
aanhouden natuurlijk. Je vindt het zeker heel prettig om een poosje
bij mij te komen logeeren he? Hoe oud ben je?"
"Ja, ze stelt zich heel veel voor van haar uitstapje," viel Elsje's
grootmoeder snel in, toen ze zag hoe haar kleindochter het te kwaad
kreeg met hare tranen. "En het lijkt haar zoo aardig eens kennis
te maken met Cécile! Elsje is juist veertien geworden; dus de beide
meisjes komen goed bij elkaar, wat den leeftijd betreft."
"O, maar Cilly is verleden week al zestien geworden," zei mevrouw
d'Ablong. "Dus dat is twee jaar verschil, dat zegt nogal wat op
dien leeftijd, maar daarom zal ze zich toch wel eens met Elsje
willen bemoeien, natuurlijk. Ze ziet er zoo allersnoeperigst uit,
Cilly,--ze wordt bepaald een mooi meisje. Ik moet haar toch stellig
eens meebrengen, moeder, als ik weer hier kom--iedereen roept er over,
zoo beelderig mooi als ze wordt."
"Zoo?" zei de oude vrouw droog. "En ze vindt het zeker ook prettig
dat Elsje komt?"
"O ja, dat vindt ze heel grappig, geloof ik. Maar vertel mij nu eens
moeder, hoe gaat het u eigenlijk? En zou Elsje zich ook onderwijl
klaar gaan maken? Zoo heel veel tijd hebben wij niet."
"Ga je hoed opzetten, kindje," zei de grootmoeder met een bemoedigend
knikje. Zij zag wel hoe vreeselijk Elsje er nu tegen op begon te zien
om met hare tante mee te gaan. "Strijk je haar ook nog wat glad, hoor."
Elsje verdween terstond in het slaapkamertje, blij dat ze alleen kon
zijn. Zij streek snel het haar glad, keek of het strikje nog stevig
zat om het stijve, korte vlechtje, zette haar hoed op, trok de wollen
handschoenen aan en knielde toen neer voor haar bed.
"Help mij, lieve Heer!" smeekte ze met een korten, nijgenden snik,
terwijl ze hare handen tegen haar gezicht drukte. Toen stond ze op,
keek nog eens om zich heen en ging terug naar de andere kamer.
"Klaar?" vroeg haar grootmoeder vroolijk. "Schenk tante dan nog maar
even een kopje koffie in en jezelf ook."
"Neen, neen, dank u moeder, wij moeten nu werkelijk weg," zei mevrouw
d'Ablong, haastig van haar stoel opstaande. "U hoort dan wel, wanneer
Elsje weer thuis komt. En zult u vooral dikwijls bericht sturen,
hoe het u gaat? Ik zal goed op Elsje passen, dat beloof ik u."
"Daar reken ik ook vast op," zei de oude vrouw ernstig.
"Kom, neem dan nu maar afscheid, kind," zei mevrouw d'Ablong naar Elsje
omziende, die stil achter haar was blijven staan. "Maar mijn hemel,
schepseltje, wat heb je daar voor een hoed op! Je moet wat anders
opzetten! Daarmee kan ik onmogelijk eerste klasse met je reizen;
die jurk is al erg genoeg!"
"Ik heb maar één hoed," zei Elsje koppig.
"Zet je kapje maar op, kind, gauw maar; laat tante niet wachten."
De vermanende toon harer grootmoeder deed Elsje terstond
gehoorzamen. Maar boos was ze toch. "Ik vind haar een naar mensch!" zei
ze, de kast in het slaapkamertje opentrekkend en haar wollen mutsje
te voorschijn halend. Met een driftige beweging strikte zij het onder
de kin vast. "Dit houd ik op, al gaat ze ook op haar hoofd staan!" zei
ze beslist. Toen ging ze weer terug met iets uitdagends in hare oogen.
"Dat gaat ten minste nog," zei hare tante. "En nu moeten we heusch
weg, anders komen we nog te laat aan den trein. Dag moeder, zult u
goed op u zelf passen?"
Weer kuste ze de oude vrouw. Toen trok ze haar voile voor het gezicht
en ging voor het kleine, ouderwetsche spiegeltje staan, om te zien of
haar hoed wel volkomen naar de regelen der kunst op haar hoofd stond.
"Dag mijn lief, lief kind! God zegene je!" fluisterde de grootmoeder,
terwijl ze Elsje in haar armen gesloten hield. "Stuur mij maar eens
gauw een brief, hoor!"
Elsje knikte. Spreken kon zij niet. Toen sloeg ze haar armen om
grootmoeders hals en kuste haar.
Een oogenblik later zat ze naast hare tante in het rijtuig. De oude
vrouw stond voor het raam en knikte, knikte met een vriendelijk
lachend gezicht, terwijl hare mondhoeken zenuwachtig trilden. Nog
een oogenblik en het rijtuig was uit het gezicht verdwenen.
Stil, met een verlegen gezicht, zoo geheel verschillend van de gewone,
vroolijke Elsje, volgde ons meisje mevrouw d'Ablong in den keurigen
coupé, dien de beleefde conducteur voor de deftige dame opende. "Jij
wilt zeker graag bij het raampje zitten, kind?" vroeg hare tante met
een werkelijk edele poging om het haar nichtje zoo prettig mogelijk
te maken en haar op haar gemak te zetten. Elsje knikte maar eens. Zij
had wel "ja tante" willen zeggen, maar ze durfde niet te spreken. Zij
had nog steeds dat rare, benauwde gevoel in de keel, net of ze niet
goed slikken kon en net of ze zou _moeten_ schreien, als ze probeerde
iets te zeggen. Daarbij was er nog een dame in den waggon, die haar
nog minder op haar gemak maakte dan ze reeds was. De dame had zoo'n
trotsch gezicht en zulke koude, grijze oogen en ze keek Elsje zoo
strak aan en zoo lang, alsof ze zeggen wou: "Kind, wat doe _jij_ hier,
in een coupé eerste klasse?" En toen Elsje ging zitten bij het raampje
en leunde tegen de zachte kussens, evenals zij haar tante zag doen,
ging de vreemde dame zoo stijf rechtop zitten en bekeek Elsje zoo
nauwkeurig dat het arme kind bepaald dacht dat zij onbehoorlijk zat,
ook rechtop zitten ging en verlegen het raampje uitkeek. Het was of
een magnetische kracht haar telkens weer noopte om te zien of de dame
nog naar haar keek, en herhaaldelijk als zij dit deed, zag ze de koude,
grijze oogen op zich gevestigd.
Mevrouw d'Ablong had _hare_ oogen gesloten en zat doodstil, met hare
handen in haar mof, over Elsje, die een gevoel had, alsof ze alles zou
hebben willen geven, om rustig bij haar grootmoeder te zijn. Maar zij
moest zich goed houden,--vóór alles, zich goed houden--flink en moedig
zijn en haar best doen,--dat had ze grootmoeder zoo beloofd! Schreien
zou ze niet---vooral hier niet--hare tante zou zich niet voor haar
behoeven te schamen tegenover die trotsche, akelige dame daar in den
anderen hoek van den waggon. En met groote volharding keek Elsje
het raampje uit en deed zich geweld aan om bedaard te zijn. En
langzamerhand werd het kalmer in haar, zoodat ze met zekere stille
berusting hare tante volgde, toen deze aan een groot, druk station
den trein uitstapte met de woorden:
"Ziezoo kind, nu zijn we dadelijk thuis. Ga maar gauw met me mee naar
het rijtuig. Loop vlak achter me, hoor; het is hier altijd zoo vol
om dezen tijd van den dag!"
Ja, wèl was het er vol! Het was Elsje alsof ze droomde, toen ze
zich daar plotseling verplaatst zag in die woelige wereld, die haar
tot nu toe geheel onbekend was geweest. Het maakte haar angstig--de
dringende, luid pratende en roepende menschenmassa om haar heen, de
haastige kruiers, die tegen haar aanliepen en haar op zijde duwden,
de heeren en dames, die tusschen de drukte door, deftig heen en weer
wandelden op het perron, of beleefd hunne gasten begroetten, het
schelle, doordringende gefluit en gesis van aankomende en vertrekkende
treinen, het rijden met karren en kruiwagens--dit alles verdreef
geheel de kalme stemming, die zij met zooveel moeite was machtig
geworden en bevend, erg geagiteerd, haastte zij zich haar tante bij
te houden, terwijl deze zich vlug en handig een weg baande naar den
uitgang van het station, waar een rijtuig haar wachtte. "Zou Cécile
ons komen halen?" dacht Elsje. Die zat dan zeker al ongeduldig te
wachten in het rijtuig, of--zou ze er misschien ook een beetje tegen
opzien om kennis te maken met het onbekende nichtje? Elsje's hart
klopte sneller, toen het portier van het rijtuig geopend werd, maar
een gewaarwording van verlichting en toch ook van teleurstelling,
maakte zich van haar meester, toen ze zag dat het leeg was. Mevrouw
d'Ablong scheen hier niets ongewoons in te vinden. Zij zei alleen
maar: "Toe Elsje, haast je een beetje!" omdat het kind niet dadelijk
instapte en keerde zich met een vriendelijk lachje om, toen ze zich
door een beschaafde vrouwenstem bij den naam hoorde roepen en een
keurig gekleede dame achter zich zag staan. "Hoe gaat het u toch,
mevrouw d'Ablong?" zei ze, "Loulou heeft al zóó dikwijls verlangd,
Cilly eens weer te spreken en eens bij zich te zien. Zij houdt zoo
dolveel van Cilly! Hoe maakt ze het? Ziet zij er nog altijd even
beelderig lief uit? Ik vond haar om te stelen verleden winter op die
partij van mijnheer van Heusde. Bent u op reis geweest, of....o ja,
ik zie het, u hebt een logeetje meegebracht....maar neen, nu vergis
ik me toch zeker .... Bent u ook al heelemaal opgaande in werken van
liefdadigheid?" vervolgde ze fluisterend, "en moet er voor dat meisje
misschien een dienstje worden gezocht bij kinderen, of...."
"Het is een kind van buiten, dat ik een poosje bij mij in huis neem,"
zei mevrouw d'Ablong een beetje kortaf, met een zachte stem, maar
toch niet zóó zacht, of Elsje had het verstaan.
Een kind van buiten, dat zij een poosje bij zich aan huis nam! Waarom
zei haar tante niet dat zij, Elsje, haar nichtje was en bij haar kwam
logeeren? Elsje vond het erg vreemd! Zij kreeg een gevoel, alsof hare
tante zich over haar schaamde en ze werd vuurrood en de tranen van
ergernis sprongen haar in de oogen. Zij veegde ze snel weg met een
ongeduldige beweging harer hand. Als mevrouw d'Ablong het een schande
vond dat zij haar tot nichtje had, dan zou zij haar niet lang lastig
vallen; ze wou wel dadelijk terug, heel graag wou ze dat! En dat zou
ze zeggen ook. En toen haar tante eindelijk van hare kennis afscheid
had genomen en in het rijtuig zat, begon Elsje met een onvaste stem,
maar met fonkelende oogen:
"Waarom.... waarom mocht die dame niet weten dat ik uw nichtje ben,
tante?"
Mevrouw d'Ablong keek vreemd op. Heel even gleed er een flauwe blos
over haar gezicht, maar zij herstelde zich terstond en zei koel,
terwijl zij Elsje strak aanzag:
"Dat mocht ze heel wel weten, natuurlijk. Er is volstrekt geen reden,
waarom je je zoo dwaas zoudt opwinden, kind."
"En waarom weet ze het dan nu nog niet en denkt ze dat ik een kind
van buiten ben, dat...."
"Lieve tijd, Elsje, praat niet zoo ontzettend luid en kijk me niet
zoo woest aan! Je moet heusch een beetje gaan letten op je manieren,
kind. Je gedraagt je zoo allerakeligst burgerlijk! Neen, kijk nu niet
het raampje uit, terwijl ik met je spreek en bijt ook niet zoo op je
lippen. Die zijn waarlijk dik genoeg. Ik hoop dat wij een prettigen
tijd zullen hebben met elkaar en natuurlijk zal ik je aan iedereen
voorstellen als mijn nichtje, maar dan moet je zelf ook je best doen
en niet toegeven aan humeurtjes en driftige buien, als 't je blieft."
Elsje antwoordde niet. Het was haar of een stem haar toefluisterde:
"Pas op, denk aan grootmoeder!" En met al de kracht die in haar
was, trachtte zij haar ergernis te onderdrukken en het gevoel van
eenzaamheid, dat haar dreigde te overweldigen. Zij bleef stil zitten
met neergeslagen oogen, tot het rijtuig stil hield voor een groot
huis van grijzen steen.
"Welkom hier, Elsje," zei mevrouw d'Ablong, die toch een weinig
medelijden met haar begon te krijgen. "Kijk, Cécile staat al voor
het raam op ons te wachten."
Eer Elsje tijd had gehad om naar het raam te kijken, was de breede
voordeur reeds geopend en stond zij achter hare tante in eene ruime,
marmeren vestibule, die smaakvol met palmen en hooge varenplanten was
versierd. "Dag mama, dag mama!" riep een welluidende stem en een slank
meisje met prachtige donkere oogen en krullend bruin haar, kwam op een
drafje de gang inloopen. Zij droeg een jurk van goudbruin fluweel, dat
haar warme, donkere tint op haar voordeeligst deed uitkomen en bewoog
zich met een gemakkelijke gratie, die hare bevalligheid zeer verhoogde.
"Snoesje, snoesje, loop niet zoo hard! Kijk, je bent heelemaal
buiten adem!" zei mevrouw d'Ablong, terwijl zij het meisje naar zich
toetrok. Zij kuste haar op het voorhoofd en zag haar vol liefde en
trots in de mooie oogen. Toen keerde ze zich om en zei:
"En hier heb je Elsje nu."
"O!" zei Cécile op een langerekten toon, verwonderd en onverschillig
te gelijk. Zij bekeek Elsje, die stil en bedeesd op de mat was blijven
staan, van het hoofd tot de voeten, maar stak hare hand niet uit,
om haar welkom te heeten.
|