|
|
Elsje
Door
A.C. Kuiper,
Schrijfster van "Anneke", "Een Hollandsch meisje op een engelsche
kostschool", enz., enz.
Geïllustreerd door A. Wijthoff
Derde druk.
Haarlem Vincent Loosjes 1906.
Hoofdstuk I.
Een vroolijke Wandeling.
"Als 't je blieft, kereltje, hier is de stroopkan. Pas goed op en
kijk waar je loopt; de kan is heel vol, zooals je ziet. Wacht maar,
ik zal je wel even het stoepje afhelpen. Ziezoo, loop nu maar heel
voorzichtig, hoor. Dag ventje!"
En de goedhartige kruideniersbediende keek het kleine mannetje
van vijf jaar na, dat met een ernstig gezichtje en stijf op elkaar
gedrukte lippen, langzaam de stille dorpsstraat door ging. Met de
volle stroopkan stevig tusschen zijn kleine roode handen geklemd,
het hoofd een weinig voorover gebogen en schuifelende pasjes, liep
hij voorzichtig voort over de ongelijke steenen, die hier en daar
verraderlijk glad waren, want het had hard gevroren de laatste dagen
en hoewel de zon op enkele plaatsen de ijskorst deed wegsmelten,
dat maakte de straat niet minder glibberig. Ons manneke was daarop
echter bedacht; hij haastte zich niet en het duurde een heel poosje,
eer zijn grappig rond figuurtje langs den hoek der straat verdween.
"Ziezoo, die zal wel veilig bij zijn moeder komen," zei de bediende,
den winkel weer binnengaand. "En wat moet jij nu hebben, Elsje?" vroeg
hij, zich tot een meisje wendend, dat geduldig bij de toonbank stond
te wachten. Zij zag er frisch en gezond uit met haar roode wangen
en heldere, blauwe oogen en het gladgestreken blonde haar kwam even
onder het donkerroode wollen mutsje te voorschijn, dat zij onder de
kin vastgestrikt droeg. Onder den warmen, zwartwollen doek, die om
haar schouders geslagen en van achteren om het middel vastgeknoopt
was, droeg zij een blauwgestreept katoenen jakje en onder den gladden
rok van zwart merinos, kwamen grove wollen kousen en een paar stevige
schoenen te voorschijn, die er uitzagen alsof zij te groot waren voor
de voeten, die er in staken. Er lag iets vriendelijks en ook iets
kinderlijks over de geheele verschijning, iets guls en prettigs, dat
het vrij alledaagsche gezicht van het veertienjarige meisje bizonder
aantrekkelijk maakte.
"Alles is weer op bij ons," zei ze lachend, waarbij een rij witte
tanden zichtbaar werd. "Ik moet weer koffie hebben en suiker en gort
en wat rijst en meel en bruine boonen--van alles weer evenveel als
altijd, als 't je blieft. Hier is mijn mand."
En een groote hengselmand van den grond nemend, zette zij die op
de toonbank.
"Grootmoeder wat beter?" vroeg de bediende, terwijl hij de
verschillende zaken afwoog en in zakjes deed.
"Neen, niet veel," antwoordde Elsje, met een trek van bekommering op
haar gezicht. "De dokter zegt dat ze meer eten moet, maar ze heeft
haast nooit zin in wat. Ze is gelukkig wel beter dan verleden week."
"Het zal langzamerhand wel in orde komen," klonk het op
geruststellenden toon uit den mond van den bediende, "als de winter
maar eens weer voorbij is. Dag Krelis!" vervolgde hij, zich tot een
jongen wendend, die den winkel inkwam. "Ben je gevallen, baas? Je
ziet heelemaal wit en zwart ook, warempel. Die mouw zal wel eens in
de waschtobbe moeten voordat ze weer schoon is."
"Och, dat droogt wel weer op," zei de jongen, achteloos een veeg
over de bewuste mouw gevend. "Twee ons klontjes voor de koffie, als
't je blieft."
"Ziezoo, klaar is Kees," hernam de bediende, Elsje de gevulde
hengselmand en Krelis zijn zak met klontjes overreikend. "Dag kinderen,
plezierige wandeling samen!"
De twaalfjarige knaap drukte zijn gladden bonten muts vaster op het
hoofd, knikte even, deed de rinkelende winkeldeur open en ging vóór
Elsje den winkel uit, niet uit lompheid, maar omdat het geen oogenblik
bij hem opkwam haar voor te laten gaan.
Elsje volgde hem met haar mand aan den arm, de dorpsstraat door en
den straatweg op. Het was heerlijk, gezond winterweer; helder en
frischkoud, zacht vriezend. De zon scheen vol en rijk en verlichtte
met warmen glans de enkele donkere dennen en de bruinglinsterende
open velden aan beide kanten van den breeden straatweg. Over de dorre
grassen en halmen lag een gouden gloed en dunne laagjes fonkelenden
rijp losten zich in de warme zonnestralen op tot doorschijnende
waterdroppels, die aan de kale, gladde takken bleven hangen,
schitterend als zoovele diamanten.
Met blijde, gelukkige oogen keek Elsje om zich heen, terwijl zij naast
haar jeugdigen geleider voortstapte. Het was haar aan te zien dat
haar jonge ziel vatbaar was om al dat heerlijke schoon te genieten
en van puur genot haalde zij eens diep adem alsof ze zeggen wou:
"Hè, hoe verrukkelijk mooi!" De jongen naast haar liep, een vroolijk
deuntje fluitend, verder. Hij voelde zich prettig opgewekt in de
gezonde winterkou; het liep zoo gemakkelijk en vlug over den harden,
drogen weg; buitendien was het Zaterdag en had hij dus den langen
Zondag in het vooruitzicht, waarop hij uren achtereen zou kunnen
schaatsenrijden. Kortom, alles werkte samen om hem bizonder goed
gemutst te doen zijn, maar zijn stemming was een geheel andere dan
die van Elsje. Zij zou niet onder woorden hebben kunnen brengen wat
zij voelde; er trilde iets in haar hart, dat haar zou hebben kunnen
doen juichen en ernstig zijn te gelijk--het was een zekere heilige
bewondering, een aanbidding bijna voor wat zij zag om zich heen. Want
in haar eenvoudig kinderhart leefde een groote, rijke liefde voor
de natuur; een liefde, die aan haar kalm leven een warmen gloed
verleende, maar die haar ook wonderlijk verschillend maakte van de
dorpsmeisjes met wie zij in aanraking kwam, al mocht men haar over
't algemeen graag lijden. Overigens was er aan Elsje volstrekt niets
buitengewoons. Hare ouders, brave, oppassende lieden, had zij verloren
toen zij nog maar heel klein was en sedert dien tijd had zij altijd
met haar grootmoeder gewoond, in het kleine huisje, dat op een half
uur afstands van het dorp gelegen was. Haar grootvader was ook reeds
jaren dood en zijne weduwe had lang met naaien den kost verdiend en
daardoor de spaarpenningen van haar man onaangetast gelaten, zoodat zij
daarvan nu op haar ouden dag zuinig met haar kleindochter leven kon.
"Hè," zei Elsje, terwijl ze even staan bleef, "wat is het
vandaag prachtig hier! En kijk eens, wat glinsteren die mooi in
de zon!" vervolgde ze, terwijl ze zich heenboog over een der lage,
kale struiken en voorzichtig een glimmenden tak aanraakte, waaraan
ontelbare waterdroppels flikkerden.
"Ja, allerprachtigst!" lachte Krelis en een dikken tak beetpakkend,
schudde hij Elsje de zware druppels in het gezicht en riep spottend:
"En ze spatten ook zoo mooi!"
In een oogwenk stond haar mand op den grond en haar gezicht snel met
haar hand afvegend, riep ze: "Dat zal ik je betaald zetten!"
"Ga je gang, maar pas op dat je mand niet weggepakt wordt!" plaagde
hij en meteen het hengsel beetgrijpend, rende hij vooruit, zoo snel
als zijn jonge beenen het hem maar veroorloofden.
"Vreeselijke jongen!" riep Elsje hem na, terwijl zij het ook op een
loopen zette, zonder echter den jeugdigen boosdoener te kunnen inhalen.
Eindelijk verdween hij langs een smal zijpaadje, dat naar de kleine
boerderij voerde, waar hij thuis hoorde.
"Och hemel, nu neemt hij mijn mand zeker mee naar binnen!" hijgde
Elsje, op het zijpad toesnellend. Maar toen zij dichterbij gekomen was,
zag zij de hengselmand op een grooten steen vlakbij staan.
"Gelukkig," zei ze, zich bukkend om haar op te nemen.
"Och, och, wat spatten ze mooi, wat spatten ze mooi!" klonk de stem
van Krelis achter haar, terwijl een dichte regen op haar neerviel
van den struik, waaronder zij zich gebukt had en dien hij uit alle
macht schudde.
Zij richtte zich snel op, maar Krelis was haar al weer te vlug af
geweest, want toen zij zich naar hem omkeerde, was hij het zijpad al
weer in en niets dan een plagend geroep van: "Dag Els, dag Els!" bewees
dat hij nog in de nabijheid was.
"Wacht maar, ik zal je wel krijgen, al is het dan vandaag niet!" riep
ze terug, waarop Krelis tergend een langgerekt gefluit liet hooren
en toen in huis verdween.
"Ik zal hem wel," zei Elsje bij zichzelf, terwijl ze verder liep, "hij
behoeft niet te denken dat ik me zoo maar ongestraft laat beetnemen,
die brutale jongen!" En zij lachte, terwijl ze zich ten tweeden male
het gezicht afveegde.
En verder liep ze, langs kale, uitgestrekte velden, waar de donkere
aarde door een dunne ijskorst was bedekt en waar de bonte kraaien,
deftig als oude heeren, in zwart-en-grijs gewaad voorttrippelden of
in lange zwenkingen door de lucht vlogen. Iets verder stak het korte
kreupelhout met zijn taaie, warmroode twijgjes, schilderachtig af
tegen de hoogere struiken, waarvan de dorre beuke- en eikebladeren,
die hardnekkig aan de kale takken waren blijven hangen, goudbruin waren
getint. Vlokkige witte wolkjes deden het zonnige blauw van den hemel te
helderder uitkomen en Elsje kon niet nalaten, nog even om zich heen te
zien met een: "Hè, heerlijk!" van innige bewondering, voordat ze het
korte pad opging naar het kleine huisje, dat zij met haar grootmoeder
bewoonde. Het zag er netjes en schilderachtig uit met de donkergroen
en rood geverfde luiken, de lage groene deur en de smalle ramen, die
thans door de warmte van binnen half ontdooid waren, zoodat Elsje het
vriendelijke gezicht van haar grootmoeder, omlijst door een hagelwit,
geplooid mutsje, naar buiten kon zien kijken. Zij knikten elkaar
vroolijk toe, waarna het meisje het plaatsje van roode tichelsteenen
op zij van het huis overliep naar de deur, de klink oplichtte en door
de smalle gang het woonvertrek inging, dat tevens als keuken dienst
deed. De kleine kamer had een zeer eenvoudig aanzien met de vierkante
houten tafel voor het raam, vier stoelen met matten zittingen en den
bruingeschilderden houten vloer. Aan den eenen kant van den gewitten
muur stond de kookkachel en daar tegenover een ouderwetsche latafel
met korte, gedraaide pooten. In een zwarte lijst tegen den muur hing
een verschoten merklap, door Elsje's grootmoeder bewerkt, toen ze nog
een kind was, terwijl de portretten van Elsje's ouders op de latafel
prijkten in gezelschap van een fleschje inkt, een paar pennenhouders,
twee hardblauwe bloemvaasjes, een mandje met gemaakte bloemen, een
staand spiegeltje en een Bijbel. Een groote koekoekklok hing naast
den schoorsteen, die met aardige blauwe tegeltjes was versierd,
terwijl een netjes gerimpelde strook of "val" langs den zwarthouten
schoorsteenmantel naar beneden hing. Vlak bij het raam, waarbij de
grootmoeder zat te breien, was een klein portretje opgehangen in een
fraai nieuwerwetsch lijstje, dat slecht in deze omgeving paste. Het
portret was dat van een jonge vrouw, met groote, sprekende oogen
en donker, golvend haar. Er lag een trek van trotschheid om den
fijnbesneden mond en het was alsof de fraaigevormde wenkbrauwen even
minachtend opgetrokken waren, iets wat het overigens zeer innemende
gelaat bepaald ontsierde. Er was in het portret een flauwe gelijkenis
waar te nemen met het gezicht der oude vrouw, die dezelfde donkere,
sprekende oogen had, waarvan echter de uitdrukking veel vriendelijker
was, terwijl het thans geheel witte haar volkomen glad langs hare
slapen was gestreken en zonder de minste neiging om te golven, even
onder de geplooide muts te voorschijn kwam. De kleine handen waren
rimpelig en mager van ouderdom en de dikke, blauwe aderen duidelijk
zichtbaar, terwijl de ijverige vingers vlug de breinaald hanteerden.
Elsje leek niets op haar grootmoeder. Hare oogen waren lichtblauw,
evenals die harer eigene moeder geweest waren, ook had zij hetzelfde
geelblonde, touwachtige haar van haar moeder. Fijn besneden waren hare
trekken volstrekt niet, maar om haar frissche roode lippen lag, zooals
wij reeds gezegd hebben, iets guls en prettigs, en uit de vroolijke,
blauwe oogen straalde een glans van tevredenheid en geluk, die een
groote aantrekkelijkheid verleende aan haar gezicht.
Haar grootmoeder keek Elsje met welgevallen aan, zooals ze thans voor
haar stond met wangen rood van de koude en oogen, nog schitterend
van het genot, dat de mooie wandeling haar had bezorgd.
"O grootmoeder, wat is het heerlijk buiten!" zei ze, de mand op de
tafel zettend. "Ik wou dat u het ook allemaal eens gezien hadt! De
zon schijnt zoo mooi en het is zulk lekker weer om te loopen en alles
schittert even prachtig en...."
"Ja, ja, ik wil het wel gelooven," zei de oude vrouw, lachend haar
kleindochtertje in de rede vallend, "maar maak nu maar een beetje
voort. Je moet het plaatsje nog schrobben en de koffie malen en dan
verlang ik erg dat je eens flink aan het breien gaat. Je bent ook
nogal lang weg geweest, dunkt me."
"Och, die vervelende Krelis heeft me weer geplaagd," zei Elsje met
gemaakte knorrigheid, terwijl ze de pakjes uit de hengselmand nam. "Ik
zal gauw voortmaken, grootmoeder."
Zij deed haar kapje en doek af en begon ijverig heen en weer te
dribbelen, waarbij het korte vlechtje op haar rug, dat met een zwart
veterbandje vastgestrikt en heel stijf gevlochten was, voortdurend
in dansende beweging kwam.
Het vuur werd opgestookt, de groote ketel met water opgezet voor
de koffie, die straks bij de boterham gebruikt moest worden, sneden
brood met roggebrood werden gesneden en gesmeerd en eindelijk werd
de koffiemolen uit de kast gehaald en werden de boonen gemalen,
waarbij Elsje een even druk gebruik maakte van haar tongetje als
van haar handen. De grap van Krelis werd in kleuren en fleuren aan
grootmoeder verteld, wier oude oogen van pret begonnen te glinsteren
bij het aardige verhaal. Toen was er genoeg koffie gemalen en zei
Elsje, het blad met de kopjes klaarzettend en de koffie opschenkend:
"Zal ik nu maar eerst het plaatsje schrobben, grootmoeder? Dan kan
de koffie onderwijl trekken."
"Best kind."
Ons meisje deed met een gewichtig gezicht een grooten blauwen
boezelaar voor, zette haar wollen kapje weer op, deed haar klompen
aan en ging naar buiten. En toen volgde er een plassen met water en
een geschrob en een klotsen op klompen, dat het een aard had. De roode
tichelsteentjes begonnen terdege te glimmen van al dat geboen en toen
Elsje eindelijk klaar was met schrobben en met groote handigheid wit
zand over het plaatsje had gestrooid uit een wijden, ruwhouten nap,
zag het er zoo netjes uit, dat zij niet nalaten kon een goedkeurend
knikje te geven, voordat ze in huis terugging.
"Het water zal wel gauw weer bevriezen," zei ze, "er is zoo weinig
zon aan dezen kant, maar het is toch erg opgeknapt."
"Hè, ik verlang naar mijn boterham," hernam ze, toen ze haar boezelaar
aan den spijker naast den schoorsteen had opgehangen. "Is de koffie
goed, grootmoeder?"
"Ja kind, schenk maar eens gauw een warm kopje in."
Elsje gehoorzaamde, zette het kopje voor de oude vrouw neer en
vroeg toen, met een bezorgden blik op het gelaat der grootmoeder,
dat plotseling heel bleek geworden en pijnlijk vertrokken was:
"Al weer die akelige pijn op de borst, grootmoeder?"
De oude vrouw knikte met een zwakke poging om te glimlachen.
"Zoo benauwd," hijgde ze. "Erg benauwd! Wacht maar even."
Het meisje ging achter haar staan, trok het grijze hoofd zacht naar
zich toe en liet het tegen haar schouder rusten. Zoo bleef zij staan,
totdat haar grootmoeder weer vrijer begon adem te halen, het kopje
koffie opnam, even dronk en zei:
"Ziezoo, nu is het weer over. Hè, dat is een opluchting! Het kwam nu
toch ook heel onverwachts."
"Zal ik u straks nog eens wat van dat drankje geven?"
"Ja, voordat we naar bed gaan. Eet nu je boterham kind, je zult
trek hebben."
Elsje haalde haar breikous uit de bovenste lade der latafel, nam een
stoel en ging over haar grootmoeder zitten. En alweer had zij van
allerlei te vertellen, terwijl de breinaalden lustig klapperden, de
zwarte kous onophoudelijk heen en weer slingerde en nu en dan haar
vroolijke lach helder en opwekkend door de kamer klonk. Zij moest
vooral haar best doen dat de oude vrouw geen sombere buien kreeg,
had de dokter gezegd en hoewel zij eigenlijk nooit anders deed dan
het haar grootmoeder zooveel mogelijk naar den zin te maken, spande
zij zich nu natuurlijk dubbel in. De wandeling naar het dorp en het
bezoek aan den kruidenier gaven haar stof genoeg tot praten, totdat
het langzamerhand donkerder werd en zij als vanzelf de breikous in
haar schoot liet zakken en stiller werd. Buiten was de maan langzaam
en statig opgekomen en verlichtte met een tooverachtig blauwen glans
de zwarte, fijne takken der enkele iepen langs den weg. Zacht dreven
de witte wolken verder door de blauwe lucht, waartegen de donkere
boomtakken scherp afstaken. In het kleine vertrek werd het hoe langer
hoe duisterder. De oude vrouw liet haar hoofd voorover glijden, sloot
de oogen en sluimerde in. Met de handen over elkaar geslagen en haar
gezicht een weinig opgeheven, zat Elsje met ernstige oogen peinzend
naar buiten te staren.
Wat was het daar plechtig stil en mooi, dacht ze en hoe aardig was het
om oplettend naar boven te kijken naar die grillig gevormde kleine
wolken, die in al haar reine witheid langzaam voortgleden. Zou daar
nu de hemel achter zijn? En als men die wolkjes van dichtbij zag,
van heel dichtbij, zou men ze dan voorzichtig kunnen bevoelen en
er met de hand overheen strijken en zouden ze dan zacht en wollig
zijn als fijne watten? En hoe kwam het toch dat de maan dat vreemde,
blauwachtige schijnsel wierp over de koude, donkere aarde? En o, wat
was het mooi, wat was het alles prachtig mooi! God moest wel heel groot
en machtig zijn om alles zoo mooi en heerlijk te kunnen maken in de
natuur! En hoe moest het wel in den hemel wezen, als het waar was dat
daar alles nog veel mooier was dan hier! En....en als zij dan later in
den hemel kwam, o, wat zou ze dan wel niet voelen, hier op aarde was
het al dikwijls zoo prachtig! Het zou zeker nog heel lang duren, eer
zij den hemel zag, zij was nog zoo jong, maar grootmoeder, die zou....
Met een snik van ontzetting, brak zij haar gedachtenloop af. O neen,
neen, grootmoeder moest bij haar blijven, zij moest en zou weer
beter worden; wat zou Elsje moeten beginnen zonder haar? Zij boog
zich voorover om in de schemering naar haar te kijken en hoorde aan
de zachte, geregelde ademhaling dat de oude vrouw sliep. En terwijl
de tranen haar in de oogen sprongen, vouwde het meisje onwillekeurig
de handen en opziende naar de heldere winterlucht daar buiten, zond
ze een vurig gebed op tot God om haar grootmoeder nog lang voor haar
te sparen.
"Maar Elsje kind, zit je daar nu nog te droomen?" klonk eensklaps de
stem der oude vrouw, die, uit haar dutje ontwaakt, verbaasd was, het
zoo donker om zich heen te vinden. "Maar meidlief, dat gaat nu toch zóó
niet! Kom, steek gauw de lamp aan en brei dan nog, totdat je aan den
voet beginnen moet. We moeten onzen tijd niet zoo verspillen, kindje!"
"Maar het is ook zoo prachtig mooi buiten, grootmoeder. Hè!"
En met een zucht onttrok zij zich aan haar droomerij, stond van haar
stoel op, stak de hanglamp aan, liet het gordijn naar beneden zakken
en begon den koffieboel op te ruimen. Haar grootmoeder sloeg haar
onderwijl oplettend gade, schudde even het hoofd, boog zich over haar
breiwerk heen en prevelde zacht bij zichzelf:
"Als het maar gaat! Och, als het maar gaat!"
"Klaar!" zei Elsje vroolijk, het koffieblad wegzettend en haar breikous
weer opnemend. "Nu nog flink een steekje breien, he grootmoeder? Dat
bevalt u beter dan al dat luie naar buiten kijken!"
"Ja zeker, kind. Je moet ook denken dat je...."
Zij eindigde den zin niet, zoodat Elsje verbaasd opzag en een ernstig
gezicht zette, toen zij bemerkte hoe bezorgd haar grootmoeder keek.
"Wat moet ik denken, grootmoeder?" vroeg ze zacht.
De oude vrouw antwoordde niet dadelijk; hare lippen trilden en hare
handen beefden zenuwachtig en hoewel zij haar mond opende, als om
iets te zeggen,--er kwam geen geluid.
Elsje legde haar breiwerk neer en zag haar angstig aan.
"Komt de benauwdheid weer terug?" vroeg ze snel.
"Neen kind," klonk het half fluisterend. "Neen, maak je maar niet
ongerust. Ik wou je alleen maar zeggen,"--en nu klonk haar stem
duidelijk en scherp, alsof zij zich geweld aandeed om luid te
spreken,--"ik wou je alleen maar zeggen, dat je je best moest doen
om niet te droomerig te zijn...."
"Droomerig!" riep Elsje lachend uit. "Maar dàt ben ik toch niet. Ik
maak het u toch soms druk genoeg!"
"Jawel, maar je kunt toch van die stille buien hebben, waarin je
lang naar buiten zit te kijken, zonder een woord te zeggen of iets
uit te voeren. En dan houdt je er van om Zondagsmiddags alleen lange
wandelingen te gaan maken, als je de andere meisjes niet mee kunt
krijgen en dan vindt je het prettig om uit te gaan, soms in het
verschrikkelijkste weer.... En het is nu allemaal wel heel goed om
zooveel moois te zien in de natuur--daarvoor heeft onze lieve Heer haar
ook geschapen--maar ik zou zoo graag willen, kind, dat je _in alles_
meer een gewoon meisje waart en dat je vooral niet overdreven werdt
in sommige dingen. Want....want als ik er eens niet meer ben en als
je later eens onder de menschen komt, zal die liefde voor de natuur
je niet heel veel helpen om flink door de wereld te komen en moedig
je strijd in die wereld te strijden...."
"Grootmoeder," zei Elsje en zij liep naar de oude vrouw toe
en knielde bij haar neer. "Grootmoeder, waarom zouden wij nu al
over dien vreeselijken tijd spreken, die na uw dood voor mij komen
moet? Wij zijn nu immers nog bij elkaar en ik hoop dat dit nog heel,
heel lang zal duren en later...." zij snikte even, maar vermande
zich spoedig en vervolgde vroolijk: "dan hoop ik toch mijn best
te doen om hier op het dorp of in de buurt te kunnen blijven. En o
grootmoeder,"--en zij lachte door de tranen heen, die haar in de oogen
waren gesprongen,--"dan ben ik zeker een flinke, stevige boerenmeid
en dan kibbelen ze allemaal om me, wie mij in dienst zal krijgen!"
Er kwam een weemoedig glimlachje op het gezicht der oude vrouw,
maar zij zweeg en schudde droevig het hoofd. Elsje zag met oogen
vol vragende verwondering naar haar op. Wat was er toch? Waarom was
grootmoeder van avond zoo gedrukt; wat kon er gebeurd zijn, dat haar in
die stemming had gebracht? Zij was gewoonlijk opgewekt en gelijkmatig
van humeur, niettegenstaande haar ziekelijken toestand--wat was er
toch, dat haar nu zoo bedroefd maakte?
"Is er iets, grootmoeder?" vroeg Elsje bedeesd. "Heb ik iets gedaan,
dat u verdrietig heeft gemaakt? Ik weet heusch niet...."
"Neen, neen, Elsje, je hebt je niets te verwijten, hoor! Kom, maak
het vuur maar aan kant. Zijn de luiken al gesloten buiten? Dan moesten
we maar naar bed gaan."
Met een kleur sprong Elsje op. "Ik heb al weer vergeten de luiken
dadelijk te sluiten, toen ik de lamp opgestoken had," zei ze
beschaamd. "Het spijt me erg, grootmoeder."
"Lieve meid, hoe vaak moet ik je dat nog zeggen? Doe het nu maar
gauw! Hier, sla je doek even om; het is zoo koud."
Haastig sloeg Elsje den doek om en liep naar buiten. In een wip
waren de luiken voor de ramen geduwd, om later van binnen te worden
vastgemaakt; toen keek zij nog even op naar den sterrenhemel, die
plechtig en rustig neerzag op de donkere aarde en met een ernstige
uitdrukking op haar gezicht ging ze weer in huis.
"Ik moet vóór alles oppassen dat grootmoeder niet weer in zoo'n
sombere, vreemde stemming komt," dacht ze. "De dokter heeft er mij
zoo voor gewaarschuwd."
Maar noch de dokter, noch Elsje konden de oude vrouw van den last
bevrijden, die haar drukte. En toen haar kleindochtertje reeds lang
sliep, lag zij nog wakker, steeds weer gekweld door die ééne, telkens
terugkeerende vrees, dien angstigen twijfel, die voortdurend de woorden
op haar lippen bracht: "Als het maar gaat, och, als het maar gaat!"
Hoofdstuk II.
Zondagmorgen.
Den volgenden dag was het Zondag. Toen Elsje zich zachtjes aankleedde
om haar grootmoeder niet wakker te maken, die nog vast sliep, was
het haar, alsof het vandaag nog veel stiller en rustiger om haar
heen was dan andere ochtenden. Buiten scheen de zon even vroolijk
en gul als gisteren; er was weinig wind en weer was de lucht
helderblauw. Alles juist als den vorigen dag en toch ook weer niet
zoo, meende Elsje. Zondags zagen de dingen er in hare oogen bepaald
anders uit dan op werkdagen. Zij werd dan wakker met wat zij een "echt
Zondagsgevoel" noemde en kon duidelijk zien, vond ze, dat alles om
haar heen in de natuur in een stemming was, die geheel bij den Zondag
paste. De dorpsmeisjes lachten haar uit, als zij zulke dingen zei en
Elsje kreeg een kleur en schaamde zich een beetje, maar zij bleef
toch bij haar opinie. Zondags was alles anders, niet alleen in de
huizen en niet alleen wat de kleeding der menschen aanging, maar ook
buiten. En als de meisjes haar dan op stormachtige Zondagen plagend
vroegen, of zij nu ook iets bemerkte van de "plechtige Zondagsrust"
in de natuur, beweerde zij ernstig dat het buiten toch "anders"
was dan op gewone werkdagen.
Vandaag was het buiten dan ook al heel stil en plechtig. De wandeling
naar de kerk zou zeker bizonder mooi en prettig zijn straks. Ze
legde haar donkerroode, beste jurk vast klaar op een stoel. Eerst
moest ze nog haar rok en jakje aan hebben om het vuur aan te leggen
en alles in orde te maken vóór kerktijd. Dan kon grootmoeder rustig
in haar zonnig hoekje voor het raam blijven zitten, tot zij weer
thuiskwam. Het was een erg nette jurk, die roode, vond Elsje. Mietje,
de dorpsnaaister, had haar gemaakt met een geplooid lijfje en lange
mouwen, met een smal bandje fluweel gegarneerd. Onderaan op den rok
had ze een keurige strook gezet met een band smal zwart fluweel er
boven; dat stond toch bizonder mooi, dacht Elsje, terwijl ze de jurk
op armslengte van zich afhield en met bewonderende oogen bekeek. Toen
hing zij het kostbare kleedingstuk uitgespreid over een stoel, legde
haar Zondagschen hoed van zwart stroo, gegarneerd met een vuurrood
krulveertje en een strikje van zwart lint, op de zitting, haar kerkboek
er naast en opende behoedzaam de deur der kleine slaapkamer, die aan
het woonvertrek grensde.
En terwijl ze neerhurkte voor de kachel om het vuur aan te maken,
lachte ze vroolijk bij de gedachte, hoe ze Krelis op weg naar de kerk
zou tegen komen en hoe ze zich dan boos zou houden en voorwenden,
niet met hem te willen loopen en hoe hij dan zeker een oogenblik
denken zou, dat het meenens was en haar angstig vragend aanzien. Zij
was toch altijd twee jaar ouder dan hij en hij moest het eigenlijk
een heele eer vinden om met haar te mogen loopen! Ja, dat moest hij
en dat zou ze hem toch eens een klein beetje laten voelen, dat zou
ze heusch! En ze knikte lachend tegen het vuur, dat hoog begon op te
vlammen en grappige, knetterende geluiden maakte.
Daar klonk de stem der oude vrouw uit de slaapkamer.
"Elsje, Elsje!" riep ze.
"Ja grootmoeder, wat is er?" vroeg Elsje, haastig uit haar knielende
houding opstaande en naar het bed toeloopend.
"Is het al warm binnen? Ik wou opstaan."
"Dan zou ik nog maar even wachten, grootmoeder. Ik zal de tusschendeur
open laten staan, dan wordt het hier ook een beetje warmer; de kachel
begint al flink te branden."
"Goed, dan wacht ik nog een half uurtje. Maar kind, ik..."
De oude vrouw zweeg plotseling en wendde het hoofd van Elsje af naar
den muur, alsof ze toch maar niet meer spreken wilde en zich gereed
maakte, nog wat te gaan slapen.
Elsje bleef verwonderd bij het bed staan.
"Wou u nog iets, grootmoeder?"
Er kwam niet dadelijk antwoord. Eindelijk slaakte de oude vrouw een
diepen zucht en zonder haar gezicht naar haar kleindochtertje toe te
keeren, zei ze:
"Ik .... ik wou liever dat je vandaag niet naar de kerk gingt,
kind. Ik voel me tamelijk goed, maar ik wou toch liever niet alleen
zijn van ochtend."
"Ik wil graag bij u blijven," zei Elsje terstond. "Maar zou het niet
goed zijn dat de dokter even kwam vandaag? Ik kan heel gauw heen en
terug naar het dorp loopen om het hem te vragen."
"Neen, neen, dat is heelemaal niet noodig. Maak je maar niet
ongerust. Ga jij nu maar voort met je werk, dan sta ik straks wel op."
En zij trok de lakens over zich heen en sloot de oogen, als om te
kennen te geven dat het gesprek nu uit was.
Elsje gehoorzaamde en ging stil, met een bezorgde uitdrukking op
haar gezicht, voort met haar werk. Wat was er met grootmoeder? Eerst
gisteravond die vreemde, droevige stemming en nu zoo kortaf, zoo
geheel anders dan gewoonlijk! De tranen sprongen haar in de oogen bij
de gedachte dat de oude vrouw toch misschien zieker was dan zij wilde
bekennen--och, als de dokter maar eens even kwam, dat zou haar een
heele gerustheid geven. Zij zou er straks nog eens met grootmoeder
over spreken en dan zou alles wel weer in orde komen. De dokter had
toch immers ook gezegd dat zij vooruitging--kom, ze moest nu maar
geen zorgen hebben vóór den tijd!--
Zoo, daar stond grootmoeders stoel weer in het aardige, zonnige hoekje
bij het raam. Elsje deed een kooltje vuur in de stoof en schoof die
bij den stoel. Nu gauw stof afgenomen en het ontbijt klaar gezet; ze
zou vlug voortmaken, dan was alles netjes, als grootmoeder binnen kwam.
Zij dribbelde ijverig met haar stofdoek heen en weer, het geheele
vertrek door. Voor het portret der jonge vrouw in het sierlijke,
nieuwerwetsche lijstje, bleef zij even staan. "Zoo'n heel ander
gezicht dan dat van moeder," zei Elsje, "ze kijkt zoo streng! Ik zou
haar haast niet "tante" durven noemen!" En snel wischte zij het stof
van het glas af, alsof ze haast had om weg te komen van de uitdrukking
dier koele, donkere oogen, die zoo strak naar haar schenen te kijken.
Intusschen woelde de oude vrouw onrustig in haar bed heen en
weer. "Straks bij het ontbijt zal ik het haar zeggen, dadelijk bij
het ontbijt--zoo gauw mogelijk, dat is het beste maar," mompelde ze
en dan weer: "Het moet maar terstond, dan is het er uit, dan weet ze
het. Mijn lief, lief kind, arme, kleine Elsje! O, als het maar gaat,
als het maar gaat!"
Ze bleef even stil liggen en een paar tranen rolden langzaam langs hare
oude, verrimpelde wangen. Toen kwam er een trek van vastberadenheid
om haar mond en klonk het zacht en bevend: "Het _moet_, het is de
eenige weg,--God zal ons helpen!"
Een uur later was het ontbijt afgeloopen, maar nog had de
grootmoeder den moed niet gehad, Elsje te zeggen wat het was, dat
haar drukte. Eerst toen het meisje de bordjes en kopjes afgewasschen
en weggezet had, zei de oude vrouw:
"Het is nog vroeg. Krijg je den Bijbel, kind?"
Het was het gewone verzoek, dat iederen Zondagmiddag terug kwam,
maar dat nu vroeger op den dag gedaan werd.
"Nu al lezen, grootmoeder?" vroeg Elsje verwonderd.
"Ja," knikte ze, "het is hier nu zoo rustig en we hebben al den tijd."
Elsje kreeg den Bijbel en vroeg:
"Zal ik lezen?"
"Ja kind, dat is goed. Mijn stem is zwak vandaag. Lees jij maar."
"Wat zal ik nemen?" vroeg Elsje, terwijl ze over haar grootmoeder
zitten ging en den Bijbel opensloeg.
De oude vrouw bedacht zich even, toen zei ze zacht:
"Psalm 121."
Er volgde een oogenblik van vredige stilte, door niets verbroken
dan door het ritselend geluid van het omslaan der bladen door Elsje,
die den psalm opzocht.
Toen begon ze te lezen:
"Ik hef mijne oogen op naar de bergen, vanwaar mijne hulp
komen zal.
"Mijne hulp is van den Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.
"Hij zal uwen voet niet laten wankelen; uw Bewaarder zal niet
sluimeren.
"Ziet, de Bewaarder Israëls zal niet sluimeren, noch slapen.
"De Heer is uw Bewaarder, de Heer is uwe Schaduw, aan uwe
rechterhand.
"De zon zal u des daags niet steken, noch de maan des nachts.
"De Heer zal u bewaren van alle kwaad; uwe ziel zal Hij bewaren.
"De Heer zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren, van nu aan tot
in der eeuwigheid."
Met gevouwen handen en aandachtig voorover gebogen hoofd, luisterde
de grootmoeder naar de frissche jonge meisjesstem, die duidelijk de
troostende woorden voorlas uit den grooten, ouderwetschen Bijbel,
welke reeds bij de grootouders van _deze_ oude vrouw in gebruik was
geweest. Elsje las vrij goed, langzaam en met ernst, onder den indruk
dat zij den Bijbel las, maar het was aan den toon van haar stem te
hooren dat de woorden niet diep tot haar doordrongen. Zij vond den
psalm mooi, zij voelde een zekere heilige bewondering voor de statige,
plechtige Bijbeltaal, maar zij bleef er rustig bij, haar hart kende
den strijd nog niet, die haar troost zou hebben doen zoeken en vinden
in dezen psalm.
De oude grootmoeder kende dien strijd, och, zij kende dien maar al
|