|
|
met Kerstmis thuis kom, want komen doe ik nu _zeker_! Ik verdien nu zoo
flink en Mrs. Balvourneen wil mij veertien dagen geven; heerlijk, he?
Hoe aardig dat Mrs. Rowley toch nog bij u geweest is; wel jammer dat het
bezoek maar zoo kort kon zijn en dat zij nu naar Italië is met hare
kleine neefjes. Zoo ver weg; was ze maar naar Ierland gereisd!
Ik wou dat ik Clärchen en u mijn troepje eens kon laten zien! Zulke
levendige kinderen zijn het, vol grappen en pret en toch ook, als het
zijn moet, ernstig; dat ondervind ik telkens, als ik Bijbelsche
geschiedenis met hen behandel. Dan kunnen zij zulke aardige vragen doen
en zulke onverwachte opmerkingen maken. Nesta, de eenige met wie ik wel
eens last heb, want zij is en blijft een geducht driftkopje, zei laatst,
toen wij het over Ezau hadden: "Als die óók maar eerst tot twintig
geteld had, voordat hij zoo riep dat hij van dat "roode daar" wou
hebben, dan zou het vrij wat beter met hem gegaan zijn!" Ik had haar
eens, toen zij een erg booze bui had gehad, geraden om toch altijd
dadelijk even tot twintig te tellen, als ze driftig werd. Nesta is geen
gemakkelijk kind.
Ik geloof haast dat May mijn lieveling is. Dat schepseltje is altijd
even zonnig en hartelijk en vol bewondering voor de anderen, terwijl zij
zelf toch ook wel degelijk begaafd is. Het is een genot om in de kerk
naast haar te zitten, want zij heeft een allerliefste stem en zingt heel
mooi. Ook _fluit_ zij mooi! Nu zie ik u verbaasde oogen opzetten, maar
de meisjes hebben mij verteld en ook Mrs. Balvourneen sprak er laatst
over dat mooi fluiten hier tegenwoordig even hooge kunst wordt geacht
als mooi zingen. En waarom ook niet?
Al de kinderen, ook Boy met zijn grove, diepe stem, zingen goed. Morgen
zullen zij alle vier druk in de weer zijn om varens en wilde bloemen te
plukken, want Mrs. Balvourneen is over een paar dagen jarig en de
kinderen en ik zullen dan vroeg opstaan om de ontbijtkamer een
feestelijk aanzien te geven. De kinderen krijgen dien geheelen dag
vacantie...."
Den dag voor den verjaardag was Boy, wat bijna nooit gebeurde, uit zijn
humeur. Zij waren allen samen naar een prachtigen waterval gewandeld,
waarbij een bizonder sierlijk soort varens groeide en Boy had druk en
vroolijk meegeplukt, maar op de wandeling terug werd hij pruilerig. Hij
duwde zelfs Bruce, die telkens bij hem opsprong, ongeduldig op zijde en
riep tot vervelens toe: "Boy _wil_ niet! Boy _wil_ knorrig wezen!" toen
Hedwig trachtte hem wat op te vroolijken. Bridget en zij keken elkander
eens aan; het kereltje was zeker moe, de tocht was te ver voor hem
geweest. Hedwig vond dit echter geen reden waarom hij den geheelen weg
over behoefde te loopen zeuren en toen hij niet ophield en al maar op
één dreun met een treurig doffe stem bleef drenzen dat hij zoo moe was,
zóó moe, riep Hedwig opeens: "Weet je wat?" Boy hield onmiddellijk op
met schreien en keek haar aan; zijn belangstelling was gewekt. "Weet je
wat?" herhaalde Hedwig: "Als jij zoo moe bent, ga daar dan maar een
beetje zitten op dat heuveltje en dan zal _ik_ wel voor je schreien!
Kijk maar, ik kan het heel goed."
Zij trok de neusvleugels samen en fronste de wenkbrauwen, daarbij zulke
dwaze gezichten trekkend dat uit Boy's blauwe oogen plotseling alle
droefheid verdween en hij door zijn tranen heen prettig begon te lachen.
"Ziezoo," zei May nu, "als Boy geen muziek meer maakt, dan mag ik het
nu wel eens een beetje doen, niet waar Maddy?"
Zij wachte het verlof niet af, maar spitste hare lippen en floot een
opwekkenden marsch, haar lievelingsdeuntje.
Onwillekeurig ging het loopen nu bij allen vlugger, ook Boy's korte
beenen stapten dapper mee en hij schaterde het uit van plezier, toen May
hem, even voordat zij thuis waren, in de hoogte tilde en "een moedigen,
kleinen soldaat" noemde.
Den volgenden morgen vroeg droomde Hedwig dat zij de gast was van Miss
Wells, de directrice van Hill House en zich met deze vermaken moest met
bellen blazen. Miss Wells blies haar daarbij onophoudelijk groote bellen
tegen het voorhoofd en giegelde op hoogst onaangename wijze, als zij het
vocht ongeduldig weg wreef. Eindelijk ging het giegelen over in fluiten
en nu begon Miss Wells met een zeer ongewonen, mooien klank in haar stem
het lievelingswijsje van May te fluiten.... Hedwig staarde haar verbaasd
aan, voelde toen weer een zeepbel op haar voorhoofd uiteen spatten en
... werd wakker.
Daar zag zij May en Bunny reeds geheel gekleed naast haar bed staan,
Bunny zoowaar met een bloemenspuitje vol water in de hand!
"Maar kinderen...."
"Maar Maddy, het is hoog tijd om op te staan en wij vonden dit de
lieflijkste manier om u te wekken."
"In 't vervolg doe ik mijn deur op slot," zei Hedwig lachend. "Het is
wat moois iemand zulke rare droomen te bezorgen! En, daar komt waarlijk
nog al iemand binnen."
Die "iemand" was Bruce, die met groote bedaardheid naar het ledikant
toe wandelde, zijn voorpooten op den rand zette en met den staart
kwispelend, vragend van Hedwig naar de meisjes en van de meisjes naar
Hedwig keek.
"Kom hier Bruce, beste hond," zei Bunny. "Je krijgt vandaag een extra
biscuit, omdat de vrouw jarig is. Hier!"
Zij haalde een biscuit uit haar zak en hield het hem voor.
"Pas op, je weet wel," hernam zij gebiedend. "Laat Maddy eens kijken hoe
verstandig je bent!"
Nu ging Hedwig opzitten in bed en Bunny hurkte bij den geduldigen hond
neder, liet hem zijn linkerpoot op haar schoot leggen, legde op den poot
de lekkernij en hield haar vinger in de hoogte.
"Pas op! Niet opeten voordat ik zeg dat het mag!"
Bruce zat heel stil, met zijn rechterpoot stijf op den grond geplant en
zijn staart bewegingloos. Hij boog den mooien kop voorover en er lag
droefheid in zijne houding, als wilde hij zeggen: "Och, waarom stel je
mijn geduld nu zoo lang op de proef? Wat beteekent dat nu eigenlijk?"
"Toe, geef het hem nu!" zei May.
"Opeten!" riep Bunny en met één flinken hap had Bruce de versnapering
verorberd.
"Nu mag hij mee naar beneden," zei Bunny. "Maak maar gauw voort, Maddy;
Bridget kleedt de kleintjes al aan. Wij moeten terstond met het
versieren beginnen."
"Tijd genoeg ten minste," dacht Hedwig en het bleek dat zij gelijk had,
want de ontbijttafel, de spiegel en de schoorsteen, al de etagères en
kleine tafeltjes, waarop of waarom maar varens en bloemen konden worden
gezet of klimop geslingerd, waren van groen voorzien, meer dan een uur
voordat Mrs. Balvourneen binnen kon komen. Toen zij verscheen, heden
gelijktijdig met den heer des huizes, was de vreugde dan ook heel groot.
Zij zag er veel opgewekter uit dan gewoonlijk, was hartelijk voor de
kinderen, bewonderde de versiering en sprak Hedwig vriendelijk toe over
de moeite, die zij zich had willen getroosten. Nesta en Boy mochten
naast haar zitten en Nesta's gezichtje straalde van blijdschap. Het
liefst zou zij den geheelen dag bij haar moeder gebleven zijn, maar daar
was geen denken aan. Er zou buitengewoon veel bezoek komen en 's avonds
zou er een groot diner worden gegeven, wat Mrs. Balvourneen heerlijk
vond. De kinderen mochten dan aan het dessert beneden komen en lang
blijven, beloofde zij.
"Hoera!" riep Boy, terwijl hij zijn stem zooveel mogelijk uitzette en
zijn best deed een onderkin te zetten en "hoera!" riepen Nesta en de
oudere zusjes, toen zij met Hedwig de kamer verlieten om allen "precies
te gaan doen, waarin zij lust hadden";--maar luider nog klonk het
"hoera!" 's avonds, toen eindelijk het lang verbeide oogenblik daar was
en de boodschap boven kwam, of _Mademoiselle_ nu met de vier kinderen
beneden wilde komen.
De meisjes zagen er allerliefst uit, geheel in 't wit en ieder met een
toefje heliotropen, de lievelingsbloem van Mrs. Balvourneen, in het
borduursel van hare breede kragen. Boy had ook een wit pak aan en zoo'n
grooten ruiker tusschen zijn das gestoken dat allen er om lachen
moesten. Toch wilde hij er de bloemen alle in houden. "Dat vindt moeder
prettig," beweerde hij. "En Boy ook, geloof ik," zei Hedwig en Boy
knikte maar eens even, heel genadig; hij vond het onnoodig verder over
de zaak te spreken.
Hedwig had zich ook netjes gemaakt in wit mousseline met een lichtblauw
streepje. "_You look awfully pretty_," zei Bunny met groote
openhartigheid en Hedwig lachte. Jong meisje als zij was, beviel het
komplimentje haar toch nogal. Zij vond het dwaas van zichzelf, maar zij
was bepaald wat opgewonden over dien gewichtigen tocht naar beneden. Het
zou zoo aardig wezen ook eens iemand te spreken, al was het maar voor
een oogenblikje en later alles van dezen avond naar huis te schrijven.
Bunny had gelijk, zij was werkelijk "_pretty_" nu; het was of het mooie,
blonde haar en het echt jonge in de heldere, grijze oogen meer tot hun
recht kwamen, nu zij zich eens naar haar leeftijd had gekleed.
"Gunst, Maddy heeft nog geen heliotropen aan," riep Nesta uit, een paar
bloemen uit het glas nemend. "Neen, ik draag geen bloemen," zei Hedwig,
haar afwerend, maar de meisjes drongen zoo sterk aan en maakten het
ruikertje zoo handig vast tusschen de kant van haar lijfje, dat zij het
maar rustig liet waar het was en opgewekt met de kinderen naar de groote
eetzaal toeliep, die alleen bij bizondere gelegenheden werd gebruikt.
Verlegenheid kende zij over het algemeen nauwelijks; toen zij echter met
de vier kinderen om zich heen bij den ingang van de eetzaal stond,
plotseling tegenover een veertig- of vijftigtal menschen, die een voor
een opzagen en naar haar keken, verloor zij toch een oogenblik hare
tegenwoordigheid van geest. De kinderen werden dadelijk door kennissen
geroepen en snelden heen en zij bleef alleen staan, niet recht wetend
wat zij doen zou. Terstond sprong een der jongere heeren op om haar een
stoel aan te bieden, maar Mr. Balvourneen, die dicht in de buurt zat,
legde de hand op zijn arm en zeide, duidelijk verstaanbaar voor Hedwig:
"Och, doe geen moeite, het is onze gouvernante maar!"
De jonge man ging een weinig verlegen weer zitten en Hedwig beet zich op
de lippen. Het was haar juist alsof iemand haar een slag in het gezicht
had gegeven, maar zij moest hare kalmte geen oogenblik verliezen en geen
woord zeggen, dat besefte zij zeer goed. "De gouvernante maar, de
gouvernante maar!" klonk het na in hare ooren, terwijl zij zeer rechtop
en schijnbaar heel bedaard, de rijen gasten langs liep naar Boy toe. Hij
zou haar hulp noodig kunnen hebben, dacht ze, en zij moest toch iets
doen en _ergens_ zitten, al was ze maar de gouvernante! Een opwelling
gehoor gevend, bracht zij haar hand aan de heliotropen in de kant van
haar japon. Ze wou die niet meer dragen, zij was immers toch volstrekt
geen lid van het gezin ... maar ze liet de hand weer zakken; zij had de
bloemen immers alleen aangestoken, omdat de kinderen het graag wilden.
Kom, ze moest zich flink houden en zich niet zoo gauw in haar eer getast
rekenen, maar ze zou hierover niet naar huis schrijven, dat wist zij
heel zeker!
Het was of de woorden van Mr. Balvourneen over gansch de met bloemen en
kristal getooide tafel door al de rijk-gekleede heeren en dames waren
verstaan, zoo duidelijk toonde ieder thans te weten, dat het moedige,
jonge meisje, dat met zoo'n rustige houding de lange eetzaal doorliep,
de gouvernante der kinderen was. Slechts enkelen keerden even het hoofd
om om naar haar te kijken, de meesten bleven doorpraten en letten ter
nauwernood op haar; bij uitzondering knikte nu en dan een dame haar
flauwtjes toe, doch niemand sprak haar aan of verzocht haar ergens een
plaatsje uit te zoeken. Zij was blij dat Boy, toen hij haar zag
aankomen, luid riep: "Maddy, Maddy, kom hier bij mij, niet bij Nesta!"
Ze kon nu ten minste zijn stoel met hem deelen en stil blijven waar ze
was.
Boy liet haar van alles kijken en proeven en strooide suikertjes voor
haar neer, alsof het zoo maar niets was. De twee jonge dames, tusschen
wie hij zat, hadden er plezier in; zij zagen er vriendelijk uit en juist
wilde Hedwig iets zeggen, toen een langgerekt: "Sst! Stil nu!" zich
langs de tafel hooren liet en eindelijk allen zwegen.
Hedwig zag nu dat May, die zij uit het oog verloren had en die zich heel
aan het andere einde der zaal bevond, op was gestaan. "Kom naast mij,
kind," zei haar moeder, wie het aan te zien was dat zij trotsch was op
het viertal, dat hedenavond zoo'n bizonder goeden indruk maakte,
trotscher zeker ook wel dan op de schitterende juweelen, die aan haar
hals prijkten. "Kom naast mij, dan kan iedereen je goed hooren."
"Wat gaat er gebeuren, wat zal May doen?" werd er in Hedwig's buurt
gevraagd. "Zingen misschien?"
"Dat zou aardig zijn, ze heeft een heel mooie stem, maar misschien durft
ze niet recht; het is nogal geen kleinigheid voor zoo'n uitgelezen
publiek te zingen," was het lachend antwoord.
"Zwijgen, als 't je blieft," klonk het nog eens.
Weer was er een algemeene stilte, die verbroken werd door de stem van
Mr. Balvourneen. "Allereerst wou ik even zeggen," zei hij, "dat
verscheidene gasten hier in mijn buurt den wensch te kennen hebben
gegeven naar een lied, ter afwisseling van het aangename discours hier
aan tafel. Mijn oudste dochtertje wil gaarne aan dien wensch te gemoet
komen, maar ... zou ik de onbescheiden vraag mogen doen of er wellicht
onder onze jonge dames zijn, die ook zingen kunnen en zich geroepen
voelen zich te laten hooren?"
"Ja, o ja!" "Die en die en die!" "Ik wil ook wel!" werd er geroepen en
Mr. Balvourneen glimlachte. "Heel goed," hernam hij, "als er zooveel
krachten zijn, moest er dan, dunkt me, eens een wedstrijd in het zingen
worden gehouden tusschen May en die jonge dames, die lust hebben aan den
wedstrijd deel te nemen."
"Ja, ja, ja! Prachtig!" riep men weer.
"Dan stel ik voor dat zij, die ons door haar zang en door de keuze van
haar lied het diepst weet te treffen, dit tot belooning zal krijgen.
Godsdienstige liederen zou ik thans buiten willen sluiten...." En hij
nam een fraaie, kristallen bloemvaas op, die met roode anjelieren gevuld
was.
"_Splendid!_" "_Lovely!_" "_How very nice!_" klonk het opgewonden en men
klapte in de handen en lachte en had plezier en Hedwig vergat hare
grieven en lachte van harte mee.
Het bleek dat er, behalve May, nog zes jonge meisjes waren, die aan den
wedstrijd wenschten deel te nemen en allen moesten zich nu naar het eind
der zaal begeven en bij de palmen gaan staan tegenover de eettafel;
ieder zou zich dan van de rij af op haar beurt laten hooren. May vond
het een eer zich met zooveel oudere meisjes te mogen meten en toen zij
van uit de verte Hedwig ontdekte, wuifde zij haar eenige malen hartelijk
toe. Hedwig wuifde terug, doch keek verrast om, toen zij de hand van
Bunny op haar schouder voelde.
"Maddy," zei ze opgewonden, "als May het nu toch eens won, wat zou dat
vreeselijk aardig zijn! Als zij zich maar goed kan houden en niet lachen
moet; _ik_ zou zoo verschrikkelijk moeten lachen! Ik kan mij nu al niet
inhouden; ik kruip maar achter u weg, anders ziet May mij nog en dan
breng ik haar misschien in de war! Zij zal wel 't allerlaatst moeten
zingen; wat een toer om eerst naar al die anderen te moeten luisteren!"
May scheen het echter volstrekt geen "toer" te vinden; zij vond zingen
en ook luisteren naar zang, altijd een genot en zij stond rustig naast
de zes jonge dames haar beurt af te wachten met een uitdrukking van
innig welbehagen in hare blauwe oogen.
Alle gasten keken thans in één richting naar de plek, waar de meisjes
stonden en nagenoeg alle gezichten glimlachten, zoodat het voor de
zangeressen zelf niet gemakkelijk was ernstig te blijven, wat toch
noodzakelijk was bij het bedenken van een lied, dat de harten in
ontroering moest brengen. Men zette zich tot luisteren, toen, op een
teeken van Mr. Balvourneen, nummer één begon te zingen, maar nauwelijks
had zij een paar noten doen hooren, of zij sloeg de handen voor het
gezicht en barstte in lachen uit. Al die vroolijke, nieuwsgierige oogen
voor haar werkten al te zeer op hare lachspieren en met een zucht moest
zij eindelijk tot de bekentenis komen dat zij werkelijk van avond niet
goed zingen kon. De lachmanie werkte, zooals het doorgaans gaat,
aanstekelijk en nummer twee en drie brachten het er niet veel beter af.
De anderen hadden meer weerstandsvermogen en zongen haar lied eenvoudig
en zeer zuiver; Hedwig genoot terwijl zij luisterde en ook de gasten
waren blijkbaar getroffen, maar van diepe ontroering was weinig te
bespeuren.
"Nu is het May's beurt! O, ik stop mijn zakdoek in den mond,"
fluisterde Bunny, nog steeds achter Hedwig verscholen. "Ik geef geen
kik!"
May toonde echter geen de minste zenuwachtigheid. Met een tevreden trek
op haar lief gezicht, stond zij, geheel een kind nog, thans alleen voor
de palmen en begon, met het donkere hoofdje een weinig naar voren
gebogen, zacht te zingen.
Een, volgens Bunny "allerakeligste" jonge man had de lafheid zijn
buurvrouw een flauwe aardigheid in te fluisteren, die haar hoorbaar
giegelen deed, maar ook dit geluid verflauwde, langzamerhand gleed de
lach van de gezichten weg en luisterden allen met ontroering naar de
schoone melodie van het lied, dat wel door weinig Ieren gevoelloos kan
worden aangehoord, het lied van Thomas Moore, ook aan Hedwig nu reeds
zoo vertrouwd: "_Let Erin remember the days of old._"
Toen May zweeg, bleef het eerst heel stil. Eindelijk trok haar vader
haar naar zich toe en nooit nog had Hedwig hem zoo aantrekkelijk
gevonden als op het oogenblik dat hij met een paar woorden, alleen voor
zijn kind verstaanbaar, haar de kostbare vaas in handen gaf.
Het was goed van hem gezien dat hij haar en de drie andere kinderen
dadelijk daarop naar boven terug zond, en tot Hedwig's groote vreugde
gingen allen gewillig mee. Het was trouwens ook al heel laat geworden en
het afscheid nemen van de gasten, die over 't algemeen zeer warm waren
in hunne betooningen van hartelijkheid, moest haastig gaan. Op Hedwig
zelf werd even weinig acht geslagen als in het begin en toen zij later
in de stilte van haar kamer met den kop van den trouwen Bruce tegen haar
knie, nadacht over de ondervindingen van dien dag, moest het haar even
van de lippen: "Al was er nu maar een, één geweest, die mij een hand
gegeven had en eens gevraagd had, hoe het mij beviel hier in dit vreemde
land, zóó ver van huis!"
Bruce hief zijn kop op en keek haar met vragende oogen aan. Zij had
hardop gesproken, dat moest toch wel tot hem geweest zijn, meende hij.
"Ja Bruce," zei ze, zijn kop tusschen hare handen nemend, "ik ben en
blijf een echt dom, sentimenteel Duitsch juffertje, maar het zàl anders
worden, dat beloof ik je. Het moet er _uit_, die overgevoeligheid!"
Zij keek hem half lachend, half weemoedig aan en Bruce blafte een paar
malen bescheiden om zijn sympathie te toonen. Wat kon hij beter doen?
Den volgenden dag, toen de kinderen aan het spelen waren en Hedwig een
oogenblik alleen op de leerkamer was, kwam Mrs. Balvourneen bij haar. De
prettige, geanimeerde uitdrukking van gisteren was van haar gelaat
verdwenen en had plaats gemaakt voor den hooghartigen trek, dien Hedwig
maar al te goed kende.
"Het was niet heel amusant voor u gisteravond, geloof ik," zei ze met de
zeurderige stem, die er op aangelegd scheen iemand prikkelbaar te maken.
Onwillekeurig antwoordde Hedwig dan ook driftiger dan zij eigenlijk
wilde:
"Amusant? O neen, en ... en ... ik hoop dat u mij veroorloven zult in
het vervolg boven te blijven bij dergelijke gelegenheden."
"Natuurlijk," en Mrs. Balvourneen glimlachte spottend; blijkbaar vond
zij het ongerijmd dat Hedwig zich zoo opwond. Zij wachtte even, toen zei
ze:
"U zult er toch zeker wel niet op tegen hebben aanstaanden Zaterdag met
May en Nesta en mij naar Kenmare te rijden? Ik moet daar een bezoek
afleggen en wil de twee meisjes gaarne mee nemen; de vorige maal zijn
Kathleen en Gerald mee geweest." (Als Mrs. Balvourneen in een bizonder
deftige stemming was, sprak ze nooit over Bunny en Boy, maar steeds over
Kathleen en Gerald.)
"Nu ik weet," vervolgde ze, "dat u er niet van houdt menschen te
zien,"--Hedwig trok de wenkbrauwen op; dat had zij niet gezegd!--"sta ik
u natuurlijk gaarne toe in het rijtuig te blijven, terwijl wij ons
bezoek maken. Ik ben er echter op gesteld dat u mee gaat."
Hedwig haastte zich te zeggen dat zij hiertoe natuurlijk ten volle
bereid was, maar den Zaterdagmiddag daarop was zij zeer geneigd hare
woorden weer in te trekken. Want Nesta was toen zoo onhandelbaar dat er
letterlijk niets met haar was te beginnen en Bridget, die haar netjes
kleeden moest en door het ondeugende kind de eene jurk na de andere uit
de handen werd gerukt, geen raad meer wist en met een hoogroode kleur
bij Hedwig kwam om hulp. Met vereende krachten kregen zij haar eindelijk
klaar, nog maar net bijtijds, want Mrs. Balvourneen zat reeds met May
naast zich in 't rijtuig en begon ongeduldig te worden.
"_Ik_ wil naast moeder zitten!" riep Nesta, toen zij goed en wel naast
Hedwig in het rijtuig zat en dit op het punt was om weg te rijden.
"Neen, neen, dat kan nu niet meer, mijn schat, het blijft nu zooals het
is. Op den terugweg mag mijn kleine Nesta naast mij zitten," zei Mrs.
Balvourneen.
"Neen, nù, ik wil nù naast u zitten, niet naast Maddy!" riep Nesta heel
boos. "Ik blijf hier niet zitten, dat wil ik niet!"
Zij stond op en trachtte May van haar plaats te duwen, maar haar moeder
strekte de hand uit en drukte haar terug.
Buiten zichzelf van drift greep het kind nu den kostbaren kanten mantel
van haar moeder beet, trok er woest een groote scheur in en riep nog
eens: "Ik wil naast moeder zitten!"
"O Nesta!" Één oogenblik keek Mrs. Balvourneen zeer ernstig, doch toen
Nesta de oogen neersloeg, werd zij al heel gauw verteederd en, haar bij
de hand nemend, vroeg zij wel wat overbodig:
"Wou je dan werkelijk zoo erg graag naast mij zitten?"
"Ja, ja!" snikte Nesta.
Hedwig waagde het op te merken dat het beslist beter zou wezen haar
thuis te laten.
Mrs. Balvourneen verwaardigde haar echter met geen ander antwoord dan
met een blik, die duidelijk zeide:
"Ik geloof dat _ik_ hier meesteres ben, niet waar?"
Met de grootste kalmte liet zij een anderen mantel komen. Toen moesten
de plaatsen worden omgeruild en kreeg Nesta haar zin!
May schoof dicht naar Hedwig toe als om te toonen dat zij het heel
prettig vond naast haar te mogen zitten en Hedwig glimlachte, maar
bedacht bij zichzelf dat het werkelijk zeer noodig zou wezen, Nesta voor
haar ondeugendheid te straffen. Het was jammer dat juist dit driftige,
moeielijke kind zoo onverstandig werd opgevoed en veel meer verwend werd
dan de andere.
De rit was verrukkelijk mooi, toch kreeg Hedwig te midden van de bijna
tropische planten- en bloemenweelde, telkens een verlangen naar vorst en
sneeuw en rijp en spiegelglad ijs en naar een frisschen, krachtigen
wind, die langs bladerlooze boomen streek. Want, hoewel het nu October
was, bloeiden de rozen haast even overvloedig als in den zomer, terwijl
in de tuinen der villa's camelias en magnolias dikke knoppen vertoonden
en breede randen donkere en lichte violen mooi tegen het zachtgroene
gras afstaken.
Nesta hield zich nu heel rustig. Tegen haar moeder aangeleund, keek zij
met hare donkere oogen oplettend naar alle kanten om zich heen, doch
vermeed zorgvuldig Hedwig aan te zien, wat Hedwig met vermaak opmerkte.
Zij had beloofd dien avond allerlei te zullen vertellen van de
Kerstviering in Duitschland; zij zou er plaatjes bij laten zien en op
verzoek der kinderen precies beschrijven hoe het er op een Duitsche
_Weihnachtsmarkt_ uitzag. Ze wilde Nesta nu echter verbieden hierbij
tegenwoordig te zijn, tenzij zij oprecht berouw toonde over haar
ondeugendheid van straks. Het kind _moest_ leeren haar drift te
bedwingen en ... niet altijd haar zin door te willen zetten. Terwijl zij
daar nu zoo heel stil en tevreden zat met het mooie, blonde haar
beschenen door de zon en de bevallige kleine gestalte geheel in rust,
leek zij zoo zachtzinnig en lief mogelijk en Hedwig zuchtte eens even,
toen zij naar haar keek. Nesta kon bizonder aantrekkelijk zijn--als zij
wilde! Maar wat moest er van haar groeien, als zij zoo toegegeven werd?
_Zij_ zou althans niet toegevend voor haar wezen, besloot ze.
Verkwikt door den rit en door het prettige bezoek aan het groote
landhuis, waar May en zij op een aardig torenkamertje hadden mogen
spelen, terwijl haar moeder deftig beneden haar visite maakte en Hedwig
in het rijtuig bleef zitten, was Nesta 's avonds weer in het beste
humeur en gemakkelijk viel het Hedwig niet haar te straffen. Heel
verwonderd en verschrikt keek het kleine meisje tot haar op, toen zij
haar apart nam en ernstig onder het oog bracht, dat zij niet bij het
vertellen wezen mocht, als zij niet eerst heel oprecht had gezegd dat
zij spijt had over haar driftbui van dien middag. Plotseling rukte zij
zich los, zei boos: "Dat doe ik toch niet!" en liep heel bleek de kamer
uit. Bunny vroeg met zeer levendige belangstelling wat er toch aan de
hand was, maar May, die wel begreep wat Hedwig gezegd moest hebben, zei
zacht: "Vraag er maar niet naar, Maddy vindt het zoo jammer en ...
misschien komt Nesta wel gauw terug."
Het laatste kwam er aarzelend uit, May twijfelde zelf aan de waarheid
van haar woorden en te recht, want Nesta liet zich niet weer zien,
voordat het tijd was om te zingen en Hedwig een paar akkoorden
aangeslagen had op de piano. Toen kwam zij met een strak gezicht binnen,
ging naast Boy staan en zong mee, maar van harte ging het niet en haar
"goeden nacht" klonk later zeer koel, heel anders dan gewoonlijk.
Een paar malen sloop Hedwig dien avond naar Nesta's kamertje om aan de
deur te luisteren of zij haar misschien ook riep, doch alles bleef stil;
Nesta was blijkbaar heel gewoon gaan slapen.
Er gingen twee, drie, vier dagen op deze wijze voorbij en Hedwig begon
te vreezen dat de straf den volgenden Zaterdag zou moeten worden
herhaald. Doch Donderdagsavonds, toen zij op haar kamer zat te schrijven
met Bruce, die haar trouwe vriend was geworden, tot gezelschap, stond
opeens een kleine gedaante in 't wit naast haar. "Het spijt me zoo
vreeselijk," klonk een zachte stem, twee donkere oogen werden smeekend
tot haar opgeheven en er kwam een wonderlijk gevoel van geluk in
Hedwig's hart, een onuitsprekelijke blijdschap omdat het kind werkelijk
zichzelf overwonnen had en naar haar toe gekomen was.
Zij zeide niet veel, een paar hartelijke woorden maar en Nesta slaakte
een zucht van innige verlichting en liet een kort, zenuwachtig lachje
hooren, toen ze den staart van Bruce tegen haar bloote beenen voelde
tikken. "Ja zeker, Bruce hoort er ook bij," zei Hedwig en ze hurkte bij
den hond neer en stond Nesta toe hem een biscuit te geven, iets dat
Bruce op dit ongewone uur een heel eigenaardig en verblijdend
verschijnsel vond.
Ook aan haar moeder zei Nesta uit eigen beweging dat het haar erg speet
dat zij den mooien mantel bedorven had, "omdat ik zoo driftig was,"
voegde zij er fluisterend bij, maar Mrs. Balvourneen lachte en gaf haar
_bonbons_. "Daar denken wij maar niet meer aan," zei ze, "ik heb mantels
genoeg, kind. Kijk maar gauw weer vroolijk!" En haar dochtertje voelde
wel dat zij er niet zoo tegenop had behoeven te zien om naar haar moeder
toe te gaan en--het ook wel had kunnen laten!
Toen het eind October was, begonnen de kinderen reeds te spreken over de
kerstvacantie en het heerlijke kerstfeest, waarvan zij zich zeer veel
voorstelden. "Alleen maar jammer dat Maddy dan weg is," zei Bunny, maar
May zeide: "Wèl jammer, maar heerlijk voor Maddy om thuis te zijn en wat
zal zij ons, als ze weer terug komt, veel nieuwe dingen te vertellen
hebben!" "Dat denk ik ook," zei Hedwig vroolijk en Boy verklaarde met
zijn mannenstem "best heelemaal mee te willen naar Duitschland," waarop
Nesta beslist beweerde: "Dan ik ook mee!" En dan moest Hedwig telkens
weer verhalen doen over het ijs en het verrukkelijke schaatsenrijden,
de vlug neervallende sneeuwvlokken en de bloemen op de ramen van een
echten winter, zooals geen dezer Zuid-Iersche kinderen er ooit een had
bijgewoond. Bridget luisterde dan al even aandachtig toe als het jongere
publiek en scheen soms wel wat te twijfelen aan de waarheid van Hedwig's
voorstellingen. Dat men poppen zou kunnen maken van sneeuw, kon zij
nauwelijks gelooven!
Hoe weinig dacht Hedwig in die gezellige uren, terwijl zij en de
kinderen elkaar hoe langer hoe beter begonnen te begrijpen en zich hoe
langer hoe meer aan elkaar hechtten, dat het met hare kerstvacantie zoo
geheel anders af zou loopen dan zij zich toen voorstelde!
Dat kwam zoo. Nesta hield zich, na de hevige driftbui in het rijtuig,
een poosje bizonder goed, wat voor Bridget en Hedwig een ware verademing
was en Hedwig hoopvol den tijd te gemoet deed zien, waarin het kind meer
zou gaan gelijken op May en Bunny en met dezelfde gulle goedhartigheid
als hare zusjes, haar eigen gewichtig persoontje meer op den achtergrond
zou weten te dringen. Het zou zoo heerlijk wezen, dacht Hedwig haast
moederlijk, als--ook door haar toedoen--de kleine Nesta opgroeide tot
een echt gelukkig menschenkind. "Ik houd veel van mijn werk, zóóveel,"
schreef zij naar huis, "en ik stel er mij ook veel van voor er u van te
vertellen. Meer dan ooit ben ik blij dat ik hier gekomen ben en ik hoop
vurig dat ik hier jaren en jaren zal mogen blijven! Nu, daar is, dunkt
me, wel kans op. De kinderen zijn nog jong en alles gaat zóó prettig
tegenwoordig!"
"Jaren en jaren blijven!" Reeds twee dagen nadat zij dit geschreven
had, wist Hedwig dat het niet zoo zijn zou.
Zij was op zekeren ochtend, verlokt door het mooie weer, vroeg opgestaan
en had met Bruce een wandeling gemaakt naar het mooi gelegene kerkje van
Glengariff. Terwijl zij naar haar kamer terug liep om hare schoenen uit
te trekken, bleef zij eensklaps midden op de trap verschrikt staan, want
een hevig gegil drong vanuit een der badkamers tot haar door. Wat kon er
nù aan de hand zijn? Zonder zich te bedenken snelde zij naar de badkamer
toe en daar vond zij Nesta, die door Bridget gebaad werd, gillen en
schreeuwen dat het een aard had. "Akelige, nare Biddy!" riep ze, haar de
spons uit de hand rukkend en de zeep, zoover zij maar kon, door de kamer
keilend. "Ik zal het aan moeder zeggen ... aan moeder zeggen...."
Zij hield zich even stil, toen zij Hedwig gewaar werd, doch toen de
geduldige Bridget zeep en spons bij elkaar gezocht had en haar weer
begon te wasschen, gilde zij het opnieuw uit en gaf haar in haar woede
een harden slag in het gezicht.
Onder den invloed van de tintelende pijn, liet Bridget hare handen
zakken en ging achteruit, maar Hedwig trad terstond op Nesta toe, greep
haar beide handen vast en vroeg streng:
"Met welke hand heb je Bridget geslagen, Nesta?"
Nesta werd donkerrood. Hedwig zag aan de uitdrukking van hare oogen dat
zij zich begon te schamen, maar dit niet weten wilde en koppig kwam het
antwoord eruit:
"Met de rechter."
"O." In de vaste overtuiging dat zij goed handelde, nam Hedwig de
bewuste hand beet en gaf er een flinken tik op, wat natuurlijk
tengevolge had dat Nesta nogmaals een keel opzette. "Dat zal wel gauw
bedaren," dacht Hedwig, "het kan niet anders dan heilzaam voor haar
zijn," maar zij had er niet op gerekend dat nog iemand anders dan
Bridget haar met Nesta bezig had gezien. Daar stond echter Mrs.
Balvourneen, die ongemerkt was binnengekomen, juist op het gewichtige
oogenblik dat Nesta den bestraffenden tik op haar arm kreeg!
"Mag ik weten wat dit beteekent?" vroeg zij op hoogen toon en zonder het
antwoord af te wachten, ging zij naar Nesta toe en sloeg den arm om haar
heen met de woorden:
"_My poor little darling!_"
De "arme, kleine lieveling" ging nu zoo erbarmelijk snikken dat het
haast niet aan te hooren was.
"Kleed Miss Nesta dadelijk aan Bridget, terwijl ik er bij ben," zei Mrs.
Balvourneen en tot haar dochtertje: "Ach mijn kindje, schrei toch niet
meer zoo, dat vindt moeder zoo naar. Wil zij vandaag eens een prettig
vacantiedagje hebben en den heelen ochtend bij haar moedertje wezen?"
"Ja, ja," snikte Nesta.
"Als u zoo goed wilt zijn even naar de leerkamer te gaan,
_mademoiselle_, dan kom ik straks bij u," vervolgde Mrs. Balvourneen en
Hedwig verdween; zij kon wel niet anders dan gehoorzamen.
In spanning wachtte zij het onderhoud af; zeker zou Mrs. Balvourneen
haar een scherpe berisping geven over de wijze waarop zij Nesta gestraft
had, maar ... zij zou zich weten te verdedigen; zij geloofde stellig dat
zij goed gehandeld had....
Doch veel erger dan een berisping was haar deel. Het onderhoud was
kort, want toen Mrs. Balvourneen de leerkamer in kwam, beweerde zij van
alles reeds precies op de hoogte te wezen. "Ik erken," zei ze "dat Nesta
soms wat lastig is, maar dat geeft niemand, u allerminst, het recht,
haar zóó wreed te straffen! Ik heb reeds meer dan eens opgemerkt dat u
zeer, zeer weinig takt met haar hebt. Ook de wijze, waarop u met de
andere kinderen omgaat, draagt mijne goedkeuring slechts ten deele weg
en in ieder geval is het gebeurde van zooeven gewichtig genoeg, om mij
te doen besluiten eene andere gouvernante te zoeken. Het zal mij dus
aangenaam wezen u tegen de kerstvacantie te zien vertrekken."
Dàt had Hedwig niet verwacht, dàt niet, zoo iets ergs....
Doodsbleek stond ze voor Mrs. Balvourneen.
"U kunt toch niet meenen ... moet ik dan voor goed vertrekken?"
"Ja zeker en ik wil nu liever verder niet over de zaak spreken, terwijl
u mij zeer beslist zult moeten beloven tegenover de kinderen geen woord
over uw vertrek te reppen. Mijn besluit is onherroepelijk; ik reken er
beslist op dat u tegen Kerstmis heengaat. Kan ik er vast op aan dat u
tegenover de kinderen zult zwijgen?"
"O ja," zei Hedwig dof.
Als in een droom deed zij dien dag haar werk en zoo stil en ernstig was
ze dat de kinderen ervan onder den indruk kwamen en toch maar niets
vroegen, vermoedend dat de driftbui van Nesta haar bedroefd gemaakt had.
Maar toen haar vroolijkheid haar ook de volgende dagen telkens in den
steek liet, vroegen May en Bunny een paar malen bezorgd of haar iets
scheelde.
Toen moest het hooge woord er uit. Ja, haar scheelde wèl iets, bekende
Hedwig openhartig, maar zij kon niet zeggen wat en zij moesten er haar
niet meer naar vragen. De meisjes gehoorzaamden en trachtten door
allerlei kleine oplettendheden, vooral door het zetten van vele geurige
ruikertjes op haar kamer, haar leed te verdrijven en zij was er dankbaar
voor, maar voelde er de smart te dieper om.
Toch begaven het krachtige geloof in Gods hulp en hare oude energie haar
niet. Zij schreef moedig het voornaamste naar huis en meldde ook dat zij
nu dit jaar haar plan om naar Duitschland te gaan, moest opgeven en
besloten was het opgespaarde geld te gebruiken om naar Londen te reizen,
daar tijdelijk haar intrek te nemen in een Governesses' home, (tehuis
voor gouvernantes) haar door Mrs. Balvourneen aanbevolen en dan naar een
nieuwe betrekking uit te zien. Mrs. Balvourneen was bereid haar een goed
getuigschrift mee te geven.
Intusschen wisten de kinderen van niets en bleven zij zich onstuimig
verheugen op de naderende Kerstvacantie. Eindelijk begon Hedwig de weken
en toen de dagen te tellen, die nog voor haar vertrek moesten verloopen.
Alleen Bridget had zij, onder diepe geheimhouding, mogen vertellen dat
zij ging vertrekken en Bridget had de handen gewrongen en was gaan
schreien, al maar uitroepend hoe vreeselijk, hoe verschrikkelijk dat
voor de kinderen zijn zou!
Den dag voor Hedwigs' vertrek, kregen de kinderen vrijaf. "Nu al? Begint
de vacantie nu al?" riepen zij verheugd. "Hoe prettig!" Maar toen Hedwig
bezig was op haar kamer haar koffer te pakken, kwamen opeens Boy en
Bruce bij haar binnen. Hedwig meende dat het geen kwaad kon, vooral
omdat zij wist dat de meisjes met hun vader uit waren, maar Boy vroeg
parmantig, terwijl hij in den grooten koffer keek: "Waarom moet dat
_allemaal_ mee naar Duitschland? Waarom mag het portretje van Tieka niet
zoolang hier blijven?"
Zijn moeder hoorde hem praten en riep hem bij zich en Hedwig hoorde hoe
hij dringend vroeg: "Maddy komt toch weer, moeder? Maddy komt toch
_natuurlijk_ weer?"
Het antwoord kon Hedwig niet verstaan, maar duidelijk hoorde zij Boy nog
vragen: "Als het nieuwe jaar er is, dan is Maddy toch weer bij ons?"
Toen was alles stil en met een oproerig hart verder pakkend, vroeg
Hedwig zich af, wat Boy's moeder toch wel geantwoord zou hebben!
's Avonds was hij nog laat wakker en riep hij om "Maddy." Bridget haalde
|