free book ebook online reading
eBook Title
Een Heldin
Author Language Character Set
A.C. Kuiper Dutch ISO-8859-1


You are here --- [ Home / Author Index K / A.C. Kuiper / Een Heldin / Page #7 ]

onderwijzeressen en de kinderen naar Hill House terug zouden gaan,
terwijl Miss Rench en Miss Ellis, de huishoudster, bij de directrice
zouden blijven en later met haar thuis komen.

Intusschen was de stortregen in een druilerigen motregen overgegaan.
Hedwig huiverde onwillekeurig en vond, toen zij Hill House naderden, dat
het er somberder uitzag dan ooit, maar de kinderen waren levendig en vol
nieuwsgierigheid wat Miss Wells toch schelen mocht. Misschien was zij
wel ziek en misschien kreeg de school nu wel een heele week vacantie en
misschien mochten zij dan wel eens een langen dag met "Flinkie" uit,
hoopten sommigen, doch deze hoop bleek gansch ijdel te wezen.

Wel voelde Miss Wells zich, toen zij thuis kwam, "werkelijk ongesteld",
zooals ze klagend tot Miss Rench zeide en wel bleef zij daarom een dag
of vier te bed en liet zich door Miss Ellis ter dege bedienen, maar van
vacantie voor de leerlingen of een extra-uitgangetje kwam niets in; de
kinderen moesten in tegendeel bizonder hard werken. Want de directrice
had het bestuur overgedragen aan Miss Rench, die, haar macht genietend,
met ijzeren hand het bewind voerde en zooveel ze maar kon, straffen
uitdeelde. Bovendien was het voedsel nog slechter en onsmakelijker dan
anders en kreeg men nòg minder te eten. Hedwig vond het schandelijk en
had Zaterdags bij Mrs. Rowley groote moeite de belofte om over Hill
House te zwijgen, niet te verbreken. Zij had er 's ochtends met Miss May
over gesproken dat het zóó niet langer ging, dat er verandering komen
_moest_ en Miss May had met een heftigheid, die zij anders zelden
toonde, ook gezegd dat het niet meer uit te houden was; de kinderen
schreiden haast van honger!

Hedwig dacht aan dit gesprek, toen zij van haar les naar Hill House
terug liep. Mrs. Rowley had haar weer zeer vriendelijk ontvangen. Er
stond, bij haar komst, een kop krachtige, warme bouillon voor haar
klaar, "omdat het zulk erg nat weer was," en later hadden zij thee
gedronken en prettig gebabbeld en gelezen. Toch voelde Hedwig zich niet
opgewekt gestemd, toen het uur om was.

Want sterk leed zij heden weer onder het bewustzijn van haar onmacht om
verbetering te brengen in de toestanden op de school. Had deze maar
onder toezicht gestaan van een commissie, dan zou zij die haar nood
hebben kunnen klagen, maar Miss Wells had alles te zeggen, was
oppermachtig en--wat nog erger was, had het thans Miss Rench gemaakt!

Er moest en zou verandering komen, herhaalde Hedwig vurig bij
zichzelf--het mocht zoo niet langer blijven; ze kon ook niet langer
zwijgen tegenover Mrs. Rowley en het was haar plicht tegen Miss Wells te
zeggen dat zij dat niet langer kon....

Driftig liet zij den klopper vallen op de voordeur, die tot haar
verwondering, bijna terstond daarop door Taffy geopend werd. Zij zag er
doodsbleek en ontdaan uit. Hedwig ontstelde van de uitdrukking van haar
gezicht. "Wat is er? Wat scheelt eraan?" vroeg zij snel.

"Ik heb hier op u gewacht; er is iets vreeselijks gebeurd met Miss May,"
zei Taffy, in tranen uitbarstend. "En Miss Wells is opgestaan, dadelijk
opgestaan, die is heelemaal weer beter."

Het verband tusschen de eerste en de laatste mededeeling was zeker niet
heel duidelijk, maar Hedwig was te zeer in spanning om daarop te letten.

"Maar wat is er dan gebeurd?" vroeg zij dringend, terwijl zij Taffy door
de lange gang volgde.

"Miss May wou wat brood voor ons krijgen uit de provisiekast; wij hadden
allemaal zoo'n honger," snikte Taffy, "en toen ... toen...."

Ach, die arme Miss May! Ja, nu kon Hedwig wel gissen wat er voorgevallen
moest zijn. Miss May had zeker, begaan met het lot der half verhongerde
kinderen, geheel op eigen gezag, brood voor hen willen gaan halen, wat
natuurlijk beslist tegen "de wetten van het huis" was. Ongetwijfeld was
Miss Rench er terstond achter gekomen en werd Miss May nu streng onder
handen genomen.

Toen Hedwig de groote schoolkamer inging, zag zij een tooneel voor zich,
dat haar haar leven lang in herinnering zou blijven.

Bij het raam, een eind van de kinderen af, stond doodstil, met de
handen gevouwen neerhangend, Miss May. Zij luisterde geduldig naar den
vloed van woorden, over haar uitgestort door Miss Rench, die zich op een
kleine, houten verhevenheid bevond, vlak voor de banken, waarin de
kinderen zaten. Miss Wells, blijkbaar hersteld van haar ziekte, stond
naast haar en knikte telkens met het hoofd als bewijs van goedkeuring
over de woorden, door haar "spion" uitgesproken.

Hedwig, die eerst bij de deur was blijven staan, liep nu met een fiere
houding, "echt Flinkie-achtig" vonden de kinderen, naar Miss May toe en
week niet van hare zijde, een handelwijze, waarvoor Miss Rench niets
over had dan een minachtend schouderophalen. Met een zeer luide stem,
opdat de doove directrice toch geen enkel kostbaar woord zou missen en
met haar vinger steeds uitgestrekt naar Miss May, vervolgde zij, zich
tot de kinderen wendend, die erg bedrukt keken:

"En nu _zegt_ zij wel dat zij het brood heeft willen stelen--_stelen_,
herhaal ik, want wat was het anders?--om er u allen wat van te kunnen
geven, maar zoo iets kan men gemakkelijk zeggen, als men op heeterdaad
betrapt wordt, niet waar? Want waarom zou iemand ook niet even goed
liegen als stelen? Liegen is immers nog wel zoo gemakkelijk; dat is hier
al weer gebleken. Het is om te lachen! Ja, lacht haar maar uit, zooals
zij daar staat met haar schijnheilig gezicht.... Maar als Miss May, die
altijd beweerd heeft uwe _vriendin_ te willen zijn, weer wil stelen, zal
zij handiger te werk moeten gaan. Hier op Hill House zal haar daartoe de
gelegenheid niet meer worden gegeven. Onze waardige directrice...."

"Ja, natuurlijk hebt gij uw ontslag, Miss May," viel de "waardige
directrice" snel in. "Gij kunt nog heden vertrekken en anders morgen."

Miss May hief het hoofd op. "Ik ga vandaag," zei ze bedaard.

Er waren er onder de kinderen, die zacht begonnen te snikken en
niettegenstaande het geroep van Miss Rench: "Ieder, die het waagt te
schreien, wordt streng gestraft," hielden de tranen niet op te vloeien.

Maar Hedwig, "Flinkie," was veel te vertoornd om tranen te kunnen
storten. Met een moedig gebaar legde zij de hand op Miss May's schouder
en riep uit:

"En ik zeg dat het schande is!"

"Wàt?" Miss Wells, die op het punt stond het vertrek weer te verlaten,
keerde zich driftig om. "Wat?"

"Ik zeg dat het schande is, groote schande!" herhaalde Hedwig, buiten
zichzelf van verontwaardiging. "En als Miss May weggaat, op zoo
onrechtvaardige wijze wordt weggestuurd, dan...."

"Geen woord meer!" riep nu de directrice uit en de aderen op haar
voorhoofd zwollen van drift. "Ik verkies uwe meening niet te kennen."

"Maar ik wil mijn meening zeggen!" zei Hedwig, in haar gloeiende
ergernis haar eigenbelang totaal vergetend en niet luisterend naar het
waarschuwende: "Stil, stil toch!" van Miss May. "Ik _wil_ niet zwijgen!"

In de oogen der meisjes, niet het minst in die van Taffy en Mary Wren,
blonk bewondering voor zooveel moed.

"En toch _zult_ gij het! Ik wil geen woord meer hooren, niets meer,
begrepen?" gilde Miss Wells meer dan dat zij sprak, terwijl zij voor
Hedwig staan ging en haar vlak in 't gezicht zag. "En ook u wil ik hier
op Hill House niet houden. Gij vertrekt beiden op staanden voet. Pakt
uwe koffers en verdwijnt."

"Gaarne," zei Hedwig beleefd, maar nu begonnen de kinderen, geheel
buiten zichzelven van droefheid, zoo wanhopig te snikken dat haar het
hart week werd.

"Stilte!" gebood Miss Rench. "Terstond!"

Doch de kinderen snikten voort, zoo diep verslagen dat Hedwig noch Miss
May het langer aan konden hooren en de schoolkamer verlieten.

Een uur later had de zware voordeur van Hill House zich voor goed achter
haar gesloten. Afscheid van de kinderen hadden zij niet meer mogen
nemen. De koffers werden voorop het wagentje gezet, dat met den mageren
Peter ervoor en zijne verzorgster erin, gereed stond haar weg te brengen
en weldra ging het den heuvel af en naar het station toe.

Hier nam Miss May afscheid van Hedwig om met den trein te vertrekken
naar het kleine dorp, waar haar moeder woonde, voor wie zij gedeeltelijk
den kost moest verdienen.

Hedwig liet zich naar Mrs. Rowley brengen. Haar wilde zij om raad en
hulp vragen en om logies, althans voor een paar nachten; dan zou zij
zien wat haar verder te doen stond. Haar hoofd gloeide en zij voelde
zich wonderlijk gestemd, juist alsof alles wat zij zooeven doorgemaakt
had, een benauwde droom was geweest. Vergiste zij zich niet? Zou zij
werkelijk nooit op Hill House terug komen en nooit meer iets kunnen doen
voor die arme kinderen?

Peter's verzorgster nam voor het huis van Mrs. Rowley op zeer koele
wijze afscheid van haar, nadat de groote, Duitsche koffer met moeite
door Hedwig en het dienstmeisje in de gang was neergezet. Met een
kloppend hart liet zij zich nu door het meisje aandienen en weldra
stond zij voor de verbaasde Mrs. Rowley, die juist verdiept was in een
brief, dien zij in de hand hield.

Terstond vertelde Hedwig alles precies zooals het gebeurd was, zich
thans voor goed ontslagen rekenend van de belofte om over Hill House te
zwijgen en Mrs. Rowley luisterde met een zeer ernstig gezicht. Nog
steeds hield zij den brief in de hand en een paar malen keek zij er even
in, ook terwijl Hedwig nog sprak; toen deze zweeg, zei ze:

"Dat is een heel, heel droevige geschiedenis; het is dus op Hill House
nog erger gesteld dan ik vermoedde. Natuurlijk begrijp ik dat gij niet
anders hebt kunnen handelen en ik ben heel blij dat gij dadelijk bij mij
gekomen zijt, vooral omdat.... Maar eerst moet ik u eens vragen: Hebt
gij er nog niets van gehoord dat er kans bestaat dat de school op Hill
House opgeheven wordt?"

Hedwig keek zeer verbaasd op. Neen, daarvan wist zij in 't geheel niets
af!

"Ik had er juist dezer dagen eens met u over willen spreken, maar dacht
dat het beter was nog even te wachten," vervolgde Mrs. Rowley. "Niet
alleen ik, nog vele andere menschen hier in Chester weten wel of
vermoeden, hoe de zaken op de school staan. Nu zijn er maatregelen
genomen om Miss Wells te doen besluiten, haar betrekking neer te leggen
en wij hopen beslist dat zij hiertoe wel zal overgaan, zoo niet tegen de
groote vacantie, dan toch met Kerstmis. De kinderen zullen naar betere
scholen gezonden worden, als er eerst met hunne betrekkingen is
onderhandeld en de onderwijzeressen zullen een anderen werkkring moeten
zoeken."

Hedwig sloeg de handen in elkaar. "Ik ben er heel, heel blij om," zei
ze uit den grond van haar hart. "Maar als ik het geweten had...."

"Als gij het geweten hadt, zoudt ge wellicht tot het eind gebleven zijn,
denkt gij?" vroeg Mrs. Rowley. "Toch is het goed dat dat niet gebeurd
is, want ik geloof dat ik reeds nu een andere betrekking voor u weet."

"Een andere betrekking? Gunst!" Hedwig sprong op van haar stoel.

"Ja, maar voordat ik u daarvan iets naders vertel, moeten eerst die hoed
en mantel eens afgedaan worden en wij het ons eens wat gemakkelijk
maken. Ga in dezen lagen stoel zitten, dan zeg ik even aan Anna dat zij
de logeerkamer voor u in orde brengt. Ik reken erop dat gij een weekje
bij mij blijft om dan misschien tegen Juni...."

Zij zweeg en ging lachend om Hedwig's nieuwsgierig gezicht, de kamer
uit.

In groote spanning bleef Hedwig achter. Wat, wat kon het zijn? Waar zou
zij misschien tegen Juni heen kunnen gaan? Ze vouwde de handen achter
het hoofd samen en leunde achterover in haar stoel, innig het gevoel van
rust genietend, dat zij voor 't oogenblik althans, in veilige haven was
aangeland. En ze was blij, zoo blij dat Mary Wren en Taffy en al de
andere verhongerde leerlingen van Hill House het beter zouden gaan
krijgen. Maar o, hoe vurig verlangde zij te hooren van die nieuwe
betrekking....

Eerst later, toen zij aan het smakelijk avondeten zaten, bracht Mrs.
Rowley haar op de hoogte. Zij had een brief gekregen van een vriendin,
die toevallig door kennissen gehoord had van een rijke, Protestantsche,
Iersche familie, die een Duitsche of Fransche gouvernante zocht. Muziek
moest ook onderwezen worden. Of Mrs. Rowley misschien ook iemand kende,
geschikt voor zulk een betrekking en zoo ja, of zij er dan spoedig werk
van maken wilde, want Mrs. Balvourneen zou gaarne hebben dat de nieuwe
gouvernante zoo spoedig mogelijk, liefst reeds met Juni, kwam; de
kinderen--er waren er vier, drie meisjes en een jongetje--waren al veel
te lang zonder geweest.

Mrs. Rowley's vriendin wist niet veel van de betrekking af, wel had zij
gehoord dat men het op het kasteel Balvourneen, wat voeding, enz.
betrof, heel goed had. Zij geloofde dat een van de kinderen wat lastig
was en dat Mr. en Mrs. Balvourneen zich nogal "voelden". Het salaris was
vrij groot; voor iemand, die goede getuigschriften kon overleggen,
veertig pond. Het kasteel lag in het zuiden van Ierland tusschen
Glengariff en Killarney, meer in de buurt van Glengariff; het moest er
prachtig mooi wezen.

"O, daar zou ik heel graag naar toe gaan, heel graag!" riep Hedwig
levendig uit. "Zou ik dan maar niet dadelijk schrijven? Anders is een
ander mij misschien voor. "Het kasteel Balvourneen," wat klinkt dat
mooi, he? En het is ook een mooi salaris; prachtig! En nu kan het
getuigschrift van de barones von Zercläre mij uitstekend van dienst
zijn! Ik moet maar dadelijk schrijven...."

"Neen, neen," zei Mrs. Rowley, de hand op haar schouder leggend. "Weet
je wát je dadelijk doen moet? Naar bed gaan en eens flink uitslapen. Je
ziet er juist uit alsof dat hoog noodig is! Dan schrijf _ik_ aan Mrs.
Balvourneen."

"Is dat werkelijk niet te veel moeite?"

"Het is verschrikkelijk veel moeite, maar je moest het mij nu toch maar
opdragen. Ik beloof je dat ik den brief nog van avond naar de post zal
laten brengen."

In een opwelling van groote dankbaarheid, greep Hedwig de hand van haar
gastvrouw en drukte er een kus op. Mrs. Rowley glimlachte. "Ik kan
gerust schrijven dat je een echt Duitsch meisje bent," zei ze.

De brief werd terstond geschreven en verzonden. Den volgenden dag echter
lag Hedwig met koorts te bed, zoodat zij haar voornemen om op het
wandeluur der school even in de buurt van Hill House rond te gaan
loopen, niet ten uitvoer kon brengen. Mrs. Rowley hield haar een paar
dagen thuis en verzorgde haar op moederlijke wijze. En toen er gunstig
antwoord uit Ierland kwam en men schreef dat "Fräulein" of
"Mademoiselle" maar zoo gauw mogelijk moest komen, had Hedwig nog
zooveel in orde te brengen en te naaien dat er slechts van een haastig
loopje naar Hill House sprake kon zijn. Zij ging tegen den avond en toen
zij den heuvel beklom, zag het huis er bizonder kaal en somber uit.
Niemand vertoonde zich buiten, geen geluid werd gehoord, alles was als
uitgestorven en met een verlicht hart bedacht zij, hoe goed het wezen
zou als binnen niet te langen tijd het huis werkelijk geen bewoners meer
had en de beruchte school van Miss Wells tot het verledene zou behooren!

Zij had een langen brief naar huis geschreven en ook nog geld gezonden,
hoewel haar garderobe noodzakelijk vermeerderd moest worden. Mrs. Rowley
wist haar echter over te halen eenig geld van haar aan te nemen, terwijl
Mrs. Balvourneen haar het benoodigde zond voor den overtocht naar
Ierland. Zij voelde zich dan ook heel rijk, toen ze haar grooten koffer
weer had gepakt en reisvaardig was.

Het was een vrij lange reis, die zij nu te maken had. Ze moest met den
nachttrein uit Chester vertrekken, bij Holyhead de boot naar Ierland
nemen en dan den volgenden ochtend ongeveer vijf uur te Kingstown
landen. Daar zou zij een trein vinden naar Killarney, waar ze 's avonds
om half zes zou kunnen zijn. Mrs. Balvourneen had haar geschreven hoe
zij reizen moest en ook dat zij niet verder moest gaan dan Killarney,
omdat Mr. Balvourneen juist dien dag daar in de buurt wezen moest en
haar dan meteen met het rijtuig af zou kunnen halen en met haar naar het
kasteel rijden.

"Dan kun je dadelijk goed met Mr. Balvourneen kennis maken," zei Mrs.
Rowley, "want dat zal zeker wel een rit van eenige uren wezen! Het is
zóó mooi in die streken; ik ben er eens geweest en zou nu haast wel met
je mee willen."

Hedwig glimlachte. Het zou wel een _geheel_ andere ontvangst wezen dan
op Hill House, dacht zij.

Mrs. Rowley stond er op haar, niettegenstaande het late uur, naar het
station te brengen. Zij zelf zou weldra voor geruimen tijd naar
Duitschland vertrekken en toen zij bij den coupé afscheid nam, beloofde
zij Hedwig voor de zooveelste maal dat zij haar moeder en Clärchen op
zou gaan zoeken, als dit maar eenigszins mogelijk was. Een laatste
handdruk, nog een hartelijke zegenwensch en--weg reed de trein.

De maan scheen vrij helder en de overtocht zou wel kalm wezen, had Mrs.
Rowley gezegd. Hedwig vond het een genot al spoedig de frissche zeelucht
door het open raampje naar binnen te voelen komen. Zij stak het hoofd
naar buiten om iets althans te kunnen zien van de schoonheden van
Noordelijk Wales, waardoor zij thans heenstoomde, maar de trein reed
snel door de liefelijke streek heen en bovendien was er een kring om de
maan gekomen en kon zij bij het zwakke licht niet veel onderscheiden.

De haven van Holyhead, schitterend in elektrisch licht, maakte des te
meer indruk op haar en toen zij--het was nu twee uur in den nacht--naar
de boot toeliep, kwam het prettige, oude, energieke gevoel weer over
haar, dat zij op Hill House soms verloren had gewaand.

Er waren nog zeer vele andere passagiers en zij besloot dus maar op het
dek te blijven en niet te bed te gaan; zij zou het zeker boven beter
hebben dan beneden in de overvolle dameskajuit. Zij vond een stoel en
een beschut plaatsje tegen de leuning der trap en zij genoot de mooie
afvaart en later het gezicht op den fraaien vuurtoren, die, vanaf de
reusachtige rotsblokken van den South Stack Rock, bundels lichtstralen
strooit over de geheele baai van Carnavon.

Met het hoofd geleund tegen den rug van haar vouwstoeltje en met
welbehagen de zoute zeelucht inademend, zat zij rustig te peinzen, tot
hare oogen dichtvielen en zij in slaap geraakte. Het was zoel zomerweer
en er was juist genoeg wind om de reis prettig te maken, zoodat er aan
zeeziekte nauwelijks gedacht behoefde te worden. Zij sliep dan ook kalm
door tot het daglicht haar in het gezicht scheen en zij, de oogen
openend, Ierland voor zich zag.

O, wat was het mooi, veel mooier nog dan zij het zich voorgesteld had!
Doodstil bleef zij zitten, geheel verdiept in het teere schoon voor
haar.

In grootsche golving lag daar de schilderachtige baai van Dublin. De
vroege ochtendzon wierp glinsterende lichtvlekjes op het water, dat
eigenaardig levendig scheen in tegenstelling met de nog half droomende
stad. De stille, blauwgetinte bergen, de bevallige villa's met de
kleurige bloemen, de sierlijke, witte torenspitsen, die zich fijn en
rank afteekenden tegen de heldere lucht, het was alles vol van een
bekoorlijkheid, die haar als gevangen hield en ontroerde.

Toen men echter aan Kingstown Pier landde en zij zich haasten moest om
voor haar koffer te zorgen en een plaats in den trein te zoeken, werd
zij weer als een ander mensch. Alles om haar heen was thans levendigheid
en beweging en begroetingen van opgewonden Ieren. Even keek zij rond,
als verwachtte zij half ook iemand te vinden, die uitbundig blij zou
zijn _haar_ te zien, maar er was niemand--natuurlijk was er niemand,
bedacht zij; toch verlangde zij nu aan het eind van haar reis te wezen.

Dit verlangen werd nog sterker, toen zij de stad Dublin goed en wel
achter den rug had en door eenzame streken spoorde, waar, tegen de
purpergetinte bergen, in de ruime riviervalleien, bij de groene
moerassen of op de uitgestrekte heidevelden met de blauwglinsterende
plassen, zich slechts enkele, meest armoedige huizen vertoonden.
Indrukwekkend schoon was het landschap, toch maakte het telkens een
somberen indruk, een indruk, die nog verhoogd werd, toen de zon achter
de wolken verdween en het eenige uren lang zóó stortregende, dat het er
veel van had, als moest geheel Ierland door het water weggespoeld
worden.

"Het is wel jammer dat het in Ierland nogal veel regent," hadden
kennissen van Mrs. Rowley meer dan eens tot Hedwig gezegd en zij moest
er nu aan denken. Als die regen zóó erg was, ja, dan zag Ierland er
zeker niet op zijn voordeeligst uit!

Zij was vermoeid van het zitten, toen zij eindelijk te Killarney
aankwam. Het was nu gelukkig droog en zij verheugde zich op den mooien
rit met Mr. Balvourneen en zag nieuwsgierig rond naar iemand, die aan de
korte beschrijving, haar door Mrs. Balvourneen gezonden, beantwoordde.
"Ik moet maar allereerst kijken of hij er "echt uitziet om op een
kasteel te wonen," zooals Clärchen schreef," besloot zij vroolijk. Maar,
hoe zij ook zocht, zij bemerkte niemand, die, naar hare meening, ook
maar eenigszins aan dien eisch voldeed.

Het was een lastig geval! Een rijtuig van het kasteel Balvourneen was er
_ook_ niet en ze wist dus niet, hoe zij de plaats harer bestemming zou
moeten bereiken. "Dat lijkt in één opzicht althans al bizonder veel op
mijn aankomst te Edinburg," dacht zij. "Het schijnt mijn lot te wezen
nooit van den trein te worden gehaald, als ik er juist zoo stellig op
gerekend heb!"

Ze zou in ieder geval maar beginnen met een half uurtje aan het station
te wachten; kwam Mr. Balvourneen dan nòg niet, dan zou zij een van de
_jaunting-cars_[9] zien machtig te worden, die buiten het station
stonden en door uiterst levendige koetsiers werden bewaakt.

Er ging ruim een half uur voorbij en niemand verscheen. Zij liet dus
haar koffer, waarop ze trouw was blijven zitten, even in den steek en
liep naar de _cars_ toe. Terstond was zij door drie, vier koetsiers
omringd. Met drukke gebaren en in een taal, die haar volstrekt
onverstaanbaar was, trachtte ieder haar aan het verstand te brengen dat
hij haar het mooiste en het gemakkelijkste en het snelst-rijdende
voertuig kon aanbieden. De gebaren waren zeker welsprekend en duidelijk
genoeg, vooral van een der Ieren, een man met zwarte, heel levendige
oogen, die haar bij den arm nam, naar zijn _jaunting-car_ toe bracht en
vlug, zonder meer, op een der zijbanken wilde tillen. Lachend duwde zij
hem ter zijde, toen beduidde zij hem in het Engelsch, heel langzaam
sprekend, waar zij naar toe moest en dat zij een koffer bij zich had.
Hij knikte als een Chineesch poppetje ontelbare malen, ten bewijze dat
hij haar verstond en toonde zich bereid, de bagage te gaan halen.

[Illustration: Shamrock.]
[Illustration: Een Iersche jaunting-car.]

Maar ... toen hij den grooten, Duitschen koffer zag--door de kinderen op
Hill House "_Flinkie's Cottage_" gedoopt--betrok zijn gezicht. Neen, dat
zware ding kon hij onmogelijk op zijn _jaunting-car_ zetten! Hij keek
treurig, schudde het hoofd en haalde de schouders op en Hedwig begreep
natuurlijk al spoedig, waar het aan haperde.

Wat nu te beginnen? Zij had geen lust den koffer aan het station achter
te laten, wetend dat het kasteel Balvourneen uren ver af lag en er
waarschijnlijk niet spoedig gelegenheid zou zijn de bagage te laten
halen. Besluiteloos bepeinsde zij wat haar te doen stond, terwijl al de
koetsiers een voor een naar den koffer kwamen kijken en eindelijk in een
kring om haar heen kwamen staan. Zij babbelden onophoudelijk samen,
telkens naar haar wijzend en onwillekeurig moest zij lachen om het
wonderlijke taaltje en de zeer bewegelijke gezichten der sprekers, die
blijkbaar nog nooit in hun leven een koffer van zulke afmetingen hadden
aanschouwd!

Eindelijk tikte er een, die er goedhartig en vriendelijk uitzag, haar op
den schouder en zei in gebroken Engelsch dat hij bereid was "den koffer
en haar zelf"--heel vleiend was deze zinvoeging zeker niet!--op zijn
_jaunting-car_ te nemen en te brengen waar zij wezen moesten.

Zij knikte hem dankbaar toe en hij en nog drie behulpzame Ieren namen
den koffer op om dien op het wagentje te zetten. Heel handig ging het
niet, wel was er een groot vertoon van ijver bij; maar juist toen de
vrij zware koffer bijna stond waar hij staan moest, lieten zij dien nog
te vroeg los; hij kantelde en een gedeelte van den bodem zakte naar
beneden!

Nu was het een lawaai van heftig vragen en antwoorden en een gewirwar
van gebaren en een opgewondenheid van belang! Aanhoudend spraken allen
te gelijk, herhaaldelijk deden allen hun best Hedwig in wonderlijk
Engelsch nu dezen, dan dien raad te geven en het geheele tooneel was zoo
dwaas en te gelijk zoo schilderachtig dat Hedwig onmogelijk boos kon
zijn, vroolijk toekeek,--al meende zij telkens den bodem verder te zien
zakken!--en geduldig wachtte op verdere hulp. Kinderen: Jongens en
meisjes met grappige gezichtjes vol ondeugendheid en pret, gingen er nu
ook bij staan en ten slotte kwamen een zes of achttal bereidwillige
handen met een touw aandragen. Er werd meer geroepen en geplaagd en
gelachen dan gewerkt en het duurde een heel poosje eer de bodem weer
veilig tegen het bovenste gedeelte van den koffer was aangedrukt en het
touw er behoorlijk om bevestigd was. Hedwig hielp ook zelf ijverig mee
de knoopen stevig maken en men moedigde haar aan en gaf haar knikjes op
een grappige, familiare wijze, die zij aantrekkelijk en ook wat
zonderling vond. Zij was vermoeid van de lange reis, toch niet zóó
vermoeid dat zij er hare opgewektheid door verloor en toen de koffer
eindelijk werkelijk op de _car_ stond, dankte zij de haar omringende
Ieren hartelijk en zocht ijverig in haar beurs naar een kleine
vergoeding voor ieder, die meegeholpen had. Uitbundige dankbetuigingen
volgden en onder een luid geroep van Iersche woorden, die klonken als
"slaun lath" (_slan leat_ = goeden dag) en "Dheeash mera guth," (_Dia's
mearagat_ = God zegene u rijkelijk), werd zij in of liever op het
wagentje getild en reed zij weg.

De goedhartige koetsier toonde zich eerst zeer spraakzaam, maar toen zij
herhaaldelijk "_I don't understand_" had gezegd, gaf hij het op en begon
ter afwisseling een deuntje te fluiten.

Hedwig trachtte haar houding zoo gemakkelijk mogelijk te maken, wat geen
kleinigheid was voor iemand, die nog nooit met een Iersche
_jaunting-car_ had gereisd! Zij vond het vreemd zoo ter zijde van het
voertuig te zitten en dikwijls onverwacht een hort of een stoot te
krijgen, zoodat zij zich moest vasthouden om niet te vallen, maar
langzamerhand begon zij eraan te wennen en kon zij van ganscher harte de
mooie natuur en de verkwikkende stilte om zich heen genieten.

De overigens tamelijk donkere lucht vertoonde hier en daar blauwe
plekken, zoo krachtig van kleur, als zij zich niet herinnerde ze ooit
elders gezien te hebben, daarbij was de atmosfeer zoo zuiver dat het
ademhalen op zichzelf een genot scheen even groot haast als het kijken
naar het steeds afwisselend natuurschoon. Malsch groen,--het echte groen
van _Green Erin_--waren het gras en de hooge varens, die nog, evenals de
bloeiende struiken, vol glinsterende waterdroppels hingen van den milden
regen van dien middag en telkens weer ontdekte zij nieuwe boomsoorten.
Want in groote verscheidenheid groeiden langs den steeds stijgenden weg
pijnboomen en beuken, esschen, eiken, hulst met echt gezonde, gladde,
donkere bladeren en de fraaie arbutus of aardbeiboom, met zijn
schilderachtig rood getinte takken en glanzend groene bladeren,
waartegen de zachtroode of witte bloemtrossen en later de vuurroode
vruchtjes, zoo mooi afsteken.

Langs de kale rotsen, grootsch in haar woeste dorheid, groeide
lichtgroen en donker en bruinachtig mos en als een blijde verrassing
vertoonde zich soms een overvloed van rijk bloeiende brem, die in groote
trossen gouden bloesems het zonlicht scheen te hebben gevangen.
Tooverachtig mooi zag Hedwig, toen zij al hooger kwamen, de beroemde
meren van Killarney liggen, nu zacht zilvergrijs getint, in
schilderachtige tegenstelling met de statige purperkleurige bergen erom
heen, die wachtten op de rustige schaduwen van den avond. Dan weer,
vanaf een hoogte, die haar deed duizelen, keek zij heel in de diepte
neer op valleien, waarin rotsblokken als rondgestrooid lagen, terwijl
langs de rotsen op enkele plaatsen het witte, schuimende water bruisend
naar beneden stortte.

Nu weer dalend, dan stijgend vervolgden zij hun weg en herhaaldelijk
verbrak de koetsier door lustig gefluit de haast heilige stilte, die
alom heerschte. Er lag iets teers, iets weemoedigs in de wijze, waarop
de dag heengleed om straks plaats te maken voor den avond, die over al
de lieflijke kleurschakeeringen een geheimzinnigen, doorschijnend witten
nevel ging werpen. Hedwig huiverde, toen de lucht donkerder werd en met
nieuwen regen dreigde en zij hulde zich in haar wollen doek en trok haar
mantelkraag wat op, rillend meer nog van vermoeidheid dan van koude. Het
was haast of de slaapzucht der directrice van Hill House over haar
gekomen was en eindelijk sloot zij de oogen, zij kòn die niet langer
open houden, hoe mooi het ook was om haar heen!

Langzamerhand, bijna zonder het te weten, boog zij het hoofd dieper en
dieper voorover en verviel in een soort sluimering, tot zij opeens door
het stilstaan der _jaunting-car_ en het geluid van stemmen opgeschrikt
werd en, de oogen wijd openend, een zeer fraai rijtuig voor zich zag,
waarin een deftige heer zat, die haar met groote oplettendheid
beschouwde en ... Mr. Balvourneen bleek te wezen.

Dat zij juist op dit oogenblik haast in slaap was geraakt! Zij vond het
akelig en dwaas te gelijk en zij beet zich op de lippen en ging terstond
heel rechtop zitten, nu bizonder klaar wakker.

De koetsier keek haar lachend aan en gaf haar een vriendschappelijk
knipoogje, doch Mr. Balvourneen vertrok geen spier van zijn gezicht, nam
statig den hoed af, vroeg of hij het genoegen had Fräulein Eiche te zien
en verzekerde dat hij tot zijn spijt dien dag niet tot Killarney had
kunnen komen en zich eerst te laat de afspraak had herinnerd om haar van
het station te komen afhalen.

Een paar minuten later zat Hedwig tegenover hem in het rijtuig, was haar
koffer op den bok gezet en reed de bezitter van de _jaunting-car_, zeer
tevreden over de belooning hem door Mr. Balvourneen gegeven, naar
Killarney terug.

Het werd nu hoe langer hoe donkerder en meer dan ooit verlangde Hedwig
naar het eind van haar reis. Mr. Balvourneen vroeg een paar malen
beleefd: "_I hope you are not tired?_" en scheen eenigszins verbaasd te
wezen, toen Hedwig zeide dat zij wèl vermoeid was. Het begon te regenen,
eerst zacht, toen harder en eindelijk heel hard en toen zij Glengariff
naderden en een zijweg in moesten slaan, werd het noodig bevonden dat
zij uit het rijtuig stapten, omdat de weg uiterst modderig en daardoor
gevaarlijk was geworden. Het kasteel lag hoog en zij moesten een heel
eind stijgen. Hedwig vond het lang geen gemakkelijk werkje, toch kon zij
niet nalaten even te lachen om den eigenaardigen tocht, terwijl zij,
achter haar zwijgzamen geleider aan, bij het gebrekkige licht der
rijtuiglantarens, langzaam voortsukkelde. Maar zij kòn haast niet meer,
zoo slaperig was zij en ze was heel blij, toen de weg breeder en vlakker
werd en zij weer in het rijtuig konden stappen.

Eindelijk, eindelijk hoorde zij het kiezel kraken onder de hoeven der
paarden, het rijtuig nam een draai, toen nog een en ... stond stil voor
een groot, fraai gebouw, het kasteel Balvourneen.

Hedwig knipte met de oogen, zoo verblindend was na de grijszwarte
duisternis buiten, de glans van het licht in de smaakvol gemeubelde
vestibule, waar Mr. Balvourneen haar thans bracht. Hij schoof een stoel
naar haar toe en verzocht haar te gaan zitten, maar in spanning over de
eerste ontmoeting met Mrs. Balvourneen, bleef zij--trots haar
slaperigheid!---staan bij een hooge palm en wachtte de dingen, die komen
zouden.

Het duurde niet lang of een knecht verscheen. Door gangen met dikke,
zachte loopers bedekt, ging hij haar voor naar de eetkamer, waar Mrs.
Balvourneen, een kleine, bleeke vrouw met een spits gezicht en een
zeurderige stem, haar te gemoet kwam. "_I hope you are not tired?_" zei
ze, met koele beleefdheid de vraag van haar man herhalend en het
antwoord niet afwachtend. "Wij zullen maar dadelijk aan tafel gaan, het
is zóó laat geworden!"

Hedwig deed haar goed af en nam plaats op den stoel, die haar aangewezen
werd. Zoo graag zou zij eerst even naar boven gegaan zijn om zich wat te
verfrisschen, maar men liet haar geen keuze. Zij was nu zóó afgemat dat
ze groote moeite had de vragen--gelukkig waren het niet vele!--die haar
gedaan werden, te beantwoorden en zich zelfs een paar malen met een
speld in den arm moest prikken om goed wakker te blijven! Eindelijk
mocht zij tot haar groote vreugde van tafel opstaan en nu werd haar door
een zeer vriendelijk meisje, zooals later bleek de _nurse_ der kinderen,
haar kamer gewezen, waar zij haar koffer vond staan en zich eens naar
hartelust kon wasschen aan de fraaie waschtafel met marmeren blad,
waarbij een kan warm water voor haar was gereed gezet.

Wèl zag alles er hier heel anders uit dan op Hill House!




HOOFDSTUK IX.

Vier Iersche Kinderen en een Hond.


Zij werd den volgenden ochtend wakker met een gewaarwording alsof zij
nog nooit zóó lekker geslapen had! Even nog bleef zij met half gesloten
oogen liggen, droomerig beseffend hoe prettig het was, niet, als op Hill
House, veel te vroeg door het wreede gelui van een bel te worden gewekt
en juist dacht zij erover op te gaan staan, toen de deur zacht geopend
werd. Een net dienstmeisje trad binnen, opende vlug de gordijnen, deelde
haar mede dat het half acht was en verdween weer.

"Hoe heerlijk, de zon schijnt!" riep Hedwig en zij sprong het bed uit en
liep naar het raam toe om naar het uitzicht te kijken.

"Wat prachtig!"

Het was een kreet van louter verrukking. Had zij ooit eerder zoo iets
gezien?

Het was warm, een echte zomerdag, en zij duwde het raam open, dronk de
zoele lucht in en keek opgetogen om zich heen.

Tegen den muur bij haar venster bloeiden de zwellende knoppen van een
donkerroode klimroos. Beneden, in het park van het kasteel, verspreidden
de rose en witte bloemtrossen van een rij acacias, tusschen wuivend
groen, hunne fijne geuren in het rond, wedijverend met de witte
meidorens, die van bovenaf gezien, een gedeelte van den tuin als in
bruidstooi hulden. Diep in het dal zag zij het schilderachtige
Glengariff liggen omgeven door woeste, bijna zwarte rotsen en steile
bergen, die hunne scherpgekante toppen in plechtigen ernst omhoog
hieven, terwijl aan hun voet en op de hellingen dichte bosschen en
malschgroene grasvelden groeiden, in vroolijke tegenstelling met de
somberheid daar boven. In lieflijke kalmte, onder de bekoring der
krachtige zonnestralen, lag de baai; over het glinsterend groene water
hing een wonderschoon licht, dat ook over de talrijke eilandjes zijn
glans wierp. En door al de zoete geuren heen van rozen, meidorens en
acacia in haar nabijheid en van den overvloed van bloeiende struiken
verderaf, meende Hedwig ook iets te proeven van de reine zeelucht, die
haar zoo lief was.

"Hè, wat een genot!" Zij kon er haast niet toe komen zich aan te gaan
kleeden, maar zij begreep dat ze voortmaken moest en keerde zich met een
zucht van het raam af. Zij moest haar koffer ook nog geheel uitpakken en
zij trok dus eerst maar even de aardige muiltjes aan en de wit-serge
_peignoir_, die Mrs. Rowley haar geschonken had, haar plagend omdat zij
er trotsch op was dat het wit haar zoo goed stond. "Neen meisje, niet
ijdel wezen," zei ze, toen zij neiging voelde om even in den spiegel te
kijken van de groote hangkast, waarin zij den vorigen avond hare
japonnen had geborgen. Zij knielde bij den koffer neer, doch bijna op
hetzelfde oogenblik sprong zij weer op. Wat was dat toch voor gefluister
bij haar deur? Zij bleef heel stil staan om goed te kunnen luisteren,
toen glimlachte ze, zij had duidelijk kinderstemmen gehoord. Nu drong
ook het korte, half ingehouden geblaf van een hond tot haar door. Daar
klonk het luid: "Kijk nu, ik heb je wel gezegd dat je hem steviger vast
moest houden!" De deur vloog met een ruk open en een prachtige St.
Bernhards-hond stoof naar binnen, sprong tegen haar op, besnuffelde haar
aan alle kanten en legde toen vertrouwelijk zijne beide ruige voorpooten
op hare schouders.

Zonder de minste verlegenheid te toonen, in tegendeel schaterend van het
lachen en in de handen klappend van pret, bleven de vier kinderen in de
deuropening staan. De twee oudste meisjes van dertien en veertien jaar,
bogen de hoofden nieuwsgierig voorover om beter in de kamer te kunnen
zien, terwijl het achtjarige, blonde zusje en het aardige broekmannetje
van vijf, uit alle macht Bruce, den hond, toeriepen dat hij
"_Mam'selle_" een kus moest geven!

Hedwig lachte mee en legde haar hoofd even tegen den kop van Bruce aan,
die vond dat de vriendschap nu gesloten was en naar de kinderen
terugliep. "_Oh mam'selle! The new man'selle!_" riepen de meisjes met
eigenaardig welluidende stemmen, die Hedwig prettig in de ooren klonken.
Toen vroegen zij met schalksche gezichtjes of zij binnen mochten komen.

Hedwig knikte maar. Wat kon zij anders doen? "Vijf minuten," zei ze en
terstond stond het geheele troepje, Bruce incluis, in haar kamer.

"Ziezoo, nu zal _ik_ u eens vertellen wie wij eigenlijk allemaal zijn,"
zei het tweede meisje, dat een echt bij-de-handje was en er ook zoo
uitzag met haar kort, bruin haar, grijsgroene oogen en het brutale
wipneusje in het smalle, scherpomlijnde gezicht. "Dit is May," en zij
schoof haar ouder zusje naar voren. "Een snoes, vindt u niet?" En May,
een mooi meisje met dik, blauwzwart haar en heel donkerblauwe oogen,
bloosde even en keek lachend tot Hedwig op. "Dan kom ik," ging het
praatstertje voort, "niets mooi, zooals u ziet, maar wezenlijk nogal
aardig! Ik heet eigenlijk Kathleen, maar ik word altijd Bunny genoemd,
niet omdat ik op een konijntje lijk...."

"Jawel, jawel, daarom juist wel," riep May er tusschen door, doch Bunny
legde haar de hand op den mond en vervolgde: "Dàt heelemaal niet, maar
    
<<Page 6   |   Page 7   |   Page 8>>
Go to Page Index for Een Heldin

You are here --- [ Home / Author Index K / A.C. Kuiper / Een Heldin / Page #7 ]