free book ebook online reading
eBook Title
Een Heldin
Author Language Character Set
A.C. Kuiper Dutch ISO-8859-1


You are here --- [ Home / Author Index K / A.C. Kuiper / Een Heldin / Page #6 ]

prijs aan Miss Wells en deze vond dat zij niet beter en zuiniger doen
kon dan er het geheele jaar door haar groot gezin mee te voeden!

Met het les geven had Hedwig geen moeite. De kinderen waren stil en
gewillig, ja gedroegen zich naar haar zin haast al te gehoorzaam; zoo
graag zou zij hen wat levendiger gezien hebben! Nù waren zij, onder den
indruk van het onnatuurlijke, ongezonde leven dat zij leidden, bijna
onkinderlijk bedaard.

Het middagmaal, dat om twaalf uur plaats had, was al even karig als de
andere maaltijden en bestond heden uit niets anders dan slecht vleesch
en droge aardappelen, waaraan een grondige bijsmaak was. Op de dagen dat
er geen vleesch gegeten werd, kreeg men daarvoor in de plaats kwalijk
riekende visch en in ruil voor de aardappelen waterige rijst; een groot
verschil maakte de verandering niet, vond Hedwig.

Na den eten moesten de kinderen met de onderwijzeressen drie kwartier
gaan wandelen, hoewel de sneeuw zeer hoog lag en het door den plotseling
invallenden dooi op verschillende plaatsen heel vuil en drabbig begon te
worden. Het sneeuwde niet meer, maar er hing een donkere, dreigende
lucht en toen zij een eind den weg op waren, niet naar de stad toe,
volgens uitdrukkelijk bevel der directrice, die zelf thuis gebleven
was,--begon er een fijne motregen te vallen, die langzaam maar zeker de
dunne kleeding der kinderen doorweekte. "Ik ga met mijn troepje terug,
zóó kan het niet langer," besloot Hedwig, maar Mary Wren, die naast haar
liep, vertelde haar dat er van nu reeds naar huis gaan geen sprake kon
wezen; dan zou Miss Wells haar toch verhinderen binnen te komen. Eerst
moest de bepaalde tijd om zijn. "Dat vind ik heel verkeerd," liet Hedwig
zich driftig ontvallen. Miss Rench, de "spion", hoorde het haar zeggen
en deelde het ook, zoo spoedig zij maar kon, aan Miss Wells mede. Deze
liet toen Hedwig bij zich komen en nam haar zoo geducht onder handen,
dat Hedwig het het verstandigst vond er maar het zwijgen toe te doen.
Alleen nam zij de gelegenheid waar om te vragen of zij nu--het was na de
schooluren--haar koffer mocht gaan halen.

Tot haar verwondering werd haar dit toegestaan en even later reed zij
met de onderwijzeres, die in het bizonder met het toezicht over den pony
was belast en zeer zwijgzaam van aard was, in het krakende wagentje,
door den mageren Peter getrokken, naar het station. De sneeuwmodder
spatte om de wielen van het voertuig en maakte de straten op plaatsen,
waar niet geveegd was, haast onbegaanbaar, maar de zon scheen weer en de
oude stad zag er schilderachtig uit. "Wij kunnen zeker eerst wel even
een boodschap doen?" vroeg Hedwig, die wat brood koopen wilde, maar haar
gezellin was hier zóó beslist tegen en toonde zich zoo verschrikt bij
het denkbeeld dat zij langer van Hill House weg zouden blijven dan
strikt noodzakelijk was, dat Hedwig maar toegaf en dadelijk doorreed
naar het station.

Zij was heel blij, toen zij den grooten koffer weer veilig in haar bezit
had, al werd hij, naar den regel van het huis, niet naar haar slaapkamer
gebracht, maar in een bedompte soort kelderkamer neergezet.

Bij het licht van een stukje kaars mocht Hedwig er hier uitnemen wat zij
noodig had. Veel kon het niet zijn, want een kastje om een en ander in
te bergen was haar slaapkamer niet rijk. Zij greep echter gretig naar
Anna Schaub's wollen doek, die bovenop lag; die moest in ieder geval mee
naar boven!

Zij was geheel alleen in het sombere vertrek, dat door het kaarsje
slechts flauw verlicht werd. Een smalle streep van het licht viel in den
koffer en, toen zij er den doek had uitgenomen, op een pakje in wit
papier gewikkeld, dat zij zich niet herinnerde erin gelegd te hebben.
Zij nam het in de handen en deed er het bovenste papier af. "_To my
dearest ... dearest Fräulein_," las ze.

"Lieve, lieve Tieka," fluisterde zij en het pakje verder openend, vond
zij een mooi portret van Tieka, dat haar een gevoel gaf alsof het kind
opeens weer dichter bij haar was. Toen hield zij een paar plakken
chocolade in de hand. "Natuurlijk chocolade, die geeft ze mij altijd,"
fluisterde zij. "Nu, die zal hier goed te pas komen!"

Zij deed den koffer op slot, rolde de chocolade in haar doek en sloop
er mee naar boven naar haar slaapkamer. Het was er donker, toch kon zij
op den tast af gemakkelijk de elf ledikantjes van hare leerlingen
vinden. Voorzichtig legde zij onder ieder kussen een stukje chocolade,
sloeg den doek om de schouders en keerde naar de schoolkamers terug.




HOOFDSTUK VII.

"Flinkie."


Toen zij zich later weer met hare leerlingen op de slaapkamer bevond,
liet zij allen zich eerst vlug ontkleeden en te bed gaan, voordat zij
iets zeide over de verrassing, die haar wachtte. Toen de kinderen klaar
waren, ging zij evenals den vorigen avond, de ijzeren ledikantjes langs
om het schamele dek wat steviger in te stoppen en eerst toen fluisterde
zij ieder meisje een paar woorden toe. Zij deed het zóó zacht dat geen
der anderen er iets van verstaan kon en allen waren te verbaasd om wat
terug te kunnen zeggen, maar de plotselinge kleur op de ingevallen
wangen en de blijde glinstering in de oogen, waren Hedwig welsprekend
genoeg. Later, toen alles donker was en zij zelf ook te bed lag, hoorde
zij telkens een zacht, zuigend geluid en met een glimlach om den mond
viel zij in slaap. Een paar dagen later echter zou zij inzien dat zelfs
het weggeven van een onschuldig stukje chocolade ernstige gevolgen na
zich kan sleepen.

Zij ontdekte namelijk op zekeren ochtend dat Mary Wren den moed had
gehad, iets van haar deel voor Taffy te bewaren en zij had er Mary te
liever om, wèl wetend hoe moeielijk het haar gevallen moest zijn, niet
het geheele stukje zelf op te eten. Daarbij kwam dat Taff of Taffy min
of meer de verschoppeling was op school, bij de meeste onderwijzeressen
ten minste, omdat zij volstrekt niet gemakkelijk leerde en traag van
begrip was. Intusschen werd zij den geheelen dag door voor alle
mogelijke werkjes in huis en daar buiten gebruikt. "Taff, doe jij dat
eens even," "dat kan Taffy wel doen!" "Waar is Taffy toch?" "Taffy moet
dat opredderen." "Taffy, haal dit of dat eens gauw van boven," klonk het
herhaaldelijk, vooral uit den mond van Miss Rench en de arme Taffy, die
een zachtaardigen, gewilligen aard had en heel wel wist dat zij geen
geleerde was, meende voor haar onwetendheid niet beter te kunnen boeten
dan door met grooten ijver alles te verrichten, waartoe zij wèl in staat
was!

Toen Hedwig dan bemerkte dat Mary Wren erin geslaagd was een paar dagen
lang een stukje chocolade voor Taffy te bewaren, knikte zij tevreden.
Taffy zat niet bij Mary in de klasse en sliep ook in een geheel ander
gedeelte van het huis, zoodat het Mary tot nog toe niet gelukt was haar
een oogenblikje voor zich alleen te krijgen. Op den bewusten ochtend
echter toen zij, op weg naar een der schoolkamers, met Hedwig door de
gang liep, kwamen zij Taff tegen, een zwaren bak met kolen torsend, die
naar de kamer van Miss Wells moest worden gebracht. Nu zag Mary haar
kans schoon. Snel had zij de chocolade uit haar zak gehaald en tusschen
Taffy's lippen gestoken en Taffy, die zeker zelden of nooit zoo iets
geproefd had, slikte van pure verrukking het kostbare stukje ineens
door!

Toch ging dit alles niet zoo gauw of Miss Rench, de "spion", was er
achter gekomen. Hoe zij het te weten kwam en dat nog wel zoo spoedig,
terwijl zij, naar Hedwig stellig meende, niet in de gang was, bleef
altijd een raadsel, maar een feit is het dat Taffy nog maar juist met
hare kolen de kamer van de directrice binnen gegaan was, toen deze
reeds, gevolgd door Miss Rench, naar buiten kwam stuiven op Mary Wren
af, haar onzacht bij den arm greep en zoo meesleurde naar de
schoolkamer, waar deze stoornis algemeene ontsteltenis te weeg bracht.

"Ondeugend nest! Ik zal jou leeren te snoepen, ergerlijk te snoepen en
anderen te bederven door haar eten in den mond te stoppen. Wat heb jij
Taffy gegeven, zeg?"

Maar Mary Wren zag doodsbleek van schrik en kon niet antwoorden.

"Nu, voor den dag ermee als 't je blieft en dadelijk."

Nu bracht Mary Wren het er haperend uit.

"Wat?" gilde Miss Wells driftig en met de hand aan haar oor. "Ik versta
je niet." Toen tot Miss Rench, die met een hatelijken glimlach op haar
gezicht stond toe te luisteren: "Wat zegt ze?"

"Zij had chocolade in haar zak," riep Miss Rench schamper.

"Wat! Chocolade! Hoe komt ze daaraan? Er mag hier op school niet
gesnoept worden, dat weet zij heel goed. De kinderen krijgen meer dan
genoeg te eten...."

Hedwig's oogen schoten vonken; toch hield zij zich bedaard.

"_Ik_ heb Mary de chocolade gegeven," zei ze luid en op kalmen toon.
"Ik had die in mijn koffer en gekregen van een vroegere leerling...."

"O zoo," viel Miss Wells uit de hoogte in. "Heb dan de goedheid er
voortaan aan te denken dat het tegen de wetten van het huis is de
meisjes snoepgoed te voeren. En wat Mary Wren betreft, die weet
opperbest dat zij iets gedaan heeft, dat streng verboden is en dat zij
straf verdiend heeft. Och Miss Rench, wees zoo goed dit meisje eens
gehoorzaamheid te leeren; de gewone straf als 't je blieft."

Miss Rench trad met zekere gretigheid naderbij, nam op hare beurt Mary
bij den arm, trok haar mee naar een der leege schoolbanken en dwong
haar, in een zeer ongemakkelijke, sterk gebogene houding, onder die bank
te gaan zitten. Toen liep zij naar een kast, haalde er een stapel oude
cahiers uit en gebood Mary deze tot kleine snippers te verscheuren.

Zonder een enkel woord van tegenwerping, deed Mary wat van haar verlangd
werd en met een hart vol bitterheid zag Hedwig toe hoe zij, steeds meer
kuchend in hare lastige houding, het eene schrift na het andere tot
snippers scheurde en deze op stapeltjes legde. Later hoorde zij van Miss
May dat het zulke snippers waren, door menige, menige leerling in
"straftijd" vermeerderd, die tot vulling der bedkussens dienen moesten.

Zij begreep dat het haar niets baten zou, al verzette zij zich nog zoo
sterk tegen deze wijze van strafgeven en hare machteloosheid drukte haar
als een ondragelijke last. Als bij ingeving voelde zij ook dat slechts
enkele onderwijzeressen, waaronder Miss May, haar verontwaardiging
deelden en wat konden zóó weinigen tegenover zoo velen?

Het mocht echter niet langer zoo blijven, besloot ze vast bij zichzelf;
er _moest_ verandering komen en zeer spoedig ook. Zij zou, zoodra ze
maar kon, een brief aan de barones von Zercläre schrijven en haar om
raad en hulp vragen.

Zoodra ze maar kon ... de gelegenheid tot schrijven deed zich echter
niet eerder voor dan den tweeden daarop volgenden Zondag, toen haar
eindelijk als een gunst werd toegestaan, een uurtje voor zichzelf te
gebruiken. Evenals den vorigen Zondag, had zij 's ochtends een troepje
kinderen vergezeld naar de kerk. Heden hadden zij den dienst bijgewoond
in de prachtige kathedraal en met hare geheele ziel had zij geluisterd
naar een bemoedigende preek over: "_Weest in geen ding bezorgd_"[5] en
naar het schoone koorgezang, dat haar onuitsprekelijk verkwikt had.

In een werkelijk opgewekte stemming kon zij--voor 't eerst na haar komst
te Chester,--een brief naar huis schrijven. Tot hiertoe had zij slechts
een paar briefkaarten kunnen zenden en een lange brief werd het ook
thans niet, omdat haar tijd kostbaar was en zij volstrekt ook nog aan de
barones schrijven wilde; toch vertelde zij allerlei over Chester en over
de liefde der kinderen, die nu reeds--evenals vroeger Tieka!--een
naampje voor haar hadden bedacht en haar "Flinkie" noemden;--over de
inrichting der school en de armoede en koude, die er geleden werden,
zweeg zij. Waarom zou zij haar moeder en Clärchen met een beschrijving
daarvan verontrusten? Er zou toch zeker spoedig verandering in de
toestanden op Hill House komen, als de barones von Zercläre maar eerst
goed op de hoogte was gebracht en dàn zou het tijd genoeg zijn, haar
moeder eens te vertellen, hoe het er hier vroeger had uitgezien.



Zij toonde zich den naam "Flinkie" waardig, terwijl zij den gewichtigen
brief aan de barones schreef, want in flinke, veelzeggende taal vertelde
zij het voornaamste en vroeg om raad. Toen ze den brief verzonden had,
voelde zij zich verlicht; het was heerlijk dat zij nu eindelijk eens
iets _gedaan_ had! Ze zou nu moedig het antwoord der barones afwachten
en dan ... ja, wat er dan precies gebeuren moest, was haar nog niet
recht duidelijk, maar al mocht de barones zich soms koud en
onverschillig toonen, _dit_ zou toch indruk op haar maken, hier zou zij
wenschen te helpen, daarvan was Hedwig bepaald overtuigd.

Doch het antwoord bleef uit. Er gingen acht, veertien dagen voorbij en
nog was er geen brief. Het kostte haar moeite geduldig te blijven. Toch
deed zij iederen dag weer haar uiterste best om althans eenige
vroolijkheid te brengen in het leven der arme, half-zieke kinderen, die
zij onderwijzen moest, zich niet te storen aan de scherpe uitvallen van
Miss Rench en hare satellieten en de loomheid te overwinnen, die haar
telkens plaagde en een gevolg was van het slechte en weinige voedsel,
waarmee zij zich tevreden moest stellen.

Lang voordat het zijn tijd was om te komen, spande zij zich in om het
geluid op te vangen, waarmede de post zijn komst aankondigde: het
tweemaal herhaald getik, veroorzaakt door het vallen van den zwaren
klopper op de voordeur; en _als_ hij dan eindelijk gekomen was en toch
weer niet den brief gebracht had, waarnaar zij zoo vurig verlangde, kon
zij zich plotseling zoo verlaten voelen, zoo "alleen op de wereld" dat
zij zich geweld aan moest doen om hare teleurstelling dapper te dragen.
Dan vroeg zij zich soms met bitterheid af, of men haar dan bij de
familie von Zercläre geheel vergeten was of niets meer met haar te doen
wilde hebben,--want ook van Tieka hoorde zij niets, geen enkel woord.

Eindelijk, bijna drie weken nadat zij haar brief verzonden had, kwam er
antwoord in den vorm van een kort, koel briefje der barones. "_Het doet
mij leed_," schreef zij, "_dat het u in uw tegenwoordigen werkkring
minder goed bevalt en de inrichting der school, volgens uwe meening, te
wenschen overlaat. Het komt mij echter voor dat zulk een proeftijd u
geen kwaad kan doen, maar integendeel zeer heilzaam voor u kan wezen. Ik
zou u dus willen raden, den moed niet te gauw op te geven, maar te
blijven waar gij zijt en volharding te toonen. Gaarne zend ik u mijne
beste wenschen._"

En in een noot onder aan den brief stond nog in haastig schrift: "_Tieka
heeft mij, vóór haar vertrek, verzocht u te groeten. Zij is reeds geheel
gewend op de school, waar het haar uitstekend bevalt. Zij had u nog eens
een briefje willen schrijven, maar de dagen voordat zij wegging, waren
zóó bezet dat ik het beter voor haar oordeelde, zich niet meer in te
spannen dan noodig was. Op haar school is het haar alleen geoorloofd
brieven naar huis te schrijven en vandaar te ontvangen._"

Dat was alles. Hedwig frommelde het papier ineen en stak het in haar
zak, toornig en gegriefd tevens. Toen hief zij het hoofd weer op. Zij
moest dus geheel alleen haar weg vinden, zonder hulp? Op die der barones
behoefde zij in geen enkel opzicht te rekenen? Tieka mocht haar zelfs
niet meer schrijven? Het was hard, maar zij zou zich niet terneer laten
slaan, ze _zou_ haar weg vinden....

En het hoofd buigend, voelde zij dat toch één hulp haar altijd bleef,
de hulp van Hem, zonder Wiens hulp de sterkste zwak is en op Zijn hulp
bleef zij vertrouwen, met Hem zou ze sterk wezen.

Zoo hield zij moed en volhardde, den raad der barones volgend op een
wijze, die deze, haars ondanks, zou getroffen hebben, indien zij er
getuige van had kunnen zijn. Gemakkelijk was het niet. Maar toen de
dagen tot weken werden en de weken tot maanden, toen de felste koude
voorbij was en het er zelfs in den armoedigen tuin van Hill House
lenteachtig ging uitzien, begon haar taak haar toch minder zwaar te
vallen, al had zij het, zooals allen op Hill House, overdruk.

Hare brieven naar huis bleven kort en haastig. Haar moeder was niet
gerust en vroeg haar telkens of het haar werkelijk goed ging en of zij
hare krachten niet overschatte; dan schreef zij terug dat alles op Hill
House niet even prettig was, maar dat zij het goed had met de kinderen
en hield van haar werk en ... dat zij stellig hoopte later nog weer eens
iets beters te vinden en meer geld naar huis te kunnen sturen.
Voorloopig bleef zij echter hier; ze had zich zoo aan de kinderen
gehecht!

Op zekeren dag vond zij in een vergeten hoekje van haar koffer een
tijdschriftje, waaruit zij eens met Tieka versjes had zitten lezen en
haar oog viel op een rijmelarijtje, waarbij ze toen lachend een kruisje
had gezet.

"Oh, don't the days seem lank and long,
When all goes right and nothing goes wrong?
And isn't your life extremely flat
With nothing whatever to grumble at?"[6]

Nù was er zeker genoeg in haar leven _to grumble at_; toch morde zij
niet en deed dapper haar plicht, altijd weer haar eigen leed vergetend
om anderen te kunnen troosten en helpen.

In het late voorjaar kwamen er nog een paar heel gure dagen; de zwakke
kinderen leden er onder en in een snerpend kouden nacht werd zij wakker
door het gekreun van Mary Wren, die hevige kiespijn had.

"O, het spijt me zoo dat ik u wakker heb gemaakt, maar ik kòn mij niet
meer inhouden; ik heb zoo'n pijn, zoo'n pijn en ik ben zoo koud!" kermde
het arme kind, toen Hedwig bij haar bed kwam. "Maar blijft u toch niet
op, dan wordt u zelf ziek; het is zóó koud!"

"Neen, neen," zei Hedwig. "Kijk, ik heb mijn wollen doek al om, ik ben
niets koud." Zij haalde de deken van haar bed en wat kleeren en dekte er
Mary mee toe. "Dat helpt zeker wel, he? Zoo, laat mij nu die wang eens
even wrijven. Neen, ik zal je geen pijn doen; het gaat heel zacht, voel
maar. Leg nu je beide handen maar in mijn linkerhand, dan worden zij wat
warmer."

En ze streek met de vingertoppen van haar rechterhand voorzichtig over
de zieke plek en streelde met haar linker Mary's ijskoude, bevende
handen, tot het kind langzamerhand rustiger werd. Eindelijk vielen de
oogleden weer toe, de vingers bewogen niet meer en gleden uit Hedwig's
handdruk weg en de pijnlijke trek op het bleeke gezichtje verdween.
Hedwig bleef nog even naast het ledikant zitten om toen weer te bed te
gaan. Zij had nu geen ander dek dan haar wollen doek en een laken en
warm was ze dus niet; toch sliep zij nog even in.

Den volgenden ochtend werd ze heesch wakker, maar Mary Wren was beter en
zóó dankbaar dat zij zich ruimschoots voor haar moeite beloond achtte.

Het lesgeven ging echter lastig omdat zij telkens haar stem kwijt was
en ze was heel blij toen zij zwijgen mocht. Miss May had haar een paar
malen deelnemend gevraagd of zij haar werk zou overnemen, maar zij had
het hoofd geschud,--Miss May had waarlijk al genoeg te doen.

Toen Taffy haar 's avonds kwam zeggen dat Miss Wells haar wenschte te
spreken, zuchtte zij even. De directrice zou haar nu zeker onder handen
nemen omdat zij dien dag slecht les had gegeven; alsof zij anders gekund
had!

Met het voornemen om de berisping geduldig aan te hooren, ging zij naar
haar toe. Tot haar verwondering kwam er echter geen vermaning, maar een
verzoek of liever een bevel, dat haar een gewaarwording gaf als ging er
opeens weer meer licht komen in haar leven door het uitzicht op een
zekere vrijheid, die haar zeer, zeer welkom was. Tot nu toe was het haar
namelijk niet geoorloofd geweest, Hill House ooit te verlaten dan op de
dagelijksche wandelingen met de leerlingen en Zondags naar de kerk; van
alleen uitgaan mocht nooit sprake wezen. Doch nu _gebood_ Miss Wells
haar, voortaan iederen Zaterdag een uur privaatles te gaan geven aan een
zekere Mrs. Rowley, die in Chester woonde en onderricht in het Duitsch
wenschte te ontvangen. Hedwig kon eerst hare ooren niet gelooven. En dat
zou zij mogen doen, zij, die alles behalve een gunstelinge van Miss
Wells was en steeds door Miss Rench met Argusoogen werd bespied! Zij zou
iederen Zaterdag geheel alleen een wandeling mogen maken naar de stad en
daar privaatles gaan geven! Zij vond het heerlijk en liet hare
blijdschap duidelijk op haar gezicht lezen.

Miss Wells was echter totaal ongevoelig voor die blijdschap en vervolgde
met hare scherpe stem:

"Dat zal dus iederen Zaterdag moeten gebeuren en wel geregeld om drie
uur in den middag. Reeds aanstaanden Zaterdag zal met de lessen moeten
worden begonnen. Natuurlijk eisch ik van u de stellige belofte dat nooit
door u aan Mrs. Rowley iets, ook maar _iets_, herhaal ik, zal worden
meegedeeld van wat op Hill House voorvalt. Indien ik daarop geen staat
kan maken...."

Zoo goed als haar heeschheid het toeliet, viel Hedwig roepend in:

"Ik zal nooit over het minste of geringste, dat op Hill House betrekking
heeft, spreken." Zij had groote neiging eraan toe te voegen: "Zoo'n
aangenaam onderwerp is het niet," maar zij hield die woorden wijselijk
in.

Zij stond op om heen te gaan, doch er brandde haar nog een vraag op de
lippen en snel vroeg ze:

"En wat zal ik met die lessen verdienen?"

Miss Wells zag haar dom aan.

"Ik versta u niet," zei ze knorrig. "Spreek toch duidelijker. Het is of
ik een poes hoor miauwen, als u spreekt."

Zich sterk inspannend om hare stem krachtiger te maken, herhaalde Hedwig
roepend haar vraag.

"Ermee verdienen?" riep de directrice van Hill House driftig uit. "_U?_
Maar hoe komt u aan zulken onzin? Natuurlijk komt het geld van die
lessen _mij_ toe! Ik heb recht op al uw tijd."

Hedwig hield de lippen stijf op elkaar geklemd om niets terug te zeggen.
Tot geen prijs wilde zij zich de wekelijksche afwisseling in haar
somber, eentonig leven ontnomen zien en daarom zweeg zij, hoewel zij
zich zeer verongelijkt voelde. Zij knikte even, ten bewijze dat zij zich
ook aan deze voorwaarde onderwerpen wilde, toen ging zij heen.

Tot haar groote vreugde werd het weer een paar dagen later zachter en
scheen Zaterdags de zon. Zij had haar stem bijna weer terug en verheugde
zich als een kind op haar uitgang. Met zenuwachtige haast kleedde zij
zich, toen het tijd werd om te gaan en toen de deur van Hill House
achter haar dichtviel, was het haar haast alsof zij een vrijgelaten
gevangene was!

Ze moest heel flink aanstappen, want Miss Wells had haar precies een
half uur gegund om naar het huis van Mrs. Rowley toe te loopen; toch
genoot zij hare wandeling, die door een mooi, interessant gedeelte van
het oude Chester liep. Een oogenblik bleef zij staan voor een bizonder
fraai gebouwd huis met paneelen vol keurig beeldhouwwerk in hout. In den
gevel stond gebeiteld: "_God's Providence is mine Inheritance._"[7] Ze
herhaalde de woorden zacht bij zichzelf, zich afvragend wat zij zouden
moeten beteekenen en zij keek bewonderend op naar het in 't oog vallend
schilderachtige huis, toen zij een hand op haar schouder voelde en, zich
omkeerend, het vriendelijke gezicht zag van een dame met grijzend haar
en levendige, bruine oogen, die haar onderzoekend aankeken.

"Neem mij niet kwalijk, maar u _moet_ Fräulein Eiche zijn!"

"Ja," zei Hedwig, wat onthutst door de onverwachte ontmoeting.

"Ik dacht het wel! Ik kon terstond aan uw gezicht zien dat gij geen
Engelsche waart en ik had er een voorgevoel van dat gij Fräulein Eiche
wezen moest. Ik ben Mrs. Rowley, uwe aanstaande leerling. Zullen wij
samen naar mijn huis wandelen?"

[Illustration: God's Providence-House, Chester.]

"Heel graag," zei Hedwig opgewekt. Mrs. Rowley maakte een aangenamen
indruk op haar.



"Aardig dat ik u juist verdiept vond in de aanschouwing van ons
_Providence house_," zei Mrs. Rowley, terwijl zij verder gingen, "het is
een van de allermooiste huizen in Chester uit de zeventiende eeuw. Men
heeft zich verdiept in gissingen wat met het opschrift precies bedoeld
kon zijn; waarschijnlijk is het de vrome uiting van een Puriteinsch hart
en ik voor mij neem gaarne aan dat deze Puritein, naar verteld wordt, de
spreuk op zijn gevel liet zetten om God te danken dat hij bevrijd bleef
van de pest.--Eigenlijk moest ik u nu al deze bizonderheden in het
Duitsch vertellen, maar ... dan zou ik er wel heel lang werk mee hebben.
Ik wil echter graag een ijverige leerling zijn, dat beloof ik u; ik
verlang ernaar om goed Duitsch te leeren spreken, want ik heb niets meer
op de wereld dan twee Duitsche neefjes, die soms bij mij komen logeeren.
Mijn man is dood en kinderen heb ik helaas nooit gehad, maar ... hier
zijn wij bij mijn huis--ik houd mij aan den tekst, die in den gevel
staat; geheel verlaten voelt men zich dan nooit. Dat gelooft gij toch
ook?"

Hedwig keek op naar het aardige zwart-en-witte huis met het opschrift:
_The Fear of the Lord is a Fountain of Life._[8] Zij knikte. O ja, dat
geloofde zij ook.



Toen zij Mrs. Rowley naar binnen gevolgd was en weldra in een vroolijke
kamer stond met een boograam met uitzicht in den tuin, waar de
voorjaarsviooltjes weelderig bloeiden en een gemakkelijke, rieten stoel
voor haar aan de tafel werd geschoven naast het helder brandend vuur,
scheen het haar toe, dat zij in een paleis was gekomen! Was werkelijk de
wereld buiten Hill House altijd zóó mooi en zoo heerlijk en zoo
liefelijk geweest? Zij keek om zich heen in de prettige kamer, terwijl
Mrs. Rowley haar goed afdeed en zij moest eens even diep adem halen. Wat
zag alles er hier netjes en echt _comfortable_ uit!

Hoe goed gekozen waren de fijne etsen aan den muur en hoe aardig stonden
op de kleine schrijftafel bij het boogvenster de vele kinderportretjes,
die haar aan Tieka's verzameling deden denken en o, wat was het heerlijk
weer eens op een _stoel_ te zitten! Zij moest er zelf om lachen dat zij
dit zoo'n genot vond.

Toen Mrs. Rowley weer binnenkwam met boeken voor de Duitsche les, werd
zij gevolgd door het keurige dienstmeisje, ook door Hedwig met
bewondering aanschouwd,--dat allerlei benoodigdheden binnenbracht voor
de _afternoon-tea._ Hedwig moest zich geweld aandoen om niet al te
gretig te kijken naar de geurige thee, de smakelijke _cake_, de
marmelade en de sneedjes brood _met boter_, die zoo maar, alsof het zoo
niets was, voor haar neer werden gezet. Mrs. Rowley moest eens weten hoe
zij verlangde om maar dadelijk aan het eten en drinken te gaan!

Ze wendde haar gezicht naar het vuur toe--ze kòn haast niet langer naar
al die heerlijkheden kijken, zonder er iets van te nemen; ze had zóó'n
trek en dat mocht Mrs. Rowley toch niet bemerken!

Maar hoewel haar gastvrouw niets zeide en niets vroeg, scheen zij toch
wel te begrijpen dat Hedwig lust moest hebben iets te gebruiken.

"We zullen ons eerst maar eens verkwikken, voordat wij aan 't werk gaan,
vindt u niet?" zei ze, de thee inschenkend. "Ik heb trek na mijn
wandeling. U moet er u dus maar niet over verbazen als ik veel eet en ik
hoop dat u mijn voorbeeld zult volgen."

Hedwig wilde niets liever. Had zij ooit zulke lekkere thee geproefd en
werd er wel ergens in de wereld zulke verrukkelijke boter gebruikt? Als
zij Mary Wren eens naast zich had gehad en Taffy, wat zouden die gesmuld
hebben!

Het lesgeven ging later als van een leien dakje. Mrs. Rowley wist veel
meer van het Duitsch af dan Hedwig had vermoed en zij lazen en praatten
en lachten zoo genoegelijk dat de tijd om was voordat zij het wisten.

"Dat is echt prettig geweest," zei Mrs. Rowley vriendelijk, toen Hedwig
zich gereed maakte om weer heen te gaan. "Ik geloof dat ik veel van u
leeren zal."

"Ik vind het heerlijk om de volgende week terug te mogen komen," zei
Hedwig en met een vroolijk knikje nam zij afscheid.

Haast op een drafje liep zij terug, want ze wist dat zij weinig tijd
had. Toch ging ze nog even een kruidenierswinkel in. Veel geld had ze
niet, maar ze slaagde er toch in voor ieder der elf leerlingetjes, die
bij haar op de kamer sliepen, een groote _biscuit_ te koopen en met
stralende oogen nam zij den zak aan en ging verder. Als het haar nu van
avond maar gelukte zonder dat het ontdekt werd, een _biscuit_ onder
ieder kussen te leggen!

Maar het _moest_ gelukken. Zij was na het uurtje bij Mrs. Rowley in een
overmoedige stemming geraakt en heel vlug liep zij verder, uitermate
blij gestemd in het vooruitzicht van de verrassing, die zij "haar
kinderen" zou bereiden. Hoe graag zou zij _al_ de arme stakkertjes op
Hill House eens flink getrakteerd hebben,--als het maar in haar macht
gelegen had!

Mrs. Rowley had haar een korteren weg terug aangeduid en zij kwam nu
door een gedeelte van Chester, dat haar nog geheel nieuw was. In haar
vaart nauwelijks oplettend waar ze ging, liep zij pardoes tegen een
stoeren politieagent aan. Hij kwam juist een steenen trap af, die naar
de muren van Chester leidde. "_Beg pardon_," riep ze verschrikt en de
man glimlachte en zei, naar de trap wijzend: "Moet ge hier uw geluk niet
eens beproeven, jonge dame?"

"Mijn geluk?" vroeg Hedwig verbaasd. "Waarom?"

"Waarom? Wel, het is u toch zeker bekend dat dit de _Wishing steps_
zijn? Wie tweemaal deze steenen treden op en af loopt zonder adem te
scheppen, mag een wensch doen, die stellig in vervulling komt."

"O!" Hedwig had wat ongeduldig geluisterd in het besef dat zij zich
haasten moest om op tijd thuis te komen, maar gauw even die trap op en
neer loopen, nam zoo'n tijd niet! Zij wou het voor de aardigheid
probeeren en dan een wensch doen, die heusch vervuld zou worden?! Wacht,
dan zou ze innig verlangen dat de kinderen haar _biscuits_ ongestoord
zouden mogen genieten, zonder eenige kans op ontdekking van de zijde van
Miss Rench of wie dan ook.

De agent was doorgeloopen. Snel, zoo gauw als zij maar kon, liep zij de
steenen treden tweemaal op en af en deed haar wensch met een lachend
gezicht.

En ... de wensch werd zoowaar vervuld ook! Met groote handigheid wist
zij 's avonds onder elk der elf kussens een _biscuit_ te verstoppen en
niet alleen dien avond, maar geregeld iederen Zaterdag, als ze bij Mrs.
Rowley geweest was en bij een of anderen kruidenier haar inkoop had
gedaan. In den bakkerswinkel, vrij dicht bij Hill House, waar zij den
eersten dag van haar komst te Chester was geweest, kwam zij niet weer,
uit vrees voor ontdekking en ook uit een zeker soort schaamte, waarvan
zij zich geen rekenschap zou hebben kunnen geven.

De dankbaarheid der kinderen, die er merkwaardig gauw van op de hoogte
waren--zij hadden de chocolade nog niet vergeten!--dat er iets onder
haar kussen verborgen lag, toonde zich op eigenaardige, stille wijze.
Niemand durfde ooit ook maar iets over de _biscuits_ zeggen, die
geregeld den volgenden ochtend verdwenen waren, maar soms keek er eens
een Hedwig met een geheimzinnig lachje aan, terwijl allen haar met nog
grooter geestdrift en wanneer zij maar durfden, "Flinkie" bleven noemen.
Nooit echter werd over de gewichtige _biscuits_-zaak één woord gerept en
ook nooit werd zij, tot Hedwig's zeer groote vreugde, ontdekt. Als
Zaterdagsavonds alles donker was op de slaapkamer en zij soms een heel
zacht geknabbel hoorde, klonk haar dit als muziek in de ooren!

De wekelijksche bezoeken aan Mrs. Rowley, haar eenige uitgang in al den
tijd, dien zij op Hill House vertoefde, werden ware glanspunten in haar
bestaan, waarnaar zij de geheele week door reikhalzend uitzag. En geen
wonder! Mrs. Rowley toonde zich niet alleen een prettige leerling, maar
ook een belangstellende vriendin, die zonder ooit over Hill House en
Hedwig's leven aldaar te spreken, toch door de hartelijke, gastvrije
wijze, waarop zij Hedwig steeds ontving, toonde wèl te begrijpen dat
onderwijzeres en huisgenoote wezen van Miss Wells lang geen benijdbaar
baantje was! Zij liet Hedwig vertellen van haar land en van haar thuis,
gaf haar raad omtrent haar toekomst en hielp haar zoo op een kiesche
wijze, die Hedwig zeer trof.

Intusschen begon haar taak haar niet lichter te vallen, al scheen het
haar leerlingen toe dat "Flinkie" nauwelijks zorgen kende, zoo moedig
met een vriendelijk woord of een grapje voor ieder kind, niet het minst
voor de arme Taffy, ging zij haar gang. Of dat soms moeite kostte?
Moeite ook om te midden van zooveel onrecht en zooveel lijden vast te
houden aan het geloof dat God toch nabij was, toch hielp, haar toch
trouw ter zijde stond?

Het kostte moeite, maar het vast vertrouwen in den hemelschen Vader,
die, door alle duisternis heen, leiden zou tot het licht, bleef hecht in
haar ziel. Ook haar oude energie begaf haar niet. Miss May, nagenoeg de
eenige onderwijzeres met wie zij op eenigszins vertrouwelijken voet
stond, benijdde haar die, benijdde haar ook de frissche vroolijkheid en
humor, die haar zelfs op het sombere Hill House niet in den steek
lieten. Gelukkig dat er soms werkelijk een en ander voorviel, dat een
uitbarsting van algemeene vroolijkheid veroorzaakte en de meisjes in de
handen deed klappen en luid lachen van pret,--maar dit was heel, heel
zelden! De arme kinderen waren er lang niet gezond, niet gelukkig genoeg
toe.

Het was echter op een zonnigen Septemberdag dat zulk een voorval
werkelijk plaats had, juist toen enkele onderwijzeressen, waaronder ook
Hedwig, thuis kwamen van een middagwandeling langs de schilderachtige
rivier de Dee, waarop plezierbootjes en zeilschepen tot een frisch
watertochtje schenen uit te noodigen. Hedwig had verlangend naar het
heldere water gekeken en toen medelijdend naar de kinderen, die vermoeid
waren van de hitte en zich loom voortsleepten. Maar toen zij Hill House
naderden, kwam er levendigheid in het stille troepje en Mary Wren, die
vóór Hedwig liep, keerde zich om en riep uit: "O Flinkie, Flinkie, kijk
Peter eens! O, de pony is dol geworden! Kijk! Kijk!"

En waarlijk, Peter was losgebroken! Niettegenstaande de magerte, door
slecht voedsel ontstaan, had hij kracht genoeg gevoeld om de deur van
zijn schuur open te stooten en met één sprong naar buiten te komen. Nu
schopte en sloeg hij uit alle macht met de pooten, schudde den kop
onophoudelijk heen en weer en gedroeg zich zoo weinig als een gehoorzame
pony betaamt, dat de onderwijzeres, die met de zorg voor hem belast was,
zich geen raad wist en niet anders doen kon dan hem op wanhopigen toon
bij zijn naam te roepen en tot stilte te vermanen.

Peter bleef echter doof voor alle vermaningen en schopte door met een
woede en een ijver, een betere zaak waardig. Het zand stoof omhoog! Het
was een heel dwaas gezicht en de kinderen, gesteund door de
onderwijzeressen, schaterden het uit. Zelfs Miss Rench, de zure, kon het
lachen niet laten en de algemeene vroolijkheid was zoo aanstekelijk dat
Peter er nog doller door werd en met vervaarlijke sprongen begon te
huppelen, precies als wou hij op zijn achterste pooten gaan staan.

Misschien zou hij nog meer streken uitgehaald hebben, als niet juist op
het kritieke oogenblik Miss Wells naar buiten was gekomen om te zien wat
er toch gaande was. Zij scheen de zaak volstrekt niet belachelijk te
vinden, schudde ongeduldig het hoofd en riep toen zeer luid en driftig
met haar krakende stem: "Ga naar binnen Peter, dadelijk in je schuur!"

Peter stak de ooren op bij het geluid van de gebiedende stem, die hij
zoo goed kende, zette, onmiddellijk gehoorzamend, zijne vier pooten op
den grond en ... ging gedwee zijn stal weer in.




HOOFDSTUK VIII.

Uitkomst.


Toen de herfst voorbij was en de winter weer kwam met de donkere, koude
dagen, waarin alle ontberingen dubbel werden gevoeld, scheen het Hedwig
soms toe dat de tijd voortkroop en één maand op Hill House driemaal zoo
lang duurde als thuis of in Edinburg. Gelukkig viel er dezen winter niet
veel sneeuw, waren de wegen meer begaanbaar dan het vorige jaar en
bleven de kinderen dus ook gezonder, maar met overgroote vreugde werd
toch door allen de lente begroet, hoewel zij menigen guren,
stormachtigen dag met zich bracht.

Het was op een heel regenachtigen Zondag in Mei dat de directrice van
Hill House in de kerk niet alleen--zooals geregeld het geval was--in
haar bank in slaap viel, maar ook tegen het eind van den dienst, zóó
luid begon adem te halen en eindelijk te snorken dat de kerkbezoekers
elkaar aanstootten en met verontwaardigde gezichten omkeken. Enkele
stoutmoedige leerlingen trapten elkaar op den voet, andere hielden den
zakdoek voor het gezicht om haar lachen te bedwingen--allen vonden het,
kinderen als zij waren, prettig dat er eens "iets ongewoons" gebeurde.

Miss Rench, die naast Miss Wells zat, wist haar echter, door haar op
handige wijze zacht in den arm te knijpen, in zoo verre wakker te
krijgen dat zij ongeduldig haar arm wegtrok en "_don't_" fluisterde. Het
snorken hield op en maakte plaats voor een minder hoorbare, geregelde
ademhaling, maar toen de dienst afgeloopen was, sliep de directrice weer
zoo vast, als lag zij in haar gemakkelijk veeren bed--het eenigste van
die soort dat zich daar bevond!--op Hill House.

Er werd nu besloten dat Hedwig en Miss May met de andere
    
<<Page 5   |   Page 6   |   Page 7>>
Go to Page Index for Een Heldin

You are here --- [ Home / Author Index K / A.C. Kuiper / Een Heldin / Page #6 ]