free book ebook online reading
eBook Title
Een Heldin
Author Language Character Set
A.C. Kuiper Dutch ISO-8859-1


You are here --- [ Home / Author Index K / A.C. Kuiper / Een Heldin / Page #5 ]

Tieka ging, diep verslagen. Boven bij Hedwig hield zij zich niet meer

in, maar schreide uit, schreide alsof haar het hart zou breken. En hoe
Hedwig ook haar best deed, zij wilde zich niet laten troosten....

Voor Hedwig zelf kwam thans de gewichtige vraag hoe zij een nieuwe
betrekking zoeken en vinden moest. Aarzelend vroeg zij, na enkele weken,
de barones om raad en deze liet haar kranten brengen, streepte hier en
daar een advertentie aan en schreef een kort getuigschrift, ten volle
overtuigd dat zij daarmede reeds zeer veel voor hare jeugdige
gouvernante gedaan had.

Bij de jonge gouvernante zelf was de oude moed spoedig herleefd. "Niet
tobben, ik _wil_ niet tobben," zei ze herhaaldelijk, als de gedachte aan
het afscheid van Tieka haar te machtig dreigde te worden en dapper
schreef zij brief op brief, gaf en vroeg inlichtingen en veroverde
eindelijk een betrekking als onderwijzeres op een kostschool te Chester,
een inrichting voor weezen en halfweezen, die geen thuis meer hadden of
er nooit een hadden gekend.

Zij zou voornamelijk les moeten geven in Duitsch, rekenen en handwerken,
schreef men haar, daarvoor in ruil onderwijs krijgen in Fransch en
teekenen en bovendien een salaris ontvangen van 12 pond (f144) per jaar.

Veel was het niet, vrij wat minder nog dan ze thans verdiende, maar de
betrekkingen waren niet opgeschept, aan naar huis teruggaan wilde zij
geen oogenblik denken en toen zij, na eenige aarzeling, de vrijheid nam
de barones weer om raad te vragen, sprak deze zoo beslist de meening uit
dat zij "dit vooral aannemen moest, nu zij het krijgen kon," dat zij
niet langer wachtte met het nemen van een besluit en nog dienzelfden dag
aan de directrice der kostschool schreef zij dat zij na de Kerstvacantie
komen zou.

Van een reisje naar Duitschland met de kerstdagen kon, om de groote
onkosten, thans niets komen. Zij liet zich dus in de vacantie nog maar
eens ter dege door Tieka verwennen, slaagde erin de laatste dagen van
het jaar ook voor haar leerlingetje prettig en opgewekt te doen zijn
en--hield zich kloek, toen even na Nieuwjaar, de dag van het afscheid
werkelijk gekomen was.

Het was een snerpend koude ochtend, het vroor hard en de zon trachtte
te vergeefs door den witgrijzen nevel heen te dringen, die als een
reusachtige wolk over heel Edinburg hing. "_Zum Abschied nehmen just das
rechte Wetter_," mompelde Hedwig, terwijl zij zich kleedde.

Zij moest tegen elf uur vertrekken en kon ongeveer half drie te Chester
wezen. Eigenlijk was zij maar blij, toen haar groote koffer--Anna
Schaub's geschenk--reeds naar 't station gebracht was en het voor haar
ook tijd werd om te gaan. De baron en de barones gaven haar de hand bij
het afscheid en zeiden een paar welwillende woorden; Tieka, die te
vergeefs verzocht had mee naar het station te mogen gaan, stond bij hen
en kon niets zeggen. Zij keek Hedwig strak aan met hare groote oogen en
knikte zwijgend, toen deze zeide: "Dag lieve Tieka, zul je mij niet
vergeten?"

Dat was alles. Toen was het voor goed uit. De deur viel achter haar
dicht en zij stond op straat.

Ze had voor het rijtuig bedankt en gezegd graag naar het station toe te
willen loopen, want zij had behoefte aan de frissche wandeling en zij
liep snel door, telkens even op hare lippen bijtend bij de gedachte dat
het nu voorbij was, voor goed voorbij het gelukkige leven met Tieka.
Maar ze hief het hoofd op en liep nog vlugger voort. "_Nooit_ flauw
zijn, God helpt!" fluisterde ze.

Bij het geliefde standbeeld van Scott bleef zij een oogenblik staan. Zij
deed haar best het gezicht duidelijk te onderscheiden door den nevel
heen en even wuifde ze met haar hand....

Ze werd kalmer gestemd, toen zij eenmaal op reis was en zij glimlachte
blij, toen de zon eindelijk door den mistsluier begon heen te dringen.

Toen de trein te Chester stilhield en het haar duidelijk werd dat er
niemand was om haar af te halen, besloot zij haar koffer maar aan 't
station achter te laten en naar de school toe te loopen. Zij zou den weg
wel vinden, meende ze, en zij was na het lange zitten in den trein
letterlijk verstijfd van koude en verlangde naar wat beweging.

Even ging zij de restauratie-zaal in om een kop warme koffie te drinken
en te vragen hoe zij loopen moest om Hill House--zoo heette de
school--te bereiken. "U kunt, in ieder geval, om theetijd wel bij ons
wezen," had Miss Wells, de directrice, geschreven; het was nu nog maar
even half drie en zij had dus nog een paar uren den tijd.

Een vriendelijk buffetmeisje hielp haar te recht en gaf haar zelfs een
kaartje van Chester ten geschenke. Toen zij vertelde dat zij op Hill
House moest wezen, kwam er een zeer eigenaardige uitdrukking op het
gezicht van het meisje, maar Hedwig merkte het niet op; zij was verdiept
in haar kaartje.

"Wilt u bepaald loopen?" zei het meisje nog. "U zoudt ook een heel eind
per tram kunnen gaan; het is een lange wandeling," doch Hedwig
antwoordde vroolijk dat zij daar niet tegen opzag en geen haast had.

Opgewekt, thans weer vol moed voor het nieuwe leven dat haar wachtte,
liep zij het station uit. Zij had lust in haar wandeling en was benieuwd
hoe zij de stad vinden zou en verruimd haalde zij adem, toen juist op
het oogenblik dat zij het station verliet, de mist geheel vaneen
scheurde en de zon in volle glorie doorbrak.

O, wat was het nù mooi! Over alles heen lag de rijp als een kantachtig
wit weefsel, waarin ontelbare sterretjes glinsterden. Het blauw in de
lucht werd hoe langer hoe meer zichtbaar en krachtiger van tint. Het
bleef sterk vriezen en het was doordringend koud, maar Hedwig gaf er
niet om en stapte flink aan, eerst de niet heel fraaie City-road langs,
toen, steeds de aanwijzingen van haar kaartje volgend, een breede straat
in, tot ze bij een poort stond, waarnaast zich een steenen trap bevond
met het opschrift: "_To the city walls_".

De steenen treden zagen er heel glibberig uit, toch kon zij de
verleiding geen weerstand bieden even naar boven te gaan. Men had haar
verteld van de beroemde, oude muren rondom de stad Chester, waarover men
wel een wandeling van een klein uur kon maken en zij moest toch eens
kijken....

Zij liep eerst een eindje door, toen ze boven was;--toen bleef ze
verrast staan, want wat zij voor zich zag, was als een sprookje.

In hare nabijheid, haast vlak bij scheen het haar toe, stond daar in
grootsche majesteit, de hooge, indrukwekkende kathedraal van Chester met
het stille plein met de mooie boomen erom heen, alles bedekt door een
sluier van ragfijne rijp. Geen enkel geluid drong tot haar door en het
was of al die teere witheid de stilte nog verhoogde en haar lieflijker
maakte.

[Illustration: Rows te Chester.]

Zij voelde zich wonderlijk ontroerd. Geheel alleen stond zij daar in een
vreemd land, ver van huis, in een stad, waarin nog niemand haar
kende,--zooeven had zij zich een oogenblik plotseling haast angstig
eenzaam gevoeld,--nu gleed die gewaarwording van haar weg en haalde zij
diep adem met een gevoel van innige vreugde. Onwillekeurig vouwde zij de
handen; haar hart dankte God voor wat Hij haar te genieten gaf.

Voorzichtig ging ze de trap weer af; het was over half vier, ze moest nu
maken dat zij verder kwam. Zij raadpleegde haar kaartje.

Het vriendelijke buffetmeisje had haar gezegd dat de school, zooals de
naam Hill House trouwens ook aanduidde, op een heuvel lag even buiten de
stad en zij zag op haar kaart dat zij nu eerst weer rechtuit moest gaan.
Maar toen zij even doorgeloopen had, keek zij verbaasd om zich heen. Wat
was dat? Liep ze nu opeens door een stad van een paar eeuwen geleden?
Alles zag er zoo geheel anders uit dan zooeven. Schilderachtige oude,
geelbruin en donker getinte geveltjes werden tooverachtig verlicht door
enkele verdwaalde zonnestralen, die de schemering, die in deze straat
heerschte, nog sterker deed uitkomen. Want aan beide kanten bevond zich
hier aan de huizen een soort van lange, overdekte balkons of galerijen,
die er zeer oud en verweerd uitzagen en, in elkaar loopend, de geheele
lengte der straat besloegen en het licht onderschepten. Sommige der oude
huizen waren met schuinloopende strepen of figuren beteekend, andere met
zeer fraai houtsnijwerk versierd en van spreuken voorzien.

Hedwig vond het aardig een trapje naar een der galerijen op te gaan, er
door heen te loopen en zoo een blik te slaan op de straat, die zoo
geheimzinnig in het halfduister lag. Zij liep slechts langzaam verder;
ook in de veelsoortige winkeltjes, die zij langs kwam, was veel dat haar
aandacht boeide en toen zij de galerij verlaten had en, links afslaande,
een kijkje kreeg op een groepje zwart-en-wit getinte huizen, sierlijk
met de vooruitspringende vensters rustend op ranke, spiraalvormige
pilaartjes, was zij één en al opgetogenheid.

"Wat een stad! Wat een mooie stad!" zei ze. "Het zal mij hier stellig
goed bevallen. Wat wou ik graag dat Tieka dit eens zien kon! Zij zou
zeker zeggen dat het echt sprookjesachtig was."

Nu was ze, in al haar verrukking, toch verkeerd geloopen, geloofde ze en
zij bleef even staan en haalde haar kaart weer te voorschijn; zij kon er
echter thans niet wijs uit worden. Juist stond ze voor een bakkerswinkel
en toen zij opkeek, las ze met zekere gretigheid de aankondiging:

"_Hot Pies Every Saturday
Finest Hand-made
Bread only Baked_."

Ze was flauw geworden en had trek gekregen; heel veel had zij vandaag
ook nog niet gebruikt. Hier zou zij maar eens even naar den weg vragen
en meteen iets eten, een kleinigheid maar, anders mocht ze haar eetlust
eens bederven voor de _tea_, waarmee men haar op Hill House wachtte. Ze
moest nu toch ook maken dat zij er kwam. Als zij eens één warm pasteitje
kocht.... Ze had er zóó'n trek in! Snel vroeg zij er naar.

"Vandaag niet juffrouw; die hebben wij alleen maar Zaterdags."

Och ja, dat was waar ook, dat stond duidelijk voor het raam. Ze nam het
nu maar voor lief met een vrij oudbakken krentenbroodje; straks op Hill
House zou zij haar schade wel inhalen.

Het bleek dat zij toevallig toch de goede richting had genomen.

"Mag ik vragen bij wien u wezen moet?" vroeg de winkelbediende, die
nogal nieuwsgierig van aard scheen te zijn.

"O jawel," zei Hedwig, "ik ga naar Hill House."

De man zette groote oogen op.

"En...." vroeg hij, veelbeteekenend met het hoofd knikkend, "gaat u daar
heen als onderwijzeres?"

Hedwig keek hem wat scherper aan en glimlachte even om zijn
onbescheidenheid.

"Ja zeker," zei ze kortaf en maakte zich gereed om heen te gaan.

"Dan zult u daar niet veel warme pasteitjes proeven, vrees ik," hoorde
zij hem nog zeggen, terwijl ze den winkel uitging. Zij luisterde echter
niet meer, zij vond hem vrij brutaal en liep haastig verder.

Weldra kwam zij nu even buiten de stad bij een brug over de mooie rivier
de Dee en spoedig daarop aan den tamelijk eenzamen weg, dien zij zocht.

Eindelijk zag zij Hill House op een hoogte liggen. Vroolijk zag het er
niet uit, dat moest zij bekennen, want een groot, kaal, grijs gebouw was
het met een menigte smalle ramen en een hooge voordeur, waarvan de verf
nagenoeg verdwenen was. In den gevel stond met groote, zwarte letters,
die thans nog zwarter schenen door de rijp eromheen: Hill House. Alles,
ook de tuin achter het huis, een groote lap gronds met niets erin dan
enkele lage hulststruiken en een verschrompeld kastanjeboompje, gaf den
indruk van armoede en verwaarloozing.

Hedwig bleef een oogenblik staan voordat zij den heuvel beklom. "Dat is
dus Hill House," zei ze met nadruk. "_Veel_ lijkt het, althans van
buiten, niet op het paleis van den baron von Zercläre, maar wie weet hoe
fraai het van binnen is!"

Binnen een paar minuten stond zij voor het huis. Snel keek ze naar
boven of er ook iemand was, die naar haar uitzag. Er vertoonde zich
echter niets voor de ramen en zij liet dus den zwaren klopper op de deur
vallen.

Wat klonk dat hol! Het was of de geheele bevroren heuvel ervan uit een
soort verdooving ontwaken moest--zij vond het haast griezelig! Het
duurde geruimen tijd, voordat de zware deur langzaam open ging en het
begon reeds te schemeren, toen zij eindelijk binnen gelaten werd en,
huiverig geworden van het staan, nòg kouder werd in de lange, donkere,
kille gang, die zij nu door moest loopen.




HOOFDSTUK VI.

Koude en Honger.


"Ik ben de nieuwe onderwijzeres," zei ze tot het meisje, dat de voordeur
geopend had en haar nu zwijgend den weg wees. Het was een armoedig
gekleed, uit de kracht gegroeid kind van een jaar of dertien met een
heel smal gezichtje, waarin de donkere oogen nog donkerder schenen door
de blauwe kringen, die eronder lagen. "Dat weet ik," antwoordde zij met
een heesche stem en Hedwig zei maar niets meer; het spreken kostte het
arme kind blijkbaar moeite.

Aan het eind der gang stonden zij stil bij een deur, die toegang gaf tot
de kamer van Miss Wells, de directrice. Het meisje klopte aan, een
scherpe, hooge stem riep: "_Come in!_" en Hedwig zag Miss Wells voor
zich.

Zij zat op een houten bankje--zooals Hedwig later ontdekte, was er in
het gansche groote Hill House geen enkele stoel te vinden!--aan een
tafel vol papieren, rekeningen te schrijven. Toen zij Hedwig gewaar
werd, stond zij niet op, maar bekeek haar met groote nauwkeurigheid.

"Fräulein Eiche zeker?" vroeg zij kortaf. Hedwig knikte. Wat was het
benauwd in de kamer; zij kon er haast geen adem halen! De overgang van
de snerpend koude lucht buiten tot de overwarme, onfrissche atmosfeer in
het lage vertrek, waar het gas reeds brandde, was al te groot.

Zij hield zich echter dapper, hoewel het moeite kostte, vooral toen zij
Miss Wells nader bekeek, want smakelijk zag die er allerminst uit! Op
het grijze haar, waarvan enkele lokken uit het slordige kapsel waren
losgeraakt en langs de geelbleeke, bolle wangen hingen, prijkte een
mutsje van vuilwitte kant, waarop een stoffige, roodfluweelen strik ter
verfraaiing was aangebracht. Een verkleurde groene japon hing slordig om
de kleine, zeer gezette gestalte en was letterlijk bezaaid met harde,
witte vetvlekken, terwijl Miss Wells over de schouders heen een
vaalzwart, wollen doekje had geslagen, dat van voren met een haarspeld
was vast gemaakt.

Ook de kamer had een zeer onbehagelijk voorkomen en bevatte geen andere
meubelen dan de tafel, de bank en een groote geelhouten kast. Voor de
ramen, waarvan het ontdooiende ijs in druppels afliep, was geen zweem
van een gordijn te ontdekken en op den ongeverfden vloer lag geen ander
"kleed" dan het vuilwitte schapevachtje, waarop Miss Wells hare voeten
liet rusten.

"Luid spreken, als 't je blieft, ik ben doof," zei ze, Hedwig met haar
hoofd op zijde, stuursch aanziende.

Hedwig knikte maar weer.

"Was de trein zoo laat vandaag?"

"Neen, ik ben op tijd aangekomen," riep Hedwig zoo luid ze kon.

"Zoo. En hoe komt het dan dat het nu zoo laat is?"

"Ik heb nog even een wandeling door de stad gemaakt," zei Hedwig
opgewekt.

"O zoo. Ja, dat konden wij niet weten natuurlijk. Ons theeuur is lang
voorbij en dus...." Zij haalde de schouders op.

"Ik ... er zal misschien nog wel wat thee en een boterhammetje voor mij
bewaard zijn?" waagde Hedwig te vragen. Zij had zóó'n trek; ze _moest_
wat eten!

Miss Wells deed alsof zij haar niet verstaan had.

"Wat zegt u?"

Met een kleur, toch zonder verlegenheid, herhaalde Hedwig luide haar
vraag.

De zuinige directrice schudde echter het hoofd. "Wel neen, er is geen
thee meer te krijgen; daarvoor is het nu te laat," zei ze. "Straks wordt
het avondeten gebruikt."

Hedwig hoopte vurig dat "straks" "heel gauw" beteekende!

"Waar is uw koffer?" vroeg Miss Wells verder. Zij was thans opgestaan en
waggelde in al haar dikte naar de schel toe.

"Dien heb ik aan het station gelaten. Mag hij even gehaald worden?"

Met de hand aan het schelkoord, keerde Miss Wells zich toornig om.

"Nog gehaald worden, van avond? Neen hoor, daar kan niets van komen; wij
houden hier geen hotel! Knechten of dienstmeisjes hebben wij ook niet,
want wij doen alles zelf. _Alles_; begrepen? U zult het dan voorloopig
maar zonder uw koffer moeten stellen en dien morgen gaan halen met
Peter en het wagentje. Er kan dan nog wel iemand met u meegaan." Toen,
ter verduidelijking, alsof ze bang was dat Hedwig in den genoemden
"Peter" een manspersoon zou vermoeden, "Peter is onze pony."

"O," was al wat Hedwig zeide. Ze vond het heel vervelend zoo lang op
haar koffer te moeten wachten, maar zij onderwierp zich zonder meer,
begrijpend dat er toch niets aan te veranderen was.

Miss Wells trok nu met een ruk aan de schel en een oudachtig, schamel,
doch net gekleed dametje verscheen, dat er, evenals het meisje, dat
Hedwig binnen gelaten had en dat in de wandeling Taff of Taffy werd
genoemd, heel vermoeid uitzag.

"Dit is onze huishoudster, Miss Ellis," verklaarde Miss Wells. "Zij zal
u den weg wijzen naar de schoolkamers. Miss Ellis, dit is Fräulein
Eiche, de nieuwe onderwijzeres."

"_How do you do_?" zei Miss Ellis en er kwam een vriendelijk lachje op
haar gezicht, toen zij Hedwig de hand reikte.

Hedwig had haast gezegd: "Goed, maar ik heb zoo'n honger," maar ze
durfde niet recht. En ... we krijgen toch straks avondeten, troostte zij
zich.

Zij volgde Miss Ellis een paar nauwe dwarsgangen door, waar het salpeter
van de muren viel en zich in de koude, grijze vloersteenen holten hadden
gevormd door de vele voetstappen, die erover waren gegaan. Er hing een
vunzige lucht en het was er kil en heel vochtig. Bijna even koud was het
in de groote, kale schoolkamers, waar het vuur op den haard veel te
weinig voedsel kreeg en zeer onvoldoende warmte gaf. De ruiten der
gordijnlooze ramen waren dan ook nog stijf bevroren.

Juist toen Miss Ellis en Hedwig binnen kwamen, werd het gas aangestoken
en het schelle licht der door geen ballons of kappen beschermde
gaspitten, viel onbarmhartig duidelijk op de rijen bleeke gezichten der
kinderen, die op banken aan de lange, houten tafels gezeten waren. Het
waren kleine en grootere meisjes van allerlei leeftijd, maar de
gezichten hadden door de sporen van lijden en ontbering, die erop waren
afgedrukt, iets treurig ouwelijks gekregen, dat zeer pijnlijk trof. Een
zonderling kontrast met de tengere kindergestalten vormde bij velen de
kleeding, blijkbaar afval van vroegere draagsters. Want de leerlingen
van Hill House gingen bijna allen gekleed in wat haar door gulle
bloedverwanten of vrienden was afgestaan en de arme weezen en
half-weezen, die alle moederlijke zorg misten, droegen veel te groote
schoenen, te wijde jurken, te korte of te lange rokken en ach, ook maar
al te vaak, veel te dunne stof voor den kouden winterdag.

Het treurige schouwspel, zoo geheel iets anders dan zij nog aan den
ochtend van dien dag, toen zij zoo moedig op reis ging, zich voorgesteld
had te zullen zien, ontroerde Hedwig tot in de ziel. Het was alsof haar
het hart werd toegeknepen en zij kon zich nauwelijks meer inhouden en
legde de hand voor de oogen, terwijl een korte snik haar ontsnapte.

Toen Miss Ellis haar arm aanraakte, vermande zij zich echter terstond.
En in haar hart vormde zich het besluit om zich goed te houden, flink te
zijn en te trachten iets te wezen, zooveel als zij maar kon te wezen
voor die arme, arme kinderen.... God zou haar helpen ook _hier_; dat
_wist_ zij immers!

De huishoudster stelde haar aan de onderwijzeressen voor, maar de
meesten toonden zich vrij onverschillig omtrent haar komst; zij schenen
met een zekere dofheid geslagen te zijn en zagen er vermoeid en slecht
uit. Er waren er ook met een haast terugstootend uiterlijk en Hedwig
hoorde later dat dezen, evenals verscheidene der arme weezen, eenvoudig
naar Hill House waren gezonden om een onderkomen te hebben. Of zij ook
goede en bekwame onderwijzeressen waren, daarop werd niet gelet; werk
was er immers op Hill House toch altijd voor ieder te vinden! Miss
Wells, die zelf weinig anders deed dan brieven en rekeningen
schrijven--vooral het laatste was haar een zeer geliefde bezigheid, die
zij nooit aan anderen overliet--had er zeer goed den slag van, al hare
onderhoorigen hard te laten arbeiden en zeer weinig rust te gunnen. Er
was in het groote, holle huis met zijne talrijke kamers en bewoonsters
veel te doen, al was het er alles behalve weelderig ingericht en Miss
Wells had waarheid gesproken, dienstmeisjes of knechten waren er in 't
geheel niet; alles moest door de overwerkte huishoudster, de
onderwijzeressen en de leerlingen worden verricht.

Twee onderwijzeressen waren er, die op Hedwig door de groote
tegenstelling in haar uiterlijk, een bizonderen indruk maakten. Beiden
bevonden zich in de tweede schoolkamer, die er al even doodsch en triest
uitzag als de eerste, met geen enkele versiering aan den muur dan een
groote landkaart en een stuk of vier andere kaarten, waarop met
reusachtige letters stond gedrukt dat er in de schooluren nooit
gebabbeld en gelachen mocht worden.

De eene onderwijzeres, Miss May geheeten, was met de jongste kinderen
bezig en had op 't eerste gezicht een tamelijk onbeduidend voorkomen.
Maar toen Hedwig haar aanzag, las zij in de blauwe oogen een uitdrukking
van stillen moed, die bizonder weldadig aandeed en te meer trof, omdat
het gezicht zelf er zeer afgemat uitzag.

Zij bleek meer belang te stellen in Hedwig's komst dan de anderen en
sprak haar even vriendelijk toe en Hedwig vond het een verkwikking naar
de welluidende stem te luisteren.

De andere onderwijzeres, Miss Rench, begroette haar slechts met een
koele hoofdbuiging; Hedwig voelde echter, meer nog dan zij het zag, dat
de kleine, doordringende oogen haar scherp onderzoekend opnamen. Er lag
iets vijandigs en sluws in dien snellen blik, dat haar een oogenblik
angstig maakte, haar haar zelfbeheersching benam en de oogen deed
neerslaan, maar even later glimlachte zij om haar vreemde
zenuwachtigheid. Het verbaasde haar echter niet, toen zij te weten kwam
dat Miss Rench in 't geheim "de spion" werd genoemd en dat er zeer, zeer
weinig op de school voorviel, dat haar aandacht ontsnapte en niet door
haar aan de directrice werd medegedeeld.

"Zou ik nu even naar mijn slaapkamer mogen gaan?" vroeg Hedwig eindelijk
aan Miss Ellis.

"Och, dat kan straks wel. Ik zou nu maar hier blijven, als ik u was; uw
mantel en hoed kunnen wel zoo lang op die leege bank neergelegd worden."
En Miss Ellis verdween.

Hedwig had echter volstrekt geen behoefte haar mantel uit te trekken;
zij had het al koud genoeg! Zij zou niets liever gedaan hebben dan eerst
het smeulende vuur in den haard eens ter dege van brandstof voorzien en
dan, als het flink brandde, de ramen openzetten om de vunzige lucht te
verdrijven, die in de school hing en aan rottende kool deed
denken,--maar zij was hier geen meesteres en moest stil afwachten wat er
over haar zou worden beschikt. Zij deed haar best geduldig te wezen en
keek nog eens met aandacht naar de kinderen, toen zij plotseling een
bel hoorde luiden en spoedig daarop een paar der oudere meisjes rond zag
gaan met bladen, waarop stapels sneden ongesmeerd brood lagen om een
kruik met water en een paar leege tinnen kroezen heen.

"Dat zal zeker reeds een voorproefje van het avondeten zijn," dacht
Hedwig blij en zij nam gretig een stuk brood, toen het haar werd
aangeboden en schonk zich een kroes water in.

Zij at met graagte evenals de anderen, hoewel het brood heel oud en hard
en droog was en een zwakke poging der huishoudster om het te roosteren,
nagenoeg was mislukt. Als er ook maar een ziertje boter op geweest was,
zou het veel lekkerder gesmaakt hebben, meende Hedwig en even moest zij
denken aan het smakelijke maal, waarbij Tieka nu alleen zou aanzitten.
Tieka zou eerst half Januari naar haar kostschool gaan; als zij _deze_
school eens had kunnen zien, wat zou zij dan wel voor oogen opgezet
hebben?

Toen het droge brood verorberd was, begonnen de kinderen hunne schriften
weg te bergen. Nu was het dan zeker heel gauw tijd voor het avondeten,
dacht Hedwig.

Daar zag zij Miss Rench waarlijk al weer met half toegeknepen oogen naar
haar kijken. Wat beteekende dat toch? Zij zou haar maar eens gaan
aanspreken, de lessen waren nu toch afgeloopen. Misschien ging haar
gezicht ook wel wat vriendelijker staan, als zij eens even een praatje
met haar maakte. Beleefd ging zij naar haar toe en vroeg:

"Kunt u mij ook zeggen hoe laat hier het avondeten gebruikt wordt?"

"Het avondeten?" herhaalde Miss Rench schamper, terwijl een spottend
lachje om haar mond kwam, "maar dat hebt u net precies op!"

"Zoo, was dat stuk brood...." stamelde Hedwig ontsteld.

"Dat was uw souper, ja. Ik hoop dat het u goed gesmaakt heeft?"

Hedwig antwoordde niet. Dus dàt was het avondeten geweest! Had ze toch
nog maar wat meer gekocht bij dien bakker of aan het station! Ze begon
nu te begrijpen waarom de bakkersbediende haar zoo vreemd had aangezien,
toen zij zeide dat ze naar Hill House moest en maar al te zeer zag zij
thans de waarheid in van zijne voorspelling: "Daar zult u niet veel
warme pasteitjes proeven!"

Maar zij vergat hoe hongerig ze zelf was bij het zien van al die slecht
gevoede kinderen om zich heen en zij voegde zich bij een troepje, knikte
er een paar eens toe, wreef een der jongsten de koude handjes warm en
trok een klein, mager meisje even aan haar vlecht. Het kind zag haar
verbaasd aan met hare weemoedige, grijze oogen. Hedwig ging bij haar in
de bank zitten. "Hoe heet je?" vroeg ze. "Mary Wren," zei het kind heel
ernstig. "En kun je _heelemaal_ niet lachen?" Nu kwam er even een flauw
lachje op het bleeke gezicht. "Neen, neen, nog een beetje meer," drong
Hedwig aan. Maar het kind kon niet; ze begon te hoesten, een akelige,
droge kuch en Hedwig sloeg den arm om haar heen. "Stil maar, stil maar,
praat maar niet."

"Sst.... _No more talking.... Prayers!_" riep een stem en Hedwig zag
Miss Wells binnen komen voor de avondgodsdienstoefening. Met een
eentonige, zeurderige stem las zij de gebeden. Hedwig luisterde
verontwaardigd toe, geschokt door de wijze, waarop de indrukwekkende
woorden van den Engelschen avonddienst werden opgedreund en daardoor
alle kracht verloren. Toch knielde zij neer als de kinderen en zij
vouwde de handen en bad, bad vurig en innig tot God om kracht.

Eindelijk ging het de uitgesleten, vuilgrijze trappen op naar de
armoedige slaapvertrekken, waarvan Hedwig schrikte toen zij ze zag. Ook
hier hing voor geen enkel raam iets, dat ook maar in de verte naar een
gordijn geleek; alles was kaal en guur en onbedekt.

Toen men Hedwig gewezen had waar zij slapen moest, vroeg zij zich voor
de zooveelste maal af, waar zij toch aangeland was en of zij hier
_werkelijk_ zou kunnen blijven; het was haast geen leven in zoo'n
ongezonde, schamele omgeving! Zou zij niet wijs doen met morgen aan den
dag te beginnen met iets anders te zoeken? Wel was het heel moeielijk
iets te vinden....

Juist op dat oogenblik werd even, heel voorzichtig,--nauwelijks kon het
een aanraking genoemd worden--een bevende, kleine hand in de hare gelegd
en zij zag Mary Wren naast zich staan en schuchter tot haar opzien. Haar
hart werd warm. Hoe kon zij nog aan weggaan denken? Natuurlijk bleef zij
immers!

Er stonden op iedere slaapkamer twaalf smalle, ijzeren ledikanten en ook
Hedwig had dus, evenals de andere onderwijzeressen, het opzicht over elf
leerlingen; zij moest bij het uitkleeden tegenwoordig zijn, had men haar
gezegd en daarna mocht zij zelf te bed gaan. Op hare prettige, opgewekte
wijze hielp zij de kinderen om vlug voort te maken, telkens weer de
koude handen wrijvend en een aardigheidje zeggend, als er een het
schreien nader stond dan het lachen. Dan kwam er een blijde glinstering
in de droevige kinderoogen en eens zelfs lachte Mary Wren hardop. Hedwig
knikte haar toe. "Goed zoo!" zei ze.

Maar toen al de elf leerlingen te bed lagen en zij haar één voor één
eens warmpjes in wilde stoppen en de kussens wat opschudden, maakte zich
een hevige verontwaardiging van haar meester. Want nu ontdekte zij dat
de slappe, platte kussens met snippers papier waren opgevuld of opgevuld
heetten en dat de zoogenaamde dekens bestonden uit een zeer goedkoop
soort wollen lappen, waartusschen groote stukken papier waren
vastgenaaid. Geen wonder dat de arme meisjes bijna allen hoestten en
half ziek waren van de koude.

Zoo goed mogelijk dekte zij haar elftal toe; toen ging zij even heen om
te vragen of de een of andere onderwijzeres haar ook een nachtpon zou
willen leenen. Meer dan ooit betreurde zij thans het gemis van haar
koffer en van den warmen wollen doek, dien zij ingepakt had en dien Anna
Schaub haar nog mee had gegeven, toen zij naar Engeland ging. Wat was
dat al lang geleden!

Zij liep op een drafje het donkere portaal over, slaagde er na veel
moeite in, een zeer dun nachtgewaad ter leen te krijgen en snelde toen
naar de slaapkamer terug, om zich al rillend te ontkleeden, terwijl de
aanhoudende vorst de ruiten met een steeds dichtere laag ijs bedekte en
de koude tocht door de slecht sluitende vensters naar binnen drong.

Het was of de eenzame gaspit ook bevriezen ging, zoo flauw was de vlam;
zij hield er even hare handen bij, maar zij voelde er hoegenaamd geen
warmte van uitstralen en toen zij in het voor haar bestemde ledikantje
lag, kon ze van koude en honger eerst niet in slaap komen. Zij verbaasde
er zich over dat de kinderen wèl sliepen; zij hoorde het aan de
geregelde ademhaling, hoewel Mary Wren telkens nog in haar slaap kuchte
en zich soms onrustig bewoog.

Toen zij eindelijk zelf ook ingesluimerd was, werd zij vrij spoedig
weer uit den slaap opgeschrikt door een heftige windvlaag, die het oude
vensterkozijn letterlijk stuk dreigde te schudden. Aan verder slapen was
nu voorloopig niet meer te denken, want de wind werd hoe langer hoe
heviger, deed de ruiten kletteren en loeide om het huis heen met een
gierend geluid, dat Hedwig als een sombere klaagtoon in de ooren klonk.
Een tijdlang lag zij in bijna zwarte duisternis; alleen kon zij door een
der ruiten, waarvan een hoekje door de vorst vrij gelaten was, een
stukje van de donkere lucht onderscheiden. Langzamerhand zag zij enkele
sneeuwvlokken vallen, toen meer, meer, al maar meer en steeds dichter,
tot het een dwarrelende massa werd, waarnaar zij niet meer kijken kon,
zoo duizelde het haar voor de oogen. Eindelijk ging de wind liggen, het
werd stiller en doodelijk vermoeid sloot zij de oogen en sliep nog even
in, nadat zij zich bibberend het dunne dek over het hoofd had getrokken.

Het was nog geheel donker, toen zij wakker werd door het luiden van een
bel. Terstond zat zij overeind in bed.

"We moeten opstaan, dadelijk opstaan, dat beteekent die bel," riep een
der kinderen haar toe en Hedwig sprong moedig het bed uit en stak het
licht aan. Het bleek juist vier uur te zijn!

"Maar dat moet een vergissing wezen," riep zij uit. "Neen, neen, het is
geen vergissing, wij staan altijd om vier uur op," zei Mary Wren al
kuchend. "Miss Ellis zelf is er altijd al om half vier uit om ons wakker
te kunnen bellen...."

Hedwig zuchtte; ze was nog zóó weinig uitgerust! En wat een tooneel zag
zij voor zich! Bibberend, half schreiend van de koude, stonden daar de
arme kinderen zich aan te kleeden of te wachten, tot haar beurt zou
komen om zich te wasschen. Want midden in de kamer bevond zich een
ruwhouten tafel met vier waschkommen en een reusachtige kan met water;
hier konden er zich vier te gelijk wasschen, wie er niet gauw genoeg bij
was, moest wachten tot er weer een kom open kwam.

Vandaag ging het wasschen met nog meer moeielijkheden gepaard dan
anders, omdat de dikke stukken ijs in het water dreven en het dooien
daarvan boven het gas--wat Hedwig beproefde--al heel langzaam ging. Zij
moest aan Tieka denken, die zulk "echt winterweer" altijd zoo mooi en
zoo heerlijk vond. Als zij deze slecht verzorgde kinderen eens had
kunnen zien, hoe zouden hare donkere oogen dan gekeken hebben?

De scherpe noordoosten wind drong door tot in het vertrek en op de
vensterbanken binnenin de kamer lag een dikke, ruige laag sneeuw; ook op
den houten vloer was sneeuw gevallen. Was zij wel ooit in haar leven zóó
koud geweest?

Daar luidde alweer een bel en nu moesten allen zich haasten om langs de
donkere trappen naar beneden te gaan en in de groote, kille schoolkamer
bij de ochtendgebeden tegenwoordig te zijn, die door Miss May werden
gelezen; de directrice vertoonde zich eerst later op den dag. Voor de
zuinigheid brandde er nu slechts één gaspit, wat alweer Hedwig's innige
verontwaardiging opwekte. Daarbij kon ze van vermoeidheid en van honger
haast niet op hare beenen blijven staan.

Wat schandelijke toestanden waren dat hier toch! Zij nam zich voor zoo
gauw als ze maar kon aan de barones von Zercläre te schrijven en haar
eens goed op de hoogte te brengen van alles wat zij hier zag en
ondervond; zij zou zoo iets toch zeker ook beneden alles vinden en haar
helpen willen om er verandering in te brengen.

O, wat leek het haar heerlijk toe, al was het maar één oogenblikje, bij
Tieka te wezen en in de aardige kinderkamer van het mooie, Edinburgsche
huis! Het scheen haar nu toe, terwijl zij hier in de kale, onbehagelijke
schoolkamer stond in die bedompte atmosfeer, haast in halfduister en te
midden van zooveel treurige kindergezichten, alsof het al veel langer
dan één dag was geleden dat zij van Tieka afscheid had genomen....

Men vertelde haar dat het ontbijt op half zeven was vastgesteld. En nù
was het pas vijf uur! Hoe hield men dat uit? Ze zou maar hard met de
anderen meewerken--wat trouwens ook zeer beslist van haar verwacht
werd--dan vergat zij haar honger wellicht! Er moesten nu schoenen
gepoetst worden, brandstoffen gehaald, trappen, portalen en kamers
worden aangeveegd, bedden opgemaakt, kannen met water gevuld en allerlei
andere werkzaamheden worden verricht, waarvan ieder, ook de allerjongste
leerling, haar deel moest vervullen.

Mary Wren bleef zooveel mogelijk in Hedwig's nabijheid; blijkbaar had
zij reeds nu genegenheid voor haar opgevat. Telkens hoorde Hedwig het
korte, droge kuchje en waar ze maar kon, hielp zij het zwakke kind en
gaf haar een vriendelijk woord.

Eindelijk klonk de ontbijtbel door het huis en nu konden de ijverige
werksters zich te goed doen aan bizonder slappe thee--"gootwater" hoorde
Hedwig fluisteren--zonder suiker en _zeer_ oudbakken brood, want het was
op Hill House een wet dat de bakker er slechts eens in de veertien dagen
versch brood mocht brengen. Op de sneden brood was, in plaats van
boter, een dun laagje moes van gestoofde appelen gesmeerd.

Een heel lekker ontbijt was het niet, toch at Hedwig het hare gretig op.
Zij miste de boter al minder dan den avond te voren en dat was maar goed
ook, want boter was op Hill House een ongekende weelde en _als_ er al
soms op de dikke sneden zoogenaamd geroosterd brood, die als "avondeten"
werden rondgediend, iets glinsterde, dat heel in de verte aan boter deed
denken, dan was dit slechts een soort van _dripping_, afgedruppeld
vleeschvet, dat onmogelijk lekker smaken kon, omdat voor Hill House
nooit wezenlijk goed vleesch werd gekocht.

En ook appelmoes, al is het nog zoo smakelijk toebereid--wat van dat op
Hill House niet verklaard kan worden--verveelt op den duur. Hedwig had
gelegenheid dit te ondervinden, toen het haar dag in, dag uit, werd
voorgezet: bij het ontbijt, aan de thee en bij het stuk avondbrood. De
boeren in den omtrek verkochten hunne gedroogde appelen tegen zeer lagen
    
<<Page 4   |   Page 5   |   Page 6>>
Go to Page Index for Een Heldin

You are here --- [ Home / Author Index K / A.C. Kuiper / Een Heldin / Page #5 ]