|
|
Woensdagochtend in Londen zijn en u per rijtuig naar het station King's
Cross laten brengen. Als u een voorspoedige zeereis hebt, vinden wij
elkaar daar en u reist met ons door naar Edinburg. Voor alle zekerheid
geef ik u ons adres in Edinburg ook nog. Hier is het, benevens het geld
voor uwe reis."
Hedwig nam het couvert met een zeer dankbaar gezicht in ontvangst.
"Ik zal erg mijn best doen...." stamelde ze.
"Daarop vertrouw ik ook zeer zeker," zei de barones koel. "Dag Fräulein
Eiche, ik geloof dat wij nu alles goed hebben afgesproken en ons
onderhoud als geëindigd kunnen beschouwen."
Zij schelde en de kellner verscheen weer. Hedwig maakte een diepe
buiging voor haar aanstaande meesteres en verdween.
"O, o, wat _ben_ je lang weggebleven! Ik dacht dat ik je nooit weer
terug zou zien. En hoe is het?" riep de trouwe Anna Schaub, zoodra zij
haar het hotel uit zag snellen.
"Aangenomen!" riep Hedwig met een stralend gezicht. "Aangenomen als
gouvernante bij een allersnoesigst meisje van tien jaar. En zij wonen in
Schotland, in Edinburg, en Maandag moet ik eerst naar Londen en ik ben
zoo dol, dol, dolblij dat ik jou even een kus _moet_ geven!"
En tot verbazing van de voorbijgangers drukte zij Anna opeens een
hartelijken kus op de wang.
"Niet doen! Niet doen!" riep Anna onthutst, maar Hedwig lachte maar.
"Den baron heb ik nog niet gezien," ging zij voort, heel rad sprekend,
"van hem kan ik je dus nog niets vertellen; dat komt dan later wel. O,
nu zal ik moeder echt kunnen helpen! Ik schrijf dadelijk naar huis. Wat
zal Clärchen ophooren! Zij zal natuurlijk alles van Tieka willen weten."
"En je leeftijd," vroeg Anna, "was die geen bezwaar?"
"Neen, daar heeft de barones _gelukkig_ niet naar gevraagd. Ze merkte
wel een paar malen op dat zij me jong vond, maar ze denkt toch bepaald
dat ik minstens twintig ben...."
Anna schudde zwijgend het hoofd; ze zag met zekeren weemoed naar het
jonge meisjesgezicht, op dit oogenblik haast weer geheel een
kindergezicht, dat blij en onbezorgd het leven in keek. "Ik hoop heel
hartelijk dat het je niet tegen zal vallen," zei ze.
"Daar ben ik niet bang voor," klonk het opgeruimd uit Hedwig's mond.
HOOFDSTUK II.
"My Dear!"
De brief naar huis werd dadelijk geschreven: Hedwig's pen vloog over het
papier. "O moeder, ik ben zoo blij, zoo vreeselijk blij, vooral omdat u
ook zoo blij zult zijn," schreef zij. "Prachtig, drie malen blij in één
zin, vindt u niet? En dat nog wel voor een gouvernante! Maar u plaagt
mij altijd omdat ik zoo graag een woord, dat me bevalt, vaak gebruik,
weet u wel? Dat moet u nu echter maar over het hoofd zien; het komt
allemaal omdat ik het zoo heerlijk, _heerlijk_ vind dat ik zoo gauw iets
goeds gevonden heb. Ik zal u alles haarfijn vertellen...."
Wat ging dat vlug en wat waren er gauw een paar velletjes vol, dacht
Anna. Hedwig moest toch wel bizonder knap zijn en de barones von
Zerkläre mocht het wel op prijs stellen dat zij zoo'n flink, lief
gouvernantetje bij haar kind kreeg!
Hedwig's moeder schreef per keerende post een brief terug vol liefde en
hartelijke groeten van haarzelf en van Clärchen. Hedwig zou toch immers
dadelijk weer thuis komen, als deze werkkring haar niet beviel? Er zou
dan zeker wel wat anders voor haar te vinden wezen en zij was nog zoo
heel jong....
Maar Hedwig twijfelde er geen oogenblik aan of alles zou heel goed en
prettig gaan. Zij had lust in het werk en verlangde te beginnen en het
was met een opgewekt gezicht en een moedig hart dat ze Maandags afscheid
van Anna Schaub nam en haar plaatsje op de boot naar Londen veroverde.
Anna had haar een grooten koffer afgestaan, "een echt ouderwetsche
Duitsche reiskist, een huis haast," zooals Hedwig lachend beweerde. Zij
hadden allerlei inkoopen gedaan en Hedwig voelde zich heel rijk met een
paar nieuwe blouses en een sterken, serge rok. De koffer was ten slotte
nog geheel vol geworden, wat Anna triomfantelijk had doen uitroepen:
"Zie je wel dat hij niet te groot is? Het maakt ook dadelijk veel beter
indruk, als je met een flink stuk bagage komt," en Hedwig was haar
dankbaar geweest voor hare goede zorgen en had meer dan eens gezegd:
"Ik stuur je later terug wat je voor me betaald hebt, hoor; reken daar
vast op."
Nu was het afscheid achter den rug en lag ze languit op de bank in de
dameskajuit van de boot, die haar naar Londen zou brengen. Het was
donker, druilerig weer en zij had geen neiging gevoeld lang op het dek
te blijven, waar de fijne motregen haar huiveren deed. Anna had haar
taschje gevuld met "allerlei, waarin je zeker wel trek krijgen zult," en
soms betastte zij het eens even; het was haar net of Anna daardoor weer
wat dichter in haar nabijheid was. Zij had nog in 't geheel geen
"trek", maar ze moest herhaaldelijk aan Anna en hare trouwe liefde
denken. Het was toch wel eenzaam nu, vond ze. Zij sloot de oogen en
bewoog zich niet; ze wou zorgen dat ze spoedig in slaap kwam, maar
telkens weer zag zij Anna Schaub voor zich en haar moeder en
Clärchen....
Langzamerhand viel zij in een lichte sluimering. Ze was echter weinig
verkwikt, toen ze 's ochtends vroeg klaar wakker werd en kreunend keerde
zij zich af, toen de hofmeesteres iets tot haar zeide. Ook later op den
dag voelde zij volstrekt geen verlangen om op te staan; haar hoofd
klopte en ze was heel vermoeid. "Nu ben ik dus zeker zeeziek", dacht ze.
Zij was nog nooit op zee geweest en had wel eens gezegd dat zij graag
zou weten hoe dat was: zeeziek zijn. Nu wist zij het dan!
Tegen den avond werd zij beter en kon zij zelfs met smaak wat gebruiken
en vrij vroeg viel ze weer in slaap, om eindelijk tot haar groote
vreugde gewekt te worden met het bericht dat men Londen naderde.
Wat een drukte en gewoel om haar heen, toen ze boven kwam en hoe vreemd
was het bij het aan land komen onder al die gezichten geen enkel te
vinden, dat haar bekend was en een welkom toeknikte!
De regen was opgehouden en eerst heel flauwtjes, toen wat helderder,
begon de zon te schijnen. Het stemde Hedwig opgewekter. "Ik hoop dat
moeder en Clärchen en Anna Schaub die zon ook zien en aan mij denken,"
dacht zij even; toen kreeg zij het te druk met haar koffer en het zoeken
naar een vigilante om zich aan gepeins over te kunnen geven.
Ze kwam in een energieke stemming, terwijl ze door de drukke, Londensche
straten reed en met groote oogen keek naar al dat nieuwe, geheimzinnig
onbekende, dat haar met magnetische kracht aantrok. Zij vond ze mooi die
grijze gebouwen, waarop, door een dunnen nevel heen, als een waas van
zonlicht lag, de plotselinge kijkjes op de rivier met het bijna stille,
even rimpelende water, waarover de booten en schepen schenen heen te
glijden, de bruggen met hare ranke bogen en de bevallige _hansoms_, die
haar _cab_ voorbij snelden; en door het open raampje keek en luisterde
ze nieuwsgierig naar de pratende en roepende menigte. Het was haar haast
alsof zij in een tooverwereld was, ook om dat wonderbaar teere,
zachtgele licht, dat zij nergens ooit zóó had zien schijnen en met een
soort van schok kwam ze tot zichzelf, toen zij King's Cross station
binnen reed en de vigilante stil stond.
Wat een volte! Zij werd er een oogenblik door verbijsterd. Hoe moest zij
onder al die menschen de barones en Tieka vinden? Zij sprong uit de
vigilante en keek even verschrikt naar haar japon, die door de lange
reis erg gekreukeld was. Zij streek er haastig met haar hand overheen;
ze had geen tijd er veel aandacht aan te geven, want de koetsier moest
betaald worden, onderwijl nam een _porter_ haar koffer op zijn kruiwagen
en keek haar vragend aan en intusschen zochten hare oogen, zochten ...
om niets te vinden dan een pratende, bevelende, dravende menschenmassa,
waaronder niemand zich harer ook maar in 't minst aantrok.
Daar stootte de koetsier haar aan den arm. Wat zeide hij toch allemaal?
Hij sprak zoo rad en zulk raar Engelsch; zij kon hem haast niet
verstaan. Zij had hem geld gegeven en hij had het op de vlakke hand
gelegd en wees er voortdurend naar. Vond hij het niet genoeg? Hedwig
meende dat hij reeds meer had gekregen dan hem toekwam; nu legde zij er
toch nog maar een _shilling_ bij. De _cabby_ knikte: "_All right_" en
reed weg.
"_Where to Miss?_" vroeg de kruier. "_Come along._"
"Edinburg," zei Hedwig wat geagiteerd. "Edinburg," maar ze sprak den
naam zoo Duitsch uit dat de man haar niet begreep en de schouders
ophaalde. "_Got your ticket?_" vroeg hij. Neen, Hedwig had nog geen
kaartje. "Scotland," zei ze, "Edinburg!" Nu wist hij wat zij meende. Dan
moest ze voortmaken, ze had nog maar drie minuten tijd. En Hedwig liet
zich den weg wijzen, nam in de haast een kaartje derde klasse in plaats
van eerste, hoewel ze bij het reisgezelschap van de familie von Zercläre
behoorde en liep op een drafje met haar geleider naar den trein. Daar
ontdekte ze zoowaar in de verte het aardige figuurtje van Tieka! Haar
ruime, lichte reisjurk stak frisch af bij de donkere kleeding van eenige
heeren, die naast haar stonden. Kijk, nu had zij Hedwig ook gezien! Ze
wuifde met beide handen en wilde naar haar toesnellen, maar Hedwig zag
nog juist hoe een hand uit den coupé haar terughield. Toen werd ze zelf
door een ondernemenden conducteur een derde klasse wagen ingetild.
Ze kwam naast een dikken heereboer te recht. "Dat is nog maar net
bijtijds," zei hij. "_Yes indeed_," antwoordde zij hijgend.
"Koffer in den goederenwagen. Alles in orde, _Miss_," klonk nu de stem
van den kruier, die zijn gezicht door het raampje stak.
"O!" riep Hedwig. Dat was waar ook; ze moest dien man nog betalen!
Schielijk haalde ze haar portemonnaie te voorschijn en zocht naar
kleingeld. De lokomotief floot af.
"Hier," en zij liet heel den schat van groote, koperen _pennies_, die
ze bij zich had, in zijn hand glijden, waardoor haar beurs aanmerkelijk
lichter werd. "_Thank you_," zei de man en verdween; meteen stootte
Hedwig's arm tegen den knop van den dikken stok, dien de heereboer
tusschen zijn beenen hield, haar portemonnaie gaapte wijder en de
geldstukken vielen er uit en verstrooiden zich over den grond.
"_Ach, du liebe Zeit!_" liet Hedwig zich ontvallen en de heereboer keek
haar aan met een medelijdenden blik. "Hoe jammer voor dat jonge meisje
om geen Engelsche te zijn," dacht hij met de eigenaardige verwaandheid
van een Engelschman, maar trots zijne dikte, hielp hij haar toch heel
gedienstig het geld weer bij elkaar zoeken.
Hedwig telde na of zij alles had. Tot haar schrik mistte zij nog het
eenige goudstukje, dat zij in haar beurs had gehad. Ze boog zich
voorover en keek scherp rond of zij op den grond tusschen de voeten en
neerhangende kleeren der andere reizigers ook iets zag blinken; tot haar
groote teleurstelling vond zij echter niets. Zij schudde haar
portemonnaie uit op haar schoot, misschien was het tien-shillingsstukje
in een hoekje achter gebleven, hoopte ze, toen het andere geld op den
grond viel,--maar zij zag zich bedrogen in die hoop.
Ze ging heel rechtop zitten met het vaste voornemen nu maar niet meer
aan dat ongelukkige goudstukje te denken, toen zij opeens iemand in haar
nabijheid in mooi, duidelijk Engelsch hoorde zeggen:
"Mag ik u dit misschien aanbieden?"
Opkijkend zag zij het vriendelijke gezicht van een heer, die tegenover
haar zat, maar zoo ver in zijn hoekje gedoken was geweest dat zij hem
nauwelijks had opgemerkt.
"Dit" was ... het verloren geldstukje en zij nam het gretig van hem aan.
"_Thank you_," zei ze, dubbel blij omdat zij zoo goed begrijpen kon wat
hij zeide.
"Ik had het al opgeraapt voordat u het mistte," zei hij vroolijk. "Het
was niet beleefd van mij het u niet terstond ter hand te stellen, maar
om de waarheid te zeggen, had ik plezier in uw verlegenheid. U bent een
Duitsche, niet waar? Mag ik vragen of u wellicht ook naar York gaat?
Mijn oudste dochtertje is daar op kostschool en ik ga haar bezoeken. Ik
dacht ... het was maar een inval natuurlijk, dat u misschien een
aanstaande medeleerlinge van haar zoudt kunnen zijn. Er zijn daar meer
Duitsche meisjes."
Hedwig voelde snel naar haar kapsel. Ja, het haar was nog wel
opgestoken. Hoe akelig dat zij er nu toch weer zoo lastig jong uitzag!
"Neen" zei ze bedeesd, "ik ga niet naar York, ik ben op weg naar
Edinburg."
"Och, dat spijt me."
"Ik ben niet rijk," zei Hedwig met een vaag besef dat zij hem niet in
den waan mocht laten als zouden zijn dochter en zij in gelijke
omstandigheden verkeeren. "Ik ga in betrekking als gouvernante." Het
kwam er zoo eenvoudig en bedaard mogelijk uit, haast alsof zij reeds
jaren als gouvernante was werkzaam geweest, toch keek de heer tegenover
haar heel vreemd op en de dikke heereboer liet zich ontvallen: "_Well, I
never...!_"
Hedwig voelde zich min of meer in haar eer getast. "Ik vind het heel
prettig," zei ze met nadruk.
"Daar ben ik blij om," zei de heer tegenover haar, "maar ... leven uwe
ouders nog?"
"Mijn moeder leeft nog," zei Hedwig zacht.
De vreemde heer vroeg niet verder en Hedwig zweeg thans ook liever.
Waarom keek hij zoo ernstig en waarom vond hij het blijkbaar heel
vreemd dat zij als gouvernante de wereld inging? Het kwam er toch niet
zooveel opaan of zij pas vijftien was, ze zou spoedig genoeg achttien
wezen; drie jaren waren gauw om!
Ze vond het niet onaangenaam dat beiden, de heereboer en de heer, wiens
dochtertje te York school ging, bij die plaats den trein verlieten en
zij tot aan Edinburg toe geheel met rust gelaten werd. Het was een vrij
lange reis van Londen af--een uur of acht sporen---en zij begon hongerig
te worden en verorberde met graagte wat zij nog in haar taschje had, al
waren de broodjes met tong erg oud geworden en al was het stuk _Kuchen_
nu wat lederachtig van smaak.
Zij schudde de kruimels van haar japon af en stond op om aandachtig het
raampje uit te kijken, toen de trein Waverley-station binnen reed. Zij
was dus nu te Edinburg! Nu moest zij terstond zorgen dat ze de familie
von Zercläre in het oog kreeg en zich bij haar voegen; de barones zou
zeker ook wel al naar haar uitzien.
Maar was het te Londen aan het station King's Cross vol geweest, te
Edinburg aan het reusachtige Waverley-station was het nog veel en veel
voller, ook omdat alle reizigers hier den trein verlieten. Daarbij was
de trein zoo buitengewoon lang dat het Hedwig toescheen alsof er geen
begin of eind aan was. Zij kon zich ook onmogelijk herinneren bij welken
coupé ongeveer zij Tieka had zien staan. Zij meende dat zij een goed
eind naar rechts moest gaan, maar toen ze zich met niet geringe moeite
een weg had gebaand tusschen karren, kruiwagens, kisten, manden, fietsen
en dringende, ongeduldige reizigers door, verbeeldde zij zich weer dat
ze te ver was geloopen en op een geheel andere plek zijn moest. Het was
lastig zoeken op deze wijze. Ze begreep ook niet waarom de barones niet
iemand naar haar toestuurde; zij wist toch dat ze met dezen trein mee
was gekomen en ze wist ook dat zij, Hedwig, hier geheel vreemd was!
Intusschen zag ze wel in dat ze zóó toch niets verder kwam. Komaan, ze
moest dan eerst maar eens zien dat ze haar koffer kreeg; ze kon dan in
ieder geval wel weer een rijtuig nemen en zich naar het huis van den
baron von Zercläre toe laten brengen. Zij had toch immers het adres nog
in haar portemonnaie? Ze keek eens even, maar ... neen, nu zag zij het
niet meer! Ze had het zeker verloren meteen toen ze het geld liet
vallen, wat moest zij nu beginnen? Ze bedacht zich niet lang en trachtte
zoo vlug als het ging, terug te keeren naar den coupé, waarin ze gezeten
had. Zij was boos op zichzelf dat ze niet op het nummer had gelet. Wacht
eens ... hier was het geweest ... neen, toch niet! Waarom waren er ook
zóó vele wagens derde klasse? Zij kreeg het erg benauwd en warm; heel
spoedig echter keerde haar moed terug. Den baron von Zercläre zou men in
Edinburg toch wel goed kennen en natuurlijk zou men haar weten te
zeggen, waar hij woonde.
Eerst dan haar koffer maar! Wat bleef het nog woelig en vol op het
perron en wat was iedereen gejaagd, tot zelfs de beambten toe!
Het viel haar op dat alles hier veel minder geregeld en vlug in zijn
werk ging dan in Londen. En _waar_ was haar koffer toch? Men had de
goederenwagens thans geheel ontladen, stapels bagage waren op het perron
neergezet. Hedwig kon er eerst haar koffer maar niet tusschen ontdekken;
ze was echter vast besloten het station niet te verlaten, voordat ze
haar eigendom veilig weer in haar bezit had. Haar volharding was niet te
vergeefs en met den uitroep:
"_Ach, da bist du ja, mein liebes Haus!_"--een uitroep, die een paar
krantenjongens verschrikt deed omkijken--zette zij eindelijk haar
elleboog op haar koffer neer om er pal bij te blijven staan, tot een der
dravende kruiers het wat minder druk zou krijgen en haar aan een rijtuig
zou kunnen helpen.
Het werd donkerder en zij begon er zeer naar te verlangen eindelijk
geheel het doel van haar reis te bereiken; maar, toen zij er met moeite
in geslaagd was een der voorbijsnellende kruiers bij den arm te grijpen
en te dwingen naar haar te luisteren, kwam ze nog niet veel verder. Want
hij schudde het hoofd, toen zij den naam von Zercläre noemde. "Nooit van
gehoord!" verzekerde hij, om toen een paar andere _porters_ te hulp te
roepen, die met hoog beladen wagens met bagage voorbij kwamen. Hun
antwoord was al even onbevredigend en ook twee spoorbeambten om
inlichting gevraagd, konden die niet geven.
Het begon Hedwig bang te moede te worden. Wat moest ze doen? Te vergeefs
spande zij zich in om zich het bewuste adres te binnen brengen, maar hoe
meer ze haar best deed haar geheugen te hulp te komen, des te erger liet
het haar in den steek! Het werd er niet beter op, toen zij zich
plotseling wèl herinnerde, dat de barones haar verteld had dat zij nog
maar eenmaal en slechts enkele maanden in Edinburg hadden gewoond....
Het was dus nauwelijks meer dan natuurlijk dat de naam von Zercläre nog
niet algemeen bekend was.
Steeds met den arm op haar koffer geleund, stond zij er ernstig over na
te denken wat ze toch beginnen zou, want het werd hoe langer hoe later
en heel veel langer zou ze hier niet kunnen blijven staan! Ze _moest_
dat lastige adres weer te weten zien te komen. Was het niet een
_square_? Ja, dat meende ze zeker te weten, maar hoe heette dat square
nu toch ook weer?
Daar ontdekte zij in de verte een palfrenier in keurige livrei; hij kwam
snel op haar toe en zij kreeg een kleur van verrassing, toen hij beleefd
voor haar boog met de vraag of zij de Duitsche dame was, die bij den
baron von Zercläre verwacht werd.
"_Yes, Yes, Yes!_" riep zij opgewonden, erg blij dat er eindelijk hulp
kwam opdagen.
In een ommezien had de palfrenier iemand gevonden, bereid de zorg voor
den koffer op zich te nemen. "_The carriage is waiting_," zei hij, zich
weer tot Hedwig wendend en zij volgde hem het station uit naar een
fraai, met twee vlugge, jonge paarden bespannen rijtuig, dat, met den
statigen koetsier op den bok, gereed stond haar verder te brengen. Ze
zag dat er niemand in zat, wat haar even verwonderde, maar zij begreep
dat de familie von Zercläre reeds thuis moest zijn.
Beleefd stak de palfrenier zijn hand uit om haar bij het instappen te
helpen; zij vond echter dat zij het wel zonder zijn hulp kon stellen en
wilde vlug de trede opwippen, toen de hak van haar schoen haken bleef in
het boorband van haar japon, dat losgeraakt was.
"_Nein!_" riep ze verschrikt en ze zou gevallen zijn, als de voorkomende
palfrenier het niet verhinderd had.
Het band scheurde een heel eind verder af. Zij vond het erg verdrietig;
nu zag zij er nòg minder netjes uit en ze schaamde zich voor den
palfrenier en voor den koetsier, die even omgekeken had.
[Illustration: Het standbeeld van Walter Scott in Princesstreet, Edinburg.]
Haastig onderzocht zij of ze geen speld bij zich had; ze kon er echter
nergens een vinden. Zou de palfrenier ... maar wat _was_ speld ook weer
in 't Engelsch? Het was haar opeens alsof ze geen enkel Engelsch woord
meer wist!
Daar had zij het! "_Pin ... pin!_" riep ze. "_Have you a pin for me?_"
"_Certainly_," zei de palfrenier, wiens mondhoeken verraderlijk begonnen
te trillen en hij nam vier kostbare spelden van den binnenkant van zijn
jas en reikte haar die over.
Ze dankte hem met een vriendelijk knikje. Hij sloot het portier en met
een zucht van welbehagen leunde zij achterover tegen de zachte kussens
van het rijtuig om zich echter al heel spoedig weer voorover te buigen
en gretig het raampje uit te kijken, terwijl zij Edinburg doorreed.
Het was mooi, frisch weer en het eigenaardig bekoorlijke licht, dat den
avond vooraf gaat, scheen over de schilderachtige stad. Op enkele
plaatsen waren de lantarens reeds aangestoken en achter sommige
winkelramen wierp reeds het kunstlicht een zacht schijnsel op kwistig
uitgestalde, veelkleurige Schotsche zijde en op aardiggevormd bruin- en
-geel aardewerk en kristal. Hedwig keek nieuwsgierig naar een paar
stoergebouwde, Schotsche soldaten, die vlak langs haar rijtuig gingen en
er met hunne frissche gelaatskleur, lichte jassen, korte, geruite
_kilts_ (rokjes) en groote, witte pluimen aan de lederen ceintuurs,
flink en krachtig uitzagen. Verrast keek zij op, toen ze tegenover de
weelderige winkels in Princes-street, in het stille avondlicht, hoog op
een rotsblok, de ruïnes zag liggen van het oude, grijze kasteel en
daaronder de takken der boomen van het fraaie park zag wuiven, waarin ze
nog juist met een oogopslag het beroemde Scott-monument kon
onderscheiden. Noemden de menschen in Edinburg dit een _straat_?
Prachtig mooi vond zij alles van toon en kleur en het onwezenlijke
halfdonker maakte den rit niet minder aantrekkelijk.
Met innig genot ademde zij de geurige lucht in, die door het open
raampje naar binnen kwam en haar hand gleed streelend langs de zachte
zijde der rijtuigkussens, maar toen het rijtuig stilhield voor een groot
heerenhuis, waaruit veel licht naar buiten scheen, begon haar hart
sneller te kloppen en drukte zij de handen even stijf tegen elkaar.
Zou Tieka al in de gang staan om haar op te wachten en ... de barones
misschien ook en zouden zij zich erg ongerust gemaakt hebben over haar
lang weg blijven? Zij sprong vlug het rijtuig uit en liep haastig het
huis in, maar in de hooge, fraai gemeubileerde gang was niemand dan een
zeer deftige knecht, die even voor haar boog met de woorden:
"_What name, please?_"
Haar naam? Hedwig vond het vreemd dat hij dien vroeg, iedereen wist toch
natuurlijk dat Tieka's Duitsche gouvernante elk oogenblik verwacht kon
worden! De knecht scheen hiervan echter volstrekt niet op de hoogte te
wezen en ze noemde hem haar naam en liet zich den weg wijzen naar een
vertrekje aan 't eind der gang. Ze moest een heele poos wachten, voordat
een tweede knecht verscheen om haar naar een schitterend verlichte
_drawing-room_ te brengen, waar de barones en de baron von Zercläre, een
mager, nietig, blond mannetje met een vrij onbeduidend uiterlijk,
aanwezig waren.
De barones gedroeg zich, naar Hedwig voorkwam, nog statiger dan toen zij
haar voor het eerst zag. Zij raakte Hedwig's hand even aan met hare
vingertoppen, stelde haar als ter loops voor aan den heer von Zercläre,
liet haar blik glijden over Hedwig's kleeding en zei:
"We hebben nog naar u uitgekeken aan het station, maar de volte belette
ons u te vinden; daarom zond ik u later het rijtuig maar. Ook van
ochtend in Londen hebben wij elkaar gemist. U hebt een goede reis gehad,
hoop ik?"
"Het gaat wel, dank u," antwoordde Hedwig kortaf, onder den indruk van
de koele ontvangst. Toen snel, omdat ze zag dat de barones weer naar het
gekreukelde japonnetje keek:
"Ik ben zeeziek geweest en van ochtend ging alles wat haastig; daarom
zie ik er...."
"O ja, juist, juist," viel de barones in met een gebiedend gebaar van
haar hand, alsof zij zeggen wilde: "Spaar mij verdere bizonderheden".
"Als u nu maar naar boven gaan wilt, dan zal men u uwe kamer wijzen en u
daar uw _supper_ en wat thee brengen."
Zij schelde en een keurig gekleede jonge vrouw--"heelemaal een dame",
vond Hedwig--verscheen; zij was de kamenier der barones.
Juist wilde Hedwig haar de kamer uit volgen, toen de baron, die zich
onledig hield met door het vertrek heen en weer te loopen, toevallig
zijn voet zette op een lus van het vastgespelde boorband van haar japon,
dat daardoor nog een heel eind verder afscheurde.
"O pardon, pardon," riep hij uit, onthutst naar zijne vrouw kijkend,
maar deze, die de spelden ontdekt had, zei alleen koud: "U zult
verstandig doen, Fräulein, met u spoedig te verkleeden," en keerde
Hedwig toen den rug toe. Hedwig was blij, toen zij de kamer weer uit
was. Onder diep stilzwijgen ging de deftige kamenier haar nu voor naar
een hoogere verdieping. Hedwig zag wel hoe zij haar op het portaal met
een trotsch toegeknepen mondje, van het hoofd tot de voeten op nam, maar
ze liet er zich niet door uit het veld slaan. Zij _zag_ er ook werkelijk
niet netjes uit, moest zij bekennen ... maar o, ze was ook zoo moe en
... het juffertje naast haar had zeker wel gemakkelijker reis gehad dan
zij!
Ze had zich de ontvangst hartelijker en prettiger voorgesteld, maar als
zij maar eenmaal gewend was, zou alles zeker goed gaan. Het was nu ook
nog zoo vreemd....
Daar werd aan het eind van het portaal een deur met een ruk geopend en
een bevallige, kleine gedaante, geheel in het wit, vloog Hedwig te
gemoet. "_Ach du liebe, kleine_ Tieka!" riep Hedwig en er sprongen haar
tranen van blijdschap in de oogen. Want Tieka sloeg de armen om haar
hals en drukte zich tegen haar aan. "_Oh, I am glad, glad!_" riep ze en
zij beduidde de preutsche kamenier dat zij nu wel heen kon gaan; zij
zelf zou "Fräulein" verder den weg wel wijzen. "Ik mocht niet naar
beneden," fluisterde zij Hedwig toe, "maar ik had toch het rijtuig wel
gehoord!"
Ze duwde Hedwig de kinderkamer in, die er met de aardige, kleurige
platen aan den muur, vroolijk uitzag, schoof bedrijvig een gemakkelijken
stoel voor haar aan en dwong haar te gaan zitten en achterover te
leunen. "Zie zoo, rust nu maar eens flink uit," zei ze als een klein
moedertje en ze trachtte Hedwig den hoed af te zetten en haar mantel los
te maken, maar Hedwig sprong lachend op. "Wijs mij mijn kamer eerst maar
eens, Tieka," zei ze en Tieka gehoorzaamde dadelijk. Zij opende een
tusschendeur, die toegang gaf tot een kleiner vertrek, waar sierlijke
miniatuur-meubeltjes stonden: rieten tafeltjes, stoeltjes, twee
linnenkastjes, een kookkacheltje, in een hoek een rij ledikantjes,
toilettafeltjes met licht neteldoek en blauwe strikjes getooid, in een
anderen hoek een pers en mangeltafeltje, strijkplank met toebehooren en
allerlei andere benoodigdheden voor het poppengezin, dat hier wonen
moest.
"Dit is de kleine kinderkamer," zei Tieka, die haar Engelsen en Duitsch
erg door elkaar haspelde, "hier kunnen wij zoo heerlijk spelen! Mijn
poppen zijn nog ingepakt; ik verlang ernaar dat zij uit die donkere
koffers komen, morgen moeten zij hier een feestje hebben. En dit," weer
opende zij een tusschendeur, "is uw kamer, vlak naast mijn
slaapkamertje, dat vind ik zoo heerlijk!"
Onwillekeurig knikte Hedwig blij, toen zij hier haar grooten koffer
reeds zag staan, het was bijna alsof ze een oude kennis ontdekte! Ze
vond het een heel mooie kamer; alles zag er zoo echt comfortable uit:
het flinke ledikant, de spiegelkast, waarin zij haar japonnenschat zou
mogen bergen, de waschtafel met marmeren blad en het meest nog het
aardige hoekje bij het raam, waar een paar gemakkelijke, lage stoelen
waren heen geschoven en tegen den muur een kleine schrijftafel stond.
Een schrijftafeltje, dat zij, Hedwig Eiche, gebruiken mocht! Als haar
moeder en Clärchen dat eens even konden zien!
Zij lichtte snel het gordijn op om het uitzicht te bewonderen en Tieka
drukte haar neusje ook tegen de ruiten. Maar er was niet veel meer te
onderscheiden dan wuivende boomen, de verlichte ramen van een paar
huizen aan den overkant en het schijnsel der lantarens, dat op het
stille, deftige plein viel.
"Zoo echt geheimzinnig, he?" zei Tieka. "Ik wou dat wij saampjes nu eens
even uit mochten gaan, dan was het net als in een sprookje." Toen,
terwijl zij Hedwig met hare donkerblauwe oogen ernstig aanzag: "Ik houd
nú al veel van u!"
"Dat weet je nog niet, daar weet je nog niets van," riep Hedwig
plagend.
"Jawel, jawel, ik weet het juist wel, ik weet het zeker," zei Tieka met
nadruk. En toen Hedwig haar hoed afzette en het blonde haar--dat nog
maar niet aan het opgestoken kapsel kon wennen--losraakte en over haar
schouders golfde, klapte het kleine meisje opgetogen in de handen en
riep uit:
"O, wat aardig! Wat staat dat grappig! Maar...." en opeens werd haar
gezichtje weer ernstig en aarzelend, verlegen vroeg ze:
"Dat mag men niet vragen, is 't wel, hoe oud of iemand is?"
"Wel neen," zei Hedwig terstond, zich op de lippen bijtend om niet te
lachen, "dat behoort heelemaal zoo niet, dat is heel onbeleefd."
Zij keerde zich om naar de kast om Tieka's vragende oogen te ontwijken
en hing haar mantel op, maar Tieka stond dadelijk weer naast haar.
"Ik _heb_ het nog niet gevraagd," zei ze verontschuldigend.
"Neen, pas dan maar op dat je het ook niet doet."
Tieka zweeg even; hare oogen bleven onafgewend op Hedwig gevestigd. Toen
zei ze levendig:
"Ik wou u zoo graag geen Fräulein noemen, ten minste ... niet als wij
alleen zijn. Ik wou zoo graag....
"Nu, wat wou je graag?" vroeg Hedwig bij haar neerknielend.
"Ik wou zoo graag," herhaalde Tieka met haar hand onder Hedwig's kin,
"een apart naampje voor u hebben en niet altijd Fräulein zeggen. Ik wou
... o, ik weet al wat, _my dear_ zal ik u noemen, nooit iets anders dan
_my dear_, als wij samen zijn. Mag dat?"
"Natuurlijk, maar dan moet je ook je best doen, niet telkens Duitsch en
Engelsch door elkaar te spreken, maar iedere taal afzonderlijk."
"_Yes my dear, my dear, my dear_," riep Tieka, half zingend en ze danste
de kamer door, al maar roepende dat ze toch zóó blij was dat "_my dear_"
er nu eindelijk was!
Toen Hedwig den sleutel van haar koffer te voorschijn haalde, vroeg ze
gretig: "Moet ik nu weg of mag ik bij het uitpakken blijven?"
"Wel zeker, je blijft hier, je kunt me juist uitstekend helpen," zei
Hedwig.
"Zij hebben beneden visite, zie-je," babbelde Tieka voort, "een
heeleboel van avond. Ik zal nog wel even geroepen worden misschien, maar
ik blijf niet lang weg, ik kom dadelijk terug."
Tot haar teleurstelling stuurde haar moeder echter om haar, toen het
uitpakken nog maar even aan den gang was en men hield haar zoo lang
beneden dat Hedwig geheel klaar was, zich had verkleed en op het punt
was om iets te gebruiken van het eten, dat men voor haar in de
kinderkamer had gereed gezet, toen Tieka eerst weer verscheen.
"O, ik moest tegen zóóveel menschen wat zeggen!" riep ze, hijgend van
het vlugge loopen. "Ik kon maar niet klaar komen. Mag ik de thee voor u
inschenken en brood snijden? Ik kan het best. Hier is visch. Mag ik u
bedienen? Kijk, dit zijn _scones_, een echt Schotsch gebak; dat smaakt
zoo lekker, daarvan wil ik nog wel een _klein_ stukje. Zal ik een ei
voor u koken? Ik weet heel goed hoe ik dat doen moet."
Hedwig vond alles goed. Zij had er schik in op te merken, hoe handig
het kleine meisje met den zwaren, grooten trekpot omging en er later
zorgvuldig de _cosy_ weer over trok, hoe zij haar voorzag van wat zij
noodig had zonder iets te vergeten en hoe zij later vroolijk toekeek,
terwijl Hedwig at en dronk.
Eindelijk zei ze met een zucht:
"Nu _moet_ ik naar bed, erg vervelend, maar mama vraagt _altijd_ 's
ochtends of ik den vorigen avond op tijd gegaan ben. Misschien ...
misschien komt straks ... iemand nog wel even bij mijn bed, als ik erin
lig?"
"Iemand?" zei Hedwig, zoo ernstig mogelijk. "Wie is iemand?"
"Dat zeg ik niet! Dat zeg ik niet!" zei Tieka, lachend opspringend; de
glimlach in Hedwig's oogen had haar blijkbaar gerust gesteld. Vlug liep
ze naar haar slaapkamertje en Hedwig hoorde niets meer, totdat een
vroolijke stem riep:
"_Ready! Fertig!_"
"O! O! O! Weer Engelsch en Duitsch te gelijk; pas op!" zei Hedwig, maar
ze had weer groote moeite haar gouvernante-waardigheid te bewaren, toen
Tieka rechtop ging zitten in bed en nieuwsgierig vroeg:
"Ben ik wel tien jaar jonger dan u?"
"Wou je dat _heel_ graag weten?"
Tieka knikte alsof haar hoofd eraf moest.
"Ik mag het je toch niet zeggen, nu nog niet, ten minste."
"Wanneer dan wel?"
"Dat weet ik nog niet, maar, als je mij plezier wilt doen, moet je er
niet meer naar vragen en er ook niet met anderen over spreken."
"O."
"Wil je me dat plezier doen?"
"Ik _wil_ wel, maar ik vind het niet prettig."
Hedwig gaf haar een kus. "Nacht lieve Tieka," zei ze, "komt je moeder
ook nog bij je?"
"Mama?" Tieka keek heel verbaasd. "Neen, die komt nooit meer, die heeft
het veel te druk."
Het speet Hedwig dat zij de vraag gedaan had.
"Nacht kindje."
"Goeden nacht, _my dear_."
En toen Hedwig heen gegaan was en reeds een poosje op haar kamer had
zitten nadenken, klonk het nog eens:
"_My dear...._"
Hedwig ging dadelijk naar haar toe. "Slaap je nog niet, Tieka? Wat is
|