|
|
Hedwig.
Met een kleur, de groote oogen heel wijd open, zat Boy op in zijn bed.
"Maddy komt toch terug? Maddy komt toch _natuurlijk_ terug?" vroeg hij
weer en Hedwig, te bedroefd om iets te kunnen zeggen, knielde bij hem
neer. Ze trok zijn gezicht naar zich toe en drukte er een kus op, doch
opeens rukte Boy zich los. "Ik vind het niet prettig om op mijn oog een
kus te krijgen!" riep hij. Toen ging hij liggen, keerde zich om en viel
in slaap. Hedwig en Bridget glimlachten. "Nacht lieve, lieve Boy,"
fluisterde Hedwig.
Nog even liep ze naar de slapende meisjes toe en zei haar zwijgend
goeden dag; het was het eenige afscheid, dat zij van haar nemen mocht.
Zij zou den volgenden ochtend heel vroeg vertrekken en niemand meer
zien. Mr. en Mrs. Balvourneen wenschten haar het beste voor haar volgend
leven en Bridget bedankte haar in een stortvloed van vurige woorden voor
"al haar hartelijkheid en gezelligheid."
Zij sliep weinig dien nacht en was maar blij toen het haar tijd was om
op te staan en zich reisvaardig te maken. Het was nog schemerdonker,
toen zij wegreed, weg van de schilderachtige plek, die haar zoo lief
geworden was, dubbel eenzaam in het besef dat zij voortaan de hartelijke
toegenegenheid der vier Iersche kinderen zou moeten missen en toch
dankbaar voor den tijd, dien zij op het kasteel Balvourneen had mogen
doorbrengen.
Toen zij aan het station van Kenmare uit het rijtuig stapte, sprong er
iets tegen haar op en klonk er een luid geblaf en met den uitroep: "O
Bruce, lieve, lieve Bruce!" boog zij zich voorover en streelde den
grooten, trouwen St. Bernardshond, die haar tot aan het laatste
oogenblik toe zijn aanhankelijkheid wilde toonen en het rijtuig
nageloopen was.
HOOFDSTUK XI.
Londen en Mist.
Heel mooi trof zij het niet voor haar zeereis, want tegen den avond stak
er een hevige wind op en werd de lucht donker en toen zij op het dek van
de boot stond, zwiepte de regen haar in het gezicht en had zij moeite
staande te blijven.
Toch kon zij er ook thans niet toe besluiten naar beneden te gaan; er
waren zeer vele reizigers en als zij boven bleef, had zij ten minste
frissche lucht. Zij wikkelde zich in haar langen mantel, veroverde een
vouwstoel en zocht een beschut plaatsje uit om te gaan zitten. In 't
eerst ging alles tamelijk goed, maar toen de storm steeds aanwakkerde en
de boot geweldig ging schommelen, begon zij zich minder plezierig te
voelen en eindelijk werd het zoo erg dat zij zich genoodzaakt zag, zoo
goed en zoo kwaad als het ging, naar beneden te strompelen en te zien of
zij door rechtuit te gaan liggen, de booze zeeziekte weer verdrijven
kon.
Doch toen zij eindelijk met groote moeite beneden gekomen was, was het
daar zoo overvol, dat er voor haar van "rechtuit liggen" niets kon in
komen. Aanlokkelijk was het buitendien ook geenszins in de propvolle
ruimte met de drukkende atmosfeer en met de slaperige, bleeke gezichten
van lustelooze dames, die met de doffe onverschilligheid van echte
zeezieken, even naar haar keken en dan weer kreunend de oogen sloten.
Maar hoewel zij nauwelijks op hare beenen kon blijven staan en het
onplezierige gevoel er lang niet beter op werd, kon zij toch niet laten
even te glimlachen om het tragische tooneel. Hier kon zij echter niet
blijven! Zij had bovendien ook geen keuze, want er was geen enkel plekje
meer open. Ze zou dus maar trachten zoo gauw mogelijk haar vouwstoeltje
op het dek weer op te zoeken.
De boot danste nu zoodanig dat zij zich met beide handen stevig aan de
trapleuning vast moest houden en telkens even moest blijven staan om
niet omver geworpen te worden. De felle regen flitste haar weer in het
gezicht, toen zij boven kwam. Met een steeds groeiende gewaarwording dat
zij zich nog nooit in haar leven zoo aller-ellendigst had gevoeld,
bereikte zij met horten en stooten de plek, waar zij zooeven gezeten
had. Maar hoe zij ook zocht, haar stoel was nergens te vinden; men had
dien zeker terstond weggenomen, toen zij naar beneden gegaan was en daar
stond zij nu, _te_ ziek om verder te kunnen handelen, tegen de deur
aangeleund, waarvoor straks de kostbare stoel nog gestaan had.
Steeds heviger gierde en loeide de wind, onbarmhartig sloeg de regen
tegen haar aan, een oogenblik voelde zij het verlangen bij zich opkomen
dat iemand haar toch op mocht nemen en in zee werpen,--en in haar pijn
en benauwdheid kermde zij het uit....
Zoo bleek en ziek zag zij eruit dat een paar matrozen, die haar voorbij
kwamen, medelijden met haar kregen en haar een stapel dik opgerold touw
aanwezen om op te gaan zitten. "Zoo, nu zal het wel beter worden," zei
de eene, en "o, dank u wel," zuchtte Hedwig, terwijl zij met een
oogenblikkelijk gevoel van verlichting, op het touw neerviel. Maar lang
liet de verraderlijke zeeziekte haar geen rust. Daarbij werd telkens als
zij opstond, het pikkerige touw door den aanhoudenden regen hoe langer
hoe natter en toen eindelijk het ergste geleden was en zij met
onuitsprekelijke blijdschap de kust zag naderen, werd die blijdschap wel
wat getemperd door de ontdekking dat haar lange mantel vol leelijke
vlekken zat.
"Ja, dat konden die vriendelijke matrozen niet weten," bedacht zij
dadelijk. Als zij goed en wel in Londen was, zou zij den mantel eens
flink onder handen nemen; ze wou er nu niet over gaan treuren, het was
veel te heerlijk dat zij thans van die akelige zeeziekte af was. Wel
voelde zij zich nu uitermate vermoeid; zij kon hare oogen haast niet
meer open houden en toen zij goed en wel in den trein naar Londen zat,
bleef zij heel stil in haar hoekje zitten, tot niets meer in staat dan
om zich lijdelijk te laten meevoeren naar de groote wereldstad.
De groote wereldstad vertoonde zich, toen zij haar vroeg in den ochtend
naderde, niet juist op haar aantrekkelijkst, want er hing een vuilgrijze
mist, die het in de huizen en straten akelig donker maakte en den indruk
gaf als zouden deze duistere Decemberdagen, de een na den ander, zonder
een enkelen lichtstraal, in eentonige somberheid, moeten voorbijgaan.
Londen zag er nu wel geheel anders uit dan zij het gezien had op dien
stillen Septemberochtend, toen zij op weg was naar Edinburg. Wat scheen
dat nu lang reeds geleden! Toen hing er een ragfijne, teere nevel, die
tooverachtig en geheimzinnig over de groote gebouwen en boomtoppen
gleed, nu lag over alles een groezelig, zwartachtig waas en verbaasde
zij er zich haast over dat zij Londen ooit mooi had kunnen vinden.
Londen en Glengariff--wat trof haar het verschil, terwijl zij zich in
een oude, uitgezakte vigilante naar het _home_ liet rijden! Zij troostte
zich met de hoop dat zij misschien niet zoo heel lang in Londen zou
behoeven te blijven en, als zij maar eerst zeker was van een mooie
nieuwe betrekking--wie weet, of zij dan toch niet nog enkele dagen naar
Duitschland zou kunnen gaan! Al was het maar voor een week, voor vier
dagen zelfs, zij zou ... ja, zij zou er de reis dolgraag voor over
hebben, al moest zij dan nog eens weer heel zeeziek wezen! En in de
versleten, slordige vigilante, rijdend door de modderige straten van het
mistige Londen, op sommige plaatsen nog spookachtig verlicht door mat
lantarenschijnsel, dat streed met het grauwe licht van den winterdag,
begon zij opeens vroolijk te neurien:
"_Wenn ich komm', wenn ich komm', wenn ich wieder komm'...._"
"_Ach, wird das schoen sein!_" riep zij opgewonden. Toen raakte zij weer
in gepeins verdiept, sloot de oogen en gaapte dat het een aard had.
"Hoe kom ik zoo moe! En wat duurt die rit toch lang!" riep zij
ongeduldig.
Maar eindelijk was zij waar ze wezen moest. Zij was een gedeelte van een
park voorbij gereden, waar het er bijster kil en verlaten uitzag en
bevond zich nu in een lange straat met smalle, hooge huizen, die alle
precies op elkaar geleken. Voor een hiervan, kenbaar aan een groot bord,
waarop in reusachtige letters iets stond aangekondigd, hield de
vigilante stil.
Hoewel de koetsier met veel geweld den klopper op de voordeur liet
vallen, duurde het geruimen tijd eer deze geopend werd en Hedwig was dus
in staat de aankondiging op het bord op haar gemak te lezen. Dit was wat
zij las:
_Select Governesses' Home and Agency,
For Gentlewomen Only.
Office Hours--Eleven till half past Four
Saturdays--Eleven till Two._
"_For Gentlewomen only_!" Dan mocht zij er zeker op rekenen in deftig
gezelschap te komen! Zij hoopte dat zij in haar gevlekten mantel maar
niet al te veel _gentlewomen_ zou tegenkomen straks in de gang.
Vooralsnog scheen daar ook al heel weinig kans op; het huis was als
uitgestorven en eerst na een herhaald, donderend geklop van den
verontwaardigden koetsier, werd de deur langzaam geopend door een vrij
slordig dienstmeisje. Zij groette Hedwig nauwelijks, toen deze haar
goeden dag zeide en verdween terstond weer, nadat de koffer in huis was
gezet.
Vermoeid als zij was, moest Hedwig nu langen tijd op de vloermat in de
smalle gang staan wachten, tot het iemand believen zou haar te woord te
staan. Het bleef eerst doodstil om haar heen, alleen hoorde zij even bij
een trap, die blijkbaar naar de keuken leidde, een gestommel van
dienstmeisjes. Te oordeelen naar de woorden, die zij opving, konden zij
het niet te best samen vinden. Eindelijk klonken er ook voetstappen in
haar nabijheid.
Een reeds bejaarde dame met vriendelijke oogen, die het bleeke,
vermagerde gezicht nog aantrekkelijk maakten, stond voor haar, zeide
haar goeden dag en vroeg haar welken prijs zij voor haar kamer wenschte
te betalen. Welken prijs? Dat kon Hedwig niet zoo precies zeggen.
"Liefst niet te duur," zei ze aarzelend, "want ik hoop wel gauw een
goede betrekking te vinden, maar toch...."
"Maar toch wenscht ge nu wat zuinig te wezen," zei de directrice van het
_home_ met een glimlach. "Dan kan ik u juist aan een kleine kamer
helpen, die gisteren open gekomen is. De grootere kamers zijn alle voor
twee of vier personen...."
"Als het kan, zou ik wel graag alleen slapen," zei Hedwig.
"Zeker, die kleine vertrekken zijn voor een persoon bestemd. Ik zal u
even den weg wijzen."
Zij ging Hedwig voor, een hooge trap op met erg uitgeloopen treden, die
slechts ten deele door een rafeligen, grijzen looper waren bedekt. Zij
bevonden zich nu op een groot portaal, waarop ettelijke, met nummers
voorziene deuren uitkwamen en dat door een raam uitzicht gaf op een
naargeestig, door hooge muren omringd, binnenplaatsje. Het zeil, dat er
lag, was zoo kaal dat er van het oorspronkelijke patroon niets meer was
te ontdekken en de draden er doorheen kwamen; toch had alles meer een
armoedig dan een slordig aanzien, vond Hedwig, die erg haar best deed
het kasteel Balvourneen met zijn smaakvolle weelde en bloemenpracht,
zonneschijn en vroolijke kinderen, voor het oogenblik althans, uit hare
gedachte te bannen.
Zij volgde de directrice naar een hoogst eenvoudig gemeubileerd
vertrekje, dat ook weer licht kreeg--veel was het inderdaad niet!--door
een raam met uitzicht op het genoemde binnenplaatsje. Niemand zou het
ooit een "aardig" of "lief" kamertje hebben kunnen noemen, maar met een
dankbaar hart merkte Hedwig op dat het bed er frisch en behagelijk
uitzag en toen de directrice verdwenen was, haastte zij zich, zich te
ontkleeden en onder de dekens te kruipen. Zij zou vandaag maar niet aan
het ontbijt komen, had zij gezegd en met een zucht van welbehagen legde
zij haar hoofd op het kussen, blij dat ze niet voor zoowat half een weer
zou behoeven op te staan om klaar te zijn voor het _lunch_.
Wat was het een genot de beenen eens flink uit te strekken en aan niets
te denken dan aan: rust ... rust! "He, hoe heerlijk dat ik niet meer op
de boot ben," fluisterde zij, het dek over zich heentrekkend; toen viel
zij in slaap.
Zij werd een uurtje later wakker door het eentonig geluid van geregeld
neervallende waterdruppels, die almaar, als op de maat, hun tik ... tik
... tik ... lieten hooren. Wat kon dat toch wezen? Regen was het niet,
daarvoor kwam het geluid met te lange tusschenpoozen, maar waar kwam het
dan toch vandaan? Het onophoudelijk getik begon haar nu zoo te hinderen
dat zij er boos om werd op zichzelf en wrevelig uitriep: "Wat kan mij
die leelijke muziek nu toch schelen? Kom, ik ga weer slapen!" Ze keerde
zich om en wikkelde zich nog eens warmpjes in de wollen dekens, maar ...
het slapen vlotte niet meer. Telkens opnieuw, als zij bijna sliep, deed
het hatelijke tik ... tik ... haar weer klaar wakker worden en eindelijk
ging zij knorrig opzitten in bed en keek om zich heen.
Ja, nu zag zij het, daar kwam het vandaan! Dicht bij het voeteneind van
haar ledikant was onder het behang een pijp verborgen, waardoor
voortdurend druppels naar beneden kwamen. Waarom die pijp daar juist was
aangebracht, was haar niet duidelijk, maar zij veronderstelde dat het
met de waterleiding in verband stond en zij begreep dat zij zich zoo
goed als het ging, aan dat druppelgeluid zou moeten gewennen, tenzij ze
liever met nog twee of drie meisjes op een kamer sliep. Andere kamertjes
voor een persoon waren er op het oogenblik niet over, had de directrice
haar meegedeeld.
Zij ging op haar rug liggen met hare handen gevouwen achter het hoofd en
dacht na. Van uit haar bed kon zij juist over het binnenplaatsje heen
een blik slaan in de benedenkamer van een huis aan den overkant. Zij zag
een oudachtig heer in een leuningstoel bij het raam zitten. Hij hield
het hoofd wat voorover gebogen en gaf door zijne houding een indruk van
verveling, die geheel in overeenstemming scheen met zijne omgeving en
het sombere weer buiten. Wat zag het er daar ook naargeestig en doodsch
uit, vond Hedwig. Zij moest eens even zuchten; toen riep zij op een
toon, dien zij te vergeefs trachtte spottend te maken:
"O, wonderschoon Glengariff! Ach Balvourneen! Balvourneen! O Bruce, mijn
lieve, beste, trouwe hond! O lieve, lieve May en Bunny...!"
Maar ze ging daar toch niet snikken?
Dat wou ze niet, heelemaal niet, daar mocht _niets_ van in komen en met
een sprong was zij het bed uit. Zij vond dat het hoog tijd voor haar
werd om eens flink aan den gang te gaan en zich niet meer over te geven
aan nuttelooze overpeinzingen.
Zij belde en verzocht het verbaasde dienstmeisje, dat er zich niet op
gehuurd achtte om "tusschentijds" de bewoonsters van het huis te
bedienen, haar wat warm water te brengen. Zij vroeg het zoo vriendelijk
dat het meisje het haar werkelijk bracht en met zeer grooten ijver toog
zij nu aan het werk om den gevlekten mantel te reinigen. Haar hoofd
klopte en zij voelde zich nog "raar" van de doorgestane zeeziekte, doch
daar zou ze nu maar geen acht op slaan; ze wou vooral niet te veel
letten op pijntjes en andere kleine lasten; ze wou vol moed en energie
haar weg gaan.
En zeer noodig bleek die energie, want prettig was het leven in dit
Tehuis voor Gouvernantes allerminst en het kostte Hedwig vooral in het
begin, moeite te gewennen aan het eenzame van haar toestand, aan het
schamele, echt armoedige van de geheele omgeving en aan de zeer sobere
maaltijden, die stellig beter waren dan die op het beruchte Hill House,
maar er haar toch, juist door de karigheid van het voedsel, wel aan
herinnerden. Daarbij kwam dat het menu iedere week voor iederen maaltijd
precies hetzelfde was en men er dus bij voorbeeld vast op kon rekenen,
Maandags aan het ontbijt geregeld een plak worst te vinden, Dinsdag's
een reepje gebakken spek, Woensdags een hompje kaas en ... Zondags een
ei, maar dat was dan ook een groote traktatie!
Er was iets saais in deze steeds eentonig terugkeerende volgorde en saai
was het ook dat er nooit een enkele levende bloem of plant op de
eettafel te zien was, die iederen dag weer met een paar bakken met
leelijke ijzeren planten prijkte, aan iederen kant der tafel een, om de
regelmaat te bewaren! Iets saais lag er ook over de stemming van vele
der tijdelijke bewoonsters, die voor 't meerendeel gebukt gingen onder
de noodzakelijkheid om betrekkingen te zoeken, welke zoo heel moeielijk
te vinden waren en onder den angst, niet genoeg geld te hebben voor een
vrij langdurig verblijf in het _home_.
De directrice was vriendelijk en goed en gaf een hartelijk woordje waar
zij kon, maar zij had het veel te druk om zich werkelijk met hare
tijdelijke huisgenooten bezig te houden en zag er dikwijls zoo afgemat
uit dat Hedwig medelijden met haar kreeg. Er waren er meer met wie zij
medelijden had, arme, afgetobde schepsels, die veel te weinig geleerd
hadden om haar werk naar behooren te kunnen doen en dan ook geringe kans
hadden als gouvernante te worden gekozen door een der dames, die bij de
directrice om inlichtingen kwamen. Hedwig werd benijd om haar vlot
Duitsch en Fransch en haar muziek en de goede getuigschriften die zij
kon toonen, maar ook zij moest geduld hebben. Want hoewel het nu spoedig
Kerstmis zou zijn en het dus tegen Nieuwjaar liep, kwamen er maar weinig
aanvragen in om gouvernantes en het speet Hedwig telkens dat zij zich
niet kon aanbieden als "een vlug, knap, eerlijk dienstmeisje", want
_die_ werden genoeg gevraagd!
Toen er zich werkelijk een paar betrekkingen voordeden, gingen anderen
haar nog weer voor. Er waren twee slordige, drukke Francaisetjes in het
_home_, die aan tafel de flauwste grappen verkochten en er een eer in
stelden, nauwelijks een paar woorden Engelsch te kennen. Zij giggelden
den lieven, langden dag om niets, hadden zich aangewend om over
allerlei, dat zij elkaar vertelden, in gemaakt gebroken Engelsch uit te
roepen: "Iet ies kjoerioes" (_It is curious_) en lieten er zich
verbazend veel op voorstaan dat zij uit Parijs kwamen. Dat zij slecht
onderricht hadden gehad en zeer onontwikkeld waren, daarover
bekommerden zij zich niet en toen haar op zekeren dag meegedeeld werd
dat twee dames den wensch te kennen hadden gegeven naar een "echt
Parijsche" gouvernante, waren zij terstond bereid zich aan te bieden.
Zij moesten zich toen in het middaguur bij de bewuste dames gaan
vertoonen en gingen lachend op weg, slordig en wel, met hier en daar een
vastgestoken speld om scheurtjes en torntjes te bedekken--toch, het moet
erkend worden, niet zonder gratie,--en toen zij terug kwamen, beiden in
het bezit van een goede betrekking, riepen zij ieder op haar beurt
zegevierend uit:
"_Mais, je suis Parisienne, moi!_"
Intusschen zocht Hedwig ijverig verder en leerde zij Londen vrij goed
kennen. Mr. Balvourneen, die haar heengaan overigens vrij koel had
opgenomen, had haar nog een van de laatste dagen den raad gegeven,
vooral alle mogelijke couranten door te zien bij het zoeken naar een
nieuwe betrekking. Iederen ochtend na het ontbijt, begaf zij zich dan
ook naar een boekwinkeltje op den hoek der straat, waar zij voor een
_penny_ de advertentiekolommen der verschillende bladen, die daar werden
verkocht, door mocht kijken. Menig adres teekende zij op en menig
briefje schreef ze, dat onbeantwoord bleef en ook menig vruchteloos
bezoek maakte ze, want, de stoute schoenen aantrekkend, begaf zij zich
dikwijls terstond, nadat zij het adres was machtig geworden, naar een of
ander huis, waar een gouvernante werd verlangd. Zij moest daartoe soms
langer dan een uur met den trein--boven of onder den grond--reizen, of
lange ritten doen per omnibus of tram en vaak ook door modder en mist,
lange einden loopen. De vrouw in het boekwinkeltje was heel vriendelijk
voor haar, gaf haar een kaart van Londen ter leen en buitendien voor
iederen tocht nauwkeurige aanwijzingen en het was niet alleen voor
Hedwig zelf een teleurstelling, als zij telkens weer op de
belangstellende vraag: "Nu geslaagd misschien?" het hoofd moest
schudden.
De vrouw van het winkeltje voelde moederlijk medelijden, maar meer nog
bewondering voor het dappere, jonge, Duitsche meisje, dat iederen dag
weer met nieuwen moed zocht en zocht en er, helaas, zoo bleek en
vermoeid kon uitzien. Want Hedwig was, door de afmattende tochten, door
het druilerige, slappe weer, door het eenzame en weinig gezonde van dit
leven en vooral door het telkens op nieuw zoeken en niet vinden, soms
zoo "op" dat zij er zelf met eenige ergernis verbaasd over was en zich
voornam vooral niet toe te geven aan de al sterker wordende, bij haar
zeer ongewone neiging, om eens een paar dagen thuis en te bed te blijven
en heelemaal uit te rusten.
"Uit te rusten? Waarvan?" zei ze dan, als in antwoord op hare gedachten.
"Ik _mag_ niet moe zijn en ik ben het ook niet, ik verbeeld het me
maar."
Den middag voor Kerstmis nam ze vrijaf en ging voor haar plezier
wandelen. Wat leek het al lang, lang geleden dat zij dat gedaan had en
o, wat zag het er in de Londensche straten toch heel anders uit dan om
Glengariff heen met al den gloed van velerlei bloemen en met de schoone
baai met het glinsterend groene water! Het weer was tamelijk goed
vandaag, het regende ten minste niet, maar het bleef somber donker in de
straten en als een blijde verrassing trof Hedwig achter een winkelraam
een hooge kerstboom, die prijkte in een glans van mooi, zacht licht en
frissche kleuren. Terwijl zij er naar keek, was het of er meer licht
scheen ook in haar ziel. Zij had nog zoo weinig gedacht aan het
Kerstfeest, veel te weinig, vond zij nu--haar hart was bekommerd geweest
en vol zorg voor de toekomst; ze wou dat nu alles van zich af laten
glijden en alleen denken aan den trouwen God en aan de rijke beteekenis
van het Kerstfeest. En toen zij in het _home_ en op haar kamer terug
kwam, nam zij haar Bijbel en las bij het schamele licht van haar kaars
de beschrijving van de geboorte van Gods Zoon, het "kindeke, liggende in
de kribbe;" toen vouwde zij de handen en bad innig om steun, bad vurig
ook om den zegen dat dit Kerstevangelie tot in haar ziel mocht
doordringen en zij het nooit half vergeten zou, zooals zij heden bijna
op weg was geweest te doen.
Er kwam vreugde in haar hart en den volgenden dag, Kerstmis, nam zij een
paar van de arme, afgetobde schepseltjes uit het _home_ mede naar den
dienst in Westminster Abbey, de machtige kathedraal, waar alle _kleine_
gedachten wegvallen en alleen plaats is voor stil gelooven en geheele
overgave aan God in het gebed. Met aandacht luisterde zij naar de
eenvoudige Kerstpreek en toen uit het koor, als de krachtige
mannenstemmen zwegen, het geluid van een glasheldere jongensstem zich
hooren liet en ver, ver omhoog steeg en haar buurvrouw de hand op haar
arm leggend, met bevende lippen fluisterde dat het haast "hemelsch mooi"
was, knikte zij haar toe met een glimlach van geluk.
De directrice van het _home_ onthaalde haar huisgenooten dien dag op een
werkelijk smakelijk kerstmaal; op de tafel stond, in plaats van de
planten van ijzer, een kom met hulsttakken vol roode bessen en 's
middags kwamen allen te zamen in haar kamer en werd er bij het orgel
gezongen. Tot ieders verrassing werden later thee en _cake_
binnengebracht--een ongekende lekkernij in het _home_--en de directrice
had zelfs voor allen een klein geschenk, dat zij ieder met een paar
hartelijke woorden ter hand stelde.
"Ik heb wezenlijk toch zoo'n gelukkigen Kerstdag gehad," schreef Hedwig
's avonds nog aan haar moeder, "en nu ga ik, echt verkwikt door dezen
prettigen vacantiedag, weer dubbel ijverig aan het zoeken. Ik ben
benieuwd waar het nieuwe jaar mij brengen zal."
Vooralsnog scheen dit raadsel niet te zullen worden opgelost, want hoe
zij ook haar best deed, hoe zij ook iederen dag weer _meer_ schreef en
meer bezocht--het liep alles op niets uit. Zij zou er wanhopig onder
geworden zijn, als zij niet met alle energie, die in haar was en met het
oude, krachtige geloof in den steun van Gods liefde, alle moedeloosheid
in zich had onderdrukt, evenals zij het vreemde gevoel van afmatting
trachtte te onderdrukken, dat haar meer en meer plagen ging. Zij spoorde
en tramde en las en schreef maar door, altijd maar door--_eens_ zou ze
toch zeker slagen!
Na een nacht van knagende kiespijn, waarin het druppelgeluid in den hoek
van haar kamer haar haast dol had gemaakt, stond zij op zekeren dag
duizelig en loom op. "Wat doe ik toch mal!" zei ze een paar malen, toen
het juist was of alles met haar in de rondte danste en het haar maar
niet gelukken wou de zeep uit het bakje te krijgen. "Geen gekheid,
Hedwig, straks in de lucht zul je wel weer opknappen!"
Zij voelde zich werkelijk beter, toen zij ontbeten had en in de
buitenlucht kwam, al was het dezen ochtend zoo mistig dat zij er een
oogenblik van schrikte, toen zij de voordeur opende. Wel hadden zij bij
gaslicht moeten ontbijten, maar dat was in deze donkere dagen geen
zeldzaamheid en dat het in en om Londen in Januari, zoowel als in
December misten kon, wist zij nu reeds lang. Maar zoo erg!
Ze knipte met de oogen, toen zij voorzichtig--want zoo dicht voor haar
hing de nevel dat zij telkens bang was tegen iemand aan te stooten,---de
straat doorgeloopen was. Lag het ook soms aan haar, was de mist
eigenlijk wel zoo zwaar of waren hare oogen vermoeid na den bijna
slapeloozen nacht en kon zij daardoor zoo slecht zien vandaag?
Ze vond het prettig, toen zij het boekwinkeltje had bereikt en even
rusten kon; toch was er een zekere gejaagdheid in haar om voort te
maken, zoo gauw mogelijk voort te maken dat zij toch verder kwam en
eindelijk eens werk machtig werd en haastig sloeg zij de eene krant na
de andere op en noteerde advertenties en adressen.
De vrouw van het winkeltje keek haar een paar malen bezorgd aan en toen
Hedwig de kranten neerlegde, vroeg zij deelnemend of het niet beter voor
haar zou wezen, vandaag eens rust te nemen en zich niet te ver te wagen
in dien dichten, ongezonden mist, die haar ziek zou maken.
"Ziek? Ik? Wel neen, ik word zoo gauw niet ziek," zei Hedwig lachend.
"Neen, neen, ik neem geen vrijaf van morgen, dat zou mij volstrekt niet
passen. Het beste geneesmiddel voor mijne kwalen is werken, flink
werken."
Het trok zenuwachtig om haar mond, terwijl zij sprak en met een kort
afscheid verliet zij het winkeltje, boos op zichzelf omdat de
hartelijkheid van het vrouwtje haar week maakte. Maar die stemming kwam
natuurlijk ook door het akelige weer, verontschuldigde zij zich, toen
zij weer buiten was gekomen.
Het was werkelijk of er nog meer nevel hing dan zooeven en zij den mist
zou hebben kunnen snijden, zoo tastbaar was hij. Daarbij gaf de
geheimzinnige, spookachtige stilte, die overal heerschte, den indruk
alsof alles in den mist was weggezonken, in den "bruinrooden, rollenden
nevel, die de weerlooze stad verzwolg, haar levend smoorde, die torens,
bruggen, straten, pleinen in het niet deed verzinken, alsof een spons
geheel Londen had uitgewischt."[13]
Toch ging zij door. Langzaam maar zeker liep ze den bekenden en nu toch
zoo moeielijk te vinden weg naar het eerste station van den
ondergrondschen spoorweg, waarmee zij een eind reizen wilde om in een
der voorsteden van Londen te komen. Zij vond de wandeling zoo ver
vandaag, het was of zij niet voortkomen kon, of de mist met zware,
klamme hand haar op de borst drukte en belette adem te halen, zoodat zij
herhaaldelijk stil moest staan. Een paar malen bonsde zij tegen iemand
aan, die dan met een haastig: "_Beg pardon! Such nasty weather!_" haar
voorbij ging.
Zij begon zich nu weer heel onpleizierig te voelen. De knagende kiespijn
keerde terug en daarbij was zij telkens weer zoo duizelig dat zij groote
moeite had verder te komen. Zij moest het nu toch erkennen: de vrouw in
het boekwinkeltje had gelijk gehad, zij zou verstandiger gedaan hebben
met vandaag rustig thuis te blijven.
Daar viel haar iets in. Nu zij toch eenmaal zoo ver geloopen was, kon
zij wel even aangaan bij de knappe, vrouwelijke dokter, van wie men haar
in het _home_ verteld had en die hier in de buurt woonde. Die had om
dezen tijd haar spreekuur, dat wist zij en die zou haar zeker wel iets
kunnen geven om die lastige duizeligheid te overwinnen; zij zou zeker
ook zeggen dat het niet erg was, als 's avonds, als zij te bed lag, haar
hart zoo schrikkelijk kloppen kon en er zwarte vlokjes voor hare oogen
kwamen.
Het zou wel niets zijn, het zou stellig niets zijn, redeneerde zij bij
zichzelf.
Plotseling uitte zij een kreet van schrik--daar stond ze vlak voor den
kop van een paard. Met een ruk werd zij door een krachtigen arm
weggetrokken. Paard en wagen verdwenen in den mist en een politieagent,
een stoere reus, stond naast haar.
"Ik wist niet ... ik dacht...." stamelde zij.
Hij haalde de schouders op; zij was zooveel kleiner dan hij, hij kon
haar niet verstaan. Hij boog zich nu tot haar over om beter te kunnen
luisteren. "Gelukkig dat ik u nog juist bijtijds helpen kon," zei hij
vriendelijk. "Het is lastig loopen met dien mist, niet waar? Kan ik nog
iets voor u doen?"
Maar Hedwig schudde het hoofd; zij kon niet dadelijk spreken, de
duizeligheid overviel haar weer. Eindelijk vroeg ze, na diep te hebben
adem gehaald, hoe zij loopen moest naar het huis van Miss Hearty, de
dokteres.
Hij keek haar onderzoekend aan. Zij zag er zoo bleek en teer uit op dit
oogenblik dat hij, krachtige reus als hij was, medelijden met haar
kreeg. "Het is hier dicht bij; ik zal er u even heen brengen," zei hij
welwillend.
Zij glimlachte flauwtjes; ze was hem dankbaar voor zijn aanbod. Ze kon
niet meer, ze was angstig ook dat zij zich in dien mist zou vergissen in
den weg en zij verlangde nu sterk om de dokteres te spreken. Langzaam
sleepte zij zich voort, tot de politie-agent, ziende hoeveel moeite zij
had met loopen, haar dringend aanried zijn arm te nemen.
Zij deed het gaarne en, zich opeens veel veiliger voelend door den steun
van dien sterken arm, vroolijkte zij weer op en dacht eraan, hoe aardig
en grappig het wezen zou om over dit avontuurtje naar huis te schrijven.
Zij was echter heel blij, toen zij het huis van Miss Hearty hadden
bereikt.
De aangename warmte in de wachtkamer deed haar goed na de doordringende
kilheid buiten; toch huiverde zij nog en bleef zij zich ziek voelen. Ze
trof het dat er heden niet veel menschen waren en het vrij spoedig haar
beurt werd om binnen te komen, maar toen zij in de consultatiekamer
tegenover de dokteres stond, een kleine, tengere, op 't eerste gezicht
onaanzienlijke vrouw, doch wier scherpe oogen alles schenen te zien,
werd zij weer zoo hevig door kiespijn aangetast dat zij onmogelijk
terstond kon antwoorden op de vragen, die haar werden gedaan.
"Wacht maar, wij hebben allen tijd," klonk het vriendelijk, "en ga hier
nu eens zitten. Zoo'n erge kiespijn? Ja, dat is al heel akelig en dan
met dit weer! Dan is het ook haast net of men zichzelf niet is, he?
Blijf nu even heel stil zitten, dan zullen wij die wang eens onder
handen nemen en probeeren of wij die hatelijke pijn niet weg kunnen
maken."
Zij drukte Hedwig met zacht geweld achterover in een lagen stoel en liet
haar met de gezonde wang tegen de gevulde leuning rusten. Toen wreef ze
met hare vingertoppen geurige zalf over de zieke plek heen en weer, heen
en weer en langzamerhand voelde Hedwig tot hare onuitsprekelijke
verlichting, de kiespijn verdwijnen. Dankbaar sloeg zij de oogen op.
"Nu kan ik heel goed spreken," zei ze glimlachend.
Toen begon zij alles te vertellen: van de zonderlinge duizeligheid, die
haar den laatsten tijd kwelde, van de plotselinge, groote vermoeidheid,
het onstuimig kloppen van haar hart en eindelijk, met verheffing van
stem en met een kleur van opgewondenheid, van haar zoeken naar werk,
naar een betrekking, waar ze niet buiten kon....
De groote belangstelling in de ernstige oogen, die haar voortdurend
bleven aankijken, noopte haar haar geheele hart uit te storten en toen
zij eindelijk zweeg, was het met de plotselinge hoop dat Miss Hearty,
die zooveel menschen kennen moest, haar misschien aan een mooie
betrekking zou kunnen helpen!
Maar de dokter sprak in 't geheel niet over een betrekking. Zij deed
Hedwig een paar vragen, onderzocht haar nauwkeurig en zei toen zeer
beslist:
"Ik zou u aanraden eens een tijdlang volkomen rust te nemen."
"Wat?" Hedwig's zelfbeheersching begaf haar. "O neen, dat kan niet, dat
kan ik niet!" riep zij uit met wanhoop in haar stem. "Alles, maar dat
niet!"
"Waarom niet?" klonk het zeer rustig.
"Ik ben arm. Ik _moet_ zelf mijn brood verdienen en als het kan, nog wat
oversparen voor mijn moeder ook. Ik heb nog een weinig geld, het is niet
veel meer en als dat op is...."
"Het zal stellig genoeg zijn om uw verblijf te bekostigen in het
ziekenhuis, dat ik op het oog heb."
"Ja, ja, maar daarna, daarna? O, ik _moet_ geld verdienen en voor mij
zelf zorgen! Och, als ik door u geholpen kon worden aan werk, dan zou ik
u zoo dankbaar zijn...."
Ze had met veel vuur gesproken, nu kon zij niet meer. Zij kon zich ook
niet inhouden en opeens, tot hare eigene bittere ergernis, snikte zij
het uit.
De dokter nam hare beide handen in de hare. "Als wij nu eerst eens
maakten dat we heelemaal weer gezond werden," zei ze zacht.
Hedwig keek haar aan; zij zag er zielsbedroefd uit.
"Hoe?" vroeg ze fluisterend.
"Dat heb ik u gezegd, door te rusten."
"Maar dat kan niet," herhaalde Hedwig. Toen, opeens doordrongen van het
besef dat zij al te veel beslag legde op den kostbaren tijd van Miss
Hearty, bedwong zij met kracht hare aandoening en maakte zich gereed
heen te gaan. "Uwe andere patienten wachten," zei ze eenvoudig.
De dokter knikte even. "Ja zeker, maar wij hebben geen haast." Zij nam
haar receptenboekje, schreef een paar woorden op, schelde het
dienstmeisje en gaf haar het stukje papier. En zich weer tot Hedwig
wendend, vroeg ze:
"Heb ik uw vertrouwen?"
"O ja, ja."
"Doe dan wat ik u zeg."
Hedwig knikte. Ze hield zich nu weer flink en wachtte met opgeheven
hoofd wat Miss Hearty verder zeggen zou.
"Er komt straks een _hansom_ voor, die zal u naar een ziekenhuis
brengen, waar het heel goed is. Aan de directrice van uw _home_ zal ik
vandaag nog schrijven; men zal u uwe kleeren sturen....."
"En ... mijn moeder?"
"Haar moogt ge schrijven, zoodra gij wat uitgerust zijt. Houd maar
goeden moed; alles zal zeker te recht komen."
Hedwig knikte weer; ze kon niet goed spreken. Ook voelde zij zich nu
zoo afgemat dat zij nauwelijks in staat was hare gedachten te regelen.
Zij wist alleen maar dat de opbeurende stem van de dokteres haar
weldadig aangedaan had en dat zij thans niets liever wilde dan haar raad
volgen. Als in een droom liet zij zich in de _hansom_ helpen; men gaf
den koetsier het briefje en aanwijzingen, even merkte zij op dat de mist
iets minder ondoordringbaar was dan straks, toen sloot zij de oogen en
reed heen, bij zichzelf prevelend: "Ik geef toch den moed niet op. God
helpt, God helpt!"
HOOFDSTUK XII.
Aan de blauwe Zee.
Zij zat nog doodstil en met gesloten oogen, toen de _hansom_ staan bleef
voor een groot grijs gebouw, dat door een plein en hek omgeven was en
hoewel zij niet sliep, verkeerde zij toch in een soort verdooving, die
alles wat zij doormaakte, slechts half werkelijkheid voor haar deed
zijn. Als uit de verte hoorde zij het geluid van stemmen, daarop werd
zij uit het rijtuig getild, even opende zij de oogen en keek in een
lief, ernstig gezicht, toen vielen de zware oogleden weer toe. En steeds
als in een droom liet zij zich lijdelijk verder brengen, zonder het ook
maar in 't minst vreemd te vinden dat zij, Hedwig Eiche, zich nu in een
ziekenhuis bevond en door een pleegzuster gesteund, door breede, hooge
gangen liep, waarop ontelbare deuren van ziekenkamers uitkwamen. Later
voelde zij hoe men haar ontkleedde en te bed legde en hoe zij eindelijk
geheel toe mocht geven aan den overweldigenden drang tot slapen, niets
dan slapen ... toen wist zij niets meer.
Toen zij een paar uren later klaar wakker werd, zag zij dat zij in een
kleine, nette kamer lag en dat alles om haar heen er bizonder proper
uitzag. Een ware verademing vond zij het 't eentonige druppel-getik in
de waterpijp niet meer te moeten aanhooren, dat haar in het _home_ zoo
gekweld had en met een flauw glimlachje deed zij de oogen weer dicht en
viel op nieuw in slaap.
Het was avond, toen zij weer ontwaakte. Men had het licht in haar kamer
nog niet aangestoken, maar door de openstaande deur gleed langs het
tochtschut heen, een breede straal van het ganglicht naar binnen. Zij
vond het prettig in deze rustige schemering te blijven liggen en hare
oogen door het vertrek te laten dwalen over de lichtgrijs-en-blauw
geschilderde muren met den zachtgetinten rand, waarin zij duidelijk de
witte lelies kon onderscheiden en over de vogels in gouddraad op het
kamerschut,--maar lang hield zij het kijken niet vol. Zij had nu zware
hoofdpijn en niets scheen haar op dit oogenblik begeerlijker dan haar
|