free book ebook online reading
eBook Title
Een Heldin
Author Language Character Set
A.C. Kuiper Dutch ASCII


You are here --- [ Home / Author Index K / A.C. Kuiper / Een Heldin / Page #4 ]

Tieka vindt. Als u wat minder jeugdig gekleed gingt en minder levendig
waart, zou dat natuurlijk niet het geval zijn, want ... hoe oud bent u
eigenlijk?"

"Vijftien jaar ... bijna zestien," zei Hedwig, zoo zacht dat de barones
haar onmogelijk verstaan kon.

"_Hoe_ oud?" vroeg zij scherp.

Met de kalmte der wanhoop herhaalde Hedwig nu luid:

"Vijftien jaar."

"Wat?" De oogen der barones flikkerden toornig. "Waarom is mij dat niet
eerder gezegd?" zeide zij driftig. Toen zich herstellend, met
voorgewende kalmte: "Maar het doet er ook eigenlijk minder toe, hoewel
... u weet immers _zeker_ dat u niet ouder bent?"

Onwillekeurig moest Hedwig nu toch even glimlachen. "Heel zeker," zei
ze.

"Dan zult u dubbel uw best moeten doen ouder te _schijnen_. Het zal mij
ook genoegen doen, u een ander soort hoeden te zien dragen, niet altijd
dat ronde, meisjesachtige model, meer een kapothoedje of iets, dat
daarop lijkt, ten minste."

"Ja," zei Hedwig zacht met de eigenaardige gewaarwording dat zij zou
hebben kunnen lachen en schreien tegelijk.

Daar hoorde zij Tieka's stem roepen:

"Waar is _my dear_?"

De barones stond op. "Ik geloof dat wij elkaar nu goed begrepen hebben,"
zei ze. "Als ik straks met Tieka ga rijden, kunt u de stad in gaan om
uwe boodschappen te doen. Ik heb nu niets meer te zeggen."

Hedwig had echter nog wel degelijk wat te zeggen en hoewel het haar
moeite kostte, bracht zij er toch moedig uit:

"Ik vrees dat ik niet rijk genoeg ben om een japon en een hoed te
koopen."

De schatrijke barones von Zerclaere trok verwonderd de wenkbrauwen op;
zij vroeg echter niets. "Dan zal ik u uw salaris eenige maanden vooruit
betalen," zei ze.

Weer boog Hedwig en luider en dichterbij klonk Tieka's ongeduldig
geroep:

"Waar is _my dear_ toch?"

Hedwig kwam haar op de trap tegen. "Ga je klaar maken, Tieka," zei ze.
"Je gaat met je moeder rijden. Heerlijk dat het zulk mooi weer is, he?"

Tieka zag haar met groote oogen aan. Hedwig's stem klonk zoo vreemd!

"Alleen met mama?" vroeg zij teleurgesteld.

"Ja."

Later hoorde Hedwig haar aan de barones vragen: "Waarom mag _my dear_
niet mee?" en het antwoord der barones: "Ik weet niet wie je met die
dwaze benaming bedoelt. Je moest je die kinderachtigheden afwennen,
Tieka, daar wordt je nu te oud voor."

Met looden schoenen ging Hedwig naar haar kamer om zich gereed te maken
voor hare "boodschappen."

Nu zou ze dus geen geld naar huis kunnen sturen en haar moeder had het
zoo noodig! En zeker nog in geen maanden zou ze weer wat kunnen zenden,
want eer die nieuwe japon en hoed betaald waren....

"En ik trek het me toch niet erg aan en ik schrei er ook niet om, want
dat helpt niemand ook maar een ziertje, moeder ook niet," zei ze, met
tranen in de oogen! Ze dronk snel een glas water leeg en knikte zichzelf
even toe in den spiegel, terwijl zij haar hoed opzette. "Moed houden,
hoor oudje!" Toen met een lachje en een zucht: "Och heden, was ik maar
wat meer een oudje, dan verdiende ik zeker ook meer. Nu, daarom niet
getreurd, dat wordt met den dag beter!"

Even later liep zij met een opgewekt gezicht door de straten van
Edinburg. Zij schrikte echter, toen ze voor den bewusten winkel stond;
de uitstalling achter de ramen zag er zoo voornaam en zoo duur uit!

Niet erg op haar gemak ging ze naar binnen en liet zich door een
onberispelijk gekleeden bediende den weg wijzen naar een salonnetje,
waar gemaakte dameskleeding kon worden gepast. "_Miss_ Fichte...." zei
de man, een jong meisje roepend, dat stalen stond te sorteeren en Hedwig
keek verrast op. _Fichte_, dat moest een Duitsche naam zijn!

Het meisje kwam beleefd naar haar toe. Zij zag er nog heel jong uit en
had een aardig, rond gezicht en vriendelijke, lichtblauwe oogen. "_You
wish to see...._" vroeg ze.

Hedwig hoorde terstond dat zij geen Engelsche was. "Ik ben een Duitsche,
u ook?" vroeg zij snel.

"Ja, ja," riep het meisje uit en onmiddellijk waren zij druk aan het
Duitsch praten. _Miss_ Fichte vertelde waar zij vandaan was en dat zij
over een paar dagen weer naar Duitschland terug zou gaan in een nieuwe
betrekking en Hedwig benijdde haar een beetje; maar zij zeide toch
dadelijk dat zij het ook heel goed getroffen had.

Toen werden er allerlei zwarte japonnetjes gepast, die Hedwig wel vrij
goed zaten, maar haar precies stonden alsof zij zich--zooals Miss Fichte
lachend beweerde--"als grootmoeder had verkleed." Ook vond Hedwig de
prijzen schrikbarend hoog!

Het aardige Duitsche juffertje zocht echter ijverig verder en vond
eindelijk iets, dat beter aan het doel beantwoordde. Het was een
eenvoudig kleedje van een zachte, wollige stof, hier en daar met een
weinig git gegarneerd. Hedwig legde even haar vinger op het git.

"Zou dit wel stemmig genoeg zijn?" vroeg ze weifelend.

"Maar natuurlijk," klonk het vroolijk terug. "En deze japon kunt u nogal
heel wat goedkooper krijgen, omdat zij van den vorigen winter is."

"Hoe heerlijk!" en uitgelaten blij sloeg Hedwig hare armen om haar
landgenoote heen.

Miss Fichte lachte opgewekt. "Dat doet mij goed," zei ze, "weer eens met
echt Duitsche manieren in aanraking te komen."

"Had ik nu ook nog maar een hoed!" zei Hedwig, opeens weer ernstig.

"Er is hier ook een hoeden-afdeeling. Als u dat wilt, kan ik wel even
een paar hoeden voor u halen."

"Dolgraag."

"Gewoon rond model zeker? Met een breeden rand?"

"Neen, neen, geen rond model," viel Hedwig haastig in. "'t Moet een
soort kapotje zijn."

"Och neen, dat meent u toch niet?"

"Ik meen het heusch. Kijk maar eens of er niet iets geschikts voor mij
bij is."

Het meisje ging hoofdschuddend heen. Een kapotje voor zoo'n jong
deerntje; het was al te dwaas! Zij kwam echter na eenigen tijd terug met
allerlei soorten hoeden en hoedjes en na veel gebabbel en veel overleg,
slaagde Hedwig er werkelijk in iets te kiezen, dat er "heusch nogal erg
kapotachtig" uitzag.

"Wat spijt het me dat wij niet alle twee in Edinburg blijven!" riep zij
uit, toen zij het adres had opgegeven, waarheen alles moest gezonden
worden. "Ik zou het zoo prettig vinden, als ik hier een Duitsche
vriendin had!"

"Mij spijt het ook. Wij zouden zeker veel aan elkaar kunnen hebben."

"Stellig. Nu, goede reis naar Duitschland terug. _Deutschland ueber
alles!_"

Zij wuifde met haar handschoen en: "_Auf Wiedersehn!_" klonk het
hartelijk.

Vlug liep Hedwig langs _Princes-street_ weer naar huis, onderweg even
staan blijvend bij het standbeeld van Scott. Zij keek op naar het nobele
gezicht met den fijn humoristischen trek om den mond en dacht: "Die
heeft nog vrij wat meer doorgemaakt dan ik. Ik begin ook eigenlijk pas!"
En met opgeheven hoofd liep zij verder.

De barones en Tieka waren nog niet terug, toen zij thuis kwam. Zij kon
dus juist nog even iets nakijken voor de geschiedenisles, die zij straks
aan Tieka zou moeten geven. Van avond zou zij dan een briefje aan haar
moeder schrijven; ze was weer vol moed.

Verwonderd keek zij op, toen zij op haar kamer een brief van huis vond
liggen. "Al zoo gauw weer, moeder heeft net geschreven," mompelde ze.
"Claerchen zal toch niet erger zijn!"

Neen, Claerchen begon gelukkig goed aan te sterken, schreef haar moeder.
Maar zij had Hedwig iets heel treurigs te vertellen, waarover deze zelf
zeker ook erg bedroefd zou wezen. Anna Schaub was dood! Zij hadden dien
ochtend bericht gekregen....

Hedwig liet den brief uit haar hand glijden. "Ach Anna! Anna!"

Ze voelde zich opeens zoo verlaten, zoo alleen! "Waarom moest zij
heengaan, die goede, trouwe Anna, moeders eenigste vriendin haast! Zij
kon haar immers volstrekt niet missen! O, waarom krijgen wij toch ook
zooveel leed te dragen, waarom _wij_ juist? En alles komt ook te gelijk
nu...."

Zij nam den brief weer op en las met brandende oogen verder. Anna was
plotseling gestorven, men had haar dood gevonden in haar slaapkamer,
blijkbaar was zij zachtjes ingeslapen.

Die laatste regels stemden Hedwig wat kalmer. Het was of zij het
vriendelijke gezicht van Anna Schaub duidelijk voor zich zag met een
uitdrukking van heiligen vrede erop, "_den vrede, die alle verstand te
boven gaat_."[2]

"God zal ons troosten, ook in dit leed," schreef haar moeder. "O, mijn
lief oudste dochtertje, wat zou ik je nu graag even bij me hebben!
Schrijf mij maar heel gauw weer...."



Toen Tieka thuiskwam, vertelde Hedwig haar waarom zij zoo bedroefd was
en den geheelen dag door deed het kind haar best, allerlei kleine
vriendelijkheden voor haar te bedenken. 's Avonds vond Hedwig op haar
kussen een groot stuk chocolade.

Zooveel zij maar kon, vergat zij zichzelf, toen zij haar briefje naar
huis schreef; ze dacht er alleen aan, hoe het haar moeder en Claerchen
thans te moede moest zijn. Zij wilde ook geen wanhopig bedroefden brief
schrijven en begon met te vertellen van Tieka's deelneming en de
chocolade; het schrijven ging verder gemakkelijker dan zij zich
voorgesteld had. In een paar regels besprak zij de toilet- en
geldkwestie en trachtte die zoo luchtig mogelijk te behandelen, hoewel
hare vingers beefden, toen zij de woorden neerschreef.

Ze kreeg spoedig antwoord van haar moeder terug. Claerchen ging werkelijk
vooruit en zij zelf verdiende flink met naaien--Hedwig moest zich toch
vooral niet ongerust maken.

En ons vijftienjarig gouvernantetje werkte dapper voort, al werd het
verlangen naar huis, vooral toen Kerstmis naderde, soms pijnlijk groot.
's Nachts kon zij plotseling wakker worden met een gewaarwording van
snakkend verlangen om even, even de gezichten van haar moeder en
Claerchen te zien, ook maar een oogenblik haar stemgeluid te hooren;--dan
sprong zij het bed uit, dompelde haar hoofd in het koude water en
berispte zichzelf om haar "lafheid."

Om Kersttijd was het huis vol gasten, iedere kamer was bezet. In de
gangen en op de portalen zag men hulstversieringen en groote bakken met
melkwitte kerstrozen. Tieka werd herhaaldelijk beneden geroepen. Soms
moest Hedwig meekomen en trouw verscheen zij dan in haar stemmig, zwart
japonnetje, waarover de barones, evenals over den nieuwen hoed, haar
hooge goedkeuring had betuigd. Zij had Hedwig ook eens toegevoegd dat
zij "meer tevreden" was over haar gedrag; Hedwig was "rustiger" dan
vroeger. En Hedwig had toen weemoedig geglimlacht, het viel haar in die
dagen van droefheid over den dood van Anna Schaub niet moeielijk
"rustig" te wezen!

Haar Kerstfeest was heel stil. Zij ging 's ochtends naar de Duitsche
kerk en kwam verkwikt en gesterkt terug; het oude, blijde Kerstevangelie
had krachtiger dan ooit tot haar hart gesproken.

Toen zij op haar kamer kwam, vond zij daar vele kleine verrassingen van
Tieka. De pakjes lagen in een kring op de tafel met hulsttakjes
eromheen. Tieka zelf stond er met een vroolijk gezicht bij en klapte in
de handen om Hedwig's verbazing over een pennenhouder, dien zij voor
haar had gewerkt door er in verschillende kleuren zijde omheen te winden
en daarin de woorden "_my dear_" te weven.

Van de barones kreeg Hedwig een paar handschoenen en tot haar groote
blijdschap was er ook een pakje van thuis: zes keurige zakdoekjes, door
haar moeder genaaid en door Claerchen met een ietwat wonderlijke _H_
versierd.

Zij was dankbaar voor de goede gaven en 's avonds, toen men Tieka
beneden had gehouden om een poosje met de gasten feest te vieren--toen
deed zij terdege haar best het "heel gewoon" te vinden, dat zij alleen
op haar kamer zat, terwijl in een ander gedeelte van het huis in
schitterend verlichte zalen, zooveel meisjes, ook van haar leeftijd,
zongen en vroolijk waren en haar jeugd genoten. Heel stil zat zij in het
halfduister naar buiten te kijken, zich koesterend in de warmte en den
gloed van het haardvuur en even vroeg zij zich af, of geen enkel van al
die blijde, lachende menschen beneden, zich erover verwonderen zou dat
zij niet aanwezig was. Men wist toch dat zij bestond, kwam haar telkens
tegen op trap of portaal en gunde haar nu en dan een beleefden groet.
Zou men verder nooit aan haar denken?

Zij wilde er zich niet in verdiepen en dwong zich tot andere gedachten.

Heel spoedig nadat Tieka boven was gekomen om naar bed te gaan,
"heelemaal zonder een greintje zin om te gaan slapen," ging zij zelf ook
ter ruste, na eerst de portretten van haar moeder en van Claerchen
hartelijker dan ooit te hebben toegeknikt en in de stilte van haar kamer
het oude, algemeen bekende Duitsche kerstlied "_die heilige Nacht_" te
hebben opgezegd.

Stille Nacht! heilige Nacht!
Alles schlaeft, einsam wacht
nur das traute hoch-heilige Paar.
Holder Knabe im lokkigen Haar,
Schlaf' in himmlischer Ruh!

Stille Nacht! heilige Nacht!
Hirten erst kund gemacht;
durch der Engel Halleluja
toent es laut von fern und nah:
Christ der Retter ist da!

Stille Nacht, heilige Nacht!
Gottes Sohn, o wie lacht
Lieb' aus deinem goettlichen Mund,
da uns schlaegt die rettende Stund',
Christ in deiner Geburt.[3]
...

Na de laatste dagen van het jaar met al hunne drukte en afwisseling,
volgden nu weken en maanden van veel werken en veel thuiszitten, want
het weer bleef stormachtig en ongeschikt voor Tieka.

Doch eindelijk bracht het late voorjaar betere dagen. Een teere lentezon
bescheen de grijze, Edinburgsche gebouwen en bracht lichte tinten in het
jonge groen en Tieka was uitgelaten van blijdschap, toen de dokter
uitdrukkelijk gebood dat zij nu zooveel mogelijk in de lucht moest zijn.
Tot haar niet geringe teleurstelling echter namen hare ouders haar thans
telkens lange middagen met zich mee in het rijtuig om bezoeken in den
omtrek af te leggen. "He, ik moest me van middag weer zoo _ladylike_
gedragen en ik wou _veel_ liever geen _lady_ wezen, ten minste nog lang
niet," zuchtte zij dikwijls na zulk een tocht. Het was teekenend voor
haar karakter dat zij zich tegenover haar moeder nooit beklaagde, maar
altijd stipt deed wat deze van haar verlangde.

Haar gehoorzaamheid bleef niet zonder uitwerking op hare ouders en nooit
nog had Hedwig hare oogen zoo zien stralen als aan den avond van een
prachtigen Juni-dag, toen zij bij haar kwam binnenstormen met de
woorden:

"Wij gaan naar Melrose. Als het morgen mooi weer is, gaan wij _samen_
uit, samen naar Melrose! Alleen uit met _my dear_! Meer dan dol! En we
mogen gewoon in den trein er heen reizen en dan nemen wij ons lunch mee.
Ik heb er zoo om gesmeekt en eindelijk mocht het!"

"Maar als ik er nu eens heelemaal geen lust in heb," zei Hedwig langzaam
om haar te plagen.

Even keek Tieka ernstig. Toen lachte zij weer en babbelde opgewonden
verder.

"En Melrose is zoo mooi! Wij gaan Abbotsford zien, het huis van Scott,
en we gaan een groote veldbouquet plukken en op het gras zitten, als wij
ons lunch willen opeten en we gaan alles doen, waar we maar zin in
hebben. He, ik wou dat die vervelende nacht maar om was!"

"Het zou me niet verwonderen, als er morgen regen kwam," zei Hedwig,
naar het raam toeloopend. "Er zijn al wolkjes aan de lucht."

"Niets van aan, niets van aan, heelemaal niets van aan," zong Tieka,
door de kamer dansend.

Zij kon later haast niet in slaap komen en den volgenden ochtend stond
zij reeds heel vroeg klaar wakker naast Hedwig's bed.

Hedwig was nog vast in slaap, maar werd wakker door de zachte aanraking
van twee warme lipjes op haar voorhoofd. Zij glimlachte, toen ze Tieka
gewaar werd in haar lange witte nachtpon, waarbij het donkere krulkopje
zoo grappig afstak.

"Het prachtigste weer van de wereld, hoor!" zei ze.

"Hoe laat is het?"

"Over half vijf. Zal ik me maar aankleeden?"

"Wel neen," zei Hedwig en zij ging recht overeind in bed zitten. "Ga
maar gauw nog een beetje slapen."

"Mag ik dan mijn kussen halen en hier voor het ledikant een beetje op
den grond gaan liggen? Anders verslapen wij ons misschien," zei Tieka,
blijkbaar nu reeds in een stemming om "alles te doen, waarin ze maar
lust had."

"Wel neen," herhaalde Hedwig, zoo beslist dat Tieka onmiddellijk
verdween.

Het was werkelijk dien dag "het prachtigste weer van de wereld" en
beiden waren in de vroolijkste stemming, toen zij de korte reis naar
Melrose hadden volbracht en, met het mandje met etenswaren gewapend, uit
den trein stapten. Zij hadden gereisd met drie zeer spraakzame
Amerikaansche dames, die ook Melrose en Abbotsford gingen "doen", en
Hedwig moest lachen om de bizonder voelbare wijze, waarop Tieka haar in
den arm kneep, toen het drietal Hedwig vootstelde samen een rijtuig te
huren om zich naar Abbotsford te laten rijden. "Niet doen, niet doen,"
fluisterde Tieka nog ter verduidelijking van haar gebaar en de
Amerikaansche dames moesten het aanzien dat er een paar ledige plaatsen
in het ruime rijtuig over bleven.

In een, volgens Tieka, "alleraardigsten winkel", kochten zij een goede
hoeveelheid kersen en Tieka vond het een genot telkens uit den zak te
mogen presenteeren en al wandelende menige kers te verorberen. "Het
smaakt oneindig lekkerder dan dat je ze van een bordje eet," zei ze,
niet zonder overdrijving.

Wat was het een mooie, lieflijke wandeling naar Abbotsford en hoe
genoten zij! Langs heuvelen vol golvend graan liepen zij en Tieka
lachte, omdat het net was of het koren haar buigend groette. Dan weer
kwamen zij langs velden met groote, witte margrieten en graspluimen,
waarvan zij een "prachtruiker" maakten en eindelijk, even voordat zij
Abbotsford hadden bereikt, gingen zij tegen een grasheuvel aan liggen en
gebruikten haar lunch. "Ik heb toch zoo'n honger vandaag," zei Tieka,
"nu ga ik weer eens probeeren hoe dat smaakt," en dan legde zij een kers
op een stukje brood en verzekerde dat het "verrukkelijk" was! En toen
zij eindelijk klaar waren met haar maaltijd, zei ze: "Als wij nu alweer
naar huis moesten, zou ik toch al verbazend veel plezier gehad hebben.
Maar we gaan nog lang niet naar huis. We zijn eigenlijk net begonnen,
he? Is 't niet lieve, kleine _my dear_?"

"Stil een beetje, wat meer eerbied als 't je blieft."

"Ik heb juist heel veel eerbied," zei Tieka ondeugend. "Maar ik geloof
toch wel dat _my dear_ nog heel jong is."

Hedwig zei niets terug.

"Is het niet zoo?"

"Dat blijft geheim, dat weet je wel."

"Maar ik mag toch zeker wel eens raden?" begon Tieka weer.

"Neen, neen, volstrekt niet."

Het trof gelukkig voor Hedwig dat zij juist op dit oogenblik den ingang
van Abbotsford naderden en er van rustig praten nauwelijks meer sprake
kon zijn. Want bij het hekje, waarbij de concierge toegangskaartjes
stond uit te deelen aan de verschillende bezoekers, was het stampvol.
"Hoe jammer, ik dacht dat wij er bijna alleen zouden zijn," fluisterde
Tieka, toen zij zich achter de Amerikaansche dames plaatsten, die al een
poosje geduldig hadden staan wachten. Als een troep schapen werden allen
nu door den oppasser naar de vertrekken gedreven, die het publiek van
Abbotsford te zien krijgt. Hedwig en Tieka bleven spoedig een weinig
achter en bekeken op haar gemak wat haar het meest aantrok, zeer onder
den indruk van het feit dat zij liepen door de kamers, waar de schrijver
van Ivanhoe "met het bruine haar en de lichtgrijze dichteroogen",
zooveel gedacht en gewerkt en genoten had.

Terwijl de groote menigte reeds door de tusschendeur de bibliotheek was
ingegaan, bleven zij samen nog een oogenblik staan in de studeerkamer,
bij den stoel van Scott en zagen eerbiedig op naar den schat van boeken,
waarmee de muren van onder tot boven waren bedekt. En in de fraaie
bibliotheek, die Tieka "een heerlijke leerkamer" noemde, genoten zij in
de nis van het groote venster staande, het bekoorlijke uitzicht op
Scott's geliefde rivier de Tweed en de zacht glooiende, groene heuvels.

[Illustration: De studeerkamer van Walter Scott op Abbotsford.]

In de _drawingroom_ vond Tieka, niettegenstaande de vele schatten daar
verzameld, het zeer eigenaardige behangsel, een voorstelling gevend van
in kleurige kleedij getooide Chineezen en Japanneezen, verreweg het
aantrekkelijkst; zij was er haast niet vandaan te krijgen! Haar stemming
veranderde echter, toen zij de eetzaal bezochten met de kunstig
uitgesneden zoldering van donker eikenhout en dachten aan het uur,
waarop Walter Scott hier den laatsten adem uitblies, na alles, wat hij
doorgemaakt had, toch nog stervend op zijn innig geliefd Abbotsford,
waarvan hij eens schreef: "_My heart clings to the place I have created,
scarce a tree of which does not owe its being to me._"[4]

En geen wonder dat zijn hart "hing" aan Abbotsford! Kende hij er niet
nagenoeg iederen steen, iedere bloem en iedere boomsoort? En had hij
niet van de onaanzienlijke hoeve en het land, die hij in 1811 kocht, een
waren lusthof gemaakt? En werd hij er zelf ook niet met warme
aanhankelijkheid gediend door al zijne onderhoorigen, tot den bekenden
schaapherder Thomas Purdie en den koetsier Peter Mathieson toe?

"Ik wou dat Walter Scott nog leefde en dat ik dan eens bij hem te
logeeren gevraagd werd op Abbotsford, met _my dear_," zei Tieka, toen
zij het kasteel verlieten en zich haasten moesten om de beroemde ruine
van de Melrose abdij nog te gaan zien.



De tijd was omgevlogen en zij mochten natuurlijk niet te laat aan het
station komen. "_Als_ wij eens te laat kwamen en pas van nacht weer
thuis konden zijn, zou ik het toch wel een beetje prettig vinden,"
merkte Tieka op, maar Hedwig scheen dit volstrekt niet ook maar "een
beetje" plezierig toe en zij begon onwillekeurig nog vlugger te loopen.

Ten slotte viel de tijd haar toch nog mee, toen zij bij de indrukwekkend
mooie ruine van Melrose Abbey stonden en hier nog eenige oogenblikken
konden vertoeven om een dankbare gedachte te wijden aan de begaafde
Benediktijner monniken, die eeuwen geleden in zandsteen de sierlijkste
lijnen wisten te beitelen en al hunne talenten gaven aan de verfraaiing
van het kerkgebouw, dat zelfs als ruine nog zoo onuitsprekelijk veel
schoons heeft.

"Laten wij nog even blijven, even maar," smeekte Tieka, toen Hedwig
zeide dat het tijd werd om te vertrekken. Hedwig was echter
onverbiddelijk en het was goed dat zij niet langer gewacht hadden, want
toen zij aan het station kwamen, stond niet alleen de trein er reeds,
maar waren de coupes zoo vol dat zij slechts met zeer groote moeite een
plaats konden machtig worden in een derdeklasse wagen. Tieka moest bij
Hedwig op den schoot zitten en vond dit ook al weer "dol prettig." Haar
vroolijkheid werkte aanstekelijk op de medereizigers, waaronder zich een
troepje kleine meisjes bevond, die schaterden van het lachen om Tieka's
grappen en zelf ook allerlei te vertellen hadden. Zij hadden ook op het
gras gezeten om te lunchen, dicht bij een boerderij en terwijl haar
vader bezig was, haar allerlei over het leven van Scott mee te deelen en
daarbij zijn boterham in de hand hield, was opeens een kip op zijn been
gevlogen en had hem de boterham pardoes uit de hand weggepikt. O, zij
moesten nog zoo lachen, als zij er aan dachten hoe vader toen gekeken
had!

Nu, Tieka en Hedwig lachten ook en toen de trein te Edinburg stilstond
en de kinderen afscheid moesten nemen, zei Tieka levendig:

"He, ik hoop hartelijk dat wij elkaar nog eens weerzien!"




HOOFDSTUK V.

Chester.


Twee volle jaren bleef Hedwig bij de familie von Zerclaere, zonder dat er
van eenige verandering sprake was. Zij was nu bijna achttien jaar. "Over
een paar jaar, als ik twintig word, dan zal de barones mijn salaris toch
wel verhoogen," dacht ze soms. Zij wist dat de ouders van Tieka tevreden
waren over hare vorderingen, maar zij wist ook zeer goed dat Tieka's
moeder haar bizonder weinig genegen was en er waren dagen dat zij
werkelijk leed onder de scherpe, hatelijke woorden der barones, waaraan
het maar al te zeer merkbaar was dat zij door jaloezie waren ingegeven.

Toch werkte zij vroolijk en moedig voort en bleef zij steeds hopen dat
de houding der barones nog wel eens veranderen zou. Zij was het vorige
jaar met Kerstmis thuis geweest en had van haar moeder ook den raad
gekregen, maar trouw haar best te blijven doen en zij hadden toen
beiden gelachen om Claerchen's verontwaardigden uitroep:

"Nu, _ik_ zou me dan zoo engelachtig niet houden!"

Hedwig moest weer aan die woorden denken, toen zij zich op een stillen,
helderen herfstdag gereed maakte voor haar ochtendwandeling met Tieka.
De barones was den vorigen dag de leerkamer ingekomen op een oogenblik
dat Tieka het juist weer heel druk had met haar "_my dear_" en zij had
toen zeer beslist gezegd dat het nu "voor goed uit moest zijn met die
dwaasheid." Tieka had erg verschrikt gekeken, toen ze haar moeders oogen
zoo toornig zag flikkeren en zij was dadelijk begonnen zich stipt aan
het verbod te houden, zooals haar gewoonte was. Hedwig had den volgenden
ochtend het hartelijke "_my dear_" gemist; zij zuchtte er nu eens even
over en glimlachte flauwtjes om haar "sentimentaliteit."

Wat bleef Tieka toch lang weg! De barones had haar zooeven bij zich
laten roepen. Het kind had toch niets gedaan, waarvoor zij een berisping
verdiende?

Neen, er was niets bizonders voorgevallen, bedacht Hedwig gerustgesteld
en hare oogen keken bewonderend den tuin in naar de hooge beuken,
waarvan het rijke herfstgoud zoo teekenachtig afstak bij de gladde,
slanke stammen. Wat was de lucht boven die beuken klaar en zuiver-blauw!
Het zou heerlijk zijn buiten straks en bij het standbeeld van Scott....

Zij keerde zich snel om, toen zij de stem der barones achter zich
hoorde. Aan de uitdrukking van haar gezicht zag ze terstond dat haar een
onaangenaam onderhoud wachtte en haar hart begon sneller te kloppen.

"Ik heb u iets te zeggen, Fraeulein," klonk het stroef.

Hedwig boog zwijgend het hoofd.

"Tieka is met haar vader uitgegaan. Zij blijft een groot gedeelte van
den dag weg en u kunt dus dien tijd voor u zelf gebruiken. Als u even
wilt gaan zitten...."

Tot haar verwondering merkte Hedwig thans een zweem van verlegenheid op
bij de barones; het maakte haar ongerust en zij beefde even, toen ze
zitten ging.

Maar het oogenblik van zwakte bij Tieka's moeder was zeer spoedig weer
voorbij.

Op de haar eigene, hooghartige wijze zei ze:

"Ik wensch er u thans van in kennis te stellen dat de heer von Zerclaere
en ik het besluit hebben genomen, Tieka na de kerstvacantie naar een
uitmuntende kostschool te zenden. Wij zijn er volkomen van overtuigd dat
zij daar zeer beschaafden omgang zal kunnen genieten en langzamerhand
gevormd zal kunnen worden voor de hooge plaats, die zij in onze kringen
zal moeten innemen. Zij zal natuurlijk ook aan het hof gepresenteerd
worden en u zult zeker inzien...."

"O, ik kan niet...!" Hedwig was opgesprongen, zij was zichzelve niet en
zij strekte de handen uit met een afwerend gebaar; zij kon niet meer
luisteren! Even zag de barones haar onderzoekend aan. "U zult ruim tijd
hebben iets anders te zoeken," zei ze zacht. Toen ging zij de kamer uit,
waar Hedwig haar dankbaar voor was.

Het onverwachte, hevige van den slag gaf haar voor 't oogenblik een
gevoel alsof zij erdoor verpletterd was. Weg, van Tieka weg, het kon
niet waar zijn immers! Haar hoofd was zoo zwaar; zou ze wel goed gehoord
hebben wat de barones had gezegd?

Ach, zij wist immers dat zij het maar al te goed verstaan had. Zij moest
_weg_! Ze herhaalde het bij zichzelf, telkens weer, met hare oogen strak
gevestigd op de hooge beuken van den tuin, zoo rijk in hun pracht van
goud, zoo stil en lieflijk op dezen wondermooien herfstdag....

De rust daar buiten deed haar nu haast pijn en zij keerde zich af van
het raam en liep snel naar haar kamer. Daar sloeg zij met een
hartstochtelijk gebaar de handen ineen. Weg, van Tieka weg en waar dan
heen?

O, het kon niet, het mocht niet gebeuren!

Wat zou Tieka zeggen? Zou Tieka het hebben willen? Zou zij er zich niet
tegen verzetten? Ze moest nu opeens geheel aan Tieka denken en hoe de
vroolijke uitdrukking van haar gezichtje verdwijnen zou, als zij het
hoorde. En terwijl zij zich, zeer karakteristiek voor haar, geheel
verdiepte in Tieka's droefheid, werd haar eigen smart op den achtergrond
gedrongen en toen zij eindelijk schreien kon, was het meer nog om
Tieka's leed dan om haar eigen.

Toen Tieka 's middags terugkwam, zag zij terstond dat deze reeds alles
wist. Haar vader had haar zijn besluit meegedeeld aan het eind van de
wandeling en zij was blijven staan en had hem ongeloovig aangezien, stom
van verbazing. Maar zij had niets gezegd, dadelijk troost zoekend in een
zeker vaag bewustzijn dat hij zich vergissen moest, dat haar moeder
alleen precies op de hoogte kon wezen van alles wat hare lessen en hare
gouvernante betrof en zoodra zij thuis kwamen, was zij naar de barones
toegesneld. Het was immers niet waar dat Fraeulein Eiche wegging?

"Ja natuurlijk is het waar," had de barones gezegd.

Toen was Tieka dadelijk naar boven geloopen en heel bleek, met iets
verschrikts in hare oogen, kwam zij bij Hedwig. En voor 't eerst een
gebod van haar moeder geheel vergetend, sloeg zij de armen om Hedwig's
hals, al maar roepend: "_Oh my dear, my dear_!"

Toen snikte zij even heel zacht met die eigenaardige, bij een kind zoo
treffende zelfbeheersching, die Hedwig reeds dikwijls bij haar had
opgemerkt en zij legde liefkoozend haar wang tegen die van Hedwig aan en
bleef een oogenblik zoo zitten; toen opeens sprong zij op en liep weer
naar beneden naar de barones.

"Moeder," riep ze, "o, ik smeek u, laat Fraeulein Eiche toch niet
weggaan; ik vind het zoo vreeselijk!"

"Maar Tieka!"

Het kind had haar hand smeekend op den arm harer moeder gelegd; onder
den kouden, strengen blik, die haar trof, liet zij die hand weer weg
glijden.

"Ik vind het zoo vreeselijk, vreeselijk!" herhaalde zij fluisterend.

"Je moet me voortaan van die kinderachtige vertooningen verschoonen,
Tieka. Begrepen? Het is groote dwaasheid je zoo aan te stellen,
eenvoudig omdat je gouvernante weggaat; je zult er spoedig genoeg aan
gewend zijn."

Tieka's gezicht werd eerst doodsbleek, toen vuurrood, daarna weer heel
bleek. Zij waagde nog een laatste poging.

"Dus het gebeurt echt?"

"Zeer zeker gebeurt het," klonk het driftig. "En ga nu terstond heen. Je
vergeet tegen wie je spreekt."
    
<<Page 3   |   Page 4   |   Page 5>>
Go to Page Index for Een Heldin

You are here --- [ Home / Author Index K / A.C. Kuiper / Een Heldin / Page #4 ]