free book ebook online reading
eBook Title
Magie bij de Grieken en de Romeinen
Author Language Character Set
Karel H.E. de Jong Dutch UTF-8


You are here --- [ Home / Author Index J / Karel H.E. de Jong / Magie bij de Grieken en de Romeinen / Page #8 ]

Gregorius laat het niet bij dit toch al vrij tendentieuze verhaal, maar

bericht verder (c. 92) zooals trouwens hij niet alleen,[95] dat Julianus
menschen zou hebben laten offeren om uit hunne ingewanden de toekomst
te lezen. Aan zulke verdachtmakingen kan echter niet de minste waarde
worden gehecht; de beschuldigingen van geheime moorden, waaraan eens de
Christenen zelve blootstonden, keeren zij later in misplaatsten
geloofsijver tegen den "afvallige".

Na den vroegen dood van Julianus (363) kwam het bewind weer in
Christelijke handen en al spoedig werd het optreden tegen magie en
wichelarij hervat. De keizers Valentinianus toch en Valens, waarvan de
eerste het westelijke, de andere het oostelijke gedeelte van't
Romeinsche rijk bestuurde, verklaarden in een besluit van 't jaar 364:

"Niemand wage het in 't vervolg, om in 't nachtelijk uur magische
handelingen te verrichten."

Spoedig zouden al die wettelijke bedreigingen op eene verschrikkelijke
manier ten uitvoer worden gebracht.

In 371 (of 372) trachtten eenige personen door middel van magische
verrichtingen met een tafeltje te weten te komen, wie de opvolger van
Valens zou zijn. Valens, hiervan verwittigd, beval terstond de
wichelaars en iedereen op wie ook maar eenige verdenking rustte, in
hechtenis te nemen, en al het foltertuig, waarover men toenmaals
beschikte, in gereedheid te brengen. De uitvoerigste beschrijving van
dit monsterproces geeft een tijdgenoot, de hoogst achtenswaardige
historicus Ammianus Marcellinus, wiens verhaal ook door de andere
berichten[97] steun ontvangt. Wij laten hier het belangrijkste er uit
volgen (XXIX, 1, 28-42):

"Patricius en Hilarius [twee der hoofdbeschuldigden] werden
binnengeleid en men beval hun de feiten van begin tot einde mede te
deelen. Daar zij in den aanvang elkaar tegenspraken, werden hun de
folterklauwen in de zijden gezet en eindelijk haalde men den
drievoet er bij, dien zij plachten te gebruiken. In de engte
gedreven, gaan zij alles van den aanvang af naar waarheid hekend
maken, Hilarius het eerst:

"Wij hebben", zeide hij, "edelachtbare heeren, onder een boos
gesternte, dit noodlottige tafeltje, dat gij ziet, naar het
voorbeeld van den drievoet te Delphi, uit lauriertakken
samengesteld; en na geheime tooverformulieren te hebben
uitgesproken met al het benoodigde gerei de wijding herhaaldelijk
naar den ritus te hebben verricht, brachten wij het eindelijk in
beweging. De manier om het in beweging te brengen, zoo vaak wij het
over geheime zaken raadpleegden, was als volgt: Na het huis aan
alle kanten met Arabisch reukwerk te hebben gereinigd, zetten wij
den drievoet er in 't midden neer en eene ronde schaal er zuiver
boven op, uit verscheidene metalen kunstig saamgesmeed, gesmeed,
op wier ronden omtrek de vier en twintig letters van het alfabet
door eene ervarene hand zóó waren ingegrift, dat hunne onderlinge
afstanden juist even groot waren. Iemand in linnen kleeren gehuld
en met schoenen evenzeer uit linnen, voorts met een band om 't
hoofd gewonden, en een tak van een vruchtdragenden boom in de hand,
ging bij het tafeltje staan, na den god, die voorspellingen geeft,
door de gebruikelijke formulieren gunstig te hebben gestemd,
terwijl hij in alles handelde overeenkomstig de voorgeschrevene
plechtigheid. Hij liet boven het tafeltje een ring zich heen en
weer bewegen, hangende aan een zeer dunnen draad uit linnen en
volgens de mystieke leer gewijd; deze ring, in vast tijdsverloop
heen en weer gaande, werd telkens door eene enkele letter gestuit
en vormde versregels, beantwoordende aan de gestelde vragen,
hexameters, naar getal en maat goed afgerond, zooals die welke
afkomstig zijn van het Pythische, [Delphische] orakel.... Op onze
vraag, wie aan de huidige regeering zou opvolgen, werd geantwoord,
dat deze in elk opzicht voortreffelijk zou zijn, en toen de ring al
springende de twee lettergrepen "Theo" had aangeraakt met
toevoeging van de laatste letter [d], riep een der aanwezigen uit,
dat Theodorus door de beschikkingen van het onvermijdelijke noodlot
werd aangewezen. Wij hebben over die zaak niets verder
uitgevorscht, want het stond bij ons voldoende vast, dat deze het
was, die geroepen werd".

Toen hij aldus eene zoo duidelijke bekentenis aangaande de geheele zaak
aan de rechters had afgelegd, voegde hij er edelmoedig bij, dat
Theodorus er heelemaal niets van afwist. De aangeklaagden, hierna
ondervraagd, of zij, krachtens het orakel dat zij raadpleegden, ook
vooruit wisten, wat zij zouden te verduren hebben, reciteerden die
allerbekendste verzen, die duidelijk verkondigden, dat de zucht om in 't
geen voor hen te verheven was door te dringen, spoedig hun het leven zou
kosten, maar dat de wraakgodinnen den keizer zelf en de rechters met
zwaard en brand bedreigden; het zal volstaan de drie laatste regels aan
te halen:

"Hun, die door gramschap gedreven, Uw bloed wreedaardig vergieten,
Wacht een' ontzettende straf. D'onverbidd'lijke Wraak uit den afgrond
Zal, in de vlakten van Mimas, hun hart door de vlammen verteren!"

Na deze versregels worden ze weer met de folterklauwen mishandeld en,
den dood nabij, van elkaar gescheiden. Hierna wordt, om op de werkplaats
van de beraamde misdaad het volle licht der openbaarheid te laten
schijnen, eene schare van hooggeplaatsten binnengeleid, die de hoofden
van het plan waren. Terwijl niemand om iets anders dan om zich zelf
dacht en de een de schuld op den ander wierp, begon eindelijk Theodorus,
toen de rechters het hem veroorloofden, te spreken. Eerst wierp hij
zich neer en smeekte om genade, daarna, geperst om te antwoorden,
bekende hij, het door Eucerius te hebben vernomen, en dat hij
herhaaldelijk op het punt had gestaan, het den keizer te berichten, maar
door Eucerius daarin was verhinderd, die hem verzekerde, dat niet door
een ongeoorloofden aanslag op de regeering, maar door den wil van het
onveranderlijke noodlot het gehoopte van zelf in vervulling zou gaan.
Eucerius bevestigde, onder de wreedste pijnigingen, deze bekentenis;
maar Theodorus werd weerlegd door zijn eigen brief, dien hij, hoewel in
duistere termen, aan Hilarius had gericht; hieruit toch bleek, dat hij
vast op de voorspelling vertrouwde en dat hij niet voor de daad
terugdeinsde, maar het tijdstip zocht om zijn misdadig opzet ten uitvoer
te brengen.

Na deze bekentenissen worden zij verwijderd. Eutropius, die toen
Gouverneur van Azië was, werd, als medeplichtig aan het komplot, voor de
rechtbank gedaagd, maar als onschuldig losgelaten, dank zij den
philosoof Pasiphilus, die, hoewel op de wreedste manier gefolterd, opdat
hij hem door eene leugenachtige aantijging onrechtvaardig in 't verderf
zou storten, zijne standvastigheid van karakter bewaarde. Hierop volgde
de philosoof Simonides, wel is waar nog jong, maar in onzen tijd boven
allen door strengheid van principes uitstekende. Toen deze beschuldigd
werd de zaak van Fidustius te hebben gehoord, en gezien had, dat het
geding niet naar waarheid, maar naar den wil van één werd beslist,
verklaarde hij, dat men hem de voorspelling had toevertrouwd, maar dat
hij, zooals een man van karakter past, er over gezwegen had.

De keizer, na dit alles nauwkeurig te hebben onderzocht, bekrachtigde
het vonnis der rechters en beval, met ééne uitspraak, allen ter dood te
brengen ... allen werden onthoofd, behalve Simonides alleen, dien de
wreede opperrechter, verbitterd door zijne ernstige standvastigheid,
beval levend te verbranden. Simonides, het leven als een krankzinnigen
meester ontvluchtende en lachende om de plotselinge lotsverwisselingen,
kwam, zonder zich te verroeren, in de vlammen om....

In de volgende dagen heeft eene menigte uit zoowat alle standen, die het
moeilijk valt bij name te noemen, in het net der lastering verstrikt, de
armen der beulen vermoeid, na van te voren door pijnbank en lood en
zweepslagen te zijn afgemarteld. Sommigen werden zonder het minste
verwijl ter dood gebracht, terwijl men er nog over verhandelde of ze
moesten terechtgesteld worden; overal was eene slachting te zien,
evenals van vee....

Niet erg lang daarna werd ook Maximus, de bekende philosoof, een man van
groote geleerdheid, door wiens wijze lessen de keizer Julianus grondig
in de wetenschap was onderricht, er van aangeklaagd, bovengenoemde
verzen te hebben gehoord. Hij erkende er van te hebben geweten, maar
had, als philosoof, zich verplicht geacht, er geen ruchtbaarheid aan te
geven. Ja, hij had zelf voorspeld dat die uitvorschers van de toekomst
er de doodstraf voor zouden ondergaan. Naar Ephese, zijne vaderstad
gebracht, werd hij aldaar onthoofd en ondervond, gelijk het laatste
proces hem leerde, dat de onrechtvaardigheid van een rechter
gevaarlijker is dan alle beschuldigingen."

Ammianus voegt er o.m. nog (in c. 2, 3) deze karakteristieke
bijzonderheden aan toe: "En opdat zelfs de echtgenooten geen tijd zouden
hebben, de ellende hunner mannen te beweenen, werden terstond
gerechtsdienaars er op afgezonden, die, bij 't verzegelen der huizen en
het nazoeken van het huisraad van den veroordeelde, onzinnige
bezweringen of recepten voor liefdedranken heimelijk verstopten, alles
gereedmaakt tot verderf van onschuldigen. Als die stukken voor de
rechtbank waren voorgelezen, waar men noch op grond van wet, noch van
geweten, noch van billijkheid de waarheid van de leugen onderscheidde,
werden de goederen geconfiskeerd en onschuldigen, onverdedigd,
jongelingen zoowel als ouden, met verlamde leden, in draagstoelen naar
het schavot gebracht."

Hierbij dient echter uitdrukkelijk te worden opgemerkt, dat de
wreedheid van keizer Valens niet alleen door Ammianus en de aanhangers
der oude religie, maar ook door Christelijke schrijvers[98] ten
strengste werd veroordeeld.

Naar aanleiding van die raadpleging der godheid wenschen wij nog een en
ander in 't midden te brengen.

Er is in Pergamum (in Klein-Azië) een bronzen toovergereedschap
gevonden, dat aan den bovenvermelden drievoet herinnert, bestaande in
hoofdzaak uit eene driehoekige bronzen plaat met afbeeldingen van
Hecate, tooverwoorden, verbindingen van klinkers en allerlei magische
figuren er op. Men heeft hiermede ook den z.g. scriptoskoop vergeleken,
een bord met letters en woorden, waarop een driehoek van bordpapier in
beweging kan worden gebracht, ten einde op spiritistische séances
antwoorden te verkrijgen; ten onzent wordt echter hiertoe in plaats van
dien driehoek bij voorkeur een houten kruis gebruikt, rustende op eene
stift.

Het ligt voor de hand, dat het spellen van woorden door middel van
tafelbeweging, zooals sinds het midden der vorige eeuw in zwang is, het
geduld der vragenden al heel spoedig op eene harde proef stelt.
Dientengevolge is men gewoon om, zoodra men uit eenige letters het
betreffende woord meent te kunnen opmaken, terstond tot een ander woord
over te gaan, hetgeen echter, zooals van zelf spreekt, tot verkeerde
uitkomsten kan leiden. Maar ook in dit opzicht leert ons het moderne
spiritisme de raadpleging van den drievoet, zooals ze in het
bovenvermelde geval door Ammianus, onzen besten zegsman, bericht wordt,
beter begrijpen.

Een geheel ander geval van tooverij dan het voorafgaande is hetgeen ons
Zosimus, een niet onbetrouwbaar historicus uit de vijfde eeuw, van
Nestorius, den opperpriester der Eleusinische mysteriën, bericht (IV,
18):

"Aan Nestorius, gedurende die tijden [375 n. Chr.] hierophant,
verkondigde een droomgezicht, dat de held Achilles [de hoofdfiguur
uit den Trojaanschen oorlog, z.b. I] van overheidswege
eerbetuigingen moest ontvangen; dit toch zou de stad heil brengen.
Toen hij nu het droomgezicht aan de overheden had meegedeeld en
dezen, in de meening dat hij, als stokoud man, onzin praatte, er
geen notitie van namen, ging hij bij zich zelf te rade wat er te
doen viel en in de goddelijke dingen van jongs af aan onderricht,
vervaardigde hij eene figuur van den held in een klein huisje en
zette dit onder het beeld van Athene, dat in het Parthenon staat.
Zoo dikwijls hij nu de gebruikelijke ceremoniën ter eere van de
godin voltrok, bracht hij tegelijk ook aan den held naar zijn beste
weten en overeenkomstig den ritus zijn huldebetoon, en aangezien op
deze wijze de raad van den droom in vervulling werd gebracht,
bleven, toen eene zware aardbeving plaats had, de Atheners alleen
gespaard."

Ook uit een ander bericht, dat kort hierna ter sprake zal komen, blijkt,
dat Nestorius allerlei tooverpractijken beoefende, en er bestaat dus
geen reden, het hier vermelde feit in twijfel te trekken; of echter het
neerzetten van het Achillesbeeldje en de te zijner eere verrichte
ceremoniën de oorzaak zijn geweest, dat het onheil aan de stad
voorbijging, is eene vraag van geheel anderen aard.

In 378 kwam de wreedaardige keizer Valens, die toch al sinds het
bovenvermelde rechtsgeding ongeluk op ongeluk had ondervonden, rampzalig
aan zijn einde. Bij Adrianopel door de Gothen overwonnen, werd hij, naar
het geloofwaardigste bericht luidt, zwaar gewond eene hut binnengedragen
en werd deze door de vijanden, die niet wisten met wien zij te doen
hadden, in brand gestoken. Ammianus brengt (in XXXI, 14, 8 vlg.) naar
aanleiding hiervan de verzen van bovenvermeld orakel in herinnering en
voegt er aan toe:

"Valens, onbeschaafd en ruw als hij was, gaf er eerst niets om,
maar door voortdurende tegenslagen van de ergste soort tot de meest
verachtelijke vrees vervallen, huiverde hij, bij herinnering aan
datzelfde orakel, als er maar van Azië sprake was, want hij hoorde
van ontwikkelde menschen dat Homerus en Cicero van een berg Mimas
hadden gesproken, die boven de stad Erythrae [in Klein-Azië] ligt.
Maar na zijn ondergang en den aftocht der vijanden werd er, naar
men zegt, nabij de plek, waar hij zou gevallen zijn, eene hooge
verhevenheid van steenen gevonden, waaronder zich één bevond met
het opschrift in Grieksche letters, dat een zekere Mimas, een
voornaam man uit den ouden tijd, aldaar begraven was."

Het merkwaardigste is echter, dat, na Valens, reeds in 379 inderdaad
iemand, wiens naam met "Theod" begon, den troon besteeg, echter geen
Theodorus, zooals de magiërs vermoed hadden toen zij te vroeg met het
raadplegen van het orakel waren opgehouden, maar Theodosius I, later de
Groote bijgenaamd.

Theodosius wist echter de magie er weinig dank voor en vaardigde in 389
met zijne medekeizers Valentinianus II en Arcadius het volgende
wetsbesluit uit[99]:

"Al wie hoort dat iemand met de smet van booze kunsten is bezoedeld
en hem betrapt en gegrepen heeft, moet hem terstond te voorschijn
slepen en aan de oogen der rechters als een vijand van het
algemeene welzijn toonen. En indien iemand uit de wagenmenners of
uit eenig ander soort menschen getracht heeft tegen dit verbod in
te gaan, of in 't geheim zelfs iemand, die aan de booze kunst
klaarblijkelijk schuldig is, heeft omgebracht, moet hij de
doodstraf niet ontkomen, daar eene dubbele verdenking op hem rust
van òf een openbaar schuldige aan de strengheid der wetten en de
vereischte ondervraging te hebben onttrokken, ten einde hem te
verhinderen zijn medeplichtigen bekend te maken, òf wellicht een
particulieren vijand onder den schijn van zulk eene strafoefening
met eene nog veel wreedere bedoeling te hebben uit den weg
geruimd".

Tot toelichting zij hierbij opgemerkt, dat de wagenmenners toenmaals bij
de wedstrijden elkaar door middel van tooverij trachtten afbreuk te doen
en ook voor gewelddadigheden niet terugdeinsden.

Toen echter in 408 Rome door de Gothen, belegerd en uitgehongerd werd,
was de overheid toch tot zekere hoogte bereid, om bij de magie hulp te
zoeken. De gouverneur van Rome, Pompeianus, trad in onderhandeling met
eenige Etruriërs, die beweerden, eene zekere stad van de haar omringende
gevaren te hebben bevrijd. Ze hadden nl. door gebeden en ceremoniën
volgens den voorvaderlijken ritus, geweldige bliksemstralen bezworen en
zoodoende de barbaren verjaagd. Ze eischten, dat van regeeringswege
zekere oude gebruiken zouden worden verricht, maar de zaak heeft haar
beloop niet gehad--daaromtrent zijn de duistere en elkaar tegensprekende
berichten[100] het eens. Ten slotte ging men er toe over, zich van de
barbaren tegen eene ontzaglijke som vrij te koopen.

De Etruriërs--dit zij hierbij opgemerkt--waren van oudsher om hunne
tooverijen bekend en zouden het geheim hebben geweten van op het onweer
in te werken. Naar aanleiding hiervan heeft men wel eens vermoed, dat ze
zich van electriciteit bedienden, en o.m. het door ons aan het einde van
hoofdstuk I vermelde verhaal van koning Tullus Hostilius in dit verband
betrokken.

Wij gaan nu tot Proclus over, den grootsten Neoplatonicus der vijfde
eeuw, Proclus, die tot de eerste systematici van alle tijden wordt
gerekend en met de meest subtiele dialectiek ook diep religieus gevoel
vereenigde.

Proclus, in alle toenmalige wetenschappen bedreven, beoefende ook de
magie. Zijn leerling Marinus vermeldt dienaangaande in de
levensbeschrijving van zijn meester (c. 28):

"Hij maakte gebruik van de systasen en entychieën der Chaldeeërs en
van de goddelijke en geheimzinnige strophalen [tooverwielen]. Want
dit alles had hij overgenomen en de wijze van uitspreken en het
andere gebruik ervan had hij geleerd van Asclepigeneia, de dochter
van Plutarchus [den leermeester van Proclus]. Want bij haar alleen
waren de tooverijen van den grooten Nestorius [z.b.] en de geheele
theürgische bezweringsmethode bewaard gebleven, door haar vader aan
haar overgeleverd. En reeds voordien had Proclus, door de
Chaldeeuwsche reinigingen naar den ritus gezuiverd, uit eigen
aanschouwing met lichtende verschijningen van Hecate verkeer,
zooals hij ook zelf in een afzonderlijk geschrift vermeldt. Door
een zekeren iynx [tooverschijf] handig in beweging te brengen deed
hij regenbuien neerkomen en bevrijdde hij Attica van verderfelijke
hitte. Hij legde amuletten tegen aardbevingen neer en stelde de
voorspellingskunst van den drievoet op de proef".

Hierbij enkele opmerkingen.

"Systase" beteekent o.m. "samenkomst", "voorstelling", "aanbeveling"; in
de magie verstaat men er blijkbaar hymnen en ceremoniën onder, waardoor
men met de eene of andere godheid in relatie treedt zonder eenig letsel
te ondervinden, vgl. inzonderheid den grooten tooverpapyrus uit Parijs
(v. 209), uit eene passage boven door ons behandeld. "Entychie", d.w.z.
"ontmoeting", zal wel ongeveer dezelfde beteekenis hebben gehad.

Wat voorts van den "grooten" Nestorius gezegd wordt, komt overeen met
het bericht van den geschiedschrijver Zosimus, dat wij boven hebben
aangehaald; van Nestorius had Proclus het neerleggen van amuletten tegen
aardbevingen overgenomen.

Den "iynx" of tooverschijf hebben we reeds in ons eerste hoofdstuk
ontmoet. Van eene soort "strophalos" en wel de "Hecatische", d.w.z. de
aan Hecate gewijde, berichten latere zegslieden dat hij van goud was
met een saffiersteen in 't midden en met verschillende karakters en
figuren op zijne oppervlakte. Men draaide hem met een riem van stierhuid
rond en stiet daarbij allerlei onverstaanbare klanken uit. In 't
algemeen werden zulke toovergereedschappen, hetzij dezen een kogelronden
of een driehoekigen, of welken vorm ook hadden, iynxen genoemd[101].

Evenals die "strophalos" aan het bovenvermelde toovergereedschap uit
Pergamum, doen de divinatorische proefnemingen van Proclus ons
onwillekeurig aan de ondervraging van den drievoet aangaande den
opvolger van keizer Valens denken.

Karakteristiek is ook het volgende verhaal van Marinus (c. 29):

"Asclepigeneia, de dochter van Archiades en Plutarche en
echtgenoote van Theagenes, een weldoener van mij, werd, toen ze nog
een meisje en bij hare ouders was, door eene zware ziekte
aangetast, waar de artsen machteloos tegenover stonden. Archiades,
die op haar alleen de hoop van zijn geslacht had gevestigd, was
mistroostig en vol smart, zooals te begrijpen. Toen de doktoren het
opgaven, wendde hij zich, zooals hij bij de belangrijkste
aangelegenheden placht te doen, tot den philosoof, als tot zijne
laatste toevlucht of liever als tot een Redder en drong met
smeekbeden bij hem er op aan, ook zelf onverwijld te bidden voor
het behoud van zijne dochter. Proclus ging naar den Asclepiustempel
om den god voor de zieke aan te roepen. Want de stad mocht zich
toen nog in diens bescherming verheugen en het heiligdom van den
"Redder" was nog onverwoest. Terwijl hij op de meer ouderwetsche
manier zijn gebed verrichtte, kwam eene groote verandering in den
toestand van het meisje en voelde ze zich in eens verlicht, want de
Redder, immers als een god, genas haar gemakkelijk. Na de
plechtigheden te hebben vervuld, stapte Proclus naar Asclepigeneia
en vond haar verlost van de pijnen, die haar lichaam nog zoo even
gekweld hadden, in een toestand van gezondheid verkeerende".

De werken van Proclus, voor zoover ze ons nog zijn bewaard gebleven,
bevestigen de beweringen van Marinus.

Zoo verzekert Proclus[102] dat "de ware wijders ... door middel van
levenwekkende figuren en namen aan de godenbeelden leven en beweging
mededeelen" of, zooals hij het elders[103] uitdrukt, dat "de
wijdingskunst ... in de godenbeelden bezieling legt ... en door middel
van wekere symbolen het uit deelbare en vergankelijke materie ontstane
in staat stelt om deel te hebben aan een god en door hem in beweging te
worden gebracht en de toekomst te voorspellen".

Volgens de "Asclepius", een der zg. Hermetische geschriften en
waarschijnlijk uit de derde eeuw n. Chr. dateerende, waren de
Egyptenaren de uitvinders van dit soort magie (c. 37):

"Onze voorouders vonden eene kunst uit om goden te scheppen. Aan
deze uitvinding voegden ze eene er mee overeenstemmende en aan het
wezen der wereld ontleende kracht toe en deze met die uitvinding
vermengende, riepen ze, daar ze geen zielen vermochten te scheppen,
zielen van demonen of engelen op en banden ze in beelden door
middel van heilige en goddelijke wijdingen, waardoor de beelden het
vermogen konden hebben om zoowel goed als kwaad te doen."

En elders (c. 24) is er sprake van "standbeelden, bezield met gevoel en
vol van geest, die groote en wonderbaarlijke dingen doen, standbeelden,
die de toekomst vooruit weten en haar door lot, profeten, droomen en op
vele andere manieren voorspellen, standbeelden, die ziektes veroorzaken,
maar ook genezing bewerken".

Ook Origenes heeft het herhaaldelijk[104] over de magische wijding van
standbeelden en Zosim zegt (V, 41) hoogst opmerkelijk "dat de
standbeelden, door plechtige wijdingen geheiligd, ... zielloos zijn en
niets vermogen uit te richten als iets van die wijding te loor is
gegaan".

Een groot Egyptoloog, G. Maspéro, heeft er dan ook op gewezen, dat
inderdaad in het oude Egypte, althans te Thebe, ten tijde van de XIX en
de volgende dynastieën (dus na ± 1350 v. Chr.) de standbeelden van god
Amun wonderen zouden hebben verricht. De koning raadpleegde het
standbeeld, soms zelfs in 't openbaar, omtrent allerlei aangelegenheden
en na elke vraag zeide het met zijn hoofd uitdrukkelijk ja, en wel twee
keer. Theoretisch sprak de ziel, die in het beeld was getooverd, maar
feitelijk bewoog zich het standbeeld door eene of andere mechanische
verrichting, welke de priesters geheim wisten te houden.

Het geloof aan de bezieling van beelden komt ook bij primitieve volkeren
voor.

Zoo maken bijv. de Papoeas op Nieuw-Guinea wanneer iemand gestorven is,
beeldjes uit hout en nopen door allerlei ceremoniën de ziel van den
overledene, in het beeld te gaan, dat zij vervolgens met haar in
onafscheidelijken samenhang achten te zijn. Het beeld wordt bij
gewichtige aangelegenheden geraadpleegd; spreekt het niet, dan is het
goed, spreekt het daarentegen, d.w.z bevangt den vrager eene beving, dan
is de zaak bedenkelijk. Vooral bij ziekten moet het beeld dienst doen.

Verwant hiermede is het bijv. op Celebes voorkomende gebruik, den
ziektedemon in een beeld te tooveren en dit vervolgens angstvallig te
schuwen.

Wij zien dus, hoe een oeroud animistisch geloof zich nu nog bij
primitieve volkeren handhaaft, terwijl het bij een meer beschaafd volk
(de oude Egyptenaren) aanleiding gaf tot grove bedriegerij.

Proclus vermeldt ook[105] dat "sommigen door het sap van nachtschade en
andere gewassen zich in de oogen te druppelen beelden van demonen in de
lucht zien", zooals dan ook werkelijk door ooginspuitingen
"hallucinaties" kunnen worden opgewekt. In de tooverpapyri vindt men ook
dienomtrent aanwijzingen, maar de meest belangrijke passage is te
onduidelijk om haar hier aan te halen; wij moeten ons dus met een ander
veel minder treffend, maar toch belangwekkend specimen behelpen[106].

"Eene bezwering ter verkrijging van een onmiddellijk visioen.

Eeim, To, Eim, Alalēp, Barbariath, Menebreio, Arbathiaōth,
Iouel, Iael, Ouenēiie, Mesommias. De god kome, dien ik voor mij
raadpleeg, en ga niet weg voordat ik hem zal hebben vrijgelaten.
Ournaour, Soul, Zasoul, Ouot, Nooumbiaou, Thabrat, Beriaou,
Achthiri, Marai, Elpheon, Tabaoth, Kirasina, Lampsourē, Iaboe,
Ablanathanalba, Akrammachamarei. [Doe water] in eene bronzen kom
met olie [er op, z.b.], zalf uw rechter oog met water uit een
verongelukt schip en het linker met eenig koptisch antimonium met
het water vermengd. Indien gij geen water uit een verongelukt schip
kunt vinden, dan van een ondergedompeld uit teen gevlochten
veerschuitje."

Proclus spreekt van diergelijke "autopsieën" als uit eigen ervaring en
tracht ook hun ontstaan nader toe te lichten:

"De goden laten vele gestalten voor zich uitgaan en vertoonen vele
afwisselende figuren; nu eens gaat een vormeloos vuur voor hen uit,
dan een dat tot de gedaante van een mensch is gevormd en dan een
dat weer eene andere gestalte heeft aangenomen"[107].

"Terwijl de goden zelven onveranderlijk blijven en er niets bij
verkrijgen of verliezen, gaan goddelijke verschijningen voor hen
uit, die in de ruimte om ons heen ontstaan. Want daar de
aanschouwenden lichamelijk en de goden zelven onlichamelijk zijn,
hebben de visioenen die ze aan hen, die zulks waardig zijn, toonen,
iets van de toonenden, maar ook iets, dat aan de aanschouwenden
verwant is. Daarom worden zij ook gezien en niet door allen gezien.
Want de aanschouwenden zelven zien ze door middel van de stralende
omhulsels der zielen. Men ziet ze althans vaak als de oogen omhuld
zijn"[108].

De theorie, dat de mensch nog een fijner organisme dan het
grofstoffelijke lichaam bezit, vindt men in Plotinus' geschriften
slechts eventjes aangeduid (Enn. I, 1, 7; VI, 4, 15), maar reeds bij
Porphyrius[109] is ze in dier voege ontwikkeld, dat hij verscheidene
"omhulsels" der ziel aanneemt. Damascius, een denker uit de zesde eeuw,
spreekt o.m. van een "sterreachtig"[110] voertuig der ziel; vandaar
blijkbaar de uitdrukking, "astraal" lichaam, thans bij voorkeur door de
theosophen gebezigd. Bij de spiritisten vindt men ook de uitdrukking
"perisprit". Volgens onderzoekers, wier wetenschappelijkheid aan geen
twijfel onderhevig is, schijnt de hypothese van zulk een ijler lichaam
noodig, om zekere "mediamieke" verschijnselen te verklaren.

De Christelijke kerk heeft zich officieel, d.w.z. bij monde van
concilies, tegen de magie uitgesproken.

De zesde canon (regel) van de synode, in 306 (?) te Elvira (in Spanje)
gehouden, luidt:

"Indien iemand door middel van tooverij een ander doodt, mag hem,
omdat hij dit misdrijf niet zonder afgodendienst kon volvoeren,
zelfs bij het einde [des levens] het avondmaal niet worden
toebediend".

Ook hieruit blijkt, zooals wij reeds in IV hebben gezien, dat men de
tooverij in noodzakelijk verbond achtte te staan met den dienst der
goden.

Opmerkelijk is ook de vierentwintigste canon van de Synode te Ancyra (in
Klein-Azië), uit het jaar 314:

"Zij, die waarzeggen en de gewoonten der volkeren [d.w.z. der
niet-Christenen] volgen, of lieden in huis halen teneinde
toovermiddelen op te sporen of reinigingen te voltrekken, moeten in
de voorgeschrevene vijfjarige boete vervallen naar de bepaalde
graden van drie jaren kniebuiging en twee jaren gebed zonder
offer".

De zesendertigste canon van de synode te Laodicea (tusschen 343 en 381?)
bepaalt:

"De hoogere en lagere clerici mogen geen toovenaars, bezweerders,
of sterrewichelaars wezen, noch zoogenaamde amuletten vervaardigen
die boeien voor hunne eigene zielen zijn. Diegenen echter, die deze
amuletten dragen moeten buiten de kerk worden gesloten".

De zestiende canon van eene synode, na het midden der vijfde eeuw in
Ierland gehouden, liep over tooverij.

Dat men echter in de practijk niet altijd de stengste opvatting
huldigde, blijkt o.m. uit hetgeen Rufinus in zijne "Kerkgeschiedenis"
(omstreeks 402 geschreven) aangaande den H. Spiridion, een bisschop op
Cyprus en tijdgenoot van Constantijn den Grooten, bericht (I, 5):

"Hij had eene dochter, Irene genaamd, die altijd hare plichten
jegens hem trouw vervulde en die als maagd stierf. Na haar
overlijden kwam iemand die zeide dat hij aan haar eenig deposito
had toevertrouwd. De vader wist niets van de zaak af. Men doorzocht
het geheele huis maar vond nergens het verlangde. Toch bleef hij,
die het deposito had toevertrouwd, met geween en tranen aandringen;
hij verzekerde zelfs aan zijn leven een einde te zullen maken, als
hij het deposito niet terug kreeg. De vader, door zijne tranen
bewogen, snelde naar het graf van zijne dochter en riep haar bij
den naam. Toen riep zij uit het graf: "Wat wilt gij, Vader?" Hij
vroeg: "Waar hebt gij het deposito van den man neergelegd?" Daarop
wees zij hem de plaats aan en zeide: "Daar zult gij het ingegraven
vinden". De vader keerde naar huis terug en gaf het deposito, dat
gevonden werd zooals de dochter uit het graf had geantwoord, terug
aan hem die het opeischte."

Die handeling van den H. Spiridion, wiens naam hoogst opmerkelijk is,
doet ons onwillekeurig aan de bezwering van Melissa denken, die wij in
ons eerste hoofdstuk hebben vermeld.

De kerkelijke schrijver Lactantius (omstreeks 310), om zijn vloeienden
stijl als de "Christelijke Cicero" geprezen, doet ons door eene hoogst
onbevangene uiting over de necromantie, onwillekeurig aan Justinus den
martelaar denken (vgl. hoofdstuk IV).

Weliswaar spreekt ook hij in zijn hoofdwerk Goddelijke instellingen"
(II, 16) van de "doodenbezwering en de tooverkunst en wat de menschen
verder aan kwaad openlijk of in 't geheim uitvoeren", en van de "magiërs
en diegenen, die het volk terecht boosdoeners noemt", weliswaar denkt
ook hij hierbij zonder weifelen aan den invloed van demonen "vijanden en
kwellers der menschen" (c. 15), maar als het er op aankomt, de
onsterfelijkheid der ziel te bewijzen, slaat hij een geheel anderen,
meer objectieven toon aan (VII, 13):

"Onwaar is het gevoelen van Democritus, Epicurus en Dicaearchus
[een volgeling van Aristoteles] dat de ziel zou worden opgelost.
Zij zouden zeker niet durven spreken van den ondergang der zielen
in tegenwoordigheid van een magiër, die wist, dat de zielen door
zekere bezweringen uit de onderwereld worden opgeroepen en
tegenwoordig zijn en zich aan menschelijke oogen vertoonen en
spreken en de toekomst voorspellen, en als zij [nl. de ongeloovige
wijsgeeren] het dorsten, zouden zij door het feit zelf en de
rechtstreeksche bewijzen weerlegd worden".

Minder onbevangen dan Lactantius was zijn jongere tijdgenoot Eustathius
van Antiochië, die een verwoeden aanval heeft gericht tegen Origenes'
bovenvermelde bijbellezing over de "tooveres van Endor." Daarbij neemt
hij redeneeringen te baat als volgt (c. 5): "Deed de vrouw Samuël
opkomen met lichaam en al of bekleed met eenigen vorm op de wijze van
een schaduwomtrek? Indien ze hem zonder lichaam deed opkomen, liet ze
niet Samuël weer opstaan, maar de gedaante van een geest. Want de echte
Samuël is de uit ziel en lichaam samengestelde, de mensch die eene
evenredige mengeling uit beide heeft", enz. Ook beweert hij (c. 12
vlg.), dat de voor Samuël zich uitgevende demon zegt: "Morgen zult gij
en Uw zoon Jonathan bij mij zijn", en derhalve in tegenspraak is met de
schrift, waarin uitdrukkelijk staat "dat Saul tegelijk met drie zonen
gedood is, maar niet met één alleen." Origenes haalt echter c. 5 i.f.
den gewonen tekst aan, nl.: "Morgen zult gij en uwe zonen bij mij zijn",
en waar Eusthathius zijne tekstvariante van daan heeft, is ons onbekend.

Op hetzelfde niveau staan de beschouwingen van Gregorius van Nyssa (in
Klein-Azië) over de toovenares in een brief aan den bisschop Theodosius
sius (tweede helft vierde eeuw), vgl. p. 202 v/203 r:

"De demon heeft ook tegen wil en dank zich zelf verraden door de
waarheid te zeggen: "Morgen zult gij en Jonathan bij mij zijn."
Want indien het waarlijk Samuël was, hoe kon het dan, dat Saul, die
wegens alle mogelijke boosheid was veroordeeld, bij hem zou komen?
Maar 't is duidelijk, dat de booze geest, die in de plaats van
Samuël gezien werd, niet loog, toen hij zeide dat Saul bij hem zou
zijn. Indien echter de schrift zegt "en Samuël zeide", laat dan
eene zoodanige uitdrukking een kundige niet in verwarring brengen
maar laat hij meenen, dat er bijstaat "die geloofd werd Samuël te
zijn", want wij vinden dat de Schrift vaak spreekt van het
schijnbare in de plaats van het werkelijke."

Tot zulke redeneeringen moest men wel komen als men er van uitging dat
"Samuël groot onder de heiligen, de tooverij echter eene booze zaak is"
(201 v).

Hoogst belangwekkend is een geschrift dat waarschijnlijk uit den tijd
van Julianus den afvallige dagteekent, nl. de legendaire "Confessie van
den H. Cyprianus" (niet den kerkvader), die zijne ziel aan den duivel
had verkocht, maar zich bekeerde en verlossing vond. In genoemde
"Confessie" verhaalt Cyprianus uitvoerig zijn loopbaan en biecht op wat
hij als toovenaar heeft misdreven. Wij halen hier een en ander uit aan,
te beginnen met de uitermate kenschetsende woorden (c. 7):

"Ik was een wonderdoener als een uit den ouden tijd en gaf proeven
van mijne tooverkunst; ik was vermaard als een magiër-philosoof,
daar ik veel begrip had van de ongeziene dingen."

Het volgende citaat, uit c. 12, handelt over de magische vertooning van
schijnbeelden, die reeds vroeger in dit hoofdstuk ter sprake is gekomen:

"Voor de grap maakte ik dat water in de woestijn scheen te stroomen
en plassen in de huizen scheen te vormen."

En in c. 13 luidt het desgelijks:

"Ik liet ook dooden als levenden voorkomen en lammen als
loopenden."

Maar hij gebruikte zijne tooverkunst nog voor geheel andere doeleinden
(c. 12):

"Ik maakte dat vrouwen van hunne mannen naar boeleerders gedreven
werden.... ik heb geheele families aan 't verderf overgeleverd."

Voor de ergste gruwelen deinsde hij niet terug (c. 11):

"Ik heb zwangere vrouwen ter wille van de demonen opengesneden ...
ik heb vele ... demonen door diergelijke offers verzadigd om op die
manier tot den duivel zelf te genaken. En toen ik op het punt stond
naar hem toe te gaan, bracht ik hem het bloed van elk levend wezen
in een gouden schaal. Hij nam het aan, besprenkelde eerst zijne
kroon er mee en zijne dienstbare machten, vervolgens ook mij en
zeide: "Ontvang ook gij macht over alle zielen van onredelijke en
redelijke wezens."

Uitvoerig zet Cyprianus uiteen, hoe de duivel en de demonen mirakelen
bewerken (5 vlg):

"In alle sterren en planten en in de scheppingen des Heeren heeft
hij gelijkenissen met zich samengevlochten, tot den oorlog tegen
God en Diens engelen. Daardoor brengt hij de menschen aan 't dwalen
als ware hij God, hoewel hij niets in substantie bezit, maar alles
bij wijze van eene schimachtige schilderij voorstelt en vertoont.
Vandaar dat de demonen, wanneer zij in gedaanten verschijnen zich
oplossen, al beijveren zij zich om althans door middel van beelden
hunne macht te toonen.

Hoe hij echter materie voor deze schaduwen heeft, zal ik zeggen:
nergens anders vandaan dan van de offers. Want de walmen der
offerdampen worden voor hem materiaal, als wol en linnen en
weefsels en verven en werktuigen. En daarin hullen zich de demonen,
de schaduwen ervan in de plaats van gestalten gebruikende. Daarom
eischt hij een offer, tot dat van eene mier toe en verlangt hij
wateren en wol en vruchten en alle dingen op aarde, om daarvan
gebruik te maken tot het vormen van schijnbeelden. Evenals wij de
herinneringen aan overledenen als beelden in onze gedachte hebben,
en hen zien, terwijl ze niet verschijnen en met hen verkeeren
terwijl ze niet bij ons zijn, aldus neemt ook de duivel afdrukken
van de vormen der hem gebrachte offers en omgeeft zich en de zijnen
er mee, regen gevende maar geen water, vuur makende, maar dat niet
brandt, een visch gevende maar geen spijs, en goud schenkende, maar
dat niet werkelijk is. Ook uit de andere stoffen schept hij vormen
en toont eene stad en huizen en landstreken en bergen en
vadersteden, en evenzeer ook gras en bloemen en wolstoffen en
geborduurde doeken en de substantie van droomen.... En al deze
schijnbeelden vormt hij, maar de goddelooze menschen stellen hem
door hun dienst in staat ook dit te doen."

Cyprianus erkent dan ook (c. 11):

"Mijne weldaden gaven geen baat, daar zij geen substantie hadden
... Als ik iemand goud gaf, duurde het drie dagen, weshalve
diegenen, wien ik den truc mededeelde, het snel wisselden tot
schade van de wisselaars."

Augustinus, de beroemdste der kerkvaders, "een philosophisch en
theologisch genie van den eerste rang", die zoo vele onderwerpen van
zielkundigen aard met scherpzinnig vernuft heeft behandeld, weidt ook
over de magie herhaaldelijk uit, voornamelijk in zijn hoofdwerk "De
staat Gods" (tusschen 413 en 427 geschreven). Hij legt in de eerste
plaats (VIII, 19) er den nadruk op, dat reeds vóór het Christendom de
tooverij door de wetten zwaar werd gestraft en beroept zich o.m. op de
passage uit Vergilius (z.b. III) waar Dido verzekert, tegen haar zin de
toevlucht tot magische kunsten te nemen. Ook wijst hij er op, dat
Apuleius, toen men hem van tooverij beschuldigde (z.b. IV), alles deed
om zijne onschuld aan te toonen en zich volstrekt niet op magische
vaardigheden beroemde, zooals de Christenen op hun geloof, ondanks alle
vervolgingen.

Met onverholen afschuw spreekt Augustinus (in X, 9) van de "bezweringen
en tooverzangen, vervaardigd door die gruwelijk nieuwsgierige kunst, de
magie, met een meer verachtelijken naam goëtie, met een meer eervollen
theürgie geheeten door hen, die deze practijken als 't ware trachten te
onderscheiden en welke van hen, die zich aan ongeoorloofde kunsten
overgeven, diegenen, die ook het volk voor boosdoeners uitmaakt,
verdoemelijk achten--want zij zouden zich immers met goëtie
afgeven--anderen echter voor prijzenswaardig willen laten doorgaan, die
    
<<Page 7   |   Page 8   |   Page 9>>
Go to Page Index for Magie bij de Grieken en de Romeinen

You are here --- [ Home / Author Index J / Karel H.E. de Jong / Magie bij de Grieken en de Romeinen / Page #8 ]