|
|
deze het muntstuk van een zijner slaven voor een offer aan Apollo te
hebben ontvangen[23]. Van Vatinius, eveneens een Pythagoreeër, verzekert
Cicero in de tegen hem gerichte redevoering (VI, 14, uit het jaar 56)
dat hij de zielen uit de onderwereld opriep en de schimmen door het
offeren van knapen gunstig stemde. Aangezien Cicero twee jaren later
Vatinius heeft verdedigd, zal de laatstgenoemde gruwel wel niet als een
bewezen feit zijn te beschouwen.
In de Romeinsche litteratuur dier tijden speelt de magie, inzonderheid
voor erotische doeleinden, eene groote rol. Wij willen hiervan het o.i.
meest belangrijke aanhalen.
De beroemdste Romeinsche dichter, de ernstige, verhevene en toch
populaire Vergilius (70--19) volgt in zijn achtste herdersdicht (v
64--109) de idylle van Theocritus na, door ons in hoofdstuk II
aangehaald. Ook hier weer is het eene verlatene minnares, die met
medehulp van eene slavin, liefdestooverij verricht:
"Breng water en omwind dit altaar met een zachten band. Brand
saprijke tooverkruiden en uitnemenden wierook, opdat ik beproeve
mijn koelen echtgenoot door een magisch offer in hartstocht te doen
ontvlammen; hier ontbreken slechts tooverzangen.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Tooverzangen kunnen zelfs de maan van den hemel omlaag trekken;
door tooverzangen heeft Circe de makkers van Odysseus veranderd; de
kille slang in de wei barst door tooverzangen.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Eerst bind ik deze drie draden van drie verschillende kleuren om uw
beeld en voer dit driemaal rondom dit altaar; 't oneven getal
behaagt aan de goden.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Amaryllis, leg drie knoopen in de drie kleuren, Amaryllis leg de
knoopen en zeg: "Ik knoop de boeien van Venus!"
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Evenals deze klei hard wordt en dit was smelt door één en hetzelfde
vuur, aldus moge Daphnis voor anderen gevoelloos worden, maar voor
mij in liefde opgaan! Strooi gezouten meel en ontsteek de brosse
laurier met aardpek! De gevloekte Daphnis brandt mij en ik brand
dezen laurier op zijn beeld.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Zulk eene liefde als die eene vaars overmeestert, wanneer zij, door
wouden en diepe bosschen heen, een stier zoekende, vermoeid en
verloren naast eene waterbeek in het groene moerasriet neerzinkt en
vergeet dat de late nacht haar terugroept: zulk eene liefde
overmeestere Daphnis--en moge het niet bij mij opkomen hem te
genezen!
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Deze kleeren liet de trouwelooze mij eens als dierbaar onderpand
van hem achter, die ik nu onder den drempel zelf aan U, o aarde
toevertrouw: dit onderpand staat mij borg voor Daphnis.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Deze giftige tooverkruiden, uit Pontus bijeengegaard, gaf Moeris
zelf mij; Pontus is er rijk aan. Dikwijls zag ik Moeris door die
kruiden een wolf worden en zich in de bosschen verbergen, dikwijls
zielen uit de diepste graven opwekken en het veldgewas elders
heenvoeren.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Breng asch, Amaryllis, naar buiten en werp ze over uw hoofd heen in
de stroomende beek, maar zie niet om. Hiermede wil ik Daphnis
aanvallen; hij geeft niets om goden noch om tooverzangen.
Trekt, o mijn zangen, Daphnis van de stad weg naar mijn huis!
Zie! de asch heeft, terwijl ik draal met haar weg te dragen, van
zelf het altaar met trillende vlammen aangetast; het zij een goed
voorteeken! Er is zeker iets aan de hand; Hylax blaft op den
drempel. Moet ik het gelooven, of droomen zij, die minnen, wakende?
Houdt op, mijn zangen, houdt op! Daar komt Daphnis al van de stad".
Hierbij enkele opmerkingen.
De symbolieke beteekenis van knoopen in de magie is gemakkelijk te
vatten. Door het leggen van een knoop wil men boeien, wil men zekere
handelingen van personen of uitwerkingen van voorwerpen verhinderen.
Knoopen zijn dan ook vooral in de liefdestooverij gebruikelijk. Bij de
Arabieren legt een meisje, om een man tot zich te trekken, knoopen in
diens zweep. Volgens het oude volksgeloof kon eene heks door tooverij
met knoopen een verderfelijken invloed op het huwelijksleven uitoefenen.
Maar de macht van den knoop strekt zich nog veel verder uit. De Finsche
toovenaars, heette het, vermochten door het leggen van knoopen den wind
zelf vast te leggen. En onwillekeurig denken wij hierbij ook aan den
Gordiaanschen knoop. Gordius toch, een der oudste koningen van Phrygië
(in Klein-Azië) had, naar de overlevering luidt, een wagen aan Zeus, den
hoogsten god, gewijd en aan dien wagen het juk met de dissel door een
knoop verbonden, die niet gemakkelijk was los te maken. Een orakel
verkondigde, dat diegene koning over Azië zou zijn, welke dien knoop
vermocht te ontwarren. Alexander de Groote vervulde die godspraak door
den knoop met het zwaard door te hakken[24]. Dat het getal drie en
andere oneven getallen, eene groote rol in de magie spelen, is eveneens
een feit. De toovergodin Hecate werd vaak met drie aangezichten
afgebeeld. Herhaaldelijk wordt den toovenaar eene sexueele onthouding
van drie dagen voorgeschreven. Mephisto moet drie keer door Faust worden
uitgenoodigd, alvorens hij diens vertrek mag binnentreden. Voor eene
zekere oproeping van den god Apollo was een lauriertak met zeven bladen
vereischt[25]. De toovenaars op het schiereiland Malakka gebruiken
zijden draden van zeven kleuren. In de Joodsche toovervoorschriften
wordt ronduit verklaard, dat de even getallen beneden tien bepaald
ongunstig zijn.
Het geloof, dat een mensch de gedaante van een wolf of ook wel van een
ander dier kan aannemen, is bij zeer vele volkeren heerschende. In de
zestiende en zeventiende eeuw beschouwde men den weerwolf als een
dienaar des duivels en menigeen werd zoodoende het slachtoffer van den
brandstapel. Dat de wolf in oude tijden aan primitieve volkeren een
demonisch wezen toescheen en in verband werd gebracht met tooverij is
geen wonder; voorts hebben ook krankzinnigheid en hallucinaties bij het
geloof aan den weerwolf eene groote rol gespeeld.
Van tegenovergestelde strekking als de bezwering in het bovenvermelde
herdersdicht is eene episode uit het vierde boek van de Aeneïde, het
onafgewerkt tot ons gekomen heldendicht van Vergilius. De dichter laat
aldaar (v. 478--498) Dido, de koningin van Carthago, gemarteld door eene
noodlottige liefde voor Aeneas, die haar op goddelijk bevel verlaten
moet, aldus tot hare zuster spreken:
"Ik heb een middel gevonden--wensch er mij geluk mee--dat mij hem
[Aeneas] zal teruggeven of mij van mijne liefde zal bevrijden. Aan
den rand van den Oceaan, waar de zon ondergaat, houdt het gebied
der Aethiopiërs op, waar het hemelgewelf met zijne fonkelende
sterren op de schouders van den ontzaglijken Atlas zich wentelt.
Vandaar is eene priesteres van 't Massylische volk mij gewezen, die
den tempel der Hesperiden en den boom met de gouden appelen
bewaakte, die den draak aldaar voedde door hem vochtige
honig[koeken] toe te dienen, bestrooid met slaapwekkenden papaver.
Deze belooft door tooverzangen de harten van wie zij wil, van
liefde te bevrijden, maar bij anderen eene felle hartstocht op te
wekken, het water in de stroomen tot staan te brengen en de sterren
te doen terugkeeren op hare baan. Zij roept de nachtelijke schimmen
op. Gij zult den grond onder hare voeten hooren grommen en de
esschen van het gebergte zien neerdalen. Ik roep de goden en U,
geliefde zuster, tot getuigen, dat ik tegen wil en dank het wapen
der magische kunst te baat neem. Richt gij in het geheim een
brandstapel op 't binnenplein hemelhoog op en leg het zwaard van
den man, dat hij, de booswicht, in mijn vertrek vastgehecht
achterliet, en al zijne kleeren en het bruidsbed, mijn verderf, er
boven op. De priesteres gebiedt mij, al wat mij aan dien
verfoeilijken man herinnert, te vernietigen."
Ook hier weer eene symbolische handeling, waaraan eene reëele
uitwerking wordt toegeschreven. Het vernietigen van voorwerpen die op
eene ongelukkige liefde betrekking hebben, moet ook aan die liefde zelf
voorgoed een einde maken.
Aan den wensch van Dido wordt voldaan en het verhaal gaat (v. 504--519)
aldus door:
"Maar nadat op het binnenplein van 't paleis een ontzaglijke
brandstapel uit blokken van pijnboom-en eikenhout hemelhoog was
opgericht, versiert de koningin de plaats met guirlanden uit
cyprèssentakken gevlochten en, met volkomen besef van wat zij gaat
doen, legt zij de kleeren, het achtergelatene zwaard en het beeld
van Aeneas op het rustbed [bovenop den brandstapel]. Er staan
altaren rondom en de priesteres, met loshangende haren, roept
driemaal het honderdtal goden, den Erebus, de Chaos, de driedubbele
Hecate, de drie aangezichten van de maagd Diana met bulderende stem
aan. Ook had zij vocht gesprenkeld, dat water uit het meir Avernus
moest verbeelden en kruiden bijeengegaard, afgesneden bij
maneschijn met bronzen sikkel, tierige kruiden vol van zwart
venijn.... Dido zelf stond naast het altaar, met het offermeel in
de reine handen, één voet ontbloot, in een los kleed en riep, den
dood voor oogen, de goden tot getuigen aan".
Dido, die slechts voor den schijn die magische handelingen laat
verrichten, stort zich ten laatste in het zwaard van Aeneas en de
brandstapel wordt ontstoken.
Dat ook aan het getal honderd eene bijzondere uitwerking werd
toegeschreven, blijkt uit den grooten Parijschen tooverpapyrus v. 252,
waar sprake is van een magischen godennaam, die uit honderd letters
bestaat.
Bij het meir Avernus, dat in Campanië te midden van huiveringwekkende
bosschen lag, was, naar men beweerde, een toegang tot de onderwereld;
vandaar dat dit meir bij de magie dikwijls ter sprake kwam, zooals wij
nog herhaaldelijk zullen zien.
De symboliek van het loshangende haar, den ontblooten voet en het
ontgordelde kleed is vrij duidelijk. Al hetgeen boeit zou bij deze
plechtigheid hinderlijk zijn, waar het geldt den knellenden band der
liefde los te maken. Maar ook bij andere magische handelingen komen
dezelfde gebruiken voor, blijkbaar oorsponkelijk met de bedoeling om de
raadselachtige kracht, waarvan reeds in hoofdstuk II sprake is geweest,
ongestoorder te laten werken; later is dit alles een bloot overleefsel.
Ook Medea laat, zooals wij straks zullen zien, bij bezweringen het haar
neerhangen. Van Apollonius van Tyana (in Klein-Azië) een der beroemdste
magiërs, wordt verzekerd, dat hij dit gebruik zijn leven lang in acht
nam[26]. Bij de Mohammedanen laat de geestenbezweerder het haar
loshangen en hetzelfde doen ook de tooverartsen in het Zuiden van
Vóór-Indië.
Wat de ontblooting van één voet betreft, heeft men op eene Grieksche
vaas eene afbeelding gevonden van een man met zijn ontblooten
rechtervoet op de huid van een offerdier en met zijn geschoeiden
linkervoet op den grond[27]. De tweehonderd Plataeers, die in den
Peloponnesischen oorlog door de linies der hen belegerende Spartanen
heenbraken, hadden slechts hun linker voet geschoeid[28]. Blijkbaar was
het een aloud gebruik, eene soort wijding, door diegenen in acht
genomen, die een levensgevaarlijk waagstuk beproefden.
Vastgeknoopte kleeren en gordels werden over 't algemeen bij
tooverhandelingen als hinderlijk beschouwd. Vandaar dat bijv. ook Medea,
zooals spoedig blijken zal, hare kleeren los draagt. Bij het exorcisme,
d.w.z. de uitbanning van booze demonen, mocht, volgens het Joodsche
gebruik, de patiënt slechts één gewaad, en wel zonder gordel, dragen.
Opmerkelijk is ook, dat te Rome de Flamen Dialis, een der hoogste
priesterlijke ambtenaren, geen knoop in zijn kleedij mocht dragen en dat
de Mohammedaansche bedevaartgangers bij hun tocht naar Mekka hetzelfde
gebruik in eere houden.
De Epicurist Horatius (65--8 v. Chr.), zanger van wijn, liefde en
vaderlandsche deugd, tracht op alle mogelijke manieren de magie hatelijk
en bespottelijk te maken. Herhaaldelijk richt hij aanvallen tegen eene
zekere Canidia, waarvan wij in 't midden willen laten of zij al dan niet
eene historische persoonlijkheid is geweest. O.m. beschrijft hij in zijn
vijfde "Epode" op allergriezeligste wijze hoe een geroofde knaap van
voornamen stand door Canidia en hare helpsters, Sagana, Veia en Folia,
wordt doodgemarteld (15--38):
"Canidia, het onopgeschikte hoofdhaar omwonden met gezwollen
adders, gebiedt wilde vijgeboomen, uit graven opgewoeld, doodsche
cypressen, veeren en eieren van de gekuifde uil, besmeerd met het
bloed van de afschuwelijke pad en kruiden uit Thessalië en Iberië
[Georgië], vruchtbaar aan vergiften, alsmede beenderen, ontrukt aan
den muil van eene hongerige teef, in Colchische [magische] vlammen
te verbranden. Maar Sagana, opgeschort, sprenkelt door het geheele
huis heen water uit den Avernus en lijkt met haar te berge rijzend
haar op een zeeëgel of op een rennend everzwijn. Veia, door geen
gewetenswroeging afgeschrikt, groef, al hijgende van 't werk, met
haar hard houweel een kuil, opdat de knaap, er ingegraven en met
zijn mond er boven uit stekende als een zwemmer, die slechts met
zijn kin zich boven 't water verheft, door den aanblik van twee- of
driemaal in den loop van den langen dag verwisseld eten zou
wegsterven, opdat zijn uitgesneden merg en dorre lever voor de
bereiding van een minnedrank zouden dienen".
Bij de magie is wel eens meer sprake van kinderoffers. Op eene
afbeelding, die ons uit de oudheid is overgebleven, schijnt het offeren
van een kindje te worden voorgesteld[29]. In een tooverpapyrus wordt
voorgeschreven, hoe men, om eene vrouw in zijn macht te krijgen, den
toorn van de maangodin tegen haar moet opwekken: men moet haar nl.
beschuldigen dat zij o.m. een ongeboren of een jong kind offert[30]. Dit
is, zooals van zelf spreekt, slechts eene fictie. Daar echter het
griezelige eene zekere bekoring heeft, achtte men ook later nog de
tooverij met het offeren van kinderen en soortgelijke gruwelen
verbonden. Vooral in het heksengeloof speelt dit eene rol, zooals men
o.m. kan opmaken uit de bereiding van het tooverbrouwsel in de vierde
akte van "Macbeth", waarbij onder andere zonderlinge en onsmakelijke
ingrediënten ook de vinger van een bij de geboorte vermoorden zuigeling
voorkomt.
Met groote ironie verklaart de dichter, in de zeventiende epode, dat
hij voor de tooverkunsten van Canidia zwicht:
"Reeds geef ik het gewonnen aan Uwe krachtige wetenschap, ik bid en
smeek U bij het rijk van Proserpina, bij de niet aan te tasten
majesteit van Diana, bij de boeken met tooverzangen, die de
gesternten, aan den hemel vastgehecht, vermogen omlaag te roepen,
Canidia, houd eindelijk op met Uwe bezweringen en laat den vluggen
toovertol achteruit draaien [ten einde de betoovering daardoor op
te heffen] (v. I--7)".
"Ik ben te over reeds door U gestraft, o veel geliefde van matrozen
en straatventers! Gevlucht is mijn jeugd en de blozende kleur
verliet de beenderen, omhuld met eene vaalbleeke huid; mijn haar is
grijs geworden door Uwe tooverwalmen; geen rust ontspant mij van
het werk, de nacht verjaagt den dag, de dag de nacht en mijne
benauwde borst vindt geen verlichting. Dus word ik, rampzalige,
gedrongen om te gelooven wat ik ontkende, dat Sabellische
bezweringen de borst tot in het diepst schokken en je hoofd vaneen
splijt door een Marsisch tooverlied. Wat wil je meer? (v. 19--30)."
Aan de Sabellen en Marsen, volksstammen in Midden-Italië, van
oudvaderlijken eenvoud, schreven de verfijnde Romeinen het bezit van
tooverkrachten toe. Ook dit verschijnsel is zeer opmerkelijk. Volkeren
van eene "hoogere cultuur" zijn licht geneigd aan te nemen, dat volkeren
die, zooals het heet, "op een lageren trap van ontwikkeling staan," in
de magie uitmunten. De Hindoes beschouwden de oerinwoners van Indië als
toovenaars en zoo ook de Zweden de Finnen. De Hollanders vermoeden vaak
bij de Javanen het bestaan van eene "stille kracht". En het is dan ook
niet onmogelijk, dat volkeren, die te kort schieten in het uitdenken van
machinerieën--dit toch beschouwt men gewoonlijk als het meest sprekende
kenmerk van eene "hoogere cultuur"--daarentegen meer begaafd zijn met
zekere geheimzinnige krachten die het wezen uitmaken der magie.
En eindelijk worden in eene satire (I, 8) Canidia en Sagana, die 's
nachts er op uit gaan om dooden te bezweren, door Horatius op zulk eene
wijze gehoond, dat wij de reproductie ervan maar liever achterwege
laten, en met de opmerking volstaan, dat de bestrijders der magie het
zoo nauw niet nemen.
Ovidius (43 v. Chr. - ± 17 n. Chr.), de meest ingenieuze en meest
irreligieuze van alle Romeinsche dichters, steekt althans op minder
onhebbelijke wijze den draak met de tooverkunst. Hooren wij, uit een
zijner minnedichten (I, 8,5--16) de navolgende beschrijvingvan eene oude
koppelaarster, tevens magicienne:
"Zij kent de tooverkunsten en de zangen van Circe; zij doet de
snelle wateren zich terugbochten naar hunne bron; zij weet goed wat
een kruid, wat een band, rondom een draaienden toovertol gewonden,
vermag; ... als zij wil, hoopen zich wolken aan den geheelen hemel
op; als zij wil, blinkt de dag aan den helderen trans. Bloed zag
ik, (zou je 't gelooven?), van de sterren neerdruppelen; het gelaat
der maan was purpurrood van bloed. Ik vermoed, dat zij, van
gedaante veranderd, door de nachtelijke schaduwen vliegt en dat
haar oud lichaam zich met veeren overdekt; ik vermoed het, en 't
wordt beweerd; ook schittert eene dubbele pupil in hare oogen."
Dit laatste is ons ook van de Thibii, eene volksstam aan de Zwarte Zee,
bericht, van wie men verder vermeldde, dat zij de macht van het booze
oog (vgl. II) uitoefenden en in 't water niet onderzonken[31].
In zijn "Remedie tegen de liefde", overigens "een geneesmiddel erger dan
de kwaal", keurt hij (248--260) het gebruik van magische middelen af:
"Meent iemand, dat de booze kruiden van het Thessalische land en de
magische kunsten hulp kunnen brengen, dan zie hij wel toe! Dat is
de oude manier van giftmengerij: mijne muze biedt met hare gewijde
zangen eene onschuldige hulp. Volgt gij mij, dan zal geen schim op
bevel uit den grafheuvel te voorschijn treden; geen tooverkol zal
door gruwelijke bezwering den grond doen splijten; geen veldgewas
zal van den eenen akker naar den anderen over gaan; en de
zonneschijf zal niet plotseling bleek zien. De Tïber zal, als
gewoonlijk, naar de wateren der zee loopen, de maan als gewoonlijk,
met een sneeuwwit span voortrijden. Geen hart zal door bezweringen
van kommer verlost worden, geen liefde voor brandende zwavel op de
vlucht slaan ..."
Men schreef nl. reeds in overoude tijden aan zwavel eene reinigende
kracht toe en ook in de liefdestooverij werd er gebruik van gemaakt.
Ovidius verklaart verder (v. 289 vlg.):
"Wïe gij ook zijt, die hulp verlangt van onze kunst, ontzeg aan
giftmengerij en tooverzangen geloof."
Maar met dat al was de magie als litterair onderwerp ook voor hem
onmisbaar. Het werk, waaraan hij bovenal zijn naam te danken heeft, zijn
immers de "Metamorphosen," d.w.z. gedaantewisselingen, eene reeks
verhalen uit de mythologie, die telkens met verandering van
lichaamsvormen, dus met tooverij, eindigen. En de episode van Medea is
zeer zeker niet de minste in dit bij uitstek kleurrijke en
schilderachtige dichtwerk. Eén greep (VII, 180-188):
"Toen de maan in haar volsten glans en met gevulde schijf op de
landen neerzag, verliet Medea het huis, gehuld in ontgordelde
kleeren, één voet ontbloot, de haren over de naakte schouders
neergolvende; onverzeld gaat ze met zwervende schreden door de
stomme stilte der middernacht; diepe rust had menschen, gevogelte
en wilde dieren ontspannen; de heggen zijn zonder gefluister;
onbewogen zwijgt het loof; de vochtige lucht zwijgt; de sterren
alleen flikkeren."
Hierbij eene opmerking.
Er is hier sprake van "ontbloote schouders." Diergelijke ontblootingen
en zelfs algeheele naaktheid komen bij de tooverij meer voor. In een
fragment uit eene Grieksche tragedie wordt uitdrukkelijk gezegd, dat
Medea naakt de benoodigde tooverkruiden maait[32]. Op eene vaas vindt
men afgebeeld, hoe twee naakte toovenaressen de maan omlaag halen[33].
In de tooverpapyri wordt voorgeschreven, dat de knaap, die bij zekere
handelingen onmisbaar is, naakt moet zijn[34]. Bij het exorcisme, dat
aan den doop voorafging, moest oudtijds, inzonderheid volgens het
ritueel der Grieksche kerk, de doopeling ontkleed worden. Dit alles
sluit goed aan bij het boven vermelde feit, dat men knoopen en gordels
bij tooverhandelingen ongewenscht achtte: het geheimzinnige "mana"
immers moet zoo vrij mogelijk kunnen werken.
De liefdestooverij was meer dan eene bloote litteraire fictie.
Tooverdranken waren ook toen veel in gebruik en er wordt zelfs vermeld,
dat Lucretius Carus (± 97 v. Ch.--55(?) v. Ch.) door het toedienen ervan
in zijne geestvermogens zou zijn gekrenkt en derhalve zijn beroemd
leerdicht "Over de natuur der dingen", eene uiteenzetting van Epicurus'
systeem slechts in zijne heldere oogenblikken zou hebben geschreven. Men
heeft wel is waar dit bericht in twijfel getrokken, maar er zijn
omstandigheden, die sterk voor de waarheid ervan pleiten: het gedicht is
niet alleen onvoltooid, maar heeft ook verscheidene lacunes en
plotselinge overgangen; daarenboven doet de inhoud er onwillekeurig aan
denken, dat de auteur aan hallucinaties leed, 't geen immers met groote
dichterlijke begaafdheid best kan samengaan.
Maar ook andere tooverijen werden blijkbaar herhaaldelijk in practijk
gebracht.
Van Catilina, een energiek, maar ook onbesuisd man, die in 63 v. Chr.,
zooals bekend, eene poging deed om de regeering te Rome omver te werpen,
vertelden sommigen, dat hij, na het houden van eene opruiende toespraak,
om zijne deelgenoten nauwer aan zich te verbinden, menschenbloed, met
wijn vermengd, in bekers liet rondreiken; eerst nadat ze onder
vervloekingen, zooals deze bij zekere plechtigheden gebruikelijk waren,
den drank hadden geproefd, zou hij hun zijn plan hebben geopenbaard.
Aldus de geschiedschrijver Sallustius (87--35 v. Chr.), die echter
verklaart, geen genoegzame bewijzen ervoor te hebben (Samenzw. v. Cat.
22), terwijl een later auteur zelfs verhaalt, dat de saamgezworenen een
kind slachtten en bij de ingewanden ervan den eed aflegden[35]. Dat men
zich door het storten en ook wel door het drinken van bloed tot trouwe
kameraadschap verplichtte[36], kwam meer voor en zoodoende zou het
bericht omtrent Catilina eene kern van waarheid kunnen bevatten zonder
dat men daarom noodzakelijkerwijs aan het allerergste behoeft te denken.
Hoe het zij, de vrees voor de magie was zoo groot, dat men herhaaldelijk
van overheidswege er maatregelen tegen nam. Onder Augustus werden door
zijn alvermogenden gunsteling, Vipsanius Agrippa, de toovenaars en de
vaak met hen op ééne lijn gestelde sterrewichelaars, uit Rome verdreven
(33 v. Chr.)[37]. En in 't jaar 28 v. Chr. moest Anaxilaos uit Larissa
(in Thessalië), "een Pythagoreeër en magiër", Italië verlaten[38].
Maar ook de vervolgers onthielden zich niet van occultistische, resp.
magische practijken. Agrippa zelf had samen met Octavianus, zooals hij
oorspronkelijk heette, zich den horoscoop laten trekken[39], en de
keizer droeg, ten einde niet door den bliksem te worden getroffen,
altijd en overal het vel van een zeekalf bij zich als afweermiddel[40].
Het optreden van Agrippa had niet, of slechts tijdelijk, het gewenschte
gevolg: onder keizer Tiberius moesten (waarschijnlijk in 16 n. Chr.) de
astrologen en magiërs wederom uit Italië worden verjaagd. Zelfs werd één
hunner, L. Pituanius, van de Tarpejische rots afgeworpen (de straf op
hoogverraad) en lieten de consuls P. Marcius buiten de Esquilijnsche
poort (aan de Oostzijde van Rome), na met trompetgeschal het sein te
hebben gegeven, op de ouderwetsche manier, d.w.z. door geeseling en
onthoofding, terechtstellen. Aldus bericht de beroemde geschiedschrijver
Tacitus in zijne Annalen (II, 32).
Meer opzien baarde, in 't jaar 20 n. Chr., het proces van Piso, dien men
beschuldigde, Germanicus, een neef van den keizer en een zeer populair
veldheer, door vergif uit den weg te hebben geruimd. "Er werden", zooals
Tacitus in Ann. (II, 69) verzekert, "op den grond en bij de muren
overblijfsels van opgegravene menschelijke lichamen en tooverspreuken en
vervloekingen en de naam van Germanicus op looden tafels ingekrast en
halfverbrande asch met smetstof bestreken en andere toovervoorwerpen
gevonden, waardoor men gelooft dat zielen aan de onderaardsche machten
gewijd worden". Piso, hoewel hij openlijk zijne vijandschap tegen
Germanicus had betuigd, ontkende hem te hebben vergiftigd, maar pleegde,
aan zijne vrijspraak wanhopende, zelfmoord.
Men verzekert verder, dat Tiberius zelf vrij was van angstvallige
gelooverij, maar toch de astrologie beoefende (Ann. VI,20 vgl.), en, als
er onweer dreigde, voor de securiteit een laurierkrans op het hoofd
droeg[41], omdat men geloofde, dat dit loof door den bliksem niet wordt
getroffen.
Er is een factor, die reeds lang in werking, zich van die tijden af met
groote kracht doet gelden, nl. de invloed van Oostersche gedachten,
gebruiken, godsdiensten, eene strooming, aan welke men den naam
Oriëntalisme heeft gegeven.
De Romeinen, tot dusver onweerstaanbaar voortdringende, hadden eindelijk
in 't Oosten een tegenstander gevonden, dien ze niet vermochten te
overweldigen: de Parthen. De schitterende overwinning, door de Parthen
in 53 v. Chr. op Crassus behaald, die tengevolge hiervan met leger en al
zijn ondergang vond, is een keerpunt in de geschiedenis. En terwijl het
Romeinendom aldus door het Oosten op het slagveld werd gestuit,
onderging het tevens in steeds toenemende mate den invloed van het
Oosten op geestelijk gebied. Het is geen toeval, dat de invloedrijkste
denker der eerste eeuw v. Chr., Posidonius (reeds in 't begin van dit
hoofdstuk genoemd) uit Syrië afkomstig was. Aan Posidonius bovenal is
het o.m. toe te schrijven, dat eene door en door Oostersche leer, de
astrologie, in Rome tot aanzien kwam. Zooals wij zagen, werd de
astrologie door de wetgevers met de magie op ééne lijn gesteld, en
inderdaad kwamen beide niet slechts vaak met elkaar in aanraking, maar
versmolten zij ook herhaaldelijk met elkaar, zooals nog later zal
blijken.
De Oostersche godsdiensten wonnen, om het zoo uit te drukken, met den
dag veld, al verzetten ook de ouderwetsch gezinde Romeinen er zich met
hand en tand tegen en al deinsden zij zelfs voor vervolgingen niet
terug.
In de eerste plaats was het de "Alexandrijnsche" religie, die, op
instigatie van koning Ptolemaeus I (± 300 v. Chr.) uit Egyptische en
Grieksche bestanddeelen samengesteld, zich reeds vroeg over de
Helleensche en Romeinsche wereld ging verspreiden.
De Egyptische godsdienst, dien wij, tengevolge van de talrijke ons
bewaard geblevene gedenkstukken, zelfs wat kleine bijzonderheden
betreft, vrij nauwkeurig kunnen reconstrueeren, was in wezen magie.
Het geloof, dat men door zekere woorden en handelingen invloed vermag
uit te oefenen op de onbezielde zoowel als op de bezielde wezens,
heerschte van af de oudste tijden bij de Egyptenaren en was met al hun
doen en laten innig verbonden.
En evenals de menschen, weten ook de goden zich niet te helpen zonder
magie; ook zij hangen zich amuletten om, om zich te beschermen en
gebruiken tooverformulieren om elkaar te bedwingen. Allermerkwaardigst
is bijv. het navolgende verhaal, dat wij sterk verkort, maar toch
zooveel mogelijk met de woorden van het oorspronkelijke weergeven, hoe
n.l. de godin Isis, die de kennis heeft van geweldige tooverformulieren,
den zonnegod Re zijn diepste geheim weet te ontlokken.
Re was oud geworden en leed aan de gebreken van den ouderdom. Het
speeksel droop uit zijn mond op den grond neer. Isis mengde dit met
aarde, vormde er eene slang van en legde die neer op de plek, waarlangs
Re zou voorbijkomen. De zonnegod werd door de slang gebeten; de adem des
levens verliet hem; zijne kaken trilden en al zijne ledematen beefden.
Het vergif verspreidde zich door zijn geheele lichaam, evenals de Nijl
door de landstreken van Egypte. Re riep de goden om hulp aan: "O gij
goden, die uit mij zijt ontstaan! Eene verschrikkelijke ramp heeft mij
getroffen. Mijn hart voelt haar, maar mijne oogen zien haar niet; ik
weet niet wie mij dit heeft aangedaan. Nooit heb ik zulk eene pijn
gevoeld; geen ziekte kan meer wee veroorzaken als dit. Ik ben een vorst,
de zoon van een vorst, ik heb menigten van namen en menigten van
gedaanten; mijn wezen is in ieder god. Ik kwam te voorschijn om neer te
zien op hetgeen ik had gemaakt, ik schreed door de wereld, die ik
geschapen had, toen iets mij stak, maar ik weet niet wat. Brengt tot mij
mijne kinderen, de goden, die woorden van macht en de taal der magie
bezitten, en monden die weten hoe ze uit te spreken". De kinderen van
iederen god kwamen en ook Isis kwam, met zich brengende hare woorden van
magische kracht; haar mond was vol van den adem des levens, want hare
amuletten overwinnen de pijnen der ziekte en hare woorden doen weer
herleven de kelen van hen die gestorven zijn. En zij zeide: "Wat is er
gebeurd, o heilige vader? Heeft eene slang U gebeten en heeft een ding
dat gij geschapen hebt, zijn hoofd tegen U opgeheven? Voorwaar het zal
neergeworpen worden door mijne machtige woorden en ik zal het wegdrijven
buiten het bereik van uwe stralen". De heilige god zeide: "Ik ging langs
mijn pad om te zien wat ik geschapen had, toen ik gebeten werd door eene
slang, die ik niet zag. Is het vuur? Is het water? Ik ben kouder dan
water en gloeiender dan vuur. Mijn oog heeft geen kracht, ik kan den
hemel niet zien; het zweet loopt van mijn aangezicht als in den
zomertijd". Toen zeide Isis tot Rē: "Noem mij uwen geheimen naam,
heilige vader, want al wie bevrijd zal zijn door uwen naam, die zal
leven". Rē gaf toen allerlei namen op, maar het vergif werd niet uit
zijn lichaam weggenomen; het vrat dieper door en de groote god kon niet
langer gaan. Toen zeide Isis tot Rē": "Wat gij gezegd hebt, is niet uw
ware naam. Noem hem mij en het vergif zal verdwijnen". Eindelijk gaf de
groote god toe, dat zijn naam in Isis zou overgaan en Isis, de
heerscheres over woorden met tooverkracht, zeide: "Wijk, vergif, ga weg
van Rē. Ik ben het die het overwonnen vergif ter aarde doe neervallen,
want de naam van den grooten god is van hem genomen. Moge Rē leven en
het vergif sterven! Moge het vergif sterven en Rē leven". Dit waren de
woorden van Isis, de machtige heerscheres, de meesteres der goden, die
Rē bij zijn eigen naam kende.
Dat speeksel aarde vermag te bezielen, berust op het reeds in hoofdstuk
II vermelde geloof aan het "mana", eene kracht of zelfstandigheid,
waarmee het lichaam van goden en bevoorrechtte menschen zou zijn
doortrokken en die ook buiten de sfeer van het lichaam om, drager van
het psychische zou blijven. De wonderdadige werking van speeksel zal ook
later nog wel eens ter sprake komen.
Veel belangrijker echter is de rol, die de naam in de tooverkunst
speelt. En het is dan ook volstrekt geen wonder, dat de naam, de kortste
vertegenwoordiger van iemands persoonlijkheid, van de oudste tijden af
aan tooverkracht scheen te bezitten. Volgens het primitieve denken is de
naam een deel, en wel een belangrijk deel van dengene die hem draagt.
Hij is een dubbelganger en tevens ten nauwste met zijn drager verbonden.
Zoo kwam men er toe om aan kinderen, ja ook aan steden, een geheimen
naam te geven, waarop een kwaadwillige en een vijand geen vat zou kunnen
hebben. Bovenal echter kan de naam van een god niet zonder uitwerking
worden uitgesproken; de god is verplicht er antwoord op te geven en te
handelen overeenkomstig den eisch van wie hem aanroept.
Zoo was ook van ouds her een mysterie verbonden met den naam van den god
der Hebreeën; slechts in zeer bijzondere omstandigheden mocht men hem op
de lippen nemen en vandaar dan ook het uitdrukkelijk verbod: "Gij zult
den naam Uws Gods niet ijdellijk gebruiken", een verbod, dat thans, nu
men den magischen achtergrond ervan niet meer voor oogen heeft, maar al
te vaak wordt overtreden.
En toch is ook heden ten dage het geloof aan de mysterieuze kracht van
den naam nog niet geheel verdwenen; nog zijn sommigen er van overtuigd,
dat onze namen een geheimzinnigen invloed zouden uitoefenen op onze
lotgevallen en telkens weer hoort men den spreuk aan voeren: nomen est
omen, d.w.z.de naam is een voorteeken.
Van alle Egyptische goden traden reeds in oude tijden Isis en Osiris
sterk op den voorgrond. De mythen aangaande hen zijn ons echter in haren
samenhang slechts in het verhaal bij Plutarchus (± 100 n. Chr.)
overgeleverd[42], die wel is waar klaarblijkelijk uit goede bronnen
put, maar zich wel eens tendentieuze uitleggingen veroorlooft. Volgens
de traditie was Osiris, de weldadige god, door zijn broeder Set (of,
zooals de Grieken hem noemden, Typhon), de verpersoonlijking van het
booze, verraderlijk omgebracht en in veertien stukken verscheurd, maar
door de bezweringen van zijne gade Isis en hun zoon, Horus, weer
samengevoegd en tot het leven teruggeroepen geworden. Het menschelijke
tot het goddelijke verheffende, ging men iederen overledene als een
Osiris beschouwen, die door de bezweringen van zijn zoon als van een
anderen Horus, het eindelooze leven verkrijgt. En nog verder in die
richting doorgaande geeft de magiër vaak zich zelf voor den een of
anderen god uit, teneinde door den goddelijken naam zijn wil grootere
kracht bij te zetten.
Enkele voorbeelden:
"Ik ben Rē, in dezen zijn geheimzinnigen naam
"Hij-die-was-in-den-oceaan", zijne pijlen tegen zijne vijanden
afschietende".
Of, als men zich tegen een vijand keert:
"Verwijder U, want ik ben Horus, trek U terug, want ik ben de zoon
van Osiris. De magie van mijne moeder [Isis] is de bescherming van
mijne leden".
Door eene of andere mythe te vermelden meent de magiër de daden te
kunnen verrichten, die daarin aan een god worden toegeschreven.
"Ik wil alle booze en slechte dingen, die neerkomen op N, den zoon
van M., verbannen, evenals Rē zich zelf voor zijne vijanden
redde, evenals Chnoem zich redde voor Sobk, evenals Horus zich
redde voor Set."
Wij komen later nog op dergelijke bezweringen herhaaldelijk terug.
Dat de hoofdgoden van den Alexandrijnschen cultus, Osiris, Isis, Horus
en de raadselachtige, maar, wat zijne werkingssfeer betrof, met Osiris
vereenzelvigde Sarapis, als begunstigers van de magie bij uitnemendheid
werden beschouwd, spreekt van zelf. Men verhaalde van hen tallooze
wonderen; men verwachtte van hen in den droom goeden raad te ontvangen;
men schreef hunne namen op amuletten. De Egyptische priesters gingen
voor toovenaars door, en Egypte voor het tooverland bij uitnemendheid.
Niet slechts de Egyptische, maar ook de Joodsche religie deed zich in de
Grieksch-Romeinsche wereld gelden. En ook bij de Joden stond de magie
toen in grooten bloei, ondanks de strengste verboden en de wreedste
vervolgingen. De Joodsche tooverspreuken hadden gezag bij de naburige
volkeren. In de Koptische en Grieksche tooverlitteratuur speelt de god
der Joden, Iao, Sabaoth, eene groote rol; ook de namen van aartsvaders,
van Jozua (Jezus) en Salomo komen er herhaaldelijk in voor. Een lang
exorcisme (verdrijving van een boozen geest door bezwering), dat wij
nog over hebben[43], is blijkbaar afkomstig van een Joodsch-Orphisch
genootschap.
Nog in latere eeuwen hebben de Joden den naam van toovenaars, meestal in
ongunstigen zin, behouden. Het geloof aan den "ritueelen" moord, nl. dat
de Joden bij hun Paaschfeest of tot andere doeleinden het bloed van een
Christenkind gebruiken, behoort nog niet tot het verleden, al ontbreekt
het ook ten eenenmale aan deugdelijke bewijzen. Maar ook de hoogere
magie, zooals zij in de Kabbala, de Joodsche geheimleer uit de
middeleeuwen, werd geleeraard, heeft de aandacht van velen, en niet
altijd van de minst begaafden, getroffen. Er is in onze dagen,
voornamelijk in Frankrijk en Engeland, veel belangstelling voor
Kabbalistiek, waarbij het echter aan degelijke studies over dit
ingewikkelde onderwerp maar al te zeer ontbreekt.
Keizer Tiberius is in 19 n. Chr. ook tegen de vereerders van Isis en de
Joden met de wreedheid hem eigen, opgetreden, zooals o.m. Tacitus het in
zijn Annalen (II, 85) vermeldt:
"Er is ook verhandeld over het verdrijven van de Egyptische en
Joodsche religies en een senaatsbesluit genomen om vierduizend
vrijgelatenen, met die superstitie besmet, wier leeftijd het
toeliet, naar het eiland Sardinië te verbannen, ten einde aldaar de
roovers in bedwang te houden; als ze door het slechte klimaat
omkwamen, zou er niets aan verloren zijn; de overigen moesten
Italië verlaten, tenzij ze voor een bepaalden datum de uitheemsche
godsdiensten zouden hebben afgezworen."
Al die wreedheid was te vergeefs.
*Litteratuur.*
*#L. Fahz#, De poetarum romanorum doctrina magica, uit
Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. II Bd. 3 Hft. (1904).
#W. J. Dilling, s.v. Knots, in Enc. rel. a. eth. VI (1914).
#Fraser#, Taboo and the perils of the soul (1914).
#Skeat#, Malay Magie (1900).
*#L. Blau#, Das jüdische Zauberwesen (1898).
#J. A. Mac Culloch, s.v. Lycanthropy, in Enc. rel. eth. VIII (1915).
#E. Penquitt#, De Didonis Vergilianae exitu, Dissert. Königsberg
(1910).
*#R. Wünsch#, Aus einem griechischen Zauberpapyrus, in Kleine Texte
f. Vorles. u. Üb. hrg. v. H. Lietzmann, No. 84 (1911).
#J. Heckenbach#, De nuditate sacra sacrisque vinculis, uit
Religionsgesch. Vers. u. Vorarb. IX, 3 (1911).
|