free book ebook online reading
eBook Title
Magie bij de Grieken en de Romeinen
Author Language Character Set
Karel H.E. de Jong Dutch UTF-8


You are here --- [ Home / Author Index J / Karel H.E. de Jong / Magie bij de Grieken en de Romeinen / Page #2 ]

de lichamen betreft, als hij geen verstand heeft van geneeskunde,
als wat de tooverijen betreft, wanneer hij geen wichelaar of
teekenuitlegger is. De wet aangaande vergiftiging en tooverij luide
aldus: Indien iemand door vergif een ander persoonlijk of diens
slaven eene niet-doodelijke schade toebrengt, of zijn kudden of
bijenkorven hetzij eenige andere hetzij doodelijke schade
berokkent, moet hij, wanneer hij een geneesheer is en wegens
gifmengerij wordt veroordeeld, met den dood worden gestraft; als
hij echter een leek is, moet de rechtbank uitmaken, welke straf of
boete hij dient te ondergaan. Als iemand echter den indruk maakt
van door boeiïngen of aantrekkingen of zekere bezweringen of door
welke hekserijen van dien aard ook, schade te hebben berokkend,
moet hij, als hij een wichelaar of teekenuitlegger is, sterven, als
hij echter zonder kennis van wichelarij wegens tooverschade wordt
veroordeeld, moet ook aangaande hem de rechtbank schatten, welke
straf of boete hem haars inziens moet worden opgelegd."

Hoogst kenschetsend is ook het volgende (X, 909a-c):

"Wie het bestaan van goden of hunne voorzienigheid loochenen of
gelooven dat ze te verbidden zijn en voorts tot het dierlijke
vervallen en, de menschen verachtende, velen van de levenden
verleiden en beweren de gestorvenen op te roepen en belooven de
goden over te halen, d.w.z. ze door offers en gebeden en
bezweringen betooverende, en zoowel particulieren als geheele
families en steden ter wille van 't geld probeeren te gronde te
richten,--wie hieraan blijkt schuldig te zijn, dien veroordeele de
rechtbank om, overeenkomstig de wet, in de gevangenis in 't
binnenland te worden opgesloten en dat nooit eenig vrij persoon
toegang tot hem hebbe en dat hij de voeding, hem door de mannen der
wet bepaald, uit handen van slaven ontvange; als hij sterft, dan
moet men hem buiten de grenzen werpen en hem de begrafenis
ontzeggen. En als een vrije hem helpt begraven dan mag wie maar
wil hem wegens goddeloosheid aanklagen."

Wie hier ook maar eenigszins objectief tegenover staat, zal moeten
erkennen, dat zelfs "de goddelijke" Plato zich door bigotterie en
staats-fanatisme op de treurigste wijze heeft laten verblinden. Het is
toch al te naïef, een kwaadwillige vaderlijk te vermanen zijn
evenmenschen vooral geen schrik aan te jagen, en te onzinnig,
gevangenisstraf te eischen voor diegenen, die eene geheele stad trachten
te gronde te richten, maar de doodstraf voor hen, die aan een bijenkorf
eene niet-doodelijke schade toebrengen! Zeer zeker is het voor Plato
eene verzachtende omstandigheid, dat hij niet de laatste hand aan dit
werk heeft kunnen leggen, maar eene zware verantwoordelijkheid rust op
hen, die zulk verward en verderfelijk geschrijf--men denke slechts aan
de heksenprocessen--gedurfd hebben te publiceeren.

Van Aristoteles (384--322), den universeelen en tevens nuchteren man der
wetenschap, werd, zooals wij in hoofdstuk V nader zullen zien,
verzekerd, dat hij de realiteit der magie loochende, en dit stemt ook
met hetgeen ons van hem is bewaard gebleven, goed overeen. Echter heeft
hij in zijn geschrift "Over het voorspellen in den slaap" erkend, dat
wij somtijds in onze droomen de toekomst vooruitzien en in c. 2
getracht, de meest raadselachtige gevallen aldus te verklaren:

"Evenals wanneer iets het water of de lucht in beweging brengt,
het bewogen gedeelte weer een ander gedeelte in beweging brengt en
wanneer dat tot rust is gekomen, het voorkomt dat zulk eene
beweging tot een zeker einddoel voortgaat, hoewel hetgeen de
beweging veroorzaakte niet meer aanwezig is, aldus is er niets
tegen, dat zekere bewegingen en gewaarwordingen de droomende zielen
bereiken...en hoe ze ook tot [ons] geraakt zijn, 's nachts meer
waarneembaar zijn, doordat ze, wanneer zij zich over dag
voortplanten, eerder opgelost worden (want de lucht is 's nachts
minder in beroering omdat er dan meer windstilte heerscht) en in
het lichaam tengevolge van den slaap eene gewaarwording
veroorzaken, omdat de slapenden meer dan de wakenden ook de kleine
inwendige bewegingen gewaar worden. Deze bewegingen veroorzaken
voorstellingen, waaruit men de, toekomst aangaande de betrokken
voorwerpen vooruitziet."

"Dat kennissen het meest de toekomst van kennissen vooruitzien,
komt door het feit dat kennissen het meest over elkaar bezorgd
zijn. Want evenals ze elkaar uit de verte zeer snel herkennen en
gewaar worden, aldus worden ze ook de [bovenbedoelde] bewegingen
snel gewaar, want de bewegingen, die van kennissen uitgaan, zijn
gemakkelijker kenbaar".

Men heeft opgemerkt dat volgens deze ietwat duistere verklaring een
zeker rapport tusschen kennissen zou bestaan en dat derhalve aan
Aristoteles het geloof aan "telepathie", d.w.z. "gedachteoverbrenging"
of juister de overbrenging van gedachtebeelden, indrukken, gevoelens
buiten de gewone zintuigelijke kanalen om, niet vreemd zou zijn geweest.
Van hoe groot belang dit voor ons onderwerp is, zal spoedig blijken.

De Atomisten, die de ziel verklaarden voor een aggregaat van
stofdeeltjes dat zich tegelijk met de ontbinding van het lichaam zou
oplossen, werden gewoonlijk mede onder hen gerekend, die de realiteit
der magie loochenden. Echter trachtte Democritus (± 400 v. Chr.) de
grootste der atomisten, het geloof aan het "booze oog", dat nu nog in de
landen om de Middellandsche Zee sterk leeft, te rechtvaardigen door
zijne leer der "Idolen", d.w.z. ijle beelden, die door de lucht zweven
en verklaarde hij het alomverspreide geloof aan goden door de
verschijningen van reusachtige en lang levende, schoon niet
onsterfelijke "Idolen"[11]. Er waren dan ook willekeurige hypothesen en
ingewikkelde redeneeringen noodig om te ontkomen aan consequenties, die
tot de realiteit van geestverschijningen en tooverij voerden. Ja,
Epicurus (341-270) die de atoomleer tot een ethisch systeem verwerkte en
haar zulk eene groote populariteit deed erlangen, heeft, in zijn ijver
voor de wilsvrijheid, de uitspraak gedaan: "Het ware beter zich aan de
fabelleer over de goden te houden, dan slaaf te zijn van het noodlot
der natuurkundigen, want de fabelleer geeft toch eenige hoop, de goden
door eerbetooning te kunnen verbidden, maar het noodlot oefent een
onverbiddelijken dwang uit[12]", een uitspraak, die met eene plat
materialistische opvatting der dingen in onverzoenlijken strijd is.

De Cynici, d.w.z. Hondschen, aldus genoemd om hunne primitieve
levenswijze, die vaak ook met goede zeden in botsing kwam, verstompten
zich door hun hoofddogma van de zelfgenoegzaamheid der deugd den blik
voor de fijnere verschijnselen van het zieleleven. De populairste
vertegenwoordiger dier richting, Diogenes (tweede helft der vierde eeuw)
verzekerde dat wij na den dood in 't geheel niets meer waarnemen[13], en
dat hij, lettende op droomuitleggers, wichelaars en diegenen, die aan
hunne woorden geloof slaan, niets zotters vond dan den mensch[14]. Geen
wonder, dat de Cynici ook in latere eeuwen een verwoeden strijd voerden
tegen alles wat naar magie en het soortgelijke zweemde.

De Sceptici eindelijk (sinds ongeveer 350 v. Chr.), die tengevolge van
hun twijfel aan de juistheid van onze waarnemingen en redeneeringen ook
de meest alledaagsche feiten op losse schroeven stelden, wilden van het
wonderbaarlijke in 't geheel niets afweten; ook zij richtten hunne
wapenen onvermoeid tegen de magie en hare voorvechters, waarbij zij zich
o.m. niet ontzien hebben, een man als Pythagoras voor een bedrieger uit
te maken[15].

De nuchtere, materialistische, van het ongewone afkeerige wijsgeeren
voerden ruim twee eeuwen lang den boventoon, voornamelijk in de kringen
der "intellectueelen." Het was een tijd van "verlichting."

Bij zulk eene mentaliteit tiert van alle litteratuur-genres de comedie
het meest, die immers uitteraard vijandig staat tegenover het
wonderbaarlijke.

Reeds Aristophanes (± 445 - ± 385), de beroemdste dichter der
oud-Attische comedie, had herhaaldelijk den draak gestoken met de
tooverkunst.

In zijn "Wolken" (423) neemt een oude boer, die diep in de schuld zit,
zijn toevlucht tot Socrates en vraagt hem, hoe hij zich aan de
uitbetaling van de renten zou kunnen onttrekken. Na lang praten raadt
Socrates den boer aan, zich in te hullen en zelf iets uit te denken. De
boer jammert, maar gehoorzaamt en roept v. 746 in eens uit:

"O beste Socrates!

Socrates. Wat is er, vadertje?

Boer. Ik heb iets bedacht om van mijne rente af te komen.

Socrates. Laat eens hooren.

Boer. Zeg mij eens--

Socrates. Wat?

Boer. Als ik eene Thessaalsche toovenares geld gaf, en de maan 's
nachts omlaag haalde en ze vervolgens als een spiegel, opborg in
eene ronde doos en goed bewaarde--

Socrates. Wat zou je dat helpen?

Boer. Wat? Als de maan nooit weer opkwam, zou ik geen rente
behoeven te betalen.

Socrates. Hoe zoo?

Boer. Omdat de rente per maand wordt uitbetaald.

Een Grieksche maand liep nl. van de eene opkomende maan tot de volgende.

En in zijn laatste stuk, Plutus (388) bespot Aristophanes (v. 649-747)
de wonderdadige genezing van den blinden Plutus (god van den rijkdom) op
eene manier, die de ergste straatjongen hem niet had kunnen verbeteren.

In de latere comedieschrijvers wordt al spoedig de geest van Epicurus
vaardig; ook Menander (± 343/2-± 291/0) de bekendste van allen maakt
hierop geen uitzondering. Dit blijkt reeds uit de titels van sommige
stukken als de "Demonenvreezer" en de "Thessaalsche", die blijkbaar tot
hoofddoel hadden, het wonderbaarlijke en magische te bespotten.

Met dat al was de magie in die tijden voor de letterkundigen niet
slechts een voorwerp van spot. Ook hare poëtische zijde oefende eene
machtige bekoring uit en de grootste dichters hebben er partij van weten
te trekken.

Euripides (±481-± 406), de fijngevoeligste en wetenschappelijkste der
Grieksche tragici, koos tot onderwerp van zijn beroemdste drama de
tooveres Medea (431).

Medea, evenals Circe eene figuur uit de mythologie, was de dochter van
Aëtes, heerscher van het wonderland Colchis, aan de kust der Zwarte Zee
en ten Zuiden van den Caucasus gelegen. Jason uit Thessalië kwam tot
Aëtes om het gouden vlies op te eischen, maar de koning verklaarde dit
slechts aan dengene te zullen uitleveren, die een allergevaarlijksten
kampstrijd met goed gevolg zou hebben daarstaan. Medea vatte liefde voor
Jason op en stelde hem door toovermiddelen in staat de bovenmenschelijke
taak te volbrengen; toen Aëtes des ondanks met de uitlevering van het
gouden vlies talmde, hielp zij Jason dit heimelijk te ontvoeren en
vluchtte zij met hem naar Griekenland, waar zij tal van jaren samen een
gelukkig leven leidden.

In zijn treurspel schetst Euripides hoe Jason Medea, aan wie hij zooveel
te danken had, verstoot om met de dochter van een koning in 't huwelijk
te treden. Medea, vastbesloten zich te wreken, veinst in haar lot te
berusten en zendt zelfs de bruid kostbare kleeren en een gouden krans
ten geschenke. De uitwerking dier geschenken wordt in het navolgende tot
Medea gerichtte bodeverhaal (v. 1159-1221) aanschouwelijk beschreven:

"Zij [de koningsdochter] nam de bonte gewaden en deed ze zich om,
zette den gouden krans op hare lokken, schikte het haar voor den
glimmenden spiegel op en lachte haar zielloos evenbeeld toe.
Vervolgens stond ze van haar zetel op, ging door 't vertrek heen,
bevallig stappende met blanken voet, en, boven mate verblijd met de
geschenken, draaide ze vaak het hoofd om, en keek naar haar
opgeheven hiel. Wat er echter op volgde, was een verschrikkelijk
tooneel om te zien. Ze verandert van kleur, gaat
schuinschachteruit, bevende aan hare leden en ter nauwernood
voorkwam zij een val door in den stoel neer te zinken. En eene oude
dienares, in den waan, dat de toorn van Pan of van een ander god op
haar neerkwam [en haar tot waanzin bracht] gilde een gebed uit,
totdat ze zag hoe wit schuim uit den mond vloeide, hoe ze de
oogpupillen verdraaide, en geen bloed meer in 't vleesch was; toen
ging ze van 't gegil tot eene luide weeklacht over. Terstond rende
de eene slavin naar 't huis van haar vader, de andere naar den
bruidegom om te berichten, wat de bruid overkwam. Het geheele huis
dreunde van al het geloop. En reeds zou een hardlooper in stagen
draf het einddoel van een renbaan hebben bereikt, toen de
rampzalige met een naar gesteun uit hare sprakeloosheid ontwaakte
en het oog weer opensloeg. Een dubbel onheil bestookte haar; de
gouden wrong om 't hoofd zond een wonderbaarlijken stroom uit van
alverslindend vuur en de fijne kleeren, uw geschenk, verteerden het
blanke vleesch der ongelukkige. In brand geraakt, vliegt ze op van
haar stoel, schudt het haar en het hoofd nu herdan derwaarts heen
en wil den krans afwerpen. Maar de gouden band bleef vastzitten en
wanneer zij 't haar schudde, ontvlamde het vuur dubbel zoo erg. Zij
valt op den grond, door 't onheil overweldigd, en behalve voor haar
vader moeilijk te herkennen. De stand van hare oogen, de edele vorm
van het gelaat waren verdwenen, bloed, met vuur vermengd, druppelde
neer uit haren kruin en het vleesch viel, door den onzichtbaren
beet van het vergif, van hare beenderen af, zooals hars uit een
pijnboom druppelt--een ontzettend schouwspel. Schrik belette allen,
het lijk aan te raken; haar afgrijselijk lot was voor ons eene
waarschuwing. Maar de rampzalige vader, in zijne onwetendheid van
't onheil, komt plotseling binnen, werpt zich op 't lijk, weeklaagt
luid, slaat de armen om haar heen, kust haar en spreekt haar toe:
"O arm kind, welke demon heeft U zoo schandelijk doen omkomen? Wie
maakt den grijsaard, van U beroofd, een graf gelijk? Wee mij, mocht
ik maar met U sterven kind!" Toen hij echter met treuren en
weeklagen ophield en zijn oud lichaam weer wilde opheffen, kleefde
hij vast aan die fijne kleeren als de klimop aan een laurierspruit,
en 't werd eene verschrikkelijke worsteling: hij toch wilde zijne
knie opheffen, maar zij hield hem vast, en als hij zich met geweld
wilde losrukken, scheurde hij het grijze vleesch van zijne
beenderen af. Ten slotte bezweek hij en gaf den geest. Het onheil
was hem te machtig. Daar liggen ze nu dood naast elkaar de dochter
en de grijze vader, een ramp, die tot tranen roert."

Theocritus, de grootste bucolische, d.w.z. landelijke dichter (eerste
helft der derde eeuw) beschrijft in zijne tweede ecloga "De
toovenaressen", hoe een verlaten meisje haar geliefde door magie weer
tot zich tracht te trekken. Zij bezigt tot dat doel allerlei
toovergerei, voornamelijk echter den draaihals, reeds in ons eerste
hoofdstuk vermeld. Vandaar het refrein in het gedicht, dat wij hier
gedeeltelijk laten volgen:

"_De toovenaressen_.

Waar zijn me de laurieren? Thestylis, breng ze! Waar de
tooverkruiden? Omkrans de schaal met de roode wol van een schaap,
opdat ik den tegenover mij hardvochtigen man, dien ik toch zoo lief
heb, moge boeien, die sinds twaalf dagen, o, die ellendeling! nog
maar niet komt, en niet weet of ik gestorven ben of nog in leven en
niet aan mijne deur heeft geklopt, die wreedaard! Heeft Eros, heeft
Aphrodite zijn wuft gemoed elders heen gevoerd? Ik ga naar de
worstelschool van Timagetos, morgen, om hem te zien, en zal hem
verwijten dat hij zoo met mij omspringt. Nu echter zal ik hem door
de kracht van het offer boeien. Maar gij, o Maangodin, blink
schoon! Want U zing ik toe, o kalme godin, en U, onderaardsche
Hecate, waarvoor ook de honden sidderen, als gij schrijdt door de
graven om het donkere bloed te slurpen. Wees gegroet, o Hecate,
schrikwekkende en sta mij bij, tot het einde toe, bewerk dat deze
kruiden niet zwakker mogen zijn dan die van Circe noch die van
Medea noch die van de blonde Perimede[16].

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Eerst moet het offermeel in 't vuur rooken. Maar strooi het er toch
in, Thestylis! Ongeluk, waar zijn je hersens gebleven? Of steekt
gij, vuilpoes, ook al den draak met mij? Strooi en zeg te gelijk
dit: "Ik strooi de beenderen van Delphis."

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Delphis martelde mij. Maar ik brand tegen Delphis den laurier, en
evenals deze, door het vuur gegrepen, luid kraakt en plotseling is
ontvlamd en wij zelfs geen asch van haar zien, zoo moge ook het
vleesch van Delphis in de vlam worden verteerd.

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Evenals ik dit was[sen beeld?] met de hulp der godin laat
versmelten, zoo moge Delphis uit Myndos terstond door liefde
versmelten. En evenals die bronzen toovertol door de kracht van
Aphrodite wordt rondgedreven, zoo moge hij ronddraaien rondom mijn
huis!

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Nu offer ik de klei. Gij, Artemis, zoudt zelfs het gevoellooze
staal kunnen ontroeren en wat er verder onwrikbaar is--Thestylis,
de honden huilen door de stad heen; de godin is op de driesprongen;
sla gauw op het bronzen bekken!

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Zie daar! de zee zwijgt, de winden zwijgen, de smart echter in mijn
borst zwijgt niet, maar ik verteer geheel van liefde voor hem, die
mij, rampzalige, in plaats van zijne gade tot eene slechte deerne
heeft gemaakt.

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

*       *       *       *       *

Deze franje van zijn mantel verloor Delphis, die ik nu uiteen pluk
en in het woeste vuur werp. O martelende liefde! hoe hebt gij als
een bloedzuiger aan mij hangende al het donkere bloed uit het
lichaam gedronken!

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!

Eene waterhagedis stamp ik fijn en breng U morgen een boozen drank.
Thestylis, neem die tooverkruiden en besmeer daarmee van boven zijn
deurpost zoolang het nog tijd is, en zeg, er op spuwende: "Ik
vermorzel de beenderen van Delphis!"

Draaihals, lok gij dien man naar mijn huis toe!"

Deze booze tooverij, het "envoûtement", dat bij vrijwel alle volkeren
voorkomt, berust in de eerste plaats op het geloof, dat de mensch
doortrokken is met eene soort zelfstandigheid, die ook op de voorwerpen
overgaat, waarmede hij in aanraking komt. Door op die voorwerpen, zooals
in het vermelde geval op een stuk van een kleed in te werken, meent men
den persoon zelf te treffen, die verondersteld wordt er altijd in
psychisch contact mede te blijven. Onwillekeurig denken wij hierbij aan
het veelbesprokene "magnetische fluïde" en enkele onderzoekers hebben
dan ook in die richting proeven genomen, uit welke zou zijn gebleken,
dat het gebruik in quaestie, schijnbaar alleronzinnigst, toch nog op
eenigen rationeelen grondslag zou berusten. Zeker is het, dat bij
primitieve volkeren de suggestie zulk eene onweerstaanbare uitwerking
heeft, dat menigeen, zoodra hij gelooft betooverd te worden, door de
bloote angst ziek wordt en wegkwijnt. Maar het envoûtement veronderstelt
nog een ander geloof, n.l. dat symbolische handelingen reëele gevolgen
kunnen hebben, bijv. wanneer men, zonder iets te bezitten wat met het
slachtoffer in aanraking is geweest, eene figuur ervan in het zand
teekent en daarin met stokken prikt. Hierbij toch wordt blijkbaar
aangenomen, dat de mensch het vermogen bezit om door wilsconcentratie
een ander op afstand te deren, en tevens dat die wil door eene
symbolische handeling tot hoogere kracht wordt opgevoerd. De echte
telepathische experimenten in aanmerking genomen--niet de publieke
vertooningen tegen entree, die onlangs zoo grooten opgang hebben
gemaakt--zou iets dergelijks niet als onmogelijk te beschouwen zijn,
maar toch altijd wel tot de grootste uitzonderingen behooren.

Apollonius uit Rhodus, een tijdgenoot van Theocritus, verhaalt in het
derde boek van zijn epos "Argonautica" op uitvoerige en dichterlijke
wijze, hoe de toovenares Medea (zie boven) liefde voor Jason opvat en
hem de middelen aan de hand doet zich onkwetsbaar te maken, ten einde de
hem wachtende kampstrijden met goed gevolg te kunnen doorstaan. De held
gaat heen, om hare aanwijzingen ten uitvoer te brengen (v. 1191--1224):

"De avondzon dook in de duistere aarde weg achter de verstafgelegen
bergkruinen der Aethiopiërs. De nacht legde hare paarden het juk
op; de helden maakten hunne legersteden gereed bij de kabeltouwen.
Maar zoodra de lichten van het schoonblinkende beergesternte
overhelden en de lucht van af den hoogen hemel volslagen kalm was
geworden, stapte Jason heimelijk als een dief naar de eenzaamheid,
met al zijne benoodigdheden, want hij had overdag voor alles
afzonderlijk gezorgd; een ooi en melk uit de wei kwam zijn makker
Argos brengen; het overige nam hij uit het schip zelf. Maar toen
hij een plek zag, die bezijden het pad der menschen lag, kalm te
midden van zuivere beemden, baadde hij allereerst, overeenkomstig
den ritus, zijne slanke gestalte in de goddelijke rivier, en
omkleedde zich met den donkeren mantel, dien Hypsipyle uit Lemnos
hem vroeger geschonken had als eene herinnering aan hunne innige
liefde. Na vervolgens een kuil van eene el breedte in den grond te
hebben gegraven, hoopte hij gekloofd hout op, sneed een lam de keel
af en strekte het naar behooren over den kuil heen uit; hij stak de
blokken van onder in brand en goot gemengde plengoffers uit,
Hecate-Brimo [de geweldige] aanroepende als helpster bij de
kampstrijden. En na die aanroeping ging hij weer terug; de geduchte
godin echter, haar vernemende uit de diepste holen, begaf zich naar
het offer van Jason toe; haar omkransden schrikwekkende slangen te
midden van eikenloof; ontzaglijk straalde het licht der fakkels;
onderaardsche honden deden om haar heen een scherp geblaf hooren.
Alle weilanden langs het pad sidderden; de moerasbewonende nimfen,
die rondom de beemden van den Phasisstroom zwieren, gilden het uit.
Jason beving wel de vrees, maar desondanks zag hij niet om en zijn
voeten droegen hem verder, totdat hij zich onder zijne makkers had
gemengd; reeds wierp de in de vroegte geboren Dageraad verrijzende
zijn licht over den besneeuwden Caucasus."

Het reinigingsbad heeft hier kennelijk bovenal de bedoeling, de booze
demonen af te weren, die licht op den tooverende een schadelijken
invloed vermochten uit te oefenen.

Ook elders is dit heldendicht, dat inzonderheid bij de Romeinen in groot
aanzien stond en sterk werd nagevolgd, rijk aan verhalen over magie.

Dat men ook in die tijden van spot en scepticisme zich, hetzij voor
goede, hetzij voor booze doeleinden van tooverij bediende, blijkt uit
tal van gegevens.

In eene redevoering (na 327) die op naam van Demosthenes gaat en in elk
geval tot de meest boeiende lectuur uit de oudheid behoort, t.w. eene
aanklacht tegen den "chanteur" Aristogiton, vinden wij vermeld dat de
Atheners de "giftmengster" Theoris, "de Lemnische" met haar geheele
geslacht ter dood lieten brengen en wordt de broeder van Aristogiton
ervan beschuldigd, door middel van eene slavin der tooveres hare kruiden
en bezweringen te hebben overgenomen ten einde, naar zijn zeggen,
daardoor o.m. lijders van de vallende ziekte te genezen. (I. Rede tegen
Arist. c. 79 vlg.).

Aan koning Pyrrhus (gest. 272), den bekenden tegenstander der Romeinen,
werd eene wonderbare geneeskracht toegeschreven:

"Men geloofde dat hij aan miltzieken genezing bracht door een
witten haan te offeren en hun, terwijl zij achteroverlagen, met den
rechter voet de milt zachtjes aan te raken. Niemand was zoo arm of
onaanzienlijk, dat hem niet op verzoek die behandeling werd
toegestaan. Pyrrhus kreeg dan ook den haan, wanneer hij hem
geofferd had, en op dit eergeschenk was hij bijzonder gesteld. Men
zegt ook, dat de groote teen van dien [rechter] voet eene
goddelijke kracht had, zoodat hij na zijn dood, terwijl het overige
lichaam verbrand was, ongedeerd en door het vuur onaangeraakt werd
gevonden"[17].

De volkenkunde levert hiertoe tal van paralleles.

Bij de primitieve volkeren heerscht algemeen de overtuiging, dat hunne
hoofden eene bijzondere kracht of zelfstandigheid bezitten, die men
tegenwoordig gewoonlijk met een Polynesisch-Melanesisch woord "mana"
noemt, door welke zij o.m. ook zieken vermogen te genezen. Van de
hoofden op de Tonga eilanden (in de Stille Zuidzee) geloofde men, dat de
aanraking van hun voet aan kliergezwellen en leververharding een einde
maakte. Bij de Walos (aan den Senegal) brachten moeders hunne zieke
kinderen naar de koningin, die ze plechtig met den voet op den rug, de
maag, het hoofd en de beenen aanraakte. Hetzelfde geloof heerschte in
Europa. Toen Waldemar I van Denemarken (1157-1182) door Duitschland
reisde, brachten moeders hunne kinderen tot hem met het verzoek, zijne
handen op ze te leggen, in de overtuiging, dat ze dan beter zouden
groeien. Van de Engelsche koningen verwachtte men wonderdadige hulp
tegen klierziekten. Koningin Elizabeth (1558-1603) oefende herhaaldelijk
de gift der genezing uit. Karel I zou in 1633 op één dag honderd, zijn
zoon Karel II in den loop van zijne regeering (1660-1685) ten naastenbij
honderdduizend klierlijders hebben aangeraakt. Ook Fransche koningen
traden als wonderdadige genezers op. Dat door de kracht der suggestie de
koninklijke aanraking vaak zal hebben geholpen is niet onwaarschijnlijk;
of echter ook nog het "magnetische fluïde" er wel eens bij in 't spel is
geweest, moeten wij vooralsnog in 't midden laten.

Wij komen later nog op diergelijke wonderdadige genezingen terug.

Wat de booze tooverij betreft, zijn ons ook uit dien tijd verscheidene
plaatjes, bijna allen uit lood, bewaard gebleven, waarop men
vervloekingen kraste. Een voorbeeld hiervan is het navolgende, uit
Attica, van omstreeks 300 v. Chr.

"Ik boei Theagenes de tong en de ziel en het pleidooi dat hij
voorbereidt; ik boei ook van Pyrrhius den kok de handen en voeten,
de tong en de ziel en het pleidooi dat hij voorbereidt; ik boei ook
de vrouw van Pyrrhius haar tong en haar ziel; ik boei ook Cercion
den kok en Docimus den kok de tong en de ziel en het pleidooi dat
zij voorbereiden; ik boei ook Cineas de tong en de ziel en het
pleidooi dat hij met Theagenes samen voorbereidt; ik boei ook
Pherecles de tong en de ziel en het getuigenis dat hij ten gunste
van Theagenes aflegt; ik boei ook Seuthes de tong en de ziel en het
pleidooi dat hij voorbereidt en de voeten en de handen en de oogen
en den mond; ik boei ook Lamprias de tong en de ziel en het
pleidooi dat hij voorbereidt, de handen, de voeten, de oogen en den
mond, al dezen boei ik, ik doe ze verdwijnen, ik stop ze onder den
grond, ik spijker ze vast; en als ze voor de rechtbank en bij den
scheidsrechter iets doen, mogen ze dan niet in aanmerking komen,
noch in woord, noch in daad"[18].

Hier tracht men dus zijne tegenpartij in rechten te schaden en hoopt dat
hetgeen met de plaat geschiedt, ook de personen zelf zal overkomen. De
symboliek hierbij verraadt een uiterst naïeven gedachtengang. Lood is
zwaar, dus moet het ook op een afstand een bezwarenden invloed
uitoefenen. De spijker houdt vast, dus moet hij ook op afstand iemand
vastleggen. Overigens verwijzen wij naar hetgeen reeds boven over het
envoûtement is gezegd.

Meestal worden bij die vervloekingen ook de onderaardsche goden
aangeroepen, zooals bijv. op de navolgende plaat uit de vierde eeuw:

"Hermes, gij vastlegger en Persephone, legt vast van Parthenius en
Apollonius, de zoons van Hagnotheus de tong en de ziel en de daden
en de voeten en de plannen.

Hermes, gij vastlegger en Persephone, legt vast van Euxenus de ziel
en het lichaam en de voeten en de handen en de daden en de plannen
en de tong totdat hij naar de onderwereld is neergedaald"[19].

Ook bij de Romeinen werd de tooverij gedurende die tijden evenzeer in
practijk gebracht en ook bij hen ontbrak het niet aan vervolgingen van
staats- en rechtswege.

In den loop van den tweeden Punischen oorlog waren de gemoederen door de
voortdurende wisselingen van den krijgskans ten zeerste geschokt. Men
nam de toevlucht tot allerlei uitheemsche plechtigheden; magiërs en
profeten verkregen grooten invloed op het volk. Toen (in 213) gelastte
de senaat, verontrust over de toenemende verwaarloozing van den
Romeinschen eeredienst, de geschriften over magische en soortgelijke
onderwerpen aan de overheid uit te leveren[20].

Ook kwam het wel eens voor, dat men een landman, wiens voorspoed te zeer
in 't oog liep, er van beschuldigde, tooverkunsten te hebben aangewend,
zooals blijkt uit navolgend feit, dat in het jaar 157 plaats vond.

"Toen C. Furius Chresimus, een vrijgelatene, van een zeer kleinen
akker meer vruchten had geoogst, dan de naburen van de meest
uitgestrekte velden, ontstond er een groote afgunst tegen hem, en
beschuldigde men hem, dat hij andermans vruchten door booze
tooverij verlokte [d.w.z. naar zich toe lokte]. Om die reden door
een magistraat, Spurius Albinus, aangeklaagd, vreesde hij te worden
veroordeeld en bracht, toen de volksvergadering [waarbij hij in
beroep was gekomen] tot de stemming moest overgaan, al zijn
akkergereedschap naar het forum [de vergaderplaats] en haalde zijne
krachtige, welgevoede en goed gekleede slaven erbij, alsmede zijne
voortreffelijk gesmeede ijzeren werktuigen, zware houweelen,
geweldige ploeg en en doorvoedde runderen. Daarop zeide hij: "Dit
zijn mijne booze toovermiddelen, medeburgers! En al mijn zwoegen,
mijne nachtwaken en zweet kan ik U niet eens vertoonen noch naar
het forum brengen". Hij werd met algemeene stemmen
vrijgesproken[21]."

Er is hier, zooals wij zien, sprake van het verlokken, d.w. z. naar zich
toe lokken, van andermans veldgewas; die term komt ook al voor in de wet
der twaalf tafelen, die wij aan het einde van ons eerste hoofdstuk
hebben vermeld. Hoe stelde men zich echter dat naar zich toe lokken
voor? Toch wel niet zoo, dat de rijpe korenaren van het eene veld naar
het andere overliepen, al wordt dan ook, zooals later blijken zal, iets
dergelijks door dichters gezegd. Om ons een juist denkbeeld te vormen
van hetgeen bedoeld wordt, moeten wij op het primitieve denken van
landbouwende volkeren nader ingaan.

Zooals wij kunnen opmaken uit talrijke mythen en gebruiken, die zoowel
in Europa als elders voorkomen, geloofde men van oudsher dat ook de
planten en de oogst bezield waren. De "korenziel" is ook nog ten onzent
bekend, zij het dan ook slechts als een onbegrepen overleefsel
(survival). Deze ziel wordt veronderstelt in de laatste schoof te
huizen, van daar dan ook dat bij een oogst allerlei gebruiken er mede
zijn verbonden. Zeer vaak wordt van de laatste schoof eene pop gemaakt,
de "graanmoeder", soms met vrouwenkleeren opgetuigd. Teneinde het
volgende jaar een goeden oogst te hebben wordt de pop veelal met water
besprenkeld, om door deze symbolieke handeling--men spreekt ook van
"sympathetische magie"--een vruchtbaarmakenden regen te bezweren. De
korenziel leeft naar men aanneemt het geheele jaar lang; door eenige
graankorrels uit de laatste schoof met het zaaigraan te vermengen, is
men zeker van de aanwezigheid der korenziel in den oogst van het
volgende jaar. In onze Oost spreekt men van eene "rijstmoeder" als
draagster van eene bezielende zelfstandigheid. De rijstmoeder, d.w.z.
enkele halmen van weelderigen en eigenaardigen groei, bijv. van zeven
geledingen, wordt met de noodige zorg naar huis gebracht en meestal op
eene afzonderlijke plek in de schuur gezet. Zoolang men de rijstmoeder
heeft, is men verzekerd van den overigen oogst.

Nemen wij dit alles in overweging, dan ligt het voor de hand, dat men
volgens het aloude geloof door bezweringen en tooverijen niet alleen aan
het veldgewas van een ander rechtstreeks schade kon toebrengen, maar ook
diens korenziel naar zich toe kon lokken en zoodoende zich den oogst van
zijn buurman toeëigenen. Dat de dichters, die evenmin als anderen, den
oorsprong van het geloof in kwestie kenden, het verlokken van den oogst
letterlijk opvatten om hetzij hunne fantasie, hetzij hunne ironie bot te
vieren, kan geen verwondering wekken.

Er werden echter aan de magie ook gunstige werkingen toegeschreven. Zoo
geloofde men o.a. dat hagelslag door tooverspreuken kon worden afgeweerd
en dat bezweringen de kracht hadden wonden te heelen. De oude Cato
(gest. 149), de conservatieve practicus bij uitnemendheid, geeft in zijn
werk over den akker bouw (c. 160) den volgenden, overigens niet zeer
duidelijken raad:

"Indien iets ontwricht is, zal het door deze bezwering genezen.
Neem een groen riet, vier of vijf voet lang, splijt het midden door
en laten twee mannen het tegen uwe heupen aanhouden. Begin met te
bezweren. Motas, vaeta, daries, dardares, astataries,
dissunapiter, totdat ze [de stukken riet] samenkomen, en zwaai er
[het] ijzer over heen. Wanneer ze op deze wijze zijn samengekomen
en het eene stuk het andere heeft aangeraakt, grijp dan dat met de
hand en snijd het rechts en links af. Bind het vast aan de plek
waar de ontwrichting of de breuk is, en deze zal genezen."

Blijkbaar is ook hier magische symboliek in 't spel; evenals de stukken
riet worden samengevoegd, zullen, naar men gelooft, ook de beenderen
weer samengroeien.

Het zwaaien van ijzer (blijkbaar het mes) was kennelijk tegen de booze
geesten gericht, die, naar men meende, er voor bevreesd waren. Hierover
later meer.

De tooverwoorden zelve, van wier uitwerking men ongetwijfeld het meeste
verwachtte, zijn onverstaanbaar. Zijn het woorden uit eene oude,
vergetene taal en dus een overleefsel? Het oeroude heeft van zelf al
iets magisch. Of uit eene vreemde taal? Ook wat uit den vreemde komt,
geldt vaak voor tooverkrachtig. Of zijn het willekeurige
klankverbindingen? Ook dit is dikwijls in de magie het geval, vgl.
slechts het ook ten onzent gebruikelijke hocuspocus en abracadabra. Wij
komen op dit onderwerp later uitvoerig terug.

Het geloof aan de kracht van het "belezen" heeft zich in landelijke
streken met groote taaiheid weten te handhaven. In West-Vlaanderen
bestond nog niet lang geleden het gebruik, om, tot genezing van een
verstuikten paardepoot, driemaal het kruisteeken er over heen te maken
en daarbij de eerste keer aulé, de tweede keer aulelé en de derde keer
super aulé te zeggen. En ten onzent wordt bij gevallen van ontwrichting
en dgl. nog wel eens het volgende rijm uitgesproken:

"Dit arm of poot
Is verrukt of verstoot,
't Zal niet verrotten of verzweren
In den naam des Heeren ...


*Litteratuur.*

#Th. Gomperz#, Griechische Denker III (1909).

#S. Seligmann#, Der böse Blick u. Verwandtes(1910).

#R. Wünsch#, Die Zauberinnen des Theokrit, in Hessische Blatter f.
Volkskunde, VIII (1909).

#Frazer#, The magic art, Vol I (1913).

#A. de Rochas#, L'extériorisation de la sensibilité, 5e uitg.
(1899).

#O. Berthold#, Die Unverwundbarkeit in Sage u. Aberglauben d.
Griechen, in Religionsgeschtliche. Vers. u. Vorarb. hrg. v. Wünsch u.
Deubner, XI Bd., 1 Hft. (1911).

#R. Wünsch#, Antike Fluchtafeln, in KI. Texte f. Vorles. u. Üb.,
hrg. v. H. Lietzmann, No. 20, 2e uitg. (1912).

#E.N. Fallaize#, s.v. Harvest, in Encyd, rel. eth. VI(1913).

#Frazer#, Spirits of the corn a. of the wild (1914).

#A. Kruyt#, Animisme i.d. Ind, archipel (1906).

#Frazer#, Balder the beautiful II (1914).

#A. de Cock#, Volksgebr. e. Volksgel, m. betr. t. Huisdieren, in
Volkskunde, Tijdschr. v. Nederl. folklore, VII (1894).

*       *       *       *       *




HOOFDSTUK III.

*Kentering.*


De eerste eeuw vóór onze jaartelling kenmerkt zich o.m. door een steeds
toenemend verzet tegen materialisme en scepticisme. De ingewikkelde
atoomleer zoowel als de onvruchtbare twijfelingen lieten de dieper
denkenden op den duur onbevredigd. Het Pythagoreïsme en het Platonisme
herleefden. Het onzienlijke en buitengewone trok weer in verhoogde mate
de aandacht. Posidonius (± 135--± 51), een der invloedrijkste denkers,
de Leibniz der oudheid, evenzeer uitmuntende in de wiskundige
wetenschappen als in de geschiedenis, hecht aan droomen en gelooft aan
demonen.

De veranderde zienswijze der Grieksche denkers deed zich ook bij de
Romeinen sterk gelden. Terentius Varro (116--27) "Rome's grootste
geleerde", en geenszins blind voor de bedriegerijen op het gebied der
tooverij, vermeldt als een feit, dat, toen de bewoners van Tralles (in
Klein-Azië) door middel van magie den afloop van den oorlog met koning
Mithradates (tusschen 88 en 63 v. Chr.) van Pontus (aan de Zuid-Oostkust
van de Zwarte Zee) trachtten te weten te komen, de daartoe gebezigde
knaap in water het beeld van den god Mercurius (Hermes) aanschouwde en
de toekomst in 160 versregels voorspelde[22]. De Pythagoreeër Nigidius
Figulus, een tijdgenoot van Varro en in kennis ter nauwernood bij hem
achterstaande, bracht, door zekeren Fabius om inlichtingen gevraagd
aangaande 500 denaren (zilverstukken) die hij verloren had, eveneens
knapen door bezweringen in extase, waarin zij aanwezen, waar de buidel
met een gedeelte der muntstukken begraven en hoe de rest verdeeld was,
ook dat Cato (de jongere) een dier denaren had, en inderdaad erkende
    
<<Page 1   |   Page 2   |   Page 3>>
Go to Page Index for Magie bij de Grieken en de Romeinen

You are here --- [ Home / Author Index J / Karel H.E. de Jong / Magie bij de Grieken en de Romeinen / Page #2 ]