|
|
engelen vereert".
Naar aanleiding van de tooverijen van Circe, in ons eerste hoofdstuk
vermeld, en van een bericht bij Varro (vgl. III begin), dat in Arcadië
zij, die een zekeren poel doorzwommen, in wolven veranderd werden, maar,
wanneer zij geen menschenvlees hadden gegeten en na negen jaren
denzelfden poel doorzwommen, hunne menschelijke gedaante herkregen
(XVIII, 17), stelt Augustinus zich (in c. 18) de vraag: "Wat moet men
gelooven van de gedaanteverwisselingen, welke door de kunst der demonen
de menschen schijnen te overkomen?" en beantwoordt haar op de volgende
hoogst opmerkelijke wijze:
"... Als wij zeggen dat men er niet aan moet gelooven, dan staat
daar tegenover, dat het ook nu nog niet aan personen ontbreekt, die
verzekeren vernomen of zelf te hebben ondervonden. Ook ik hoorde,
toen ik in Italië was, iets dergelijks van eene zekere streek
aldaar, waar men zeide dat herbergiersters, doorkneed in die booze
kunsten, gewoon waren, aan welke reizigers ze wilden of konden,
iets in de kaas te geven, waardoor dezen terstond in trekdieren
veranderd werden en allerlei benoodigdheden droegen en na gedanen
arbeid hunne vroegere gedaante herkregen; dat echter hun geest niet
dierlijk werd, maar het redelijke en menschelijke bewaarde, zooals
Apuleius in zijn boek, waaraan hij den titel "De gouden ezel" gaf,
vermeld of verdicht heeft, dat het hem zelf is overkomen om, door
opnemen van vergif, een ezel te worden, terwijl zijne ziel die van
een mensch bleef.
Dit is òf onwaar òf zoo ongewoon, dat men het te recht niet
gelooft. Echter moet men onwrikbaar gelooven, dat de almachtige God
alles kan doen wat Hij wil, hetzij om te straffen, hetzij om genade
te betoonen, en dat de demonen ... niets bewerken dan wat Hij
toelaat, wiens oordeelen vaak verborgen maar nooit onrechtvaardig
zijn. In geen geval scheppen de demonen substanties wanneer zij
iets dergelijks doen als waarover nu de quaestie loopt, maar zij
veranderen naar 't uiterlijk hetgeen door den waren God is
geschapen, zoodat het schijnt te zijn wat het niet is. Ik geloof
dus geenszins dat--om van de ziel geheel te zwijgen--zelfs het
lichaam op eenige wijze door de kunst of macht der demonen
werkelijk in dierlijke ledematen en gestalten kan worden veranderd,
maar wél, dat het voorstellingsvermogen van den mensch, dat ook in
't denken en droomen ontelbare soorten van voorwerpen afwisselend
uitbeeldt, en, hoewel zelf geen lichaam, toch met wonderbaarlijke
snelheid vormen aanneemt, die op lichamen gelijken, eveneens,
wanneer de lichamelijke zintuigen des menschen in slaap bevangen of
bedwelmd zijn, op onuitsprekelijke wijze in een lichamelijke
gedaante binnen het bereik van eens anders zintuigen kan worden
gebracht, zoodat, terwijl de lichamen zelven der menschen ergens
liggen, wel is waar levend, maar met meer verdoofde zinnen dan ooit
in den slaap, het voorstellingsvermogen als 't ware
verlichamelijkt, in het beeld van eenig dier aan eens anders zinnen
verschijnt, en dat de mensch ook zich zelf verbeeldt een dier te
zijn, zooals hij zich dat in den droom kan verbeelden, en lasten te
dragen; welke lasten, als ze inderdaad lichamen zijn, door de
demonen gedragen worden, om de menschen te foppen, die deels de
ware lichamen van lasten, deels de valsche van trekdieren zien. Een
zekere Praestantius toch verklaarde dat het zijn vader overkomen
was, bedoeld vergif in een kaas thuis tot zich te hebben genomen en
op zijn bed als in slaap te liggen, waaruit hij echter op geen
manier kon worden opgewekt. Na eenige dagen was hij echter als 't
ware ontwaakt en had zijne ondervindingen als een droom verteld,
dat hij nl. een paard was geworden en te midden van andere
trekdieren voor de soldaten graan had getransporteerd, dat het
Raetische heet, omdat het naar Raetië [ong. Tyrol en Zuid-Beieren]
wordt vervoerd. Bij onderzoek bleek het aldus geschied te zijn als
hij vertelde; en toch scheen het hem een droom toe. Een ander
verklaarde, dat hij, in zijn eigen huis 's nachts, voor hij ter
ruste ging, een philosoof, een van zijne beste kennissen, tot zich
zag komen, die hem eenige Platonische denkbeelden uiteenzette, die
hij vroeger, hoezeer er om verzocht, niet had willen uiteenzetten.
En toen men dien philosoof vroeg, waarom hij in het huis van een
ander had gedaan wat hij in zijn eigen huis had geweigerd te doen,
zeide hij: "Ik heb het niet gedaan, maar gedroomd dat ik het gedaan
had". En aldus is aan den een door middel van het
voorstellingsbeeld tijdens zijn waken vertoond wat de ander in zijn
droom zag.
Dit is niet door den eerste den beste, wien men voor
ongeloofwaardig zou kunnen verklaren, tot mij gekomen, maar door
zegslieden van wie ik niet mag aannemen, dat zij mij belogen
hebben. Wat men dus zegt en ook in boeken vermeld vindt, dat door
de Arcadische goden of liever demonen, menschen in wolven plachtten
te worden veranderd en dat
Circe Odysseus' makkers herschiep door toovergezangen,
schijnt mij toe op deze wijze te hebben kunnen gebeuren, als het
werkelijk gebeurd is."
De brandende vraag of Samuël zelf zich aan Saul heeft gemanifesteerd,
liet ook Augustinus niet onverschillig.
In zijn geschrift "Over verschillende vragen" aan Simplicianus (van 397
dagteekenende) zegt hij (II. vr. IV, 1):
"Gij vraagt, of de onreine geest, die in de toovenares was,
bewerken kon, dat Samuël door Saul gezien werd en met hem sprak.
Maar het is een veel grooter wonder, dat Satan zelf, de vorst aller
onreine geesten, met God vermocht te spreken en Hem verzocht, Job,
dien allerrechtvaardigsten man, op de proef te mogen stellen.... En
indien dit U schokt, dat het aan een boozen geest vrij stond de
ziel van een rechtvaardige op te wekken en als 't ware uit de
geheime verblijfplaatsen der dooden te voorschijn te roepen, moet
het dan niet meer verbazing wekken, dat Satan den Heer zelf opnam
en op de tinne des tempels zette? Op welke wijze hij het ook gedaan
heeft, de manier waarop het aan Samuël overkomen is, opgewekt te
worden, blijft ons evenzeer verborgen. Of men moest soms zeggen,
dat het voor den duivel eene gemakkelijkere vrijpostigheid was, den
levenden Heer mee te nemen van waar hij wilde en neer te zetten
waar hij wilde, dan den geest van den overleden Samuël uit zijn
verblijf op te wekken. Maar indien ons dit in het Evangelie daarom
niet hindert, omdat de Heer wilde en toeliet dat het geschiedde,
zonder eenige vermindering van zijne macht en goddelijkheid,
evenals Hij door de Joden zelven, ofschoon dezen verdwaasd en vuil
waren en de werken des duivels deden, zich heeft laten vasthouden
en boeien en bespotten en kruisigen en dooden: dan is het ook niet
absurd om te gelooven, dat door eene zekere uitzonderingsbepaling
van den goddelijken wil toegestaan werd, dat de geest van den
heiligen profeet, niet tegen zijn zin noch door gebiedende en
noodzakende tooverkracht, maar gewillig en aan de geheime
beschikking Gods, welke aan die toovenares en Saul ontging,
gehoorzamende, er in toestemde om zich aan den blik des konings te
vertoonen, ten einde hem door eene goddelijke uitspraak te
verpletteren. Waarom toch zou de ziel van een goed mensch, als zij,
door booze levenden opgeroepen, verscheen, hare waardigheid
verliezen, daar ook levende goede menschen dikwijls op bevel tot
boozen komen en met hen verhandelen over 't geen plicht en
billijkheid vereischt, terwijl ze daarbij hunne eer en deugd
ongerept bewaren en tegenover de ondeugden van de anderen zulk eene
houding aannemen, als in overeenstemming is met de omstandigheden?"
Helt Augustinus hiermede tot de zienswijze van Origenes (z.b.) over, hij
zou toch liever den uitweg van Tertullianus willen inslaan (2):
"Er is echter bij dit feit een andere gemakkelijkere uitweg en eene
meer geschikte verklaring mogelijk, nl. om aan te nemen, dat niet
werkelijk de geest van Samuël uit zijne rust is opgewekt, maar een
fantoom en een spel van verbeelding door de machinatiën van den
duivel zijn voorgesteld, hetwelk de Schrift daarom met den naam van
Samuël noemt, omdat de beelden der dingen met de namen van datgene
plegen genoemd te worden, waarvan zij beelden zijn.... Wie toch
aarzelt, een geschilderd mensch een mensch te noemen?... Het is dus
geen wonder, wanneer de Schrift zegt dat Samuël gezien is, indien
ook bij geval slechts een beeld van Samuël verscheen, door de
machinatie van hem, die zich in een engel des lichts verandert en
zijne dienaren in dienaren der gerechtigheid".
Alles overwegende en geen uitspraak willende doen in de vraag of de
menschelijke ziel na dit leven al of niet door magische bezweringen kan
worden opgeroepen en verschijnen, komt Augustinus (3), hoewel
"schoorvoetende, om niet meer nauwgezette onderzoekingen van te voren
uit te sluiten" tot de conclusie om "liever aan te nemen" dat "door de
booze medewerking van die toovenares" hier de eene of andere satanische
illusie is te weeg gebracht.
In een later geschrift "Over de acht vragen van Dulcitius" (niet vóór
421) haalt hij in vr. VI het voorgaande betoog over de kwestie aan,
voegt er echter aan toe (5):
"Maar dat ik niet te vergeefs gezegd heb, dat wij, om geen meer
nauwgezette onderzoekingen van te voren uit te sluiten, [niet dan]
schoorvoetende moesten aannemen, dat bij dit feit een schijnbeeld
van Samuël door de booze medehulp van de toovenares is vertoond,
dat heeft mijn later onderzoek mij geleerd, daar ik gevonden heb,
dat in het boek van Jezus Sirach, waarin de aartsvaders van de rij
af geprezen worden, Samuël in dier voege geprezen wordt, dat het
heet: "Hij heeft ook nog na zijn dood geprofeteerd [XLVI, 23]".
Mocht men echter ook dit boek tegenspreken op grond van den canon
der Hebreeën, omdat het zich daarin niet bevindt: wat moeten wij
van Mozes zeggen, die zeer zeker volgens Deuteronomium [XXXIV, 5]
stierf en volgens het Evangelie [Matth. XVII, 3] met Elia, die niet
stierf, aan levenden is verschenen?"
Ook in zijn geschrift "Over de vereering, de dooden te betoonen" (niet
vóór 421) heeft zich Augustinus (XV, 18) op dezelfde wijze uitgelaten.
De grootste der kerkvaders is dus, wat de doodenbezwering te Endor
betreft, ten slotte tot dezelfde conclusie gekomen als ook heden ten
dage de meest gezaghebbende theologen en ten allen tijde de onbevangene
lezers, dat nl. het verhaal in den Bijbel (I Sam. 28,5--20), zooals het
er staat, eene reëele verschijning van Samuël veronderstelt.
De theürgie in den eigenlijken zin des woords, d.w.z. de kunst om met
bovenmenschelijke wezens in aanraking te komen, wordt door Augustinus in
den "Staat Gods" fel bestreden. Van het feit, dat de Neoplatonicus
Porphyrius in zijn brief aan Anebo (z.b.) twijfelingen opperde, trekt de
kerkvader in X, 11 ruim partij; het antwoord van Abammon (Iamblichus)
schijnt hem te zijn ontgaan. Toch kan ook Augustinus niet alle feiten
geheel wegcijferen, al beknibbelt hij ze zooveel mogelijk en al maakt
hij er zich in de moeilijkste gevallen met eene uitvlucht van af:
"Wat betreft het feit, dat, zooals Porphyrius vermeldt, zij die
deze, [de theürgische] vuile reinigingen volgens heiligschendenden
ritus uitoefenen, sommige wonderbaarlijk schoone beelden, hetzij
van engelen hetzij van goden, als met gezuiverden geest zien
(indien zij ten minste iets zoodanigs zien) dan bevestigt dit het
woord van den apostel dat "Satan zich verandert in een engel des
lichts". Van hem toch zijn die fantomen, van hem, die, begeerende
de rampzalige zielen door de bedriegelijke vereering van vele
valsche goden te verstrikken en van den waren dienst des waren
Gods, den eenige door wien men gereinigd en geheeld wordt, af
keerig te maken, zich zelf, zooals van Proteus is gezegd,
in alle gedaanten verandert,
vijandelijk vervolgende, bedriegelijk helpende, altijd
verdervende [X, 10]."
Bij het vermelden van die schoone verschijningen denken wij
onwillekeurig aan de bezwering der demonen door Iamblichus, boven
uitvoerig beschreven.
Met dat al erkent Augustinus (X, 16.) de realiteit van andere, naar
moderne opvatting veel krassere "wonderen der goden", "waarvoor de
geschiedenis borg staat", "die klaarblijkelijk door hunne kracht en
macht geschieden", bijv.:
"dat eene Vestaalsche maagd, wier zuiverheid in twijfel werd
getrokken, het geding beslechtte door eene zeef met water uit den
Tiber te vullen, zonder dat het doorliep. Deze en andere wonderen
van dien aard zijn geenszins naar macht en grootte met die te
vergelijken, welke, naar wij lezen, aan het volk Gods zijn
geschied, hoe veel te minder die wonderen, welke door de wetten
zelfs van die volkeren, die zulke goden vereerden, verboden en
gestraft werden, nl. de wonderen der magie of theürgie! De meesten
daarvan bedriegen slechts in schijn de sterfelijke zintuigen door
het spel der verbeelding, zooals bijv. het omlaag halen der maan
... enkele schijnen wel is waar feitelijk sommige daden der vromen
te evenaren, maar het doel, waardoor ze worden onderscheiden, toont
dat onze wonderen buiten vergelijking de meerdere zijn."
In zake deze laatste opmerking verwijzen wij naar het onderscheid dat
Origenes maakt tusschen de wonderen van Jezus en die der toovenaars
(z.b.). Voorts zij van Augustinus nog eene passage aangehaald, waarin
hij evenzeer op gelijke wijze als andere reeds boven door ons vermelde,
christelijke schrijvers redeneert (X, 8):
"Den magiërs van Pharao werd daarom toegestaan, eenige wonderen te
verrichten, ten einde op wonderbaarlijkere wijze te worden
overwonnen. Zij toch werkten door middel van booze tooverijen en
magische bezweringen, waaraan de booze engelen, d.w.z. de demonen,
zijn onderworpen; Mozes echter heeft met grootere macht, omdat hij
het recht aan zijne zijde had, in den naam Gods, die hemel en aarde
schiep, met hulp der [goede] engelen hen gemakkelijk overwonnen".
Zonder de redeneeringen van Augustinus aan eene ingrijpende kritiek te
onderwerpen, moeten wij er toch de aandacht op vestigen, dat hij uit het
oog schijnt te hebben verloren, dat de vroegere wetten de magie
geenszins als zoodanig, maar slechts wanneer zij tot booze doeleinden
werd misbruikt, bestraften en dat men ook van overheidswege, zooals wij
herhaaldelijk hebben opgemerkt, wel eens de hulp van toovenaars heeft
ingeroepen.
Al die bestrijding door conciliën en kerkvaders heeft echter niet kunnen
verhinderen, dat ook Christenen volgens de overoude methoden, tooverij
uitoefenden. In Egypte bijv. zijn tooverpapyri gevonden, toebehoorende
aan een magiër uit de achtste eeuw n. Chr., maar waarschijnlijk
grootendeels van vroeger dateerende. Wij willen tot besluit, hier nog
een en ander uit aanhalen:
"Spreuk tot vergemakkelijking der geboorte.
Toen de Heiland met zijne discipelen op den Olijfberg ging, trof
hij er eene hertekoe aan, die in weeën lag. Deze schreeuwde tot
hem:
"Wees gegroet, gij zoon der maagd! Wees gegroet, gij, de
eerstgeborene van zijn vader en van zijne moeder! Gij zult tot mij
komen en mij helpen in dit uur der benauwdheid". Hij wendde zijne
oogen tot haar en zeide: "Mijn glans zoudt gij niet kunnen
verdragen.... maar ik haast mij [en zend] den aartsengel Michaël
tot U.... en hij neemt een scheut(?)wijns en roept mijnen naam
daarbij aan en den naam van mijne twaalf apostelen en zegt: wat
krom is, moet recht worden... Ik ben het die spreekt, de Heer
Jezus, die [genezing] verstrekt"[111].
In de navolgende liefdes-tooverspreuk wordt ook de duivel aangeroepen:
"Sjoerin, Sjoeran, Sjoetaban, Sjoetaben, Ibonese, Sjarsaben, ....
Satan de duivel, die met zijn staf op de aarde sloeg tegen den
levenden God en zeide: "Ik ben ook een god"--ik bid en roep U allen
heden aan, opdat gij tot mij moogt komen naar [deze dingen], die ik
heden in mijne handen houd, opdat gij, zoodra ik aan Theodora ervan
geef te eten of te drinken, haar hart en haar vleesch aan mij moogt
boeien tot in eeuwigheid. Ja, ja!"
En in eene andere spreuk, ook tot erotische doeleinden, gaat de magiër
zelfs tot dreigementen over, die onwillekeurig aan de vroeger vermelde
dreigementen herinneren:
[Als gij mij niet volgt], dan daal ik neer naar de onderwereld en
breng den beheerscher van den Tartarus naar boven en zeg: "Gij zijt
ook een god," want ik wil mijn verlangen naar Theodora vervullen.
Hij zeide tot mij: "Verlangt gij den steen, ik breek hem stuk, het
ijzer, ik maak het tot water, de ijzeren deuren, ik verbreek ze
haastiglijk, tot dat ik boei het hart van Theodora aan U, ik,
spoedig.
Wanneer zij hierop niet komt, dan houd ik de zon in zijn wagen op
en de maan in haren loop en de sterrekroon die op het hoofd van
Jezus is, totdat ik mijn verlangen vervul, haastiglijk, ja, ja!
Ik bezweer U en al uwe machten.... ik bezweer den vurigen troon,
waarop gij zit, tot dat gij mijn verlangen naar Theodora, de
dochter van Eudoxius, vervult. Ik bezweer Uwe amuletten. Ja, ja,
terstond, terstond!"[112]
Litteratuur.
#E. Zeller#, Die Philosophie d. Griechen, Bd. III, 2e afd. 4e uitg.
(1902).
#J. Burckhardt#, Die Zeit Constantins d. Grossen, 2e uitg. (1880).
#J. Geffeken#, Der Ausgang d. griech.-röm. Heidentums, in
Religionswiss. Bibl. hrg. v. W. Streitberg, Bd. VI (1920).
#K.H.E. de Jong#, Hegel u. Plotin (1916).
#Ranke#, s.v. Aegypten II Religion, in Die Rel. i. Gesch. u. Geg. I
(1909).
#E. Kuhnert#, Feuerzauber, in Rhein. Mus. f. Philol. Bd. XLIX
(1894).
#K. Preisendanz#, Die Homeromantie. Pap. Lond. CXXI, in Philologus
Bd. LXXII (1913).
The demotic magical papyrus ed. by F. Ll. Griffith a. H. Thompson
(1904).
#J. de Zwaan#, Een dichter uit den tijd der Apostolische vaderen,
in Onze Eeuw XI jrg. 4. deel (1911).
#Maspéro#, Étud. d. myth. e. d'arch. ég. I e. II (1893).
#C. Rasche#, De Iamblicho libri qui inscr. de myst. auctore,
Dissert. Münster (1911).
#Couperus#, De berg van licht (1905).
#Lucianus#, De spiritistische séance te Endor, in De Dageraad Bd.
XV (1893/94).
#De H#. boeken v. h. oude verbond. Vulgaat en Nederl. vertaling met
aanteeken. kerk. goedg. II (1897).
#v. Orelli#, s.v. Saul, in Herzog, Realenc. prot. Theol. u. Kirche,
13e uitg. Bd. XVII (1906).
#A. Lods#, La croyance à la vie future e. l. culte des morts dans
l'antiquité israelite (1906).
#R. Kittel#, Geschichte d. Volkes Israël, 3e uitg. Bd. II (1917).
#J. Scheftelowitz#, Der Seelen- u. Unsterblichkeitsglaube im alten
Testament, in Archiv f. Religionswiss. Bd. XIX (1919).
#Kautzsch#, s.v. Urim u. Tummim, in Herzog, Realenc. 3e uitg. Bd.
XX (1908).
#R. Ganschinietz#, Hippolytos' Cap. gegen die Magier, uit Text. u.
Unt. Gesch. altchr. Lit. brg. v. Harnack u. Schmidt, 3 Reihe, IX. Bd. 2.
Hft. (1913).
#Origenes#, Eustathius v. Antiochien u. Gregor v. Nyssa üb. d.
Hexe von Endor, hrg. v. E. Klostermann, in kl. Texte f. Vorl. u. Üb. 83
(1912).
#V. Schultze#, Geschichte d. Untergangs d. gr.-röm. Heidentums Bd.
I (1887).
#L. Loewenfeld#, Somnambulismus u. Spiritismus, 2e uitg. (1907).
#v. Schrenck--Notzing#, Materialisationsphänomene. Ein Beitrag z.
Erforschung der mediumistischen Teleplastie (1914).
#W. Koch#, Kaiser Julian (1899).
#P. Allard#, Julien l'Apostat I, 2e uitg. (1900).
#J. Geffcken#, Kaiser Julianus (1914).
#R. Wünsch#, Antikes Zaubergerät aus Pergamum, in Jahrb. d.
deutsch. arch. Inst. Ergänzungsheft VI(1905).
#Gregorovius#, Geschichte d. Stadt Athen im Mittelalter Bd I
(1889).
#R. Wünsch#, Sethianische Verfluchungstafein (1898).
#K. Preisendanz#, Miszellen z.d. Zauberpapyri, in Wiener Studiën,
Zeitschr. f. klass. Philol. XL Jrg. (1918) 1 Hft.
#J. Geffcken#, Der Bilderstreit des heidnischen Altertums, in
Archiv f. Religionswiss. Bd. XIX (1919).
#K.H.E. de Jong#, Die Lehre vom Astralkörper bei den
Neuplatonikern, in Actes d. IV^e Congres internat. d' hist. d. rel.
(1913).
#C.J. von Hefele#, Conciliengeschichte, 2e Ausg. B. I (1873) e. II
(1875).
* * * * *
*Slotwoord.*
Aan het einde van ons overzicht gekomen, moeten wij nog ons eigen
oordeel over de realiteit en de waarde der magie uitspreken.
Zooals wij zagen, valt het niet te betwijfelen dat verscheidene antieke
denkers de realiteit der magie loochenden, waarbij echter opmerkelijk
is, dat de grootsten van hen, Democritus en Aristoteles, toch ruimte
lieten voor feiten die tot het gebied der magie behooren. Daarentegen
erkenden andere, bij de genoemden geenszins achterstaande denkers als
Iamblichus, Proclus, Origenes, Augustinus de realiteit der magie
onomwonden. Dat het verzet der ongeloovigen ten slotte wegstierf, was
eene wetenschappelijke noodzakelijkheid. In onzen tijd zien we evenzeer,
hoe het ongeloof, dat tooverij en geesten loochent, voor de uitkomsten
van het "psychische onderzoek", ingesteld door autoriteiten als E.
Gurney, F.W.H. Myers, W, Barrett e.a. gaandeweg zwicht.
Over de waarde der magie hebben in de oudheid zelfs mannen, die de
realiteit der feiten erkenden, zich ongunstig uitgelaten. Bij nader
onderzoek blijkt echter, dat de magie niet verdient, botweg met afkeer
en minachting te worden behandeld. De tooverij zal op het gebied van
liefde wel niet meer kwaad hebben veroorzaakt dan bijv. verlokkingen van
financiëelen aard. Of de "magiërs" meer zieken hebben verknoeid dan de
geneesheeren, blijft eene open vraag. En ongetwijfeld zinkt het aantal
dergenen, die door "zwarte magie" hun leven verloren, in 't niet
tegenover de ontelbare slachtoffers van schavot of oorlog. Voorts staat
tegenover de schaduwzijde der magie ook een niet gering te achten
lichtzijde. De magie heeft den stoot gegeven tot grootsche scheppingen
op litterair gebied. Zonder de magie toch zouden wij drie der schoonste
zangen van Homerus, de meest ontroerende tragedie van Euripides, de
diepstgevoelde idylle van Theocritus missen. Ook valt niet te
betwijfelen dat vele zieken door de toepassing van toovermiddelen,
wellicht hoofdzakelijk ten gevolge van "suggestie," genezing hebben
gevonden. Door de strenge leefwijze en de geestesconcentratie, welke tal
van magische handelingen vereischten, kwam menigeen tot "reiniging der
ziel" en tot "verlossing." En, wat voor ons, menschen, het hoogste van
alle belangen raakt, door de "doodenbezwering" was, naar de overtuiging
van hoogst achtenswaardige antieke denkers, het voortbestaan der ziel na
den dood daadwerkelijk aangetoond.
* * * * *
REGISTER.
A.
Aardbevingen 90, 206 vlg, 211
Amuletten 14, 85 vlgg., 153, 170, 211, 219, 239
Animisme 3, 90, 132, 216
Astrologie 67 vlgg, 107, 137 vlg., 166, 193, 219
B.
Beelden, wonderdadige 101, 121, 123, 146, 169, 206, 213--216
Belezen 46 vlg
Beschermgeesten 138 vlg.
Bijzitters 110, 126
C.
Christendom 103--109, 187
Concilies 218 vlg
Corybantisme 102
D.
Demonen 1, 48, 82 vlg, 94 vlg., 100 vlg., 103 passim
Doodenbezwering 1 vlg, 9--16, 22, 49, 52, passim
Doop 129 vlg
Dreigementen, magische 161--165, 238 vlg
Duivel 105, 178, 224, 231 vlgg., 235, 238 vlg.
E.
Endor, toovenares van 175--179, 185 vlg., 221 vlgg, 230--234
Envoûtement 35, 117
Exorcisme 58, 65, 76, 95 vlg, 109, 173 vlg.
F.
Fakirs 96
Fluide, magnetisch 35, 40
G.
Genezingen, wonderdadige 14, 20, 38 vlgg., 45 vlgg, 71 vlgg., 81 vlg,
passim
Gestorvenen, ontijdig 146 vlg, 173
H.
Hallucinaties 3, 54, 191, 216
Haren 117
Helderziendheid 4, 126
Hydromantie 16, 49, 152
Hypnose 3, 87, 102
I.
Illusies, magische 166 vlgg., 174, 224 vlg., passim
J.
Jezus 76, 103, 107 vlgg., 130 vlg., 179, 184 vlg, passim
K.
Kabbala 77
Kinderoffer 49, 59 vlg., 67, 77, 108, 151, 170
Knapen, waarzeggende 49, 125 vlg., 153 vlgg, 172, 182 vlg.
Knoopen 52 vlg.
Korenziel 44
Kristalzien 126
L.
Liefdestoovenarij 13 vlg., 32 vlgg., 49--57, 59 vlg., 62--66, passim
Linnen 120, 130, 132, 152, 200
M.
Mana 39, 57, 65, 73, 86, 99, 132, 151
Materialisaties 191
Mediums 96, 154 vlg.
Mystiek 159 vlg.
N.
Naam, tooverkracht van den 73 vlgg., 107, 110, 129 vlgg., 144 passim
O.
Omgekomenen, geweldadig 146 vlg. 173
Onthouding, sexueele 53, 131 vlg., 154, 182
Oog, het booze 25, 63, 84--87
P.
Perisprit 218
Plaatjes, looden 40, 68, 146
Praeanimisme 3
R.
Reliquieënvereering 99
S.
Speeksel 71 vlgg., 97 vlgg., 107
Spiegel 125 vlg.
Spiritisme 96, 205 vlg, 218
Suggestie 3 vlg., 35, 40, 87, 96, 119
T.
Telepathie 2, 4, 25, 35 vlg., 140 vlg., 212 vlg.
W.
Weerwolf 52, 54, 92 vlgg., 119, 227, 230.
* * * * *
ADDENDA.
P. 21, regel 12, voeg na "verzoeken" in: "en aansporen".
* * * * *
FOOTNOTES:
[Footnote 1: Odyssea X, 135-574 en XI.]
[Footnote 2: Plutarchus, De ser. num. vind. 17, Aelianus, frg. 255.
Galenus, Protrept. IX, 10.]
[Footnote 3: Plutarch. De ser. num. 10, Vit. Cimon, 6.]
[Footnote 4: Plutarch. De ser. num. 17.]
[Footnote 5: Pyth. IV, 213 (380) vlgg.]
[Footnote 6: Diogenes Laertius VIII, 2, 59, vgl. Diels, Die Fragmente
d. Vorsokratiker I, 3^e uitg. (1912) p. 263 vlg]
[Footnote 7: Augustinus, De Civ. Dei VII, 35.]
[Footnote 8: Livius, I, 31.]
[Footnote 9: Phaedo 81 c.d.]
[Footnote 10: Euthydemus 290 a.]
[Footnote 11: Sextus Empiricus, Math. IX, 19.]
[Footnote 12: Epist. ad Menoeceum ap. Diog. Laert. X, 134.]
[Footnote 13: Diog. Laert. VI, 2, 68.]
[Footnote 14: Diog. Laert. VI, 2, 24.]
[Footnote 15: Diog. Laert. VIII, 1, 36.]
[Footnote 16: Schol. a. Theocr. II, 16; Propert II, 4, 10.]
[Footnote 17: Plutarch. Vit. Pyrrh. 3.]
[Footnote 18: E. Ziebarth, Neue attische Fluchtafeln, in Nachnchten d.
Kon. Gesellsch. d. Wiss. Gottingen 1899 p. 109 vlg.]
[Footnote 19: E. Ziebarth, Neue att. Fl., p. 113 vlg.]
[Footnote 20: Livius XXV, 1.]
[Footnote 21: Plinius, Hist. Nat. XVIII, 6,41]
[Footnote 22: Apulems, Apolog. 42.]
[Footnote 23: T.p.]
[Footnote 24: Arrianus, Exped. Alex. II,3, Plutarchus Vit. Alex. 18.]
|