free book ebook online reading
eBook Title
Magie bij de Grieken en de Romeinen
Author Language Character Set
Karel H.E. de Jong Dutch ISO-8859-1


You are here --- [ Home / Author Index J / Karel H.E. de Jong / Magie bij de Grieken en de Romeinen / Page #6 ]

De derde eeuw n. Chr. wordt geestelijk beheerscht door het zg.
Neoplatonisme, dat de leer van Plato en die van Aristoteles tot één
geheel trachtte te verwerken, maar tevens ook veel aan de Pythagoreëen
en de Stoa ontleende. De Neoplatonici, vol van belangstelling voor
cosmologische en psychologische problemen, kenden ook aan de magie eene
plaats in hun systeem toe en hebben ze in hare hoogste uitingen ten
slotte als iets van goddelijken aard beschouwd.

Van den stichter der Neoplatonische school, Ammonius Saccas (gest. ±
242), die niets schriftelijks heeft achtergelaten, weten wij zeer weinig
met zekerheid, al is er reden om aan te nemen, dat zijne verdiensten ook
op zielkundig gebied nog niet naar waarde zijn geschat. Van zijn
leerling Plotinus (203-269) daarentegen zijn ons alle geschriften
overgebleven en gelukkig is dit ook het geval met zijne biographie,
geschreven door zijn eigen volgeling Porphyrius (± 233 - ± 303), een man
van litterair talent en critische waarheidsliefde.

De levensbeschrijving van Plotinus is vooral uit een zielkundig oogpunt
belangrijk. Porphyrius toch verzekert dat zijn leermeester buitengewone
psychische gaven bezat en twee door hem vermelde feiten behooren
rechtstreeks tot het gebied der magie.

Wij geven Porphyrius zelf het woord (c. 10):

"Van hen, die zich voor philosofen uitgaven, zag Olympius uit
Alexandrië, die korten tijd discipel van Ammonius was geweest, met
verachting op Plotinus neer, daar hij gaarne zelf den eersten rang
had ingenomen. Olympius bestookte Plotinus ook in dier voege, dat
hij zelfs door tooverijen den schadelijken invloed der gesternten
op hem wilde doen werken. Daar hij echter gevoelde dat zijne poging
op hem zelf terugsloeg, zeide hij tot zijne vertrouwelingen, dat de
zielskracht van Plotinus groot was, zoodat deze de tegen hem
gerichte aanvallen tegen de kwaadwilligen zelven vermocht te
keeren. Plotinus verzette zich dan ook, wanneer Olympius tegen hem
werkte en zei dan: "Nu wordt het lichaam van Olympius als een in
elkaar gewrongen geldbeurs saamgetrokken en wel zóó, dat zijne
ledematen zich tegen elkaar wrijven." Aangezien Olympius aldus vaak
in de onaangename situatie had verkeerd van eerder zelf te lijden
dan Plotinus te deren, hield hij met zijne pogingen op."

Zooals reeds in hoofdstuk III is gebleken, werden de sterrewichelaars,
die vooral sinds het optreden van Posidonius (±135-±51 v. Chr.) steeds
meer aanhangers wonnen, gewoonlijk met de magiërs op ééne lijn gesteld.
Hier zien wij hoe astrologie en tooverij, schoon uitteraard
verschillend, ineen vloeien, zooals trouwens het verschil tusschen magie
en wichelarij zich niet altijd door scherpte kenmerkt. In het
bovenstaande geval is wat de verklaring betreft, de mogelijkheid niet
van de hand te wijzen, dat iemand, door het vaste geloof aan de macht
der sterren, eene telepathische werking zou vermogen uit te oefenen en
evenmin, dat degene, tegen wie ze is gericht, door een sterkeren aanleg
voor supranormale krachtsuitingen, de booze bedoelingen op den belager
zelf zou kunnen doen neerkomen.

Nog belangrijker is wat terstond op het bovenvermelde verhaal volgt:

"Plotinus was dan ook reeds van geboorte af, boven de andere
menschen bevoorrecht [zooals uit het volgende blijkt]. Een
Egyptisch priester, die naar Rome was gekomen en door een vriend
met hem in kennis was geraakt, wilde eene proeve van zijne wijsheid
toonen en verzocht Plotinus om mee te komen, ten einde zijn eigen
demon [beschermgeest], zooals men hem noemt, te zien verschijnen.
Daar Plotinus er gaarne gehoor aan gaf, geschiedde de oproeping in
den Isistempel, want dit was, naar het zeggen van den Egyptenaar,
de eenige reine plek, die hij in Rome had gevonden. Toen nu de
beschermgeest opgeroepen werd om te verschijnen, zou een god en
geen van het geslacht der demonen zijn gekomen, en zou de
Egyptenaar dan ook gezegd hebben: "Gelukzalig zijt gij, dat ge een
god tot beschermgeest hebt en niet een van lageren rang." Zij
hadden echter den god niet kunnen ondervragen en ook niet verder
kunnen zien, daar de mee aanwezige vriend de vogels, die hij tot
afweer [van schadelijke invloeden] in de hand hield, worgde, hetzij
uit afgunst of uit schrik. Omdat nu Plotinus een van de
goddelijkere demonen tot beschermgeest had, verhief hij ook
bestendig zijn goddelijk oog tot hem. En om die reden schreef hij
ook een betoog "Over den demon die ons ten deel is gevallen,"
waarin hij pogingen doet, om gronden voor de verscheidenheid der
beschermgeesten aan te voeren."

Vogels bij diergelijke bezweringen te offeren, ook door ze op een
bepaald oogenblik te verstikken, was meer gebruikelijk. Daardoor toch
meende men den dood te kunnen afwenden, waarmee, naar het aloude geloof,
de verschijning van eene godheid den mensch bedreigde. De vogels, bij de
oproeping van bovenmenschelijke wezens gedood, waren dus, naar alle
waarschijnlijkheid, oorspronkelijk plaatsvervangende offers. Voorts
hangt dit vogeloffer wellicht ook samen met het geloof, dat de
menschelijke ziel, na den dood, de gedaante van een vogel aanneemt, een
geloof, dat vooral bij de oude Egyptenaren heerschte.

Plotinus heeft getracht, de magie uit de grondstellingen van het
Neoplatonisch systeem te verklaren en wel, om het in 't kort, maar
zooveel mogelijk met zijn eigen woorden weer te geven, aldus:

De wereld is één levend organisch wezen[70] waarin gelijkgestemde deelen
ook op afstand op elkaar vermogen in te werken. Als eene snaar van onder
in beweging wordt gebracht, plant die beweging zich ook naar het
boveneinde voort; zijn twee snaren gelijk gestemd, dan heeft, wanneer de
eene getokkeld wordt, ook de andere vaak er als 't ware een gevoel
van[71]. Er is ééne Al-ziel, waardoor het geschieden kan, dat
tooverzangen en magische kunsten de menschen tot elkaar voeren, en dat
een zacht gefluisterd woord het verafliggende beïnvloedt en op
ontzaggelijken afstand zich verneembaar maakt[72]. De magie is dus
mogelijk door de sympathie (samen-aandoenlijkheid), d.w.z. door den
organischen of wil men, den dynamischen samenhang in de wereld.

Onwillekeurig denkt men hierbij aan de moderne en reeds herhaaldelijk
door ons vermelde leer der telepathie, d.w.z. der
gedachteoverbrenging, of juister, der overbrenging van gedachtebeelden,
indrukken, gevoelens buiten de gewone zintuigelijke kanalen om, eene
theorie, die, zooals wij in hoofdstuk II gezien hebben, reeds
Aristoteles flauw voor den geest zweefde.

De ware magie is de liefde in het Al en haar tegendeel, de haat. De
menschen zijn tot liefhebben geboren; wat liefde verwekt, trekt tot
elkaar aan; zoo ontstond de tooverkunst die de eene ziel met de andere
verbindt. Door de melodie van de bezwering, door de gebaren van den
toovenaar wordt de ziel, d.w.z. haar niet-redelijk deel, medegesleept
evenals zulks ook door gebaren en uitroepen geschiedt die medelijden
wekken[73].

Ook de wijze is, in zooverre hij aan het niet-redelijke deel heeft,
vatbaar voor magische invloeden en zou er zelfs ziekte, lichamelijk
ongemak of den dood door kunnen lijden. Zoo noodig zal hij die booze
krachten door afwerende tooverij krachteloos maken[74].

Dat Plotinus ook de doodenbezwering als reëel erkende, blijkt uit het
slot van de verhandeling "Over de onsterfelijkheid der ziel",
onloochenbaar de scherpzinnigste critiek, die oudtijds op het
materialisme is geoefend, waarin hij spreekt van "de orakelen der goden,
welke gebieden om den toorn van verongelijkte zielen te verzoenen en aan
dooden eerbewijzen te betoonen" en van "vele zielen, die vroeger in
menschen woonden" en "niet ophouden, de menschen weldaden te bewijzen",
diegenen nl. die ook "door openbaring van orakelspreuken hulp
verleenen"[75]. Blijkbaar heeft Plotinus hierbij ook aan de gevallen
gedacht, door ons in het eerste en derde hoofdstuk vermeld.

Zelfs de demonen kunnen, daar ook in hen iets niet-redelijks is, door
tooverij worden beïnvloed en degenen, die hen aanroepen, verhooren[76].

Na deze theoretische uiteenzettingen gaan wij over tot de belangrijkste
gegevens omtrent de antieke magie, nl. de zg. tooverpapyri, die men
sinds ongeveer het midden der vorige eeuw met grooten ijver is gaan
opsporen en publiceeren. Deze officiëele stukken, om ze aldus te noemen,
die meestal uit de derde eeuw n. Chr. of later dateeren, bevatten zeer
oude bestanddeelen en leeren ons niet slechts de tooverij in hare
zonderlingste vormen kennen, maar ook het toenmalige leven in zijne
bonte verscheidenheid. Eene groote ruimte neemt ook hier de zinnelijke
liefde in, zooals reeds de inhoudsopgave van den 3274 regels langen
tooverpapyrus uit de "Biblothèque nationale" te Parijs ons leert. Wij
ontleenen uit dezen "grooten Parijschen tooverpapyrus" de navolgende
uiterst kenschetsende passages, te beginnen met v. 1496-1593:

"Liefdesopwekking bij een offer van mirre.

Offer mirre op een kolenvuur en spreek daarbij de bezwering uit.
Bezwering. Gij zijt mirre, de bittere, de lastige, de
verzoening-bewerkende onder strijdenden, de schroeiende en tot
beminnen dwingende alwie zich niet bekommeren om de liefde. Allen
noemen U mirre, ik echter noem U de vleeschverterende en
hartontvlammende. Ik zend U niet ver weg naar Arabië, ik zend U
niet naar Babylon, maar ik zend U naar Athenodora de dochter van
Perictione opdat gij mij van dienst moogt zijn bij haar, opdat
gij haar naar mij toe moogt voeren. Indien zij zit, niet moge zij
zitten, indien zij tot iemand spreekt, niet moge zij spreken,
indien zij naar iemand kijkt, niet moge zij kijken, indien zij naar
iemand toegaat, niet moge zij naar hem toegaan, indien zij
rondwandelt, niet moge zij rondwandelen, indien zij drinkt, niet
moge zij drinken, indien zij eet, niet moge zij eten, indien zij
iemand kust, niet moge zij kussen, indien zij zich vermeit in eenig
genot, niet moge zij zich vermeien, indien zij slaapt, niet moge
zij slapen, maar mij alleen, Callicles, moge zij in gedachte
houden, naar mij alleen verlangen, mij alleen liefhebben, alle
mijne verlangens vervullen. Dring tot haar in niet door hare oogen,
niet door haar ribben, niet door hare nagels, niet door haar navel,
niet door hare ledematen, maar door hare ziel en blijf in haar hart
en brand haar binnenste, haar borst, hare lever, haar adem, hare
beenderen, haar merg, totdat zij kome naar mij, Callicles, mij
lief hebbende en doe al wat ik verlang, omdat ik U, mirre, bezweer
bij de drie namen Anocho, Abrasax, Tro en den meer
achterhalenden en sterkeren Kormeioth, Iao, Sabaoth,
Adonai opdat gij mijne opdrachten moogt vervullen, mirre! Zooals
ik U verbrand en zooals het in Uw vermogen is, aldus verbrand van
haar die ik bemin, Athenodora, de hersenen, brand uit haar en
wring er uit het binnenste, doe het bloed uit haar uitdruppelen
totdat zij kome tot mij, Callicles, den zoon van Timocleia. Ik
bezweer U bij Marparkourith, Nasaari, Naiemarepaiparine, Kouri. Ik
werp U in 't brandende vuur en ik bezweer U bij den
albeheerschenden god, den altijd levenden; ik bezwoer U en bezweer
U ook nu, U, Adonai, Barbar Iao, Zagoure Arsamosi,
Alaous, Kaisalaos, ik bezweer U, die den mensch stelt tot leven,
hoor! hoor! O groote God Adonaie, Ethuia, Zelfverwekker,
Altijdlevende God, Eioe, Iao, Aïo, Aïo, Phneos
Sphintes Arbathiao, Iao, Iae, Ioa Aioon,
Ouer, Gonthiaor, Rarael, Abra Brachasoroormerphergar,
Marbaphriouiringx, Iao, Sabaoth, Maskelli, Maskello. De
bezwering: Amousoe, Anouringch, Phnoukentabaoth,
Sousaephinphesech, Maphirar Anourin Ibanaoth, Arouer,
Chnouph, Anoch, Bathi, Ouchiarbas, Babaubar, Eloai. Voer naar
mij Athenodora, de dochter van Perictione, naar mij,
Callicles, den zoon van Timocleia, op den dag van heden, in deze
nacht, in dit uur Mouloth, Phorith Phthoith, Phthouth,
Penion. Ik roep ook u aan die het vuur beheerscht Phthananoch,
verhoor mij, gij Eene, Eeniggeboren Mane, Bia, Baï, Baï, Churir,
Oou, Thadein, Adonai, Erounouni, Mioonch Chioutiai, Marmar,
Auo, E, voer Athenodora de dochter van Perictione naar mij
Callicles den zoon van Timocleia nu, nu, reeds, reeds, snel,
snel!"

De namen van den minnaar, de beminde en de moeders hebben wij ter wille
van de grootere levendigheid zelf er in gevoegd; in den tekst staat N.N.
Dat men bij eene bezwering den naam van de moeder en niet dan bij
uitzondering dien van den vader noemt, zal wel een overleefsel zijn van
het z.g. moederrecht, d.w.z. de gewoonte om de afstamming naar de
moeder, in plaats van, zooals thans, naar den vader, te bepalen. Van het
moederrecht dat bij tal van primitieve volkeren heerscht, zijn n.l. ook
bij de oude oostersche volkeren sporen te vinden.

Overigens hebben wij deze bezwering in haar geheel weergegeven, met al
de tooverwoorden. Want blijkbaar is het niet slechts de accentuatie,
maar ook het aantal dier tooverwoorden, wat het gewenschte effect
bewerken moet. Zooals de lezer al spoedig ziet, zijn er Hebreeuwsche
uitdrukkingen onder; ook Egyptische bestanddeelen zijn te constateeren,
maar veel blijft uit den aard der zaak onzeker en onbegrijpelijk.

Slechts van "Abrasax" willen wij, omdat het straks te pas komt,
vermelden dat de getallenwaarde ervan (in 't Grieksch worden de getallen
door letters aangegeven) 365 bedraagt.

Aan Theocritus' in II en Vergilius' in III vermelde idyllen herinnert de
navolgende "Wonderbaarlijke liefdestooverboei" (v. 296-433), die wij
slechts gedeeltelijk aanhalen:

"Neem leem van een pottebakkerswiel en vorm twee beeldjes, een
mannelijk en een vrouwelijk; maak het mannelijke als den gewapenden
oorlogsgod, met een zwaard in de linker hand, en een slag doende
neerkomen op haar rechter sleutelbeen, haar zelve met de armen op
den rug geboeid en op de knieën neergezonken."

Dan moet de magiër op verschillende lichaamsdeelen van de vrouw
tooverwoorden schrijven en vervolgens dertien bronzen naalden nemen en
het beeldje in dier voege doorprikken, dat hij allereerst een in de
hersenen steekt met de woorden: "Ik doorprik de hersenen van u,
Simaitha" en zoo voort met de overige lichaamsdeelen. Daarna moet hij op
een looden plaatje eene bezwering inkrassen en uitspreken, voorts het
plaatje aan de beeldjes vastbinden met een draad uit een weefsel na in
dien draad driehonderd vijf en zestig knoopen te hebben gemaakt en
zeggen: "Abrasax houd vast!" Het toovergerei wordt bij zonsondergang,
naast de zerk van een ontijdig gestorvene of van een gewelddadig gedoode
neergelegd met de bloemen van dat jaargetijde er bij. In de bezwering
zelf; worden de onderaardsche goden en in 't bijzonder de blijkbaar aan
dieplek verbonden "doodengeest" aangeroepen; overigens lijkt ze zeer op
de eerst-aangehaalde bij het mirre-offer, maar is langer en
hartstochtelijker, zooals o.m. blijkt uit v. 396-406:

"Ik bezweer u, doodengeest, bij den geduchten grooten Oaeo
Baphrenemounothilarikriphia Eueai Phirkiralithonuomener
Phaboeai, dat gij Simaitha naar mij voert en dat zij haar hoofd
met mijn hoofd samenvoege en hare lippen met mijne lippen ... en
liefde met mij, Meleagros, uitoefene, al haar leven lang."

Aan deze "tooverboei" na verwant is (v. 1390-1495) de navolgende

"Liefdesopwekking door medehulp van helden, zwaardvechters of
gewelddadig omgekomenen.

Laat van het brood dat gij eet, een weinig over, breek het, maak er
zeven brokken van, ga naar eene plek waar helden, zwaardvechters en
slachtoffers van geweld gedood zijn, spreek de bezwering over de
brokken uit en werp ze neer en raap mest op van de plek waar gij
dit doet en werp hem binnen bij haar die gij begeert en ga en leg U
te ruste neer. De bezwering, uit te spreken over de brokken, is als
volgt:

"Aan de schikgodinnen, de noodzakelijkheden, de tooverijen, 't
verderf, de afgunst, de dooden, de ontijdig en gewelddadig
omgekomenen werp ik voedsel toe, o gij driehoofdige, nachtelijke,
slijkverslindende maagd, sleutelhoudster Persephassa, kind van
den Tartarus, norsch kijkende, geduchte met vurige slangen omgorde!
Philogynes mengde de overblijfselen van zijn eigen voedsel met
tranen en bittere zuchten opdat gij hem bijstaat, die door
kwellingen is bevangen, gij rampzalige helden, gij die op deze plek
wordt vastgehouden, gij lichtverstokenen, lotmisdeelden,
rampzaligen, staat Philogynes bij, die zwoegt in zijn hart ter
wille van Misandra, de goddelooze en onreine. Voert haar in
kwellingen hierheen, zoo snel mogelijk. Eioutabaoth, Takerba,
Abrathiao, Lalaoith, Iosachotou, Allaletho, en gij
heerscheres, slijkverslindende, Sunatra, Kabibau, Baras, Enphnoun,
schikgodin, Ereschiga Neboutosoualeth, zend de wraakgodin ...
die de zielen der afgetobde dooden met vuur opwekt; gij rampzalige
helden en ongelukkige heldinnen, gij die op deze plek, die op dezen
dag, die op dit uur [door mij wordt aangeroepen] ... verhoort mij
en wekt Misandra op in deze nacht en neemt haar den zoeten slaap
weg van de oogleden en geeft haar hatelijken kommer, geducht
verdriet en laat haar mijne sporen nazoeken en willen wat mijne
verlangens zijn totdat zij verricht heeft wat haar opgedragen wordt
door mij, o heerscheres Hecate, Phorba, Phorba, Barbaro,
Phorphor, Phorbai, godin der wegen, zwarte dog!"

Wanneer gij met dit te doen binnen drie dagen niets hebt
uitgericht, maak dan gebruik van het volgende dwangmiddel: ga naar
dezelfde plek en doe hetzelfde met de brokken, maar offer dan op
kolenvuur den mest van eene zwarte koe en zeg dit en raap weer den
mest op en werp hem weer zooals gij weet [dat ge doen moet]. De
bezwering bij het offer is de navolgende:

"O onderaardsche Hermes en onderaardsche Hecate en onderaardsche
Acheron en gij, rauwverslindende onderaardschen en onderaardsche
god, en onderaardsche helden en onderaardsche Amphiaraos, en
onderaardsche dienstbaren en onderaardsche geesten en onderaardsche
misdrijven en onderaardsche droomen en onderaardsche eeden en
onderaardsche hoofdgodin en onderaardsche Tartarus en onderaardsche
tooverij en onderaardsche Charon en onderaardsche wapendragers
en dooden en demonen en zielen van alle menschen komt heden;
schikgodinnen en nooddwang, brengt tot vervulling hetgeen geschiedt
bij deze liefdesopwekking, opdat gij tot mij voert Misandra, de
dochter van Arete, tot mij, Philogynes, den zoon van Laïs,
omdat ik u aanroep, de in-den-beginne-geboren Chaos, de Erebos, het
huiveringwekkende water van den Styx, de stroomen der vergetelheid,
de acherousische poel van het doodenrijk, Hecate en Plouto en
Kora, de onderaardsche Hermes, de schikgodinnen en de straffen en
de Acheron en gij Aiakos, deurwachter der eeuwige sluitboomen,
open ze zoo snel mogelijk, en gij sleütelhouder Anoubis, wachter!
Zendt voor mij naar boven de schimbeelden dezer dooden tot
dienstbetooning in dit uur, zonder uitstel, opdat zij, optrekkende,
naar mij, Philogynes toevoeren Misandra, de dochter van
Arete. Isis stapte met haar echtgenoot-broeder op de schouders,
Zeus, neergedaald van den Olympus, staat en wacht op de schimmen
der dooden, die gaan naar Misandra en doen wat ik opdraag. Alle
onsterfelijke goden kwamen en alle godinnen om te zien de schimmen
dezer dooden. Draalt dus niet en weest niet traag, maar zendt, o
goden, de schimbeelden dezer dooden, opdat zij gaan naar Misandra
en doen wat ik opdraag, omdat ik u bezweer bij Jao en Sabaoth en
Adonai ... Bourrephaomias, Salke, Hadesbeheerscher, Sesengen.
Dit is de spreuk: Baliaba, Erechcharnoi, Aberidouma,
Salbachthieiserseratho, Eiserdaomi, Sisiphna, Sisa, Edoube,
Achcharitones, Aber, Phnouba, Jabaldenathi Ithrouphi, zendt naar
boven de schimbeelden dezer dooden naar Misandra de dochter van
Arete, om te doen wat ik opdraag".

Deze bezweringen bestaan voor een groot gedeelte uit verzen en
fragmenten van verzen, blijkbaar aan de tragedie en het epos ontleend,
zooals immers ook in deze papyri herhaaldelijk versregels uit Homerus
als tooverspreuken worden aangehaald. Homerus was voor de Grieken
vrijwel hetzelfde als voor christelijke volkeren de Bijbel en het is een
feit dat ook verzen uit den Bijbel voor tooverdoeleinden zijn aangewend.

Het uiterst onaesthetische gebruik om mest als toovermiddel in het huis
van de beminde te werpen, schijnt ook nu nog in zekere landen voor te
komen en berust blijkbaar op het geloof, dat het "mana" van een
overledene ook voorwerpen welke op de plek komen te liggen waar hij
gestorven of begraven is, vermag te doortrekken en er zoodoende
tooverkracht aan te verleenen. Viezigheden komen overigens in de
tooverpapyri slechts vrij sporadisch voor.

Hoe men den toorn van een godheid als magisch middel moet gebruiken,
wordt voornamelijk in v. 2455-2705 uiteengezet. Men moet nl. na allerlei
voorbereidingen zich tot de maangodin wenden (v. 2472-2492):

"Moge de godin Actiophis mij toeblinken en mijne heilige stem
hooren! Ik treed op om mijne aanklacht uit te spreken tegen de
vuile en onreine Simaitha. Want zij gaf uwe heilige mysteriën aan
de menschen ter kennis prijs.... Ontruk haar den slaap, geef haar
verschroeiing der ziele, tuchtiging des geestes en verbijstering,
en verdrijf haar uit ieder oord en ieder huis, voer haar aldus naar
mij, Philogynes."

En in den dwangspreuk (v. 2574-2621,2643-2674) wordt beweerd dat
Simaitha aan de godin een gruwelijk offer brengt onder welks
bestanddeelen zich ook een ongeboren resp. een jong kind bevindt, zooals
wij reeds in hoofdstuk III terloops hebben vermeld.

Hoogst opmerkelijk is in de bovenvermelde "Liefdesaantrekking", evenals
trouwens ook in andere bezweringen de overspannen eisch dat het geheele
doodenrijk, dat alle goden moeten samenwerken, om één minnaar zijn zin
te laten krijgen. Allerzonderlingst bovenal is de mythologie er bij
gehaald; Grieksche, Egyptische, Joodsche, Babylonische goden, scherp
omlijnde figuren en vage abstracties worden om strijd aangeroepen.

Van edeler aard zijn de voorschriften (v. 154-285), die de toovenaar
Nephotes aan Psammetichus, den koning van Egypte zou hebben gegeven, ten
einde in het weerspiegelende water zelf de gedaanten van goden of
overledenen te zien en hunne stem te vernemen, de hydromantie, die,
zooals wij tegen het einde van hoofdstuk I zagen, reeds de legendaire
Romeinsche koning Numa Pompilius zou hebben beoefend.

Zij vereischt allerlei voorbereidingen, waarvan wij hier een en ander
willen vermelden. Men moet zich, met zwarte klimop bekransd, in bijzijn
van een inwijder, op zuiver linnen neerleggen, zich de oogen met een
zwarten riem laten omhullen, de houding van een doode aannemen en met
gesloten oogen tegen de zon gekeerd (v. 171-178), eene bezwering (v.
179-208), driemaal uitspreken (208 vlg.). Dan ontvangt men. aldus
"gewapend" een zeker teeken van den god en moet, onder dankbetuigingen,
op een aarden reukschaal wierook offeren, die zonder insnijding in de
boomschors is verkregen (v. 209-219).

Het voorschrift omtrent de eigenlijke handeling luidt (v. 223--231)
aldus:

"Neem een bronzen vat of schaal of beker, zooals gij wilt, doe er
water in, als gij de hemelgoden aanroept, regenwater, als gij de
aardgoden aanroept, zeewater, als gij Osiris of Sarapis aanroept,
rivierwater, als gij dooden oproept, bronwater, houd het vaatwerk
op uwe knieën, giet er olie van onrijpe olijven op, en zeg, terwijl
gij u er zelf over heen bukt, in het vaatwerk den daartoe
vereischten tooverspreuk en roep welken god gij wilt, aan, en vraag
hem waarover gij wilt en hij zal u antwoorden."

Bij deze tooverhandeling, die den koning alleen wordt medegedeeld (v.
254 vlgg.), dient men ook een amulet te dragen, en wel een zilveren
plaatje, waarop de naam van den grooten god is geschreven (v. 257
vlgg.).

Aangaande het betooveren van knapen, reeds in III en IV herhaaldelijk
vermeld, geeft o.m. de de zg. "neerval"-tooverij van "Salomo" (v.
850--929) ons nadere opheldering, eene handeling, die overigens ook met
volwassen mannen kan worden verricht en waaromtrent eveneens de meest
stipte geheimhouding wordt geboden (v. 851--856):

"Ik bezweer U bij de heilige goden en bij de hemelsche goden, aan
niemand de tooverhandeling van Salomo mede te deelen en ze niet met
den eerste den beste te verrichten, als niet eene noodzakelijke
aangelegenheid u dwingt, opdat niet de goden voortdurenden wrok
tegen u koesteren".

Daarna volgt eene aanroeping tot een god, om den magiër door middel van
een man of knaap omtrent welke zaak hij wil in te lichten. De handeling
zelf moet onder den blooten hemel plaats vinden en het medium op
ongebrandetichelsteenen worden neergezet. Driedaagsche onthouding van
sexueelen omgang, het gebruik van zekere planten als beschermmiddelen en
zekere kleedingstukken zijn vereischt (v. 897--904). Voorts wordt (v.
904--915) den magiër geboden:

"Hef uwe handen ten hemel naar de stralen van de zon toe en spreek
de bezwering zeven keer uit, offer uitnemenden wierook op hout van
wijnstokken, na wijn of bier of honig of melk van eene zwarte koe
te hebben geplengd en zeg vervolgens in 't oor van den betreffenden
man of knaap zeven keer de tooverspreuk en hij zal terstond
neervallen; maar gij zet u neer op de tichel-steenen en vraag hem
uit en hij zal alles naar waarheid uiteenzetten. Gij moet hem en
ook u zelf bekransen met een krans van geel Sint-Janskruid. De god
is op die plant gesteld".

Ter onttoovering moet de magiër de woorden Ananak, Arbeoueri en
Aeeiou[o-,] d.w.z. de opeenvolging der Grieksche klinkers, in 't oor
fluisteren en indien de uitwerking uitblijft, eene zekere soort sesam op
kolenvuur offeren met eene eenigszins gewijzigde bezwering en het
verzoek tot den god: "Heer, ga heen naar uwe eigene tronen en bewaar
(het medium) voor alle ellende (916--922).

Bij diergelijke tooverijen wordt ook wel gebruik gemaakt van eene lamp,
waarin zich zuivere olie bevindt (v. 1094 vlg.). De magiër spreekt met
geslotene oogen de tooverspreuk uit (v. 958) en kijkt eindelijk naar de
vlam van de lamp, waarin de aangeroepene god moet verschijnen (v.
1104--1114). Vaak liet men echter ook, zooals een Egyptisch tooverboek
uit dien tijd ons leert, een knaap, over wiens hoofd men eene bezwering
uitsprak, in het licht zien; had de verschijning niet plaats, dan moest
de knaap met zijn mond naar de lamp toegekeerd eene zekere formule
zeggen. En dan openbaarde de god zich aan den knaap op het gegeven
oogenblik.

Die "neerval"-tooverij zoowel als het gebruik maken van eene lamp,
roepen ons onwillekeurig eene zekere beschuldiging te binnen, tegen den
romancier-wijsgeer Apuleius gericht, zooals wij in IV hebben vermeld.

De aanroepingen, in die tooverpapyri tot de hoogere machten gericht,
zijn soms van verbijsterende grootschheid. Vlg. bijv. de navolgende tot
den minnegod (v. 1748--1796):

"Ik roep U aan, den leidsman van alle wording, U, die Uwe vleugelen
uitspreidt over de geheele wereld, U, den ongenaakbare en
onmeetbare, die in alle zielen de levenwekkende rede inblaast, U,
die alle dingen hebt samengevoegd door Uwe macht, Eerstgeborene,
Grondvester van het Al, goudvleugelige, zwartglanzende, die de
bezadigde redeneeringen wegbergt en duistere razernij inblaast U,
de verborgene, en die heimelijk aan alle zielen het niet te
aanschouwen vuur der verwekking toedeelt, U, die de hand legt op al
het bezielde, die niet met vermoeienis kwelt, maar met het
smartelijk genot van de wellust, uit wien alles is ontstaan! Gij
brengt bij Uwe ontmoeting leed aan, nu eens bezadigd, dan weer
onberedeneerd, gij, door wien de menschen tegen de plicht in durven
te handelen en dan de toevlucht nemen tot U, den zwartglanzende!
Gij, jongste, wettelooze, onverzoenlijke, onverbiddelijke,
onzichtbare, onlichamelijke, razernijverwekker, boogschutter,
fakkeldrager van alle geestelijke waarneming, heerscher over alle
verborgenheden, beschikker over de vergetelheid, oervader van het
zwijgen ... kom, gij, onnoozel als gij ver-, wekt wordt in 't hart,
machtigste als gij volgroeid zij't, ik roep U aan, den
onverbiddelijke, bij Uwen grooten naam Azarachtharaza, Lathaiathal,
Uuu, Lathaiathallalaph, loioio, Ai, Ai, Ai, Ai, Ouerieu Oiai ...
Eerstverschijnende, in-de-nacht-ver-schijnende,
in-de-nacht-U-verblijdende, nachtverwekker, verhoor mij!"

De volgende aanroeping, uit een der tooverpapyri van de Leidsche
bibliotheek[77] is niet min der indrukwekkend:

"Kom herwaarts tot mij ... o gij allesbeheerschende god, die de
menschen den adem tot leven hebt ingeblazen, heer van wat in de
wereld schoon is, verhoor mij, Heer, wiens verborgen naam niet is
uit te spreken, de naam, op het hooren waarvan de demonen wegduiken
..., de naam, op het hooren waarvan de aarde draait, de onderwereld
in opschudding geraakt, de rivieren, de zee, de poelen, de bronnen
verstijven, de rotsen scheuren! ... Gij zijt de goede geest, gij
zijt de heer, die alles verwekt en voedt en doet toenemen. Wie
vormde de gedaanten der dieren, wie vond de wegen, wie is de
schepper der vruchten, wie wekt de bergen ten hoogen op, wie beval
de winden hun jaarlijksch werk te verrichten? ... Gij zijt de ééne
onsterfelijke god, verwekker van alles en gij deelt aan alle dingen
zielen toe en beheerscht alles, koning der tijdperken en heer! En
de bergen beven met de vlakten en de stroomen van bronnen en
rivieren en de diepten der aarde ... de hoogblinkende hemel beeft
voor U en de geheele zee, o Heer! Albeheerscher, heilige en heer
van allen, door Uwe macht bestaan de elementen en groeit alles!"

Maar het komt, o.m. in diezelfde bezwering[78], ook voor, dat de magiër
zich met de goden vereenzelvigt:

"Ik ben het geloof, uitgestort over de menschen, en de profeet der
heilige namen, de heilige, die gegroeid is uit de diepte, ik ben de
heerscher die gegroeid is uit den heiligen god, ik ben de god, dien
niemand ziet, noch roekeloos noemt, ik ben de heilige vogel Phenix,
ik ben de heerscher, de heilige, bijgenaamd Marmauoth, ik ben de
zon, die het licht heeft vertoond, ik ben Aphrodite, bijgenaamd
Typhi, ik ben de heilige bestuurder der winden ik ben Kronos die
het licht heeft getoond, ik ben de moeder der goden die genoemd
wordt hemel, ik ben Osiris die genoemd wordt het water, ik ben
Isis, die genoemd wordt de dauw, ik ben Esenephus die genoemd wordt
lente, ik ben het beeld, voor de in waarheid bestaande beelden, in
de gelijkenis van een krokodil, ik ben Suchos."

Terloops zij opgemerkt, dat in sommige streken van Egypte de krokodil,
Souchos (Sebak) geheeten, goddelijke eerbewijzen genoot, zooals nu nog
in den Indischen archipel hier en daar het geval is.

Vereenzelviging met de godheid komt vaak voor, ook in het Nieuwe
Testament. In den brief aan de Galaten, II, 20 verklaart de apostel
"niet ik meer leef, maar Christus leeft in mij". En zeer sterk komt dit
uit in de zg. Oden van Salomo (waarschijnlijk uit de tweede eeuw
dateerende). Daar toch zegt de dichter in VII, 3 van Christus:

"Hij nam mijn wezen aan, opdat ik Hem zou begrijpen, en mijn gestalte,
opdat ik mij niet van Hem zou afwenden." En in XVII luidt het:

7. En Hij, die mij kende en mij opvoedde is de Allerhoogste in al
zijne volmaaktheid. En hij verheerlijkte mij door zijne
goedertierenheid en verhoogde mijn verstand tot de hoogte der
waarheid.

8. En vandaar gaf Hij mij het pad zijner voetsporen. En ik opende
de poorten, die gesloten waren.

9. En ik rukte ijzeren grendels af en het ijzer ontgloeide en
vloeide en versmolt voor mij.

10. En niets vertoonde zich voor mij gesloten: Want ik was de
opening van alles.

11. En ik ging tot al mijne gebondenen om hen los te maken,

Om geen over te laten gebonden of bindende.

12. En ik gaf mijne kennis mildelijk en mijn gebed in mijne liefde.

13. En ik zaaide mijne vruchten in de harten en veranderde hen in
mijzelven.

En zij ontvingen mijn zegen en leefden.

14. En zij vergaderde zich bij mij en werden verlost,

Want zij waren mij tot ledematen en ik hun hoofd."

De godsdienst gaat hier in mystiek over. Het is dus zake, kortelijk ook
op de mystiek onze aandacht te vestigen.

Mystiek in den meest volstrekten zin is het streven, om boven het denken
uit, zich met het allerhoogste (het goddelijke) te vereenzelvigen. Dit
streven vinden wij o.m. ook bij de Neoplatonici, inzonderheid bij
Plotinus. Hij toch verkondigt een monisme (eenheidsleer) in den meest
strengen zin des woords, d.w.z. hij wil alles tot één hoogste eenheid
herleiden. Die eenheid is voor hem God, van wien echter, strikt genomen,
niets te praediceeren valt; ook de uitdrukking "één" is in _dezen_ niet
anders dan het gebrekkig stamelen van de hier te kort schietende
menschentaal. God gaat ook boven het denken uit, want denken, hoe
eenvoudig ook, veronderstelt althans eene tweeheid, nl, iets dat denkt
en iets dat gedacht wordt; God echter is, als men iets van hem mag
praediceeren, het meest volstrekte Eén. Zooals van zelf spreekt, is het
ons doel, om ons tot God te verheffen. Dit moeten wij bereiken door ons
van de hartstochten los te maken, door ons te oefenen in het "zuivere"
denken, door eindelijk, van alles te abstraheeren. Dan eerst kan het
ons, in _zeldzame_ oogenblikken,--Plotinus zou het in zes jaren vier
keer hebben gehad[79]--te beurt vallen, om boven het denken uit, tot
eenwording te geraken met het Ééne. Dit is de unio mystica, de mystieke
eenwording, zooals men het in de middeleeuwen noemde bij de Oosterlingen
is zij in het zg. sufisme het einddoel der geloovigen en speelt een
groote rol in de Perzische litteratuur.

Keeren wij tot de magie terug, dan blijkt ten duidelijkste, hoe zeer
zij van de mystiek verschilt. Voor den mysticus immers is de éénwording
met het goddelijke iets lijdelijks; de magiër daarentegen geeft zich
voor een god uit, om aan zijne woorden kracht tot handeling bij te
zetten. Ja, hij durft zelfs, als zijnde gelijk aan de goden, de zwaarste
dreigementen tegen hen uit te spreken:

"Als ge niet naar mij hoort, zal de zonnekring neerbranden en er
zal duisternis zijn over de geheele bewoonde aarde en de tor
[Egyptisch symbool voor de zon] zal worden uitgedoofd, totdat gij
me doen zult alles wat ik schrijf of zeg, zonder overtreding"[80].

Een ander zeer kenschetsend staaltje van soortgelijke dreigementen vindt
men op eene zg. vervloekingstaf el, uit Hadrumetum (in Tunis) afkomstig.
De magiër toch roept, aan het slot van zijne bezwering, na zijne
wenschen te hebben kenbaar gemaakt, uit: "Zoo niet, dan zal ik in de
heiligdommen van Osiris neerdalen en zijn graf verwoesten en door den
stroom laten meevoeren, want ik ben de groote decaan van den grooten god
Achrammachalala". De decanen waren demonen van hoogen rang, aan wie de
bewaking van Osiris' gebeente was toevertrouwd; door zich met hun hoofd
te vereenzelvigen, wil de magiër te kennen geven, dat zijne dreigementen
niet ijdel zullen zijn.

Die bedreigingen, tegen de goden gericht, wekten bij menigeen groote
verontwaardiging op en zijn dan ook een der hoofdpunten in de meest
diepgaande polemiek, die toenmaals is gevoerd over de magie en wat er
mee samenhangt. Porphyrius toch, de bovenvermelde leerling van Plotinus,
had in zijn "Brief aan [den priester] Anebo" allerlei vragen opgeworpen,
inzonderheid aangaande de hoogere magie, en ronduit verklaard, dat hij
met de moeilijkheden, die zich daarbij aan zijn geest voordeden, niet
goed raad wist. Er kwam een antwoord, op naam van den "Leermeester
Abammon". Abammon is echter (zooals blijkbaar ook Anebo) een gefingeerde
naam waarachter, naar o.i. niet meer te betwijfelen valt, zich de Syriër
lamblichus verbergt, een discipel van Porphyrius zelf. De titel, dien
men aan dit boek gewoonlijk geeft, luidt: "Over de mysteriën".

Hooren wij nu Porphyrius' bezwaar tegen de magische dreigementen (c. 30
vlg.):

"Nog veel onredelijker is het échter, dat een mensch, die aan het
toeval onderworpen is, niet slechts een demon, als het zoo uitkomt,
of de ziel van een overledene, maar koning Helios [de zon] zelf of
de Maangodin of een ander der hemelgoden met dreigementen schrik
aanjaagt en liegt, opdat zij de waarheid zullen spreken. Want te
zeggen, dat hij 'den hemel zal verbrijzelen en de geheimen van Isis
zal blootleggen en het in Aby-' dos [in Egypte] verborgene zal
toonen en de bark [waarop naar het Egyptisch geloof, de zonnegod
het hemelruim omzeilt] zal doen stilstaan en de ledematen van
Osiris voor Typhon zal uitstrooien--is er eene grootere
geestesverbijstering denkbaar, dan te dreigen met hetgeen men noch
zag, noch vermag, of eene meer vernederende vreesachtigheid dan om
net evenals onnadenkende kinderen, voor zóó ijdele schrikbeelden en
verzinsels bang te zijn?"

Het antwoord hierop luidt (VI, 5 vlg.):

"Met al dit soort van tooverspreuken bedreigen de menschen niet,
zooals gij meent, de zon of de maan of den een of ander der
hemelgoden (want dan zouden er nog grooter absurditeiten geschieden
dan waarover gij uwen onwil betuigt), maar, zooals ik in 't
voorafgaande zeide, een geslacht van in den kosmos verspreide
krachten, dat geen geest des onderscheids of rede bezit, dat van
een ander rede ontvangt en naar hem luistert, maar geen eigen
inzicht heeft, noch het ware van het leugenachtige of het mogelijke
van het onmogelijke onderscheidt. Dit geslacht wordt door het
uitstooten van opeengehoopte dreigementen in beweging en tot
verbijstering gebracht, daar het immers in zijn aard ligt, zelf
gedreven te worden door krachtuitspraken en anderen mee te sleuren
door zijne eigen verbijsterde en onbestendige verbeelding.

Maar dit heeft ook nog eene andere reden en wel als volgt. De
theürg [hoogere magiër] gebiedt de kosmische machten door de
kracht der geheimenissen niet meer als mensch of zich van eene
menschelijke ziel bedienende, maar als in de rij der goden
uitstekende gebruikt hij grootere dreigementen dan met zijn eigen
wezen overeenstemt, niet als of hij alles zou doen, wat hij
verzekert, maar bij een diergelijk gebruik van formules toonende
hoe groot en van welken aard de kracht is, die hij bezit door zijne
eenheid met de goden, welke de kennis der verborgene symbolen hem
heeft verschaft".

Die symbolen bestonden uit allerlei zinspelingen op de mythologie, uit
figuren, voorwerpen, uitheemsche namen en zonderlinge
letterverbindingen, waarvan immers de gnostieke geschriften; (z.b. IV)
en de tooverpapyri wemelen. En wanneer de symbolieke beteekenis van die
woorden en klankverbindingen voor ons onbegrijpelijk is,| dan is dit,
volgens Iamblichus (VII, 4) "juist het meest aanbiddenswaardige er aan;
ze is immers te verheven, dan dat ze voor ons denken zou kunnen worden
ontleed", vgl. ook de volgend uitspraak(II, 11): "Zoowel eene de
godenwaardige voltrekking van de geheime en alle denken te boven gaande
handelingen als de macht van de onuitsprekelijke en door de goden alleen
begrepene symbolen geeft ons de theürgische één wording".

Aangaande die dreigementen verdient nog het volgende uit Iamblichus (VI,
7) onze aandacht:

"De demonen houden de wacht over de onuitsprekelijke mysteriën
juist daarom zoo nauwgezet, omdat daardoor voornamelijk de orde in
't heelal wordt bewaard. Want daarom blijven de deelen van het Al
in rij en orde, omdat de weldadige macht van Osiris zuiver en
onbevlekt blijft en zich niet vermengt met de aan haar
tegenovergestelde disharmonie en verwarring. Het leven van alle
dingen blijft rein en onbedorven, omdat de verborgene en
levenbarende en redelijke schoonheid van Isis niet in het
verschijnende en zichtbare lichaam neerdaalt. In eeuwige beweging
en in eeuwige wording blijft alles, omdat de loop der zon nooit
stilstaat, volmaakt en zuiver blijft alles, omdat de verborgenheden
in Abydos nooit worden onthuld. Waaraan nu het universum zijn
behoud te danken heeft (ik bedoel aan het feit dat de geheimen
altijd verborgen bewaard worden en dat het onuitsprekelijke wezen
der goden nooit het tegenovergestelde lot ondergaat), daarvan
kunnen de aardsche demonen niet eens hooren, dat het ooit anders
zou zijn of geprofaneerd zou worden en daarom heeft eene zoodanige
wijze van bezweren eenige macht over hen".

Wij komen op Iamblichus, die meer tot de vierde eeuw en tot eene andere
denkrichting behoort, later terug.

Dat ook de belletrie sterk in het teeken der magie stond, blijkt o.m.
uit Heliodorus' "Aethiopische verhalen", een roman die zoowel door
    
<<Page 5   |   Page 6   |   Page 7>>
Go to Page Index for Magie bij de Grieken en de Romeinen

You are here --- [ Home / Author Index J / Karel H.E. de Jong / Magie bij de Grieken en de Romeinen / Page #6 ]