free book ebook online reading
eBook Title
Magie bij de Grieken en de Romeinen
Author Language Character Set
Karel H.E. de Jong Dutch ISO-8859-1


You are here --- [ Home / Author Index J / Karel H.E. de Jong / Magie bij de Grieken en de Romeinen / Page #5 ]

toegeschreven, worden de Christelijke presbyters voor wichelaars en dgl.
uitgemaakt[56]. Met die beschuldiging van magie hangt ook het gerucht
samen, dat vooral in de tweede eeuw hardnekkig werd geloofd, dat nl. de
Christenen een klein kind slachtten en brood in het bloed doopten om
aldus het eeuwige leven te verwerven. Aanleiding daartoe was blijkbaar
de geheime viering van het avondmaal bij de Christenen en zekere
uitdrukkingen, die zij voor dit sacrament gebruikten. Het griezelige,
dat men van de magiërs geloofde, geloofde men ook van de Christenen, en
men nam zich niet de moeite, om het feit zelf deugdelijk te bewijzen.
Voorts werd het, zooals te begrijpen, als magie beschouwd, wanneer de
Christenen door den naam van Jezus "duivelen" uit de bezetenen
verdreven. Overigens was, zooals wij in hoofdstuk III gezien hebben, het
exorcisme reeds voordien gebruikelijk.

Begunstigers daarentegen van de magie waren de zg. Gnostieken,
sectariërs, van vóór onze jaartelling dateerende, echter reeds spoedig
met het Christendom in aanraking gekomen. Gnosis, d.w.z. kennis, is,
naar hunne opvatting, niet zoo zeer de "zelfbezinning van het intellect"
als wel eene geheimzinnige openbaring, die door inwijding en
sacramenten, door visioenen en extase den mensch ten deel valt. Wij zijn
aangaande de Gnostieken vrij gebrekkig ingelicht en meestal slechts op
de berichten van hunne tegenstanders aangewezen, maar dat zij sterk aan
magie deden, is boven twijfel verheven. Zeer opmerkelijk is het, dat
bovenvermelde Simon "de toovenaar" door de oude kerk werd beschouwd als
de "vader der ketterijen", die "deels door goocheltoeren, deels ook door
de hulp van demonen"[57] velen misleidde. Zooals wij in hoofdstuk V
zullen zien, beoefenden de "Simonianen", die zich geruimen tijd wisten
te handhaven, o.m. de doodenbezwering. Van Carpocrates (eerste helft
der tweede eeuw) en zijne volgelingen luidt het: "Zij houden zich op met
magische kunsten en bezweringen, minnedranken en toovermiddelen,
bijzitters [helpende geesten] en droomenzendende geesten en de overige
boosdoenarijen, bewerende de macht te hebben om reeds te heerschen over
de vorsten en vormers van deze wereld, ja zelfs over al het geschapene
in haar"[58]. Uit koptisch-gnostische geschriften, die men in den
laatsten tijd gevonden en uitgegeven heeft, zijn wij hieromtrent een en
ander te weten gekomen. In een dier boeken bijv. staat o.m. opgegeven
welke symbolen en bezweringen van noode zijn, om "de oorden van den
onzichtbaren God te doorwandelen". De symbolen of "zegels" bestaan uit
allerlei figuren, die soms op sneeuwkristallen gelijken, de bezweringen
grootendeels uit vreemdsoortige namen, als Jaldabaoth en
allerzonderlingste klankverbindingen als zozeze, ja, herhalingen van
enkele klinkers als bijv. eene drievoudige e. Bij iedere afzonderlijke
aanroeping van gindsche "heerschers" moet men tevens een mystiek getal
als bijv. 1119 "met de handen grijpen"[59]. Dergelijke practijken waren
reeds in het oude Egypte gebruikelijk, zooals o.m. uit het zg.
Doodenboek, feitelijk eene verzameling van tooverformulieren, blijkt.

In de tweede helft der tweede eeuw n. Chr. heeft het ongeloof nog wel
eenige voorstanders onder de wijsgeeren, maar het moet hoe langer hoe
meer zwichten voor de onweerstaanbare macht der pythagoreïsche en
platonische philosophie. En hoe men in die kringen over de realiteit der
magie dacht, leert ons bijv. de veertiende "voordracht" van Maximus, uit
Tyrus, een toenmalig "conférencier", die daarin o.m. inlichtingen
omtrent allerlei orakelen geeft. Vgl. inzonderheid de navolgende
passage, (2, vlg.):

"In Boeotië, nabij de stad Lebadea, is een orakelgrot, genoemd naar den
halfgod Trophonius. Wie hem wil raadplegen, legt een linnen, tot de
voeten reikend, roodkleurig gewaad aan, neemt [honig]koeken in beide
handen, en begeeft zich achterovergebogen door eene smalle opening
binnen de grot. Na het een en ander te hebben gezien of gehoord komt hij
weer naar boven en is zelf de tolk van wat hij waarnam. En ergens in
Italië, in Groot-Griekenland, was bij het meir dat Avernus heet, een
orakelgrot met priesters: psychagogen, geheeten naar hun werk [het
oproepen van zielen]. Wie daar ter wille van het orakel gekomen was,
deed een gebed, slachtte offerdieren, bracht plengoffers en riep de ziel
van wien hij wilde, van voorouders of van vrienden, op. En dan kwam hem
een schimbeeld te gemoet, wel is waar onduidelijk om te zien en moeilijk
te herkennen, maar toch in staat om eene stem te laten hooren en
voorspellingen te doen, en na geantwoord te hebben op hetgeen men vroeg,
verdween het. Het schijnt mij toe, dat ook Homerus dit orakel kende en
Odysseus er de reis heen laat doen, al heeft hij het, met dichterlijke
vrijheid, ver van de Middellandsche zee verplaatst.

3. Indien deze dingen waar zijn, zooals het geval is, daar deels die
orakelen ook nu nog bestaan, zooals ze waren, deels nog duidelijke
sporen van den dienst en de plechtigheden bij die instellingen over
zijn," enz.

Eene zeer uitvoerige beschrijving van het Trophonius-orakel geeft, uit
eigen ervaring, een tijdgenoot van Maximus, nl. Pausanias, in zijne
beschrijving van Griekenland "de Baedecker der oudheid" (IX, 39). Van
het meir Avernus, in Campanië, is reeds in hoofdstuk III sprake geweest;
hier willen wij nog slechts opmerken, dat Zuid-Italië, wegens de vele
Grieksche kolonies die er waren, vaak "Groot-Griekenland" werd genoemd.

De satiricus Lucianus uit Syrië (± 120-na 180), die zich niet ontzag de
meest hoogstaande philosophen te bespotten, kantte zich fel tegen alles
wat maar naar magie zweemde en heeft enkele geschriften speciaal aan de
bestrijding ervan gewijd.

Bekend is zijne levensbeschrijving van "Alexander den leugenprofeet" uit
Abonouteichos (in Klein-Azië), die ook bij hooggeplaatste Romeinen zeer
gezien was. Lucianus, zijn persoonlijke vijand, noemt hem een toovenaar
(c. 1), verwijt hem, op grond van hooren zeggen, grove onzedelijkheid
(c. 5) en beschuldigt hem van stelselmatig bedrog, ja zelfs van poging
tot moord (c. 56 vlg.). Dit alles valt, door gebrek aan andere bronnen,
moeilijk te controleeren; maar dat men Alexander niet botweg mag
beoordeelen naar de critiek van iemand, die, op 't voorbeeld van
Epicurus, verklaart, dat "wonderen" bedrog moeten zijn, ook al kan men
dit niet aantoonen (c. 17)--daarover worden de deskundigen het toch meer
en meer eens.

Van eenigszins minder inferieur gehalte is de "Menippus of
doodenbezwering", waarin Lucianus genoemden satiricus, geholpen door een
Chaldeeuwschen magiër, in de onderwereld laat neerdalen. De beschrijving
van de hiertoe vereischte voorbereidingen en ceremoniën, hoe wonderlijk
ook, is geen pure fantasie. Menippus nl. vertelt o.m., hoe de magiër hem
omstreeks middernacht naar de Tigrisrivier leidde, hem reinigde, met
klei afwreef, met fakkels en de zeeajuin en verscheidene andere middelen
zuiverde en tevens eene bezwering mompelde, (c. 7), 't geen met andere
berichten omtrent soortgelijke handelingen overeenstemt. Van de
onderwereld zelve zij hier vermeld, dat, volgens onzen zegsman, Socrates
daar, tengevolge van zijne vergiftiging, nog met gezwollen beenen
rondliep, (c. 18).

Al zijne bitterheid heeft Lucianus echter in "De leugenvriend of de
ongeloovige" bijeengegaard, om ze onbarmhartig uit te storten over
iedereen die zich in dezen niet met de zienswijze der atomisten (c. 32
f.f.) kan vereenigen, 's Mans fijne en vindingrijke ironie moge uit
staaltjes als de navolgende blijken: Een der "wondergeloovigen"
verzekert, een blik in de onderwereld te hebben geslagen en antwoordt op
de vraag of hem ook Socrates voor oogen was gekomen, aldus: "Ik zag
Socrates, echter niet duidelijk, maar op de gis af, omdat hij een kaal
hoofd en een dikken buik had" (c. 24). Van een ander wordt gezegd, dat
hem "de ideeën zelve verschijnen, die Plato laat zien, een duister
schouwspel voor zwakken van gezicht" (c. 16), waarmee de geestigheid van
Lucianus in deze materie haar toppunt heeft bereikt.

Een tegenhanger van Lucianus is de grootste der toenmalige Latijnsche
belletristen, Apuleius uit Madaura (heden ten dage Mdauroesch in
Algiers), tevens een man van encyclopaedische kennis. Zijn bekendste
werk, de kleurrijke en artistieke roman "Metamorphosen", d.w.z.
"Gedaanteverwisselingen", ook wel "De gouden ezel" genoemd, vereenigt op
eigenaardige wijze nuchter realisme met weelderige fantasie, losbandige
dartelheid met innige devotie. De held ervan, Lucius, een jeugdig en
hoogst onbezonnen geleerde, wordt nl. in een ezel veranderd en beleeft
als zoodanig de zonderlingste lotgevallen, totdat hij door de genade van
Isis wordt verlost en zich uit dankbaarheid aan den dienst der godin
wijdt.

Uit dit boek spreekt een enthousiasme voor tooverij, zooals wij het
zelden elders aantreffen. Wij willen hier het meest frappante aanhalen.

Lucius, te Hypata, een stadje in Thessalië, aangekomen, denkt over de
wonderen na, die hij verwacht te zien (II, 1):

"Zoodra de zon de nacht verdreven en den dag hernieuwd had, verhief
ik mij tegelijkertijd uit den slaap en uit het bed, tóch al
gespannen en bovenmatig nieuwsgierig, om wat zeldzaam en
wonderbaarlijk is, te leeren kennen, en bedenkende, dat ik mij
midden in Thessalië bevond, dat de geheele aardkring als de
bakermat der tooverzangen verheerlijkt ... bekeek ik alles stuk
voor stuk met de grootste belangstelling en nieuwsgierigheid. En er
was niets in dat plaatsje wat ik bij den aanblik voor dat hield wat
het was, maar ik geloofde dat alles zonder onderscheid door helsch
toovergemompel in eene andere gestalte was omgezet, dat de steenen,
die ik er aantrof, uit menschen verhard, de vogels die ik hoorde,
evenzoo bevederd, de boomen, die de stadgrens omgaven, op gelijke
wijze bebladerd en dat de bronwateren vervloeide menschenlichamen
waren. Reeds verwachtte ik, dat de standbeelden en schilderijen
zouden gaan wandelen, de muren spreken, de runderen en soortgelijk
vee profeteeren en van den hemel zelf en de zonneschijf plotseling
een orakel zou neerdalen."

Daar ontmoet hij eene aanverwante, de matrone Byrrhina, die hem
waarschuwt voor de booze kunsten van Pamphile (jongensgek), wier
echtgenoot hem gastvrijheid verleent (2 vlg.):

"Maar ik", aldus gaat Lucius in c. 6 voort, "toch al nieuwsgierig, was,
zoodra ik het altijd gewenschte woord "tooverkunst" hoorde, er zoo verre
van af, om voor Pamphile op mijne hoede te zijn, dat ik integendeel er
naar snakte, om mij aan zulk eene leerschool zelfs tegen eene rijke
betaling gaarne over te geven en mij rechtstreeks met rassen sprong in
den afgrond te storten."

De zucht naar tooverij valt moeilijk met schellere kleuren te teekenen.

Door middel van eene slavin, waarmee hij liefdesbetrekkingen aanknoopt,
tracht Lucius achter de geheimen van Pamphile te komen.

Pamphile, aan haar weinig sympathieken echtgenoot ontrouw, legt zich
vooral op liefdestooverij toe, waaromtrent dan ook in III, 17 vlg. een
en ander wordt medegedeeld. Zij tracht afgesneden haren van dengene op
wien ze verliefd is, meester te worden, en bedient zich voorts van een
zeer omvangrijk tooverapparaat: allerlei soort welriekende kruiden,
platen met onverstaanbare karakters bekrast, overblijfselen van
verongelukte schepen, lichaamsdeelen van overledenen, bloed van
vermoorden, bekkeneelen aan de tanden van roofdieren ontrukt,
bezweringen, plengingen, nu eens met bronwater, dan met koeienmelk, met
wilden honig ofwel met wijnmee. Na vervolgens de haren in elkaar
gestrengeld en geknoopt te hebben werpt ze deze ter verbranding in een
gloeiend kolenvuur.

Wij hebben verscheidene van deze toovermiddelen reeds herhaaldelijk
vermeld en willen hier meer bepaaldelijk onze aandacht op de haren
vestigen.

De haren toch spelen in het volksgeloof eene groote rol. Zelfs worden ze
vaak als zetel van de levenskracht beschouwd. Volgens Euripides snijdt
de dood een lok af van het hem gewijde slachtoffer[60]. Vergilius
verhaalt in het (reeds in hoofdstuk III door ons aangehaalde) vierde
boek der Aeneïde (v. 696-705), hoe Dido die "voor haar tijd" zelfmoord
pleegt, niet van het lichaam kan scheiden, alvorens haar van godswege
een lok van de kruin is afgesneden. En wie denkt hierbij niet
onwillekeurig aan Simson, die met zijne weelderige haren tegelijk ook
zijne reuzenkracht verliest?

Het is dus geen wonder, dat de haren bij liefdestooverij en envoûtement
te pas komen. Lucianus vermeldt in zijne "heterengesprekken" (IV, 4),
hoe voor de betoovering van een ontrouwen minnaar iets van den man zelf,
zooals bijv. enkele van zijne haren, vereischt zijn. En treffend stemt
het met de tooverij van Pamphile overeen, als wij lezen, hoe de magiërs
bij de Tamilen op Ceylon, om iemand te envoûteeren, haren en speeksel
van hem met zand van zijne voetsporen vermengd, samenkneeden en op een
looden plaat uitspreiden, waarbij tevens een ontvleeschte schedel met
magische, er op ingekraste karakters onmisbaar is.

Met de bovengenoemde middelen echter in een zeker geval niets kunnende
gedaan krijgen, besluit Pamphile de gedaante van een vogel aan te nemen
en zoo naar haar geliefde toe te vliegen. Ze begeeft zich voor dat doel
naar haar bovenkamertje. (c. 21). Lucius, door de slavin gewaarschuwd,
klimt, in den nacht, stilletjes de trap op en ziet door eene spleet in
de deur, hoe Pamphile zich eerst van al hare kleeren ontdoet, daarna uit
een gesloten kastje verscheidene busjes te voorschijn haalt, uit een
ervan eene zalf neemt, deze lang met hare handpalmen wrijft en zich van
de teenen tot de kruin er mee bestrijkt. Eindelijk schudt ze hare
ledenmaten, die zich met veeren bedekken; ze wordt een oehoe en gaat met
vollen vleugelslag er van door.

Wij zien hier dus, hoe eene zalf vereischt is, als men zich in een dier
wil veranderen, en denken daarbij meteen aan de zalf, waarmede de heksen
zich bestreken, ten einde naar hunne nachtelijke samenkomsten te
vliegen, zooals Goethe het in Faust dichterlijk heeft beschreven. En ook
wordt ons overgeleverd, dat men zich van eene diergelijke zalf
bediende, om de gedaante van een wolf aan te nemen, zooals immers het
geloof aan den weerwolf met dat aan den duivel en tooverij samen is
gesmolten. De hoofdbestanddeelen van de zalven in quaestie waren
narcotische kruiden; een occultist uit de vorige eeuw, K. Kiesewetter,
die het geheim van de samenstelling meende te kennen, heeft er zelf
proeven mee genomen, waarbij hij van reizen in verre gewesten en groote
menschenmassa's droomde. Het geloof der heksen, op eene samenkomst te
zijn geweest, waarbij de duivel het voorzitterschap bekleedde, laat zich
verder door "autosuggestie" gemakkelijk verklaren.

Lucius, door dolle nieuwsgierigheid gedreven, wil nu ook een experiment
met de zalf wagen, maar neemt per ongeluk een verkeerd busje en wordt
zoodoende in een ezel veranderd (c. 24). Slechts het eten van rozen
vermag hem de menschelijke gedaante weer te geven, maar dit valt hem
niet dan na eene reeks allerellendigste wederwaardigheden ten deel (XI,
13).

Ook eene doodenbezwering wordt in onzen roman beschreven, en wel naar
aanleiding van het feit, dat zeker bejaard burger eene vrouw
beschuldigt, zijn neef, met wien zij gehuwd was, te hebben vermoord. Er
ontstaat een oploop; het volk dreigt de vrouw te steenigen, zij echter
verzekert onder tranen, onschuldig te zijn (II, 27).

"Toen dan", aldus gaat het verhaal bij Apuleius (c. 28) voort,
"zeide de grijsaard: De beslissing omtrent de waarheid zij aan de
goddelijke voorzienigheid overgelaten! Zatchlas is hier, een
Egyptisch priester van den eersten rang, die met mij tegen eene
groote belooning is overeengekomen, om den geest van den overledene
voor eene korte poos uit de onderwereld terug te roepen en dit
lichaam weer te bezielen." En meteen brengt hij een jongeling er
bij, in linnen gewaden, met schoenen van palmbladeren en met
kaalgeschoren hoofd. Lang kust hij diens handen, raakt zijne knieën
aan en zegt: "Ontferm U, priester, ontferm U! Bij de gesternten des
hemels, bij de godheden der onderwereld, bij de elementen der
natuur, bij het zwijgen der nacht, en de heiligdommen van Coptos,
bij het aanwassen van den Nijl en de geheimen van Memphis ... geef
een kort gebruik van de zon en giet in de voor eeuwig gesloten
oogen een weinig licht! Wij verzetten ons niet tegen het noodlot,
wij ontzeggen niet aan de aarde haar eigendom, maar slechts
terwille van den troost der wraak, smeeken wij om eene korte spanne
levens."

De profeet, aldus vermurwd, legt een zeker kruid op den mond en een
ander op de borst van 't lijk. Vervolgens aanbidt hij, naar het
Oosten gekeerd, zwijgend de opkomst van den verheven zonnegod en
wekt door den aanblik van dit eerbiedwaardig tooneel de
belangstelling der aanwezigen voor een zoo groot wonder op
(29).... Reeds begon de borst op en neer te gaan, reeds de pols
hersteld te kloppen, reeds het lichaam door geest te worden
vervuld; daar verrijst het lijk en spreekt de jongeling".

Nog meer echter dan die roman geeft het feit te denken, dat Apuleius
zelf van tooverij is aangeklaagd (tusschen 155 en 158). Hij was nl. in
het huwelijk getreden met eene rijke maar veel oudere weduwe en had
daardoor de verwanten van haar eersten echtgenoot tegen zich in 't
harnas gejaagd. Men beweerde, dat het huwelijk door verbodene kunsten
tot stand was gekomen en diende eene aanklacht tegen Apuleius in,
waartegen deze zich in zijne "Apologie", die ook de kerkvader Augustinus
als "zeer inhoudsrijk en welsprekend" roemt[61], met goed gevolg
verdedigde.

De aanklagers legden Apuleius o.m. ten laste, dat hij zeldzame visschen
had gekocht om er toovermiddelen uit te bereiden, dat hij een slaaf had
behekst en voor eene lamp aan den voet van een altaar had doen
neervallen, dat hij in de woning van een vriend nachtelijke offers had
gebracht en dat hij een geheimzinnig beeld voor magische doeleinden met
zich voerde.

Deze punten van beschuldiging waren geenszins, zooals men vroeger
waande, bespottelijk, maar integendeel, zooals het onderzoek in den
laatsten tijd heeft aangetoond, van zeer ernstigen aard, daar ze
overeenstemden met hetgeen men toenmaals van de tooverij en hare
benoodigdheden geloofde.

Apuleius verdedigt zich hiertegen in dier voege dat hij de lachers op
zijne zijde tracht te krijgen, bij bijzonderheden van weinig beteekenis
lang blijft stilstaan en allerlei uitweidingen maakt, die zeer zeker
veel wetenswaardigs bevatten--ook wij hebben er in III een en ander uit
geput--maar die toch kennelijk bedoelen, de aandacht van den toehoorder
en lezer af te leiden. Op zekere gewichtige beschuldigingen gaat de
verdediger zoo weinig mogelijk in.

Aangaande de visschen tracht Apuleius (in c. 30 vlg.) uitvoerig aan te
toonen, dat de magiërs er zich niet van bedienen en roept o.a. in (c.
30) uit: "Hoe zou een stomme en koude visch in staat zijn om den
minnegloed te doen ontvlammen?", maar het staat vast, dat toch wel eens
visschen voor liefdestooverij werden gebruikt, en Apuleius heeft dus
niet anders gedaan, dan om de moeilijkheid heen praten.

In zake de beheksing van den slaaf (c. 42-52) ontkent Apuleius niet, dat
deze in zijne tegenwoordigheid was neergevallen (c. 44 vlg.), schrijft
dit echter aan epilepsie toe: "Dat moet wel de grootste toovenaar van
allen zijn, in wiens tegenwoordigheid die slaaf lang kan blijven staan"
(c. 43). Echter komen de bijzonderheden van deze beschuldiging, zooals
wij in ons laatste hoofdstuk zullen zien, vrij goed overeen met hetgeen
ons de tooverboeken aangaande diergelijke handelingen leeren.

Van het nachtelijke offer, eene echte tooverpractijk, door de wet
verboden, maakt Apuleius zich (57-60) grootendeels met grappen,
insinuaties en sofismen af. Zijne tegenargumenten zijn weinig
steekhoudend en zelfs is het vermoeden geopperd, dat hij, na zijne
vrijspraak, er een en ander ten gunste van de rhetorische werking aan
zou hebben geretoucheerd.

Het geheimzinnige beeld (c. 61-65) verklaart Apuleius voor een
onschuldig voorwerp van particuliere vereering; het was echter een
ebbenhouten beeld (c. 61), van Mercurius (de Latijnsche naam voor
Hermes, z.b. hoofdstuk I) met een kleed om de schouders (c. 63), en
juist zulke beelden van Mercurius, den god-toovenaar, werden, zooals in
de tooverpapyri te lezen staat, voor magische doeleinden vervaardigd.

Vat men alles samen, dan bevestigt de "Apologie" wat men a priori van
den auteur der "Metamorphosen" kon verwachten, n.l. dat hij, die zich op
elk gebied van wetenschap bewoog, ook het "occultisme" beoefende, al was
het dan ook niet met booze bedoelingen.

Apuleius, wien in geval van veroordeeling de doodstraf wachtte, bleef
dan ook, ondanks zijne vrijspraak, bij zijne tijdgenooten voor een
magiër doorgaan en werd in latere eeuwen met Apollonius van Tyana op
ééne lijn gesteld.

De magie werd echter ook destijds, zoo noodig, voor officieele
doeleinden gebruikt.

Keizer Marcus Aurelius (161-180) verzekert wel is waar in zijne
"Zelfbeschouwingen" (I, 6) geen geloof te slaan aan hetgeen
wonderdoeners en toovenaars omtrent bezweringen en het bannen van
demonen en soortgelijke practijken vertelden, maar toen het Romeinsche
rijk door de Marcomannen uit Bohemen en andere volksstammen uit
aangrenzende streken werd bedreigd, riep hij overal priesters vandaan,
liet vreemdsoortige plechtigheden verrichten en Rome op allerlei
manieren reinigen, zoodat dit zelfs zijn vertrek naar het leger
vertraagde[62]. Ook heeft hij blijkbaar den "leugenprofeet", Alexander
van Abonouteichos (z.b.), begunstigd en wordt bericht, dat een Egyptisch
magiër, Arnouphis, toen het Romeinsche leger, door de Quaden ingesloten
en door afschuwelijken dorst gekweld werd, Hermes (Mercurius z.b.) en
andere goden door middel van tooverkunsten bezwoer en zoodoende een
regenval veroorzaakte, die de Romeinen verkwikte terwijl eene felle
onweersbui de vijanden teisterde[63]. Zooals bekend hebben kerkelijke
schrijvers dit "wonder" aan de gebeden van Christelijke soldaten
toegeschreven.

Van een later keizer, Didius Julianus, wiens bewind (in 193) slechts
kort duurde, wordt bericht dat hij aan alle kanten bedreigd "door middel
van magiërs verscheidene handelingen liet verrichten waardoor hij
meende, den haat van 't volk te kunnen kalmeeren en de wapenen der
opgestane soldaten te kunnen bedwingen. Want ze offerden sommige
offerdieren, die bij den Romeinschen eeredienst niet hooren, en hieven
profane gezangen aan. Julianus nam ook zijne toevlucht tot die tooverij,
waarbij, naar verluidt, een spiegel gebruikt wordt en geblinddoekte
knapen, over wier kruin eene bezwering is uitgesproken, een blik in de
toekomst slaan. Toen dan zou de knaap de aankomst van Severus en het
aftreden van Julianus hebben gezien"[64].

Van spiegels in engeren zin, d.w.z. metaalspiegels, is bij de magie der
Grieken en Romeinen slechts zeer zelden sprake. Opmerking verdient
echter hetgeen de reeds vroeger genoemde Pausanias, in zijne
"Beschrijving van Griekenland" (VII, 21, 12) bericht, dat nl. voor een
zeker heiligdom van de godin Demeter (Ceres) zich eene bron bevond, die
men ter wille van zieken in dier voege raadpleegde dat men een spiegel
aan een dun koord liet neerzakken, totdat de rand ervan het
wateroppervlak eventjes aanraakte. Na vervolgens tot de godin gebeden
en reukwerk gebrand te hebben, zag men in den spiegel, die den zieke
levend of gestorven vertoonde.

In de Middeleeuwen daarentegen en later bediende men zich voor magische
doeleinden bij voorkeur van uiterst kunstig vervaardigde spiegels, of
van bijzonder geslepene kristallen. Bij het raadplegen ervan werden
allerlei bezweringen tot engelen en geesten gericht, die, naar men
geloofde, alsdan verschenen en in heel enkele gevallen zelfs hunne stem
lieten hooren. In den laatsten tijd is ook het "kristal-zien"
proefondervindelijk onderzocht en gebleken, dat zich daarbij, naast
waardelooze fantasiebeelden, ook visioenen voordoen, die op
"helderziendheid" en wellicht nog op andere geheimzinnige krachten en
invloeden wijzen.

Bij de Christenen bleef de afkeer tegen de magie bestaan maar de feiten
zelve werden erkend. Allermerkwaardigst is te dien opzichte de
navolgende uitspraak in de eerste apologie (c. 18) van Justinus den
martelaar (± 154):

"De doodenbezweringen, de visioenen van onbedorven knapen, de
oproepingen van menschelijke zielen en wat de magiërs droomenzendende
geesten en bijzitters [helpende geesten] noemen en hetgeen verricht
wordt door hen, die in deze dingen ervaren zijn, mogen U ervan
overtuigen dat de zielen ook na den dood nog waarnemingsvermogen
bezitten; let ook op de menschen, die door de zielen van overledenen
gegrepen en geschokt worden, welke men eenstemmig bezetenen en
waanzinnigen noemt, op de zoogenaamde orakelen bij U, van Amphilochus,
van Dodona en Pytho en wat er verder van dien aard is...."

Amphilochus, een mythisch figuur evenals Trophonius (z.b.), werd op
verscheidene plaatsen vereerd; te Dodona (in Epirus) was een orakel van
Zeus en te Pytho (Delphi) een van Apollo.

Tatianus, een jongere tijdgenoot van Justinus, haalt in zijne "Rede tot
de Grieken" zooveel mogelijk de booze geesten er bij, (c. 16):

"De demonen, die aan de menschen bevelen geven, zijn niet de zielen
der gestorvenen."

Het schijnt hierbij niet te onpas, op te merken dat de Grieken en
Romeinen geen scherpe grenslijn trokken tusschen demonen, d.w.z.
bovenmenschelijke intelligenties, en overledenen en vaak de overledenen
zelven als demonen beschouwden. Wellicht de meest frappante uitspraak
dienaangaande is de navolgende van den reeds bovengenoemden Maximus uit
Tyrus in "Voordracht" XV, 6:

"De ziel houdt het lichaam dat altijd in vloed en golfslag drijft
en geschud en geslingerd wordt, bijeen en legt het vast voor anker,
en wanneer die pezen en de adem en al het andere waardoor het
lichaam, als met touwen, zoolang aan de ziel vastgeankerd was,
verslappen, dan vergaat het lichaam en zinkt in de diepte, maar
zij zelf ontzwemt den dood, ze is haar eigen vaartuig, houdt zich
zelf bijeen en blijft onwrikbaar. En zulk eene ziel draagt reeds
den naam van "demon", een voedsterling van den ether, uit de aarde
naar ginds verhuisd, evenals uit een onbeschaafd volk naar Grieken,
en uit eene wettelooze en door een tiran overweldigde en door
onlusten geteisterde stad naar eene met goede wetten, die door een
koning wordt bestuurd en vrede geniet".

Van amuletten en toovermiddelen wil Tatianus niets af weten (c. 17):

"Alle soorten van wortelen die men gebruikt, de magische toepassing
van pezen en beenderen, hebben uit zich zelf geen uitwerking. Zij
zijn slechts het werktuig, waarvan de demonen zich in hunne
boosheid bedienen; zij hebben het bijzondere gebruik van ieder dier
heelmiddelen vastgesteld en wanneer zij zien dat de menschen
genegen zijn om de hulp aan te nemen, die ze hun door dit middel
geven, dan slagen ze er in, ze tot slaven te maken terwijl ze hen
bijstaan."

Tatianus beweert, dat de demonen de menschen eerst ziek maken en dan,
opdat men zich te meer aan hen zou verslaven, gehoor geven aan de
bezweringen, die zij zelf hebben ingevoerd (c. 18):

"De demonen genezen niet, maar vangen de menschen met list...zij
dringen in de ledematen van zekere menschen, wekken vervolgens door
droomen het geloof aan hunne macht op, bevelen de zieken in het
openbaar te verschijnen, ten overstaan van allen, en na de
eerbewijzen te hebben genoten, die men hun toekent, vliegen zij uit
het lichaam van deze zieken en maken een einde aan de ziekte, die
zij zelven hadden veroorzaakt en herstellen de menschen in hun
vroegeren toestand."

Van de Gnostieken uit het tijdperk der Antonijnen zij hier een zekere
Marcus vermeld, aangaande wien wij bij den hl. Irenaeus in diens werk
"Tegen de ketterijen" (I, 13)(Ed. Massuet) lezen: "Hij bewerkt dat
bekers met gemengden wijn, terwijl hij voorgeeft ze te wijden en de
formule van aanroeping lang maakt, in purperen en roode kleur
schitteren, zoodat het schijnt dat de "Genade, die boven alles is" door
zijne aanroeping haar bloed in dien beker druppelt en de aanwezigen ten
zeerste verlangen uit dien kelk te proeven, opdat de Genade, door den
magiër aangeroepen, ook in hen vloeie". Naar bericht wordt, wierp Marcus
te dien einde een zeker vocht in den beker, dat het mengsel
langzamerhand kleurde. Irenaeus verzekert ook, (I, 21), dat bij de
gnostieke inwijding een doop plaats vond en dat sommigen hier zekere
hebreeuwsche namen aan toe voegden "om de inwijdelingen meer te doen
ontstellen" en ook dat zij dezen met sap van balsem inwreven. Die
fragmentarische en verwarde berichten zijn thans door de nieuwe vondsten
eenigszins opgehelderd. In een koptisch geschrift toch worden de drie
doopen, nl. die met water, met vuur en met den H. Geest uitvoerig
beschreven, die Jezus zijn jongeren toedient alvorens hun de mysteriën
mee te deelen waardoor de ziel "de oorden van den onzichtbaren God"
vermag te "doorwandelen" (z.b.). Ten behoeve van den eersten doop moeten
de discipelen uit de handen van een man en eene vrouw die rein zijn van
sexueelen omgang, twee kruiken wijn ontvangen en wijnranken halen. Jezus
maakt vervolgens een offer gereed, plaatst een wijnkruik links en den
anderen rechts van het offer, gelast den discipelen zich in linnen
kleeren te hullen, steekt in hun mond en legt in hunne handen zekere
kruiden en stelt hen voor het offer. Daarna spreidt Jezus kleeren van
linnen uit, zet een beker met wijn en legt brooden overeenkomstig het
aantal der discipelen er op en bekranst de discipelen met olijftakken.
Na een gebed van Jezus geschiedt een wonder: de wijn aan de rechter
zijde van het offer wordt tot water; dan treden de discipelen voor
Jezus, die ze doopt en hun de brooden toereikt. Daarop volgt de
vuurdoop, waarmee waarschijnlijk de zelfontvlamming van een reukwerk is
bedoeld, terwijl de ceremoniën voorts met die bij den eersten doop
vrijwel overeenstemmen. Bij den derden doop worden aan het reukwerk
"overblijfselen van safraan", balsem en honig toegevoegd en de
discipelen met myrtetakken bekranst. Een bewalming met wierook en andere
stoffen dient om uit de discipelen de "boosheid" van de "heerschers" in
de lagere gebieden van de andere wereld te verwijderen[65]. Ook legt
Jezus den discipelen wierook in den mond en deelt hun ten slotte de
reeds boven vermelde geheimzinnige woorden en teekenen mede. Blijkbaar
hebben diergelijke ceremoniën, met zekere variaties, in de mysteriën der
Gnostieken plaats gevonden.

De benoodigdheden zoowel als de handelingen bij deze gnostieke mysteriën
komen bijna alle ook elders in de magie voor. Gedeeltelijk is dit reeds
gebleken, omtrent enkele bijzonderheden echter willen wij nog een en
ander in 't midden brengen.

Onthouding van sexueelen omgang is vaak een vereischte voor het slagen
van magische handelingen. De minste tijdruimte hierbij is, zooals wij
reeds in III aanstipten en later nog blijken zal, drie dagen. Voor eene
zekere oproeping van Aphrodite, (Pap. Paris. 3209) moet men zeven dagen,
voor de bezwering, vermeld in het "Achtste boek van Mozes", één en
veertig dagen zuiverheid betrachten[66]. Apollonius van Tyana bleef,
naar verluidt, gedurende zijn geheele leven, sexueel rein[67].

Dergelijke voorschriften vindt men bij vrijwel alle volkeren. Ook de
Hindoes achten bij zelfstandige tooverhandelingen het inachtnemen van
onthouding gedurende ten minste drie dagen noodzakelijk. De Chineesche
magiërs ontzeggen zich o.m. ook sexueele genietingen en bij de
primitieve volkeren moeten de toovenaars zich door wekenlange en uiterst
strenge onthoudingen op de uitoefening van hun beroep voorbereiden.

De hoofdreden hiervan is, dat de geslachtelijke omgang als
verontreinigend wordt beschouwd. Men gaat daarbij niet uit van
"ethische" of maatschappelijke overwegingen; of de handeling in quaestie
bijv. echtelijk of buitenechtelijk is, doet niets ter zake. Maar men
vreest, dat booze demonen, door de wellust aangetrokken, den mensch
binnendringen en hem zoodoende onrein maken. Het "animisme" doet zijn
machtigen invloed ook op het sexueele leven gelden.

Linnen is eveneens bij de magie vaak in gebruik In den Pap. Par. wordt
(v. 3094) den magiër bevolen, een rein kleed van Indisch linnen om te
doen, en Apollonius van Tyana zou zijn leven lang linnen gewaden hebben
gedragen. Onder het Romeinsche bewind werd een Egyptisch priester van
lageren rang aangeklaagd, omdat hij o.m. wollen kleedingstukken
droeg[68]. Waarschijnlijk geloofde men in overoude tijden dat linnen een
uitstekend geleider is voor dat geheimzinnige, en reeds herhaaldelijk
door ons vermelde "mana". Ook de "magnetiseurs" verkondigen dergelijke
theorieën.

Wierook is, zooals wij ook later nog zullen zien, eene der voornaamste
benoodigdheden bij de magie. In een tooverpapyrus wordt o.m. den magiër
bevolen, zijn mond met een wierookkorrel te berooken[69]. En in onze
Oost is het branden van benzoë, eene soort wierook, algemeen in zwang,
en wel teneinde booze geesten te verjagen, eene bedoeling, die men zeker
ook oudtijds had bij het gebruik van reukwerk.

Vatten wij de uitkomsten van dit hoofdstuk samen, dan blijkt, dat aan
het einde der tweede eeuw n. Chr. de realiteit der magie en, in verband
hiermede, de inwerking van "demonen" vrijwel algemeen werd erkend. Bij
de discussies, die van toen af over dit onderwerp werden gehouden, ging
het hoofdzakelijk om de vragen: "Hoe moet men de magie uit een
wijsgeerig standpunt verklaren?" en "Hoe moet men haar uit een religieus
oogpunt beoordeelen?"



*Litteratuur.*

#P.J. Veth#, Java, 2'e. dr. bew. d. Snelleman e. Niermeyer IV [1907].

#Göttsching#, Apollonius v. Tyana, dissertatie Leipzig [1889].

*#K. Kiesewetter#, Der Occultismus des Altertums [1896].

#G.R.S. Mead#, Apollonius of Tyana [1901].

#Canney#, Apoll. of T., in Enc. Rel. Eth. I [1908].

#Th. Whittaker#, Apollonius of Tyana a. other essays [1909].

#J.J. Hartman#. De Avondzon des Heidendoms. Het leven e.d. werken v.d.
Wijze v. Chaeronea 2'e dr. [1912].

#G. Abernetty#, De Plutarchi qui fertur de superstitione liber, dissert.
Königsberg [1911].

#B. Freire-Marreco#, Charms a. Amulets, in Enc. Rel. Eth. III [1910].

#F.T. Elworthy#, Evil Eye, in Enc. Rel. Eth. V. [1912].

#R. Lasch#, Die Ursache u. Bedeutung d. Erdbeben im Volksglauben, in
Arch. f. Religionswiss. V [1902].

#Wallis#, Prodigies a. portents, in Enc. R.E.X. [1918].

#Frazer#, Scapegoat [1914].

#F. Schwally#, Semitische Kriegsaltertümer. I. Hft. Der hl. Krieg im
alten Israël [1901].

#P. Fiebig#, Antike Wundergeschichten. Zum Studium der Wunder des Neuen
Testamentes, in kl. Texte f. Vorl. u. Ueb. hsg. v. H. Lietzmann No. 79
[1911].

*#A. de Rochas# L'extériorisation de la motricité, 4'e uitg. [1906].

#E. Feilding, W.H. Baggally, H. Carrington#, Report o.a. series o.
sittings with Eusapia Palladino, in Proceedings o.t. Society Psychical
Research, Vol. XXIII [1909].

#Riess#, Aberglaube, in Pauly, Real.-Enc. cl. Alt. 2'e dr. I [1894].

#Doutté#, Magie et Religion d. l'Afrique d. Nord (1909).

#Stanley#, Through the dark continent, Vol. I [1878].

*#Graillot#, Le culte de Cybèle, Mère des Dieux à Rome et dans l'empire
Romain, in Bibl. écol. françaises d'Athènes e.d. Rome, fase. 107 [1912].

*#Cumont#, Textes e. Monuments fig. rel. a. mystères d. Mithra I [1899].

#S. Krauss#, D. Leben Jesu n. jüdischen Quellen [1902].

#Anrich#, Das antike Mysterienwesen in seinem Einfluss auf das
Christentum [1894].

#J. de Zwaan#, Imperialisme v. d. Oud-christelijken geest (1919).

#H. Weinel#, Die Wirkungen des Geistes und der Geister im
nach-apostolischen Zeitalter (1899).

#Bousset#, Kyrios Christos, Geschichte des Christusglaubens v. d.
Anfangen d. Christentums bis Irenaeus, in Forsch. z. Rel. u. Lit. d.
Alt. u. Neu. Test. 21 Hft. (1913).

#Thimme#, Alexander von Abonuteichos. Ein Beitrag zur Glaubwürdigkeit
Lucians, in Philologus XLIX (1890).

*#O. Seeck#, Gesch. d. Unterg. d. ant. Welt Bd. III (1909).

#Couperus#, De verliefde Ezel [1918].

#E.E. Sikes#, Hair a. nails in Enc. R. E. VI [1913].

#M. Bartels#, Die Medizin der Naturvölker [1893].

#K. Kiesewetter#, Die Geheimwissenschaften [1895].

#P. Monceaux#, Apulée magicien, in Revue d. deux mondes LXXXV [1888].

#P. Vallette#, L'apologie d'Apulée. Thèse, Paris [1908].

#S. Dill#, Alexand o. Abonoteich., in Enc. R. E. I, (1908).

#K.H.E. de Jong#, Dienstweigering bij de oude Christenen (1905).

#M. Ott#, Thundering Legion, in The Catholic Encyclopedy XIV [1912].

#A. Lang#, Crystal-Gazing, Enc. R. E. IV [1911].

*#T. Dempsey#, The Delphic oracle, its early history, influence a.
fall.(1918).

#Puech#, Rech s.l. disc. a. Grecs d. Tatien (1903).

*#E. Fehrle#, Die kultische Keuschheit im Altertum, in Religionsgesch.
Ver. u. Vor. VI (1910).

*       *       *       *       *




HOOFDSTUK V.

*Het geloof gerechtvaardigd door de wijsbegeerte.*
    
<<Page 4   |   Page 5   |   Page 6>>
Go to Page Index for Magie bij de Grieken en de Romeinen

You are here --- [ Home / Author Index J / Karel H.E. de Jong / Magie bij de Grieken en de Romeinen / Page #5 ]