|
|
Heimath, van zijn vroolijken regimentstijd of van zijn vrienden de
andere Oempah's, die vrij rondtrekken in steden en dorpen, waar de
orgels niet anders mogen komen dan in kermistijd, waar geen
politieagenten op hen loeren en waar 't zoo goed en goedkoop is, dat
niemand denkt aan "der Holländische sjenever, das Teufelstrinken."
VOOR 'T LOKET--HOLLANDSCHE SPOOR.
't Is twee minuten vóór zessen; een menigte passagiers maakt queue voor
het loket, om met den trein van 6.9 naar Haarlem, Den Haag of Rotterdam
te kunnen vertrekken. Het aantal reizigers groeit even snel aan als hun
ongeduld, want een dikke, oude juffrouw met een parapluie, die
gevaarlijk achteruit steekt onder den linker- en een taschje aan den
rechterarm, staat voor het loket, schijnt niet de minste haast te hebben
en neemt volstrekt geen notitie van de ongeduldige uitroepen en 't
onwillekeurige opdringen der overigen.
--Hoe laat gaat er een trein naar Haarlem, m'neer? vraagt ze met een
hooge, neuzige stem.
--Zoo dadelijk, zes uur negen--klinkt 't van binnen terug.
--En gaat er gauw weer een, na dien, want 't is nou al bij zessen, weet
u?
--Niet vóór 6.47.
--O Commies neen, dat is me veels te laat man, maar weet u 't wel zeker?
In me spoorwegboekje staat toch duidelijk dat....
--Moet u 'n kaartje hebben of niet? Er staan 'n menigte passagiers op u
te wachten.
--Jawel, jawel, maar vergissen is menschelijk ziet u? ik heb me verlejen
week nog zelf vergist in 't kijken op 't predikbeurtenbriefie, waarom
zou uwe dus hiermee niet een abuis kunnen hebben; kijk assieblief nog
eris....
--Nu kort en goed, wil u een biljet?--geen praatjes meer....
--Nou! dat's wel mogelijk, maar maak zoo'n kouwe bereddering niet! u
staat hier toch voor 't publiek als een betaald persoon, die z'n centen
an 't publiek verdient, o zoo! Ik behandel u beleefd, niet waar? Dus mag
ik billijkerwijs van u ook hetzelfde dito dito weerom verwachten.
--Natuurlijk?--maar wil u nu meê of niet, en welke klasse, 1e, 2e?
--O zoo! als uwe 't maar begrijpt, ziet u--ik ben wel 'n burgermensch,
maar ik hoef niet onder te doen voor anderen, 'k heb niemand naar de
oogen te zien, neen, Goddank!
--Welke klasse dan?
--Geef me maar tweede.
--Retour?
--Wat kost 'n retourtje?
--Negentig cents.
--Groote hemel! juffrouw, we komen allemaal te laat door uw gezanik,
bromt een oude heer achter haar.
--'t Zal wel losloopén vader, zegt ze, even omziende, en dan:
--En wat kost 'n enkele reis?
--Zestig cents.
--Tweemaal zestig is vierentwintig stuivers, één gulden en twintig
centjes, Hm! Neen! dan komt 't toch beter uit als ik 'n retour neem.
--Mevrouw, juffrouw, maak toch asjeblief voort, kijk eens even om, wij
moeten allemaal nog mee en 't is al over zessen, roept knorrig een
jongmensch, dat een plaats of wat achter haar staat.
Nijdig kijkt de juffrouw om en antwoordt:
--'t Zal nog wel later worden, als 't God blieft.--Ieder z'n beurt; die
't eerst komt, die 't eerst maalt; ik bestee hier net zoo goed mijn geld
als uwe, ik betaal en uwe geeft geld, dat's zoogezeid één pot nat.
Achttien stuivers dus--'t was immers negentig centen, zei u?--(_zij
haalt haar beursje voor den dag_.) wacht ik zal 't u afpassen, hier:
twee kwartjes, drie dubbeltjes, twee halvestuivers--och heere, nou kom
ik net vijf centen te kort. 't Was anders zoo mooi gepast--net vijf
centen te min.
--Hier, alsjeblief, hier zijn ze--Hier! 'n dubbeltje--Pak an! roepen
twee, drie stemmen te gelijk.--Hier neem aan, maar maak in Godsnaam
voort, 't is nog maar zes minuten....
--Wel ja. Ik ben daar om jullie vijf centen verlegen, 'n mooi ding,
neen, ik ben wel 'n burger mensch, maar ik hoef goddank niemand naar de
oogen te zien. Maar 'k wou 't m'neer makkelijk maken; 'k heb geld zatter
hoor! Hier asjeblief: een bankje van vijf en twin....
Gossiemossie!--daar zit waarachtig men haakpennetje tusschen, daar heb
ik me nou de heele week mal naar gezocht.--Assieblief, een bankie van
vijfentwintig--kan uwé wisselen? Maar geef me niet allemaal klein geld
terug.
--Heb u 't niet kleiner.
--Juffrouw, maak nou toch voort, asjeblief--'t is om dol te worden,
roepen eenige stemmen.
Kalm kijkt de juffrouw om, schudt het hoofd langzaam heen en weer en
terwijl ze met een pruimenmondje:--Sjonges, wat 'n bereddering! zegt,
blijft zij in haar zak grabbelen; dan roept ze in eens: kijk dat's
casuweel, daar vind ik nog een losse gulden in me zak; als u nou 'n
dubbeltje heeft, dan bennen we in eens van mekaar af. Hier--heerejemel!
zóó had ik hem nog in mijn hand en ... de juffrouw pakt achtereenvolgens
uit haar zak de volgende voorwerpen: een pepermuntdoosje, een flacon,
een paar handschoenen, een naaldenkoker, een zakje met gedroogde pruimen
en een zakdoek; eindelijk vindt ze den gulden en legt dien voor den
beambte neder, terwijl ze, even omziende naar de woedend haar
aankijkende menschen, zegt:--Zie zoo, nou die volgt; ieder z'n beurt,
da's niet te veel.
VROEG RIJPE JEUGD.
--En ik zeg dat 't 'n ongepermitteerd schandaal is, dat ze aan zulke
apen van jongens tappen--ze bennen mirakel--God zal me bewaren, maar ik
zou zoo'n slokkiesbaas kunnen doodslaan, en de kruidenier, die met zijn
twee knechts op de stoep is gekomen om, evenals zijn buren, naar het
opstootje voor de deur staat te kijken, wordt rood van kwaadheid als hij
vervolgt:
--Die eene is waarachtig niet ouwer dan dertien of veertien jaar, hij
moest 'r reis frisch voor z'n vermaak hebben.
--Als 'k mijn jonge zóó trappeerde, sloeg 'k 'm z'n armen en beenen
stuk, valt zijn buurman, de bejaarde melkverkooper, die over 't stoephek
leunt, in.
--Nou word ik d'r beroerd van, ik ga naar binnen, zegt de kruidenier, en
tot zijn knechts: Kom Jan,--kom Gerrit, laat ze maar in d'r vet gaar
smoren, 't is te misselijk om er langer naar te zien.
't Zijn drie jongens, tusschen dertien en vijftien jaren oud die de
geheele buurt in opschuddig hebben gebracht.
Stomdronken schreeuwend en joelend, razend en vloekend, zijn ze komen
aanzeilen uit de dwarsstraat.
--Precies als groote dronke-geweldenaars, beweert de banketbakkersvrouw,
in wier winkel ze een glas hebben ingeslagen, omdat de deur voor hun
neus werd dichtgedaan.
Nadat ze ieder meisje of vrouw, die ze tegenkwamen, op de meest
onhebbelijke wijze hebben gemolesteerd, heeft de groenteverkoopster, die
even haar onderhuis had verlaten, het moeten ontgelden. Haar uitstalling
hebben ze baldadig door elkander gesmeten en getracht een mandje druiven
te stelen. 't Is hun niet gelukt en daarom zijn ze, vloekend en tierend,
nog een paar huizen verder gegaan en eindelijk over elkander, op de
stoep van den garen- en bandwinkel neergetuimeld.
De jongste knaap leunt, bleek en zonder pet, met de zwarte haren voor
zijn lodderige oogen, den mond half opengezakt, schier wezenloos
ineengedoken tegen den stoepkant, nu en dan even opkijkend en tegelijk
een paar ongearticuleerde tonen uitstootend, die hij als begeleiding
bedoelt, van 't gezang der twee oudere, die op aandoenlijke wijs "We
gane nog niet dood" blaêren.
De twee magere oude juffrouwen, die reeds sedert jaren als brave
fatsoenlijke gezusters, de garen- en bandaffaire drijven, zien met
verschrikte oogen en booze gezichten, waarop duidelijk het: en zoo iets
moet nu bij ons op de stoep gebeuren, te lezen staat, door de ruit der
winkeldeur, die ze op het nachtslot hebben gedaan.
Voor de jongens staat de groote, stoere groentevrouw en slaat met de
eene hand heftig en hard klinkend op de andere, terwijl ze luidkeels
schreeuwt:
--Laaielichter, gappers ben jelui, maar mijn ken je niet beduvele--ik
ben jelui te kwiek af geweest, en tot de omstanders:
--Ja, als ik niet casuweel d'r op ankom, gappe ze me een heel mandje
blauwe druiven weg--maar 'k snapte ze en nou blijven ze d'r lekker
nuchter van--en weer tot de jongens: Jelui most naar 't buro, maar nou
is d'r geen agent te zien, in geen velde of wege. Ja, zoo gaat 't hier
altijd!
--Vrouw, maak je niet driftig, dat vee is 't niet waard: 't groeit op
voor 't rooie dorp, zegt een burgerman, die geheel het uiterlijk heeft
van een rentenierend bakker of slager.
--Nou.... Vee! dat kan wel 'n beetje minder, hé? vraagt een verloopen
kerel, met een lompe beweging zich voor den rentenier plaatsend--jij
bent zeker nooit sikker geweest, in je jonge dagen, hé? Jij lust ze
zeker niet, hé?
--Wel ja, 'k zou nog partij trekke voor dat stelletje, roept de
groenvrouw en nijdig bijt ze den kerel toe:--jij bent zeker, toen je
zoo'n aap van 'n jaar of vijftien was, ook al aan de jandoedel geweest,
daarvan zie je d'r nou ook uit als een vieze vaatdoek--en met den
elleboog hem op zij stootend:--Ga weg vuilik!
--En we gane nog niet do-od, niet do-o-od! joelen de jongens, zonder
ophouden.
De menigte groeit aan en verspert de nauwe straat, zoodat de rijtuigen
niet dan met moeite kunnen voorbijkomen.
Allerlei meeningen worden door de verzamelde menschen uitgesproken, maar
niemand steekt een hand uit om de jongens van de stoep te halen, totdat
een fatsoenlijk burgermeisje, dat eerst met uitgerekten hals,
nieuwsgierig, tusschen de anderen door heeft gekeken, eensklaps een
kreet uitstoot en dan naar voren dringt, tot dat ze vlak voor de stoep
is.
Bleek van schrik, bevend en onthutst staart ze de jongens aan; bijna
schreiend zegt ze:
--Och God, 't is Piet! En meteen bukt zij zich naar den jongsten knaap,
vat hem bij den arm en tracht hem op te heffen.
--Och God! wat zal moeder schrikken, toe kom met me meê dan zal ik je
naar huis brengen.
De jongen ziet haar versuft aan, en beproeft op te staan, de andere
knapen trekken hem weer naar beneden op de stoep en onthalen het meisje
op de gemeenste, liederlijkste scheldwoorden.
--Kom Piet, luister nou niet naar die schooiers, ga nou maar meê; ik
zal wel zorgen dat moeder 't niet merkt.--Toe dan, kom! en tot de
menschen, die het geval aangapen, zegt ze schreiend:
--Hij is pas dertien jaar en moeder is weduwe,--en dat's nou al de
tweede keer van de week,--kom Piet, toe jongen!--hou je maar aan me
vast.--Blijf jelui van m'n lijf af, gemeene rakkers, toe Piet!... is d'r
dan niemand die me 'reis helpen wil?
Een paar mannen komen eindelijk het meisje te hulp--de jongen wordt op
zijn beenen gezet en aan den arm van zijn zuster, die hem met goede
zachte woorden zoekt te paaien, gaat hij eindelijk, zonder pet, gehavend
en vuil, een eind mee, maar niet verder dan tot op de brug; daar bedenkt
hij zich, rukt zich met geweld los en presenteert vloekend zijn zuster,
als ze hem nog langer vasthoudt, een pak slaag. Schreiend keert het
meisje terug, langzaam haar broer volgend, die zijn kornuiten weer
opzoekt.
EEN LANDGENOOT.
We zaten, na 't diner, gezellig pratend en koffie drinkend aan tafel,
onder de begroeide veranda van 't hôtel de France te Versailles, toen we
op een kleinen afstand een soort heer ontwaarden, die met een slip van
zijn zwarte demi-saison de glazen van een kleinen tooneelkijker
afpoetsend, langzaam nader kwam. Hij droeg een pince-nez, gooide die met
een kort hoofdrukje van zijn neus en keek aandachtig door zijn kijker nu
eens schijnbaar oplettend naar het paleis van Versailles, dat door het
reeds dalend zonlicht rose werd gekleurd dan weer naar ons.
--Wat 'n brutale man, zei een onzer dames, hij neemt ons waarlijk
heelemaal op.
--Wat zou hij willen? Kijk! hij komt dichterbij en hij beziet ons hoe
langer hoe scherper; dat 's wel 'n beetje al tè, beweerde een ander.
De man naderde, stak de tooneelkijker in zijn linker jaszak, haalde uit
een beugeltaschje, een andere, kleine jumelle, keek nog eens naar het
kasteel, toen weer naar ons en trad al poetsend en vegend met zijn
jasslip, vlak voor ons tafeltje.
--Bonsoir, mesdames, messieurs! Permettez moi de vous offrir une belle
jumelle? Tres bon marché!
--Merci!
--Vraie nacre, verres achromatiques, très jolie, avec étui, un Louis!
--Non merci, nous en avons!
--Nous en avons même a vendre! lachte een der dames.
--Madame veut rire: madame ne fait pas le même article, hein?
Hij lachte en ik zag hoe onder zijn knevel zijn mond reeds tandeloos
werd. Zijn grijze baard was netjes geschoren aan de kin en zijn nog
heldere, donkerbruine oogen keken met een slimme uitdrukking van onder
dichte wenkbrauwen naar ons groepje.
--Precies een verfranschte Hollandsche brillenkoop, fluisterde ik mijn
buurman toe, en toen de man vlak bij mij stond zag ik dat hij een
uitgerafeld halfhemdje droeg en een boordje dat, even grijs als zijn
baard, aan ééne zijde flauw lag over een rood en blauw geruite, zwierig
gestrikte Parijsche das. Zijn zalmkleurig vest was evenals zijn grijze
pantalon, vol vetvlekken en de manchetten, die hun franjeachtige randen
over zijn gerimpelde handen uitstrekten, waren eenmaal wit geweest. Een
nieuwe pince-nez, met een prijsetiketje op een der glazen geplakt,
bungelde tegen de uitgesleten knoopsgaatjes van zijn frontje en het
donkergrijze jacquet, dat onder zijn zwarte overjas uitkeek, had beter
dagen gekend. In de verte zag hij er uit als een toerist, van dichtbij
bekeken als iemand die men onmiddelijk met "goede vriend" of "koopman"
aanspreekt.
--Une marchandise sans pareil, travail exquis! zei hij, de jumelle
aanbiedend.
Zijn accent verried onmiddelijk, dat hij geen Franschman was en in de
uitspraak van zijn l's en r's klonk ons een zeer bekend jargon tegemoet.
--Hij is bepaald een zoon van de Breestraat, lachte een van ons
gezelschap half luid en toen hij nogmaals aanhield met:--Je vous prie
mesdames, regardez donc un moment quel travail, en de paerelmoeren
montuur van den kijker in het zwakke zonlicht liet glanzen, zei
ik:--Neen dankje, 'k heb kijkers genoeg thuis, merci!
--Menheer is een Hollander? Ik ook! Wat 'n gezegend toeval, landslui te
ontmoeten, nou ben ik als zeker, dat ik 'n kijkertje aan je verkoop.
--Zoo! Nu, dan kon je je wel eens vergissen, ouwe heer--we hebben wel
zes kijkers thuis.
--Is meneer dan ook in de optiek, ook van 't vak.
--Neen, dat nu juist niet, maar we zullen toch geen gebruik van je
aanbieding maken.
--De dames dan misschien?
--Neen, wij ook niet!
--Alweer mis! 'k Heb vandaag m'n boozen dag, nog niks verkocht en 't is
haast avond. Enfin! 't doet me toch pleizier dat 'k 'reis weer
Hollandsch kan spreken. Je zou hier je moedertaal vergeten, n'est ce
pas?
In den vreemde maakt men licht een praatje, wanneer men een landgenoot
ontmoet vooral wanneer hij een type is, en dat was de koopman in
jumelles zeker. Hij had iets leuks, iets grappigs over zich, dat ons
deed zeggen:--We hebben waarlijk geen kijker noodig; maar we willen wel
eens babbelen, wil u een glas bier?
--Un bock, mais volontiers! van een compatriot kan 'n mensch altijd wat
accepteeren.
--Garçon, un bock pour monsieur!
De garçon bracht het gevraagde en terwijl hij het glas bier op tafel
zette, keek hij eerst den koopman en toen ons ironisch aan. Hij zocht
blijkbaar naar de reden van onze plotselinge familiariteit met een man,
die er volgens zijn begrippen nòch comme-il-faut, nòch correct uitzag.
--Op uw gezondheid dames! Messieurs à votre santé.
--Een Hollandsch sigaartje er bij meneer...?
--Nègotiant! Aäron, Joseph Negotiant, meneeren! hij haalde een vettige
portefeuille uit zijn binnenzak, nam daaruit eenige, op de vouwen
versleten, groezelige papieren en zei:--'n mensch kan niet te
voorzichtig wezen met z'n kennismaking in den vreemde, er loopen hier
veel chevaliers d'industrie, hier is m'n geboortebewijs--en dit is 'n
papier van den maire van mijn arondissement en daar heb je m'n
verhuisbiljet naar Parijs. Ben ik nou een Hollander of niet?
--Jawel, u is een Hollander, dat had ik al lang aan uw spraak gehoord en
ik wist ook al ongeveer waar u geboren is.
--Welzoo! en waar dan?
--Te Amsterdam, op de Snoekjesgracht of op 't Waterlooplein.
--Mis! op de Breêstraat vlak bij de St. Theunis!
--Accoord! dat kan uitkomen; hier steek eens op!
--Met genoegen. Hij nam een sigaar, bekeek, berook en besnuffelde haar
van alle kanten en zei:--hum! dat is fijn spul en lei ze toen
voorzichtig op tafel,--U permitteert? Hij nam een stoel--ik ben 'n oud
man, den heelen dag geloopen--u is een knaapje bij mij vergeleken, ik
ben twee en zeventig, hè, hè! Even steunend ging hij heel familiaar, als
waren we reeds oude kennissen, bij ons zitten.
't Was een aardig type, hij had iets erg vrij's over zich, dat een
glimlach afdwong, maar hij bewoog zich toch met een zekere reserve en
wist hoever hij gaan kon.--'k Ben al veertig jaar in Frankrijk, 'n heele
tijd, zei hij, even van zijn glas proevend.
--En al dien tijd in de optiek?
--Neen! waarachtig niet, eerst in de diamanten--ik ben slijper en zetter
en later handelaar geweest, maar ik heb malheur gehad in de zaken.--Ik
ben altijd te eerlijk en te goed van vertrouwen geweest, weet je--ik heb
ieder 't zijne willen geven, ik kon geen mensch bedriegen en daarom ben
ik uit m'n vak gegaan. 'k Ben een gammor (ezel) en een schlemiel
(ongeluksvogel) in zaken! Als ik had gewild was ik een rijk man
geworden, maar--hij knipte erg leuk met zijn linkeroog--'k hou niet van
gevaarlijke zaken, ik heb altijd gedacht: je zal d'r met
rechtvaardigheid ook wel komen, eerlijk duurt het langst--nou bij mij
duurt 't al veertig jaar, lang genoeg hè!
--En ben je nu binnen, meneer Negotiant?
--Binnen? 'k ben nooit zoo erg buiten geweest als nou, 'k heb den dalles
(armoed) hoor je! Hebben de dames nou geen idee in dit kijkertje; is dat
je vrouw, meneer?
-Ja!
--Nou koop dan die jumelle voor d'r; ze houdt er geen oog af, ze is d'r
dol op, nietwaar Madame?
--Neen heusch niet!
--En uwe kijkt toch zóó...! hij knipte weer allerleukst met zijn
linkeroog, streek over zijn grijzen knevel en lachte.
--Mevrouw kijkt toch niet naar mijn, hè? 't Zou zonde en jammer wezen,
want ik ben maar een oud man; 'k heb anders in mijn jonge jaren oogies
gehad van de dames. Neen lach uwe nou niet, ik was een erg knappe
jongen; m'n vrouw zaliger zei altijd: Aäronleben, je mag d'r wel
wezen!--Dus wil uwe mijn niet en mijn kijkers ook niet? Enfin! dan
spreken we over wat anders. Vindt u niet dat ik nog goed Hollandsch
praat?
--Prachtig!
--Ja, en toch ben ik er nou al in geen acht-en-twintig jaar geweest, 'k
was eerst niet van plan hier te blijven, maar een mensch weet nooit
zijn eigen noodlot. Je gaat heen als vrije jongen, je maak amours,
blijft hangen aan een vrouw, je trouwt, je krijgt familie--neen! hij
wachtte even--ik heb geen familie; alles wat ik had is dood--'k ben
weêr--hij lachte, pijnlijk knippend met zijn linkeroog, een célibatair,
nog à prendre dames, twee-en-zeventig jaar, gezond goddank en met een
eeuwigdurende dalles.
--En wanneer was u 't laatst in Holland?
--Tijdens den oorlog van 70. Ik zag d'r niks in om mee te doen, waarom
zou ik die Duitschers, die me niks gedaan hebben, gaan ongelukkig maken
door op haarlui te hakken of te schieten--ik ben een rakker als ik begin
zie je? En daarom dacht ik: hou je liever nergens mee op en ga een
visite brengen aan je familie in Holland. Dat heb ik gedaan; 't beviel
me niks meer in Amsterdam, maar oorlog beviel me nog minder.
--Was u bang?
--Bang! wie is d'r nou bang als ie 'n man is? Neen ik dacht zoo bij me
zelf: als de Pruisen beginnen te bombardeeren, kunnen ze aan mijn neus
niet zien of ik een Franschman of een Hollander ben. Ik heb met d'rlui
ruzie niks te maken. Ik ben een man van de vrede. Als ik bij vergissing
zoo'n Duitsche granaat of een puntkogel in m'n maag krijg ben ik voor
goed gesjochte, want wie betaalt mijn schade?--Ik kan toch geen bordje
voor mijn lijf hangen met: _niet raken, ik ben geen Franschman!_ Ik heb
stilletjes te Amsterdam de kat uit den boom gekeken en toen hier alles
weer koscher was ben ik weer naar Parijs gegaan.
--Waarom bleef je niet in Holland, meneer Negotiant?
--Och Holland is heel goed, maar Parijs is beter. Amsterdam was me te
stil, je heb er geen Boulevards, geen chic, geen lui die geld verteren.
De Hollander is 'n man die geld verdient, maar d'r op blijft zitten, de
Franschman, de vreemde geven uit al verdienen ze niks. Voilà la
différence! Hier is altijd nog wat te verdienen, al is 't maar met de
optiek. Heb u geen pince-nez noodig mevrouw, uw neus is d'r als voor
geknipt, 'k heb nog een mooie gouwe.
--Neen, dank je wel, ik kan uitmuntend zien.
--Nooit zoo goed als door mijn brilletjes, maar ik wil u niet forseeren,
anders heb ik nog een face à main ook en kijk 'reis wat 'n heerlijke
tooneelkijkers!
In een oogwenk haalde de koopman eenige lorgnetten en pince-nez uit zijn
zak, uit zijn taschje een paar tooneelkijkers en uit zijn binnenzak een
klein ivoren jumelle en een bril. De man zweette letterlijk optische
instrumenten uit. De dames lachten en hij knipoogde, terwijl hij met een
quasi treurig gezicht zijn koopwaar opbergend, vervolgde: ik ben en
blijf toch een schlemiel, d'r zit geen affaire voor me an vandaag!
--En heeft u geen verlangen naar Holland? vroeg ik, om hem van zijn
stokpaardje, de optiek, af te helpen.
--'t Blijft altijd je geboortegrond, maar je koopt er niks voor, 't is
in Holland ook al een povere boel, in de diamanten zit geen zegen meer
en de menschen kijken d'r als valken--hier benne ze kippiger en hier
dragen 'n boel lui een glaassie alleen voor de chic, snap je 't?
--En is er niets nieuws te Parijs, meneer Negotiant?
--Waarom zou d'r niet? Alles is nieuw te Parijs.
--Ook iets nieuws in de Dreyfuszaak?
--Man, spreekt me assieblief niet van de Dreyfuszaak! 'k Heb d'r meer
dan te veel schade van gehad; miserabele affaire?
--Hoezoo? waardoor?
--Vraag je dat nog? 't Leit toch voor de hand, ze zien an m'n extérieur,
dat ik ook een joodje ben, tegenwoordig is dat 'n crime. De Parijzenaars
bennen dom weet u, oliedom; ze schreeuwen mekanderen na: à bas le juif!
gelooven alles wat er tegen ons gedrukt wordt in de kranten--en de
presse is vuil in Frankrijk, vuil tegen de joden. Die "Libre Parôle" met
die monsieur Drumond als redacteur maakt de menschen razend, dol jegen
de Israëlieten en wat hebben de joden derlui voor kwaad gedaan? Niks,
geen zier, ze bennen alleen 'n beetje pienterder dan de Franschen, die
hebben te veel spek in den kop, zooals wij zeggen, die laten zich
lijmen, de eene helft door de geestelijkheid, de andere door de
schreeuwende republikeinen en allemaal samen door de mooie vrouwtjes;
elegant bennen ze hier, waarachtig; om te zoenen hoor je! Maar serpenten
en krokodillen als je ze in derlui binnenste bekijkt--allemaal azen ze
op de centen. Oui monsieur! l'Or n'est qu'une chimère, zingen ze in de
opera, maar 't is hier net omgekeerd--voor l'or doen ze hier de malste
dingen, voor l'or is hier alles te koop; ze bennen d'r gek op--behalve
Rothschild, die gooit er mee! Geeft me die man tweemaal honderdduizend
francs zoo maar in eens cadeau aan de armen. Wat 'n gezegende man!
--Hoe zoo, wat bedoel je?
--Wel heeft u niet gelezen dat hij Zondag de Grand Prix heeft gewonnen
bij de courses en dat hij dadelijk die heele prijs aan de armen gaf; dat
's nou toch ook een jood, waarom schelden ze hem nou niet uit en mijn
wel. Ik heb geen twee ton francs te geven en als ik ze had, deed ik 't
nog niet. Ja, ik ben daar zoo'n gammor als Rothschild! Ik heb de last
gehad, hoor je, ik heb het dagelijks ondervonden, zelfs bij mijn vaste
klantjes kreeg ik refus: ze wouën niet meer van me koopen omdat 'k een
jood ben, een broertje van Dreyfus, le traitre. Gekheid, groote gekheid,
hoor je, die Dreyfus is zoo onschuldig als een pas geboren kind, altijd
een braaf man geweest, zoo waarachtig als ik hier zit, zoo braaf zulle
uwe en ikke met permissie, wezen. Ik zal maar zoo vrij wezen--hij greep
naar de lucifers op tafel, streek er een paar af zonder dat ze branden
wilden en bromde:--gemeene lucifers hier, en 'n stuiver een doossie, die
hebben ze in Holland toch beter.... Hum! hè-hè! hij snoof met groot
welbehagen den rook van zijn sigaar op, lekker, lekker! zoo'n sigaar
betaal je hier met cinquante centimes en dan is ie nog niet half zoo
goed.--Enfin! ik wou maar zeggen dat voor mijn part die Dreyfuszaak voor
goed uit is, m'n vak lijdt er onder--nou heb ik de glazen nog eens extra
opgepoetst, kijk er nou 'reis door Madame? Hij reikte over de tafel heen
de jumelle aan een der dames toe.
--Daar komt net 'n artillerie-officier an, 't benne knappe posturen,
maar ook al traitres misschien.--Hoe kijkt ie nou? Heb u nou zoo'n
pracht-jumelle thuis? Ik wil d'r een fatsoenlijk bod op aannemen....
--Heusch niet! we hebben tooneelkijkers genoeg.
--Nou madame, kijken kost toch niks--mooi gemonteerd, zuivere nacre en
echt verguld; 't is een stuk voor je leven--wat is 't je waard?
--Niemendal!
--Voor niemendal heb je alleen de dood,--alles kost anders geld, vooral
hier in Frankrijk, peperduur!
--Och! ik dacht dat men hier ook heel goedkoop kon leven.
--Wat zou 't? Je hebt hier meer geld noodig dan in Holland, maar je
leeft ook beter; ik verteer alle middagen een franc voor mijn diner;
fijn, met een glaasje wijn d'r bij. In Amsterdam kun je voor drie vier
stuivers eten, maar 't is buikvulling, meer niet.
--En is 't koscher wat je voor die franc krijgt?
--Nou! dat weet ik niet,--'t is hier meestal treife, maar wat zal je
doen, eten moet je toch en ik zal maar denken: vieze varkens worden niet
vet--hij kwam heel dicht bij mij en lachte: 't Is eigenlijk heelemaal
een treife boel in Parijs 't eten, de zaken, de heeren, de vrouwtjes, de
militairen, de ministers--stil Aäron hou je mond--je bent ook Franschman
op 't moment--maar u begrijpt er alles van, n'est ce pas?
Mijnheer Negotiant, je raakt heelemaal van je à propos af, we hadden 't
over de Dreyfuszaak ik wou juist uw opinie eens daarover hooren. U houdt
hem bepaald voor onschuldig ... en Esterhazy?
De jumellenkoopman sprong eensklaps een klein eindje van zijn stoel op,
nam zijn sigaar uit den mond, stak het hoofd over de tafel heen zoover
hij kon naar ons toe, knipte een paar maal erg geheimzinnig met zijn
oogen en terwijl zijn stem onder uit zijn vestzak scheen te komen, zei
hij:--Dreyfus is een schlemiel, maar Esterhazy is de grootste gauwdief,
een zakkenroller, de geraffineerde schurk, die z'n kop moest afgeslagen
krijgen op de guilotien! Wat 'n vuilik! Wil ie toch de joden als
konijnen doodslaan met 'n stok--waarom, waarvoor? Hebben wij den man
ooit wat gedaan?--Hij moest met de stok hebben, dat ie niet zitten of
loopen kon, zoo'n smerige ophakker, zoo'n gaszer--hij is de traître, hij
heeft het borderel geschreven, hij hoort op 't Duivelseiland in plaats
van die brave Dreyfus, maar dan moesten ze hem tot aan zijn hals in den
grond graven, anders komt die gewikste vuilpoes d'r toch nog
uit.--Esterhazy heeft de heele boel in de war gebracht; Dreyfus is een
knap man, maar hij wist te veel van de streken van de groote oomes, hij
had achter de schermen gekeken, snap je? En hij deed niet meê. Waarom
zou ie meedoen, had ie toch niet noodig, centen genoeg, 'n mooie vrouw,
lieve kinderen, maar hij moest er tusschenuit, juistement omdat ie niet
corrompu is, en toen zeiën ze: hij is een jood, wij bennen christenen en
dus zooveel beter, daarom staken die heeren van de grrande arrmèe de
koppen bij elkander en riepen: "D'raus muss der jid!" De jood moet de
laan uit, hij doet z'n dienst goed, hij is een braaf huisvader, hij
speelt niet, hij drinkt niet, hij houdt er geen maitressen op na. Wat 'n
fatsoenlijk man! Die kunnen _wij_ niet in ons midden verdragen; toen
hebben ze gesmoesd, gesmoesd met mekanderen en----Enfin! toen was ie
ineens een verraaier, een traitre, die zijn land had verkocht. Gekheid,
hoor je! een jood verkoopt zijn land niet, daarvoor is hij veel te
gochem, weet je wat ie soms wel verkoopt? Goed waar een luchie aan zit.
Ik zou ook een heel ander man wezen als ik van _dat_ goed verkocht had,
maar ik ben te eerlijk vat je--ik durfde nooit, want ik wou niks met de
politie te maken hebben, daar zit geen centiem massel an--maar d'r
bestaan hier joden, die d'r schatrijk van benne geworden--kijk u nou
'reis even door de binocle, daar komt in de verte een tram aan--je kunt
de menschen herkennen--'t is toch zonde dat u dit instrumentje niet van
me koopt Mevrouw! In heel Holland vind je zulke glazen niet--zal ik je
nou in ernst de prix fixe zegge?
--Neen! dankje, positief niet, ik heb er twee thuis.
--In godsnaam, 't is je eigen schade ... 'k mag lijen dat die
Dreyfuszaak maar uit _blijft_, want de affaires beginnen nou net weer
zoo'n beetje te marcheeren. Hier te Versailles heb ik in de laatste
maanden niks niemendal kunnen doen, door die zitting voor Zola--hij nam
even zijn flambard af.--Dat is een groot man, een braaf man, een genie,
een beroemd man, die verdient alsdat ie een jood was. Ik heb hem gezien
uit de verte toen ie naar de zitting ging en 'k heb an 'm gewonken en
m'n hoedje voor hem afgenomen--omdat ie de rechtvaardigheid voorstaat.
J'accuse!--dat 's 't grootste, 't mooiste en 't heldhaftigste woord wat
ie ooit heit gezeid. D'r bestaan duizenden menschen, die d'r eigen nog
wel 'reis bedenken zouen voor ze "J'accuse" gingen zeggen tegen de
bierkaai--want tegen de gouwe torren van de Fransche Republiek, de
generaals en de militaire groothedens kan je niet vechten--en toch had
Zola daar courage voor. Wat 'n man--als ik 'm ooit tegen 't lijf loop,
zal ie 'n mooie pince-nez van me cadeau hebben, met zoo'n nieuwe
springveêren montuur, die niet knijpt over den neus--moet u er geen
hebben, mijnheer, je knipt zoo met je oogen als je in de verte kijkt;
zwakte van 't gezicht man! Daar moet je bij tijds bijwezen. Hier!
probeer dit lorgnetje 'reis, licht als een veertje.--Hij stak zijn hand
naar een van de heeren uit en drukte hem eensklaps een pince-nez voor de
oogen. Niet hebben? ook goed, Gunst, man kijk maar niet zoo benauwd--ik
kom niet an je neus en ik zal je geen pijn doen! Gerust, je neus heeft
wel wat van dien van Zola, die heeft er ook zoo'n deukie in, Zola is de
grootste man van de heele wereld en gekheid hoor, dat ze van hem zeggen
hij heeft z'n pen verkocht aan de joden. Malligheid! hij hoeft niks te
doen voor de duiten, hij kan zachs eerlijk wezen, hij is een maal of
vijf millioenair, waarom zou je dan niet rechtvaardig doen. Hij heeft
geen centen noodig--en reputatie? Die heeft ie ook genoeg, iedereen weet
dat ie boeken schrijft die 'n beetje,--nou enfin, de dames zullen me
niet kwalijk nemen--die zoo wat hobbeldebobbel loopen--niet voor jonge
meissies, 'n getrouwde vrouw mag d'r in lezen want d'r komt zoo'n beetje
in van cocottes en de demiemonde en van de ... enfin--hij is toch een
man, waar de heele wereld respekt voor heeft, en die uitgever van 'm,
|