|
|
't Is om er wee van te worden. Wanneer men de oogen sluit en den
twijfelachtigen geur opsnuift, weet men waarlijk niet _wat_ men ruikt,
want door de temperatuurhitte en noodzakelijke verhooging van 10° door
de warmte van het fornuis, ruikt alles even vies, scherp en branderig.
Ik geloof haast dat de vettige lucht der ranzige olie, die gebruikt
wordt om de assen en krukken der machine te smeren en die uit het luik
der machinekamer tot ons komt, nog de voorkeur verdient.
Onder de zonnetent praat iedereen over de hitte.
De een blaast naar links, de ander naar rechts, onophoudelijk zijn de
zakdoeken en hoeden in de weer om koelte aan te brengen door er mee te
wuiven. Gelukkig zij, die een waaier heeft.
"Entsetzlich heiss!" roept een bejaarde dame.
"Kolossal, piramidal!" schettert een luitenantje.
"Unausstehlich, fürchterlich!"--zucht een jong meisje met een hoed à la
Kate Greenaway op--en beschut door het reuschachtige gevaarte, dat haar
lief jong gezichtje niet al te bevallig omgeeft--maakt ze ter sluiks een
knipoogje tegen een heer, die tegenover haar, met een monocle in 't oog,
onophoudelijk aan zijn scherpgepunte knevels draait.
Hij is "de Hij"--van die Zij.
't Is haast te warm om verliefd te zijn, maar wat vraagt Amor naar
graden Celsius of Réaumur of Fahrenheit.
Hoe warm het ook moge zijn, hoe zeer ook het kwik in den Thermometer
stijgt, toch zijn er op de boot twee wezens, wier harten een hooger
warmtegraad aanwijzen.
Bovendien, dat er op een Lokaldampfer met zulk een menigte passagiers
een Hij en een Zij gevonden worden, is niet meer dan natuurlijk.
En welk een Hij! Verrukkelijk gepomadeerd trotseert zijn glimmende
haardos hitte en zweetdroppels. Een heerlijke hyacintkleurige das
begrenst een schitterend wit boordje (ik geloof vast dat de man het pas
heeft aangedaan). Een prachtig wit vest waarop 't zwarte koordje van
zijn oogglas scherp afsteekt, strijdt èn door snit èn door fijnheid om
den voorrang met een lichtgrijs jacquet en een bijna hemelsblauwe
pantalon, die zijn beenen nauw omsluit.
Onafgebroken staart hij door het lorgnet zijn schoone aan; wel glijdt
het glas nu en dan uit zijn oog door de glibberigheid van zijn
huidplooien, maar telkens doet hij het instrument zijn plaats hernemen
en onvermoeid tuurt hij naar 't knipoogend meisje.
En zij!--Zij bloost van warmte en verliefdheid.
Haar teere vingertjes in glacé, gris-perle geperst, spelen met een
roosje, dat half bezwijmd aan den dunnen stengel hangt. Een licht grijs
kleedje omsluit haar wespentaille en doet haar verdere bekoorlijkheden
alle recht wedervaren. Naast haar dommelt een individu met een
kanariegele, veel te wijde pantalon en een lustren jasje aan, dat hem
als een zak om 't lijf hangt. Zijn stroohoed rust op zijn knieën en zijn
handen hangen slap langs zijn omvangrijk lichaam.
Dikke droppels parelen op zijn voorhoofd en zelfs zijn kale schedel is
als met een zachten dauw overtogen--terwijl langs zijn breeden, dikken,
rooden neus een dun waterstraaltje afloopt.
Plotseling laat de man zijn dikke onderlip zakken, zijn neusgaten worden
wijder en een geluid als 't zuchten van een nijlpaard doet de jonge
schoone opschrikken uit de mijmerende beschouwing van haar "hij".
Met een niet zeer lieve uitdrukking op haar gezicht stoot zij den naast
haar zittenden man aan met de woorden.
"Aber Papa!"
"Hé was ist?"
"Du scharchst ja!"
"So ja! 's ist auch so verdammt heiss."
"Aber Papa?"
Papa doet alle mogelijke moeite om wakker te blijven, maar de natuur
eischt haar recht, en trots alle "aber Papa's" van de jonge dame en de
min of meer spotachtige aanmerkingen van den monocledrager, dommelt de
brave man telkens weer in, tot dat we Rüdesheim naderen.
Ik haak naar het oogenblik, dat we zullen landen; mijn reiskameraad doet
niets dan blazen en zich 't gelaat afvegen. Als wij eindelijk den voet
op de loopplank zetten, zegt hij:
"'k Geloof dat we toch wijzer hadden gedaan, om kalm te Biebrich te
blijven; dat watertochtje is mij niets bevallen."
"'k Ben 't met u eens; we hadden 't daar goed, maar we haakten naar
beter."
De boot stoomt verder.
Wij zoeken in den tuin van 't hotel "Zum Rhein" een schaduwrijk plaatsje
aan den Rijnkant, drinken overheerlijk koelen Rüdesheimer en als 't
langzaam avond wordt, lachen wij om het denkbeeld dat wij bij 28° in de
schaduw, op een "Lokaldampfer" koelte zochten.
DE LAATSTE DER OEMPAH'S
't Begint al meer of min te schemeren, de lucht is donker en zwaar van
buien, langzaam uit 't Zuidwesten opkomend, nu en dan sneller
voortgestuwd door den wind, die soms met een plotselingen stoot
henenvaart tusschen de hooge huizen en spichtige schoorsteenen der
groote stad, enkele dikke druppels en sneeuwvlokken voor zich uit jagend
als de voorboden van ruw, koud weer.
't Wordt allengs donkerder--op enkele plaatsen in de tochtige stegen en
sloppen, waar de oude, bouwvallige, kille huisjes, als bij elkander
steun en warmte zoekend, zich opèèndringen, schemert reeds roodachtige
lampenschijn door de stoffige ruiten en gore gordijntjes, waarachter
arme menschen huiverend en hongerig hun leven vol zorg, in doffe
onverschilligheid voortleven.
Uit een dier smalle steegjes, uit een huis waarvan de trapdeur nooit
gesloten wordt en waarin een aantal huisgezinnen opeengepakt zijn, is
hij langzaam, moeilijk loopend, bijna hinkend te voorschijn gekomen, de
ongelukkige Oempah!
Hij is gewond, hij bloedt nog, want gisteren heeft hij in een potscherf
getrapt, toen hij vluchten moest voor zijn vijand den politieagent. Zijn
schoenen beschermen zijn voeten niet meer, ze zijn gescheurd en
versleten en bedekken nauwelijks de grove wollen sokken vol gaten.
Treurig sluipt hij voort over de glibberige straat.
Hij, die eens een fiere krijger was, die, trotsch en moedig een
brieschenden schimmel bereed, hij sukkelt nu langzaam verder met
knikkende knieën en met gebogen hoofd. Zijn moede, donkere oogen,
waterig door alkohol en verkoudheid, staren dof en doelloos voor zich
uit.
Snuffelend haalt hij den rooden, kouden neus op en in zijn ongeschoren,
reeds grijs wordende stoppel-baard rollen nu en dan een paar zilte
tranen,--zóó erg heeft de arme Oempah het beet.
Schurkend met de schouders en rillend--het grijs-groene, rafelige jasje,
dat hij over zijn eenmaal rose sporthemd draagt, is, evenals zijn te
korte geruite broek, veel te dun voor 't seizoen--schommelt hij een der
minder bezochte hoofdstraten in. Onder zijn jasje, tegen zijn borst
gedrukt, verbergt hij iets wat hem heel dierbaar schijnt te zijn, want
hij drukt het met den linkerarm stijf tegen zijn hart en met de
rechterhand voelt hij er nu en dan naar, als meende hij het te zullen
verliezen. Zijn rechterbroekzak puilt geweldig uit door iets glimmends,
dat hij telkens zorgvuldig met een pand van zijn jasje zoekt te
bedekken.
Hij is onrustig; schichtig ziet hij om terwijl hij voortgaat over de
natte keien der groote stad, die hem, den vreemdeling, verstoot en
vervolgt.
Hij balt de vuisten, zijn lippen trillen en somber fronsen zich zijn
dichte, nog donkere wenkbrauwen, als hij plotseling terugdenkt aan den
tijd vóór hij zich bij den stam der Oempah's had aangesloten,--aan dien
goeden tijd toen hij, de vrije zoon der bergen, jong en sterk, op zijn
vurig ros gezeten, het oorlogspad opging en de jonge meisjes haar
woningen uitkwamen om hem te zien en vriendelijk toe te lachen.
Toen was hij nog rijzig en welgemaakt, schoon in zijn krijgsdos met den
wuivenden vederbos op het hoofd, den fladderen mantel om de schouders!
Toen was zijn oog helder en scherp als dat van den valk en als zijn
krachtige adem in den krijgshoorn blies, weêrgalmden bosschen en velden
van 't geluid en werden de echo's der bergen wakker. Jong en oud
begroetten hem juichend als hij door de dorpen trok en overal bood men
hem spijs en drank en de eereplaats bij het vuur. En toen hij het
oorlogspad verliet, rieden enkele ouderen, wier grijze haren van
wijsheid en kalmte getuigden, hem aan, zich bij hen te vestigen, een
vrouw te kiezen en rustig in hun midden te blijven en te leven van
akkerbouw en veeteelt,--maar hij wilde niet, hij had nog te veel wilde
haren, daarom sloot hij zich aan bij een stam Oempah's, die een zwervend
leven leidden. Zijn oorlogsdos verwisselde hij voor het kleed der
Oempah's, een groenachtige fantasieuniform met geel katoenen passanten
op de schouders en glimmende koperen knoopen. Hij zette een platte,
groene pet op, zonder klep, met een geel biesje er om en een kleine rood
en zwarte kokarde er aan. Zijn beenen omkleede hij met een witte broek,
die, ofschoon meestal bemodderd en beklonterd, toch niet gescheurd was,
en aan zijn voeten droeg hij groote lederen schoenen met sterke
bespijkerde zolen.
In plaats van in den krijgshoorn blies hij nu op een halfsleten cornet à
piston--onwillekeurig drukt hij de hand tegen de borst, ze rust daar
thans nog; zij is hem trouw gebleven ook in zijn verval.
Hij herinnert zich hoe hij haar kocht van den hoofdman der Oempah's, die
den stam verliet om zich ergens in een klein dorp als schoenmaker te
vestigen, omdat hij begreep dat er meer brood in 't lappen en maken van
schoenen, dan in 't blazen van wals, potpourri of marsch stak.
Met die "cornet" nam hij tegelijk het bevel van den troep over en
terwijl hij nu, rillend van kou en met een bonten kiespijndoek om 't
hoofd onder zijn roodzwart, rond hoedje, sukkelig, armzalig verder gaat,
komt zijn geheele bende hem weer voor den geest. Onwillekeurig glimlacht
hij even als hij ze plotseling in gedachten voor zich ziet: de lange
magere, sproeterige klarinettist met den rossigen sik en den blauwen
bril; de breedgeschouderde, dikbuikige, roodwangige, blonde reus, die 't
piccolo-fluitje zoo schel bespeelde; de altijd opgeruimde, goedmoedige,
bijziende snorrebaard met zijn schuiftrompet; de scheefgegroeide
vlasblonde boerenkinkel die melancholisch in den waldhoorn blies en het
allerkleinste Oempah'tje, bijna bezwijkend onder 't gewicht van den
grooten bashoorn, waarmeê hij de andere instrumenten begeleidde door het
onophoudelijk, blazend en hijgend uitgestooten: Oempah--Oempah--Oempah!
Toen had hij geen gebrek aan brood en bier, àl leefde hij ook van den
eenen dag op den anderen, toen sliep hij soms op een bed, soms in een
hooiberg of op versch gedorscht stroo in een schuur--maar hij sliep
rustig en met een gevulde maag ... en nu? Nu is hij de schim van 't geen
hij eens was.
De groote stad is zijn ongeluk geweest. Hij had dáár nooit moeten komen,
ten minste er niet moeten blijven, maar zijn noodlot in de gedaante van
een dikke, overvriendelijke en al te toeschietelijke vrouw, die in een
der buitenwijken een welbeklante tapperij hield, had hem bereikt--en
vastgehouden. Zij beweerde een hartstochtelijke liefde voor muziek te
hebben, terwijl haar flegmatieke man tegen zijn buren volhield; "dat het
meer de muzikant was, die haar aantrok en dat de Oempah #zijn
onversneden# in zijn dorstige moffenkeel goot, omdat "de vrouw" zei
dat hij er niets voor #mocht# betalen, maar dat 't hèm niet schelen
kon, als ze hem maar met rust lieten." Intusschen togen de andere
Oempah's, minder gevoelig voor de aanmoedigende blikken der bazin en den
Hollandschen jenever, verder onder aanvoering van den klarinettist, die
de cornet nooit had kunnen lijden omdat hij zijn instrument
overschetterde.
De Oempah hield van zijn gemak en bleef dus bij de vrouw, die hem in
haar vleezige armen en bij haar steeds welvoorziene tapkast
vasttooverde.
De baas uit de "Visschende reiger", een dikke waterzuchtige man, die,
altijd rookend, op zijn gebloemde pantoffels en in zijn overhemd en
bretels, in het kleine tuintje achter de tapperij stond te soezen over
't voortreffelijke van zijn eigen consumptie en elken dag
onverschilliger, rooder en opgezetter werd, was eindelijk
schouderophalend zijn vriend geworden om met "de vrouw" vrede te houden,
daar hij den toestand zóó 't gemakkelijkste vond. Zóó deelde de Oempah
geruimen tijd met het echtpaar de woning, waarin de "onversneden" hem
allengs beter en de vrouw hem langzaam aan minder beviel.
Toch bleef hij, omdat de bazin hem 't leven, "lui en lekker" maakte en
niet op een paar gulden keek--totdat eensklaps de wettige man te dik was
geworden voor zijn zwak hart, niet meer rookte en de gebloemde
pantoffels voor een paar oude wollen kousen en 't uitpuilend overhemd
voor een doodshemd verwisselde.
Een begrafenis derde klasse, niet veel bijzonders, vooral wanneer er
maar één volgkoets is, waarin slechts één vriend zit, doch er bleef in
de toonbanklade en in de linnenkast van "de vrouw" wel zóóveel over dat
zij een paar maanden nadat de Oempah haar man de laatste eer had
bewezen, een mooien trouw-coupé kon laten voorrijden voor dezelfde deur,
waarvoor de eenvoudige lijkwagen had gestaan.
De bazin met al haar goud behangen, en fluweelen mantel om, een toque
met roode rozen en oranjebloesem op 't hoofd, en de Oempah in het voor
hem pasgemaakte zwart lakensche pak van wijlen den baas en met een
nieuwen hoogzijden hoed op, stapten er in en kwamen terug als
echtelieden, die voortaan lief en leed zouden deelen.
De habitués van de "visschende reiger" werden dien dag bij gesloten
deuren onthaald, totdat al de flesschen leeg en de zingende, joelende
menschen overvol waren en toen de laatsten, midden in den nacht waren
weggezwaaid, wisselden de echtgenooten de eerste klappen.
Jenever is een eigenaardig vocht, 't verteert op den duur alles wat er
mede in aanraking komt, zelfs een weldoortimmerd eigen huisje is er niet
tegen bestand, en vooral wanneer echtelieden eendrachtig samenwerken in
't gebruik, doet zij haar werking dubbel snel. Binnen korten tijd
benijdde de Oempah den man, die de eeuwige rust was ingegaan en zei de
vrouw in arren moede: "Jij bent een doodvreter. Hoepel op, beroerde mof,
ga terug naar je land voor mijn part!"
Maar de mof hoepelde niet op, hij bleef en verzoende zich kalmpjes met
de bazin, die dezelfde uitnoodiging nog herhaaldelijk tot hem richtte,
maar toch telkens weer verteederd in zijn armen zonk, omdat hij toch
"zoo'n leuk moffie" was als hij 'm niet om had--en hij vond haar,
zoolang ze nog geld bezat, zoo kwaad niet, al zeiden de buren ook: "Ze
pakt 'm van tijd tot tijd zóó, dat 't zonde en schande is om te zien!"
En zóó leefden zij samen voort, in één roes, in één huis, totdat alles
wat er nog was en alles wat er nu en dan inkwam, zich oploste in het
vocht, dat volgens het zeggen der habitués: "niet voor de ganzen wordt
gebrouwen."
De eigen tapperij was reeds lang verlaten voor een kleine gehuurde
kroeg, waar minder te doen en dus nog meer te drinken was en vóór het
gras 't graf van den gestorven man geheel bedekte, togen de vrouw en de
Oempah ook daaruit naar een achterbuurt van de stad, elkander de schuld
gevend van hun verval, schimpend en scheldend, 't toeval verwenschend
dat hen samen had gebracht.
Er is iets zonderlings in de menschelijke natuur, waarvoor de
psychologen nog geen verklaring hebben gevonden, namelijk het bij
elkander blijven van lieden, die feitelijk, zooals men het vulgair
uitdrukt: elkander niet kunnen luchten of zien. Zelfs minder
ontwikkelden merken dit eigenaardige verschijnsel op, want in het
buurtje, waar de vrouw met haar Oempah woonde, zeiden de menschen:--"Je
zou zeggen, hoe is 't mogelijk, ze leven als hond en kat, ze spelen
mekaar voortdurend op d'r tabernakel--en toch blijven ze samen, die
moffenmuzikant en dat dikke ouwe wijf!"
En zóó was het ook: deelden ze vroeger min of meer oneerlijk "de
centjes" van den ter rechter tijd ontslapen man, nu deelden ze eerlijk
armoede en ontbering, af en toe door een hartige ruzie wat afwisseling
brengend in hun eentonig bestaan.
De vrouw was eindelijk, waarschijnlijk tengevolge van overspanning bij
de herhaalde verschillen van meening met haar echtgenoot, aan ééne zijde
ietwat lam geworden en de Oempah had zijn "embouchure" niet meer zooals
vroeger tot zijn dienst; hij had een paar tanden verloren en de cornet à
pistons was te lang op non-activiteit geweest.
Dat instrument, 't eenigste voorwerp wat niet in de jenever was
opgelost, moest nu weer voor den dag komen om "brood te blazen" voor hem
en zijn vrouw, "want," zei hij gemoedelijk, als hij niet in kennelijken
staat verkeerde:
"Je kan zoo'n sjepsel, kottorie! doch nich verhoengeren lassen. 's Ist
woll ein salamander von 'n wijf, maar sie hèbt doch ein maag, wissen
sie? Al hangt d'r eine vlerk d'r voor niemendal bij, sie shaff noch
zoo'n bischen, oend früher, als sie noch moneten hatte, war sie
schplendied. Daarom bin ich wieder in die koenst jegaan! Dan bekeek hij
met zijn waterige, zwakker wordende oogen zijn instrument, poetste met
zijn mouw den beker er van wat op, haalde een paar malen lucht heen en
weer door 't enkele mondstuk en blies dan, als om zich te oefenen, een
fanfare of een aantal schelle maten, die schetterend stuksloegen tegen
de brokkelige muren van het nauwe steegje en dan de gebarsten
vensterruitjes deden rinkelen, zoodat de buren nijdig hun hoofden uit de
lage deuren en vensters staken, elkander toeroepend: "daar begint die
sikkere muziekmof weer met z'n valsch getoeter!"
In het geheele buurtje stond hij bekend onder dien naam; zijn vrouw
heette: "de muziekmoffin." Hoe hun eigenlijke namen waren had men hun
nooit gevraagd; in zulke omgeving kent men elkander meestal alleen bij
den bijnaam, dien de een of ander spontaan uitdenkt.
Het bijvoeglijk naamwoord "sikker" dankte hij aan zijn voortdurenden
staat van geheele of gedeeltelijke onbekwaamheid en de
schoenlappersvrouw, die 't keldertje van 't hoekhuis bewoonde, getuigde
van hem: "Zoo'n model heb je nooit eerder gezien--mijn man is ook
dikkels in de olie--maar als ik met zoo'n vette vaatdoek permanent most
huizen liep ik liever vierkant de wal in." Toch mocht men hem soms wel
lijden, namelijk wanneer hij een goeie bui had en voor de kinderen in de
steeg een dansje blies.--"'t Is wel mankelieke muziek, maar de schapen
springen d'r nog 'ris bij, want orgels komen hier niet; de orgeldraaiers
binnen te veel granssinjeur en ze kennen met d'r orgels de steeg ook
niet in," beweerde een oppermansvrouw, die, op dezelfde trap wonend, de
muziekmoffin wel eens bezocht en daarom er bij voegde: "'t Is een kalf
van een vent als ie nuchter is, maar zijn vrouw is een nijdige vuilik,
een sloerie; geen blind paard doet schade in d'r lui kamer."
Een tijd lang verdiende de Oempah een schamel stukje brood, door 's
nachts in danshuizen of matrozenkroegen te spelen, maar ook dààr moet
men muzikanten hebben waarop men rekenen kan en dat kon men op hem niet.
Daarom vond hij ook zelfs in die gelegenheden geen plaats meer en begon
hij weer zijn zwerftochten door de straten der groote stad, totdat er
een stedelijke verordening kwam, die de straatmuzikanten buiten de veste
bande.--Toch waagde hij het nu en dan, door den nood gedrongen, zijn
cornet à piston te doen hooren. Kwam hij dan thuis, dikwijls zonder een
cent op zak, dan klaagde hij zijn nood aan de muziekmoffin:
"'s Ischt versjrikkelijk, die verfluchte polizei laat oens kein
oogenblik mit rust, 's wirdt ein beroerder boel hier! Die miserable
orjels, die moesiekmolens wo gar keine spoer von koenscht bei ischt,
werden tolerrirt oend wir, die doch moesik stoediert haben, werden
vervolgt; 's ischt sjande! Ach Kott, war dàs eine sjeene zeit als ich
frisch aus Bayern herüber kam,--überrall hab' ich mit orfolg
jeschpielt--aber hièr, pfoei!--Ich hatte nooit in Holland kommen
sollen!"
"En ik wou dat 'k jou nooit gezien had!" was de eenig troost, die hij
van haar kreeg en vinnig voegde zij erbij: "Och leg toch niet te
lammenteeren! Ruk liever weer op en ga blazen, we hebben geen krummel
meer in huis--en de flesch is ook leeg!"
Had de Oempah, door hier en daar, voornamelijk in de buitenwijken, te
spelen, wat klein geld opgehaald, dan--'t zij hem ter eere gezegd, had
hij de beste voornemens, en kocht "brot oend woerscht für 's
froumensch!" liet 't netjes inpakken en bracht een en ander ook
werkelijk thuis, wanneer hij de verleiding weerstond, om hier of daar
even in te wippen "oem ein paar auf die lampe zoe jiessen."
't Scheen wel alsof het noodlot hem telkens weer in de tapperijen der
buitenwijken voerde, want juist dáár voelde hij zich "gemüthlich"--dáár
was hij een gaarne geziene gast. Hij kon zoo aardig vertellen in zijn
gebroken Duitsch met Beiersch accent. Hoe hij bij "'s militair, bei der
cavallerie stand," hoe hij trompetter was geweest bij de Huzaren en hoe
hij later "durch talent oend verdienst erster pistonist" geworden was
bij 't muziekcorps.
Hij kende allerlei vroolijke soldatenliedjes en voor één borrel blies of
zong hij er met zijn schorre stem wel drie. De groenteboeren en venters,
die de kroegjes waar hij kwam bezochten, kenden den "leuken
blaasmof"--zoo heette hij dáár--allen en vermaakten zich met hem als hij
op de kentering van nuchterheid en kennelijken staat, allerlei dwaze
verhalen opsneed of op zijn cornet populaire deuntjes blies, totdat hem
de borrel werd geschonken, die den doorslag gaf. Dan kreeg hij een
oogenblik van mélancholie, smeet zijn instrument op of onder een stoel,
trok zijn ouden ronden hoed diep in de oogen en beweerde half grienend,
dat hij eigenlijk een "verdammter jemeiner schweinhoend war" en dat hij
gevoelde, dat aan hem een "groot kunstenaar" was verloren gegaan. Somber
voor zich uitstarend, 't geledigde glaasje in de hand, een afgekouwd
eindje--hij accepteerde ook graag een sigaar--tusschen de lippen, bromde
hij:
"I bin 'n verlor'ner mann, aber schlecht bin i niet!"--en aan dengeen
die 't hooren wilde, vertelde hij dan, dat hij altijd "ein lustiger,
tüchtiger, braver kerl" was geweest, dat zijn talent, zijn kunst in zijn
"Vaterland" genoeg bekend waren, maar dat hij nooit naar Holland had
moeten komen omdat hij, wanneer "dass verdammte Weib hem niet an der
verdammte Holländische sjenever had geholfen, bestimmt Musikdirector in
Baireuth war geworden."
Zijn droefgeestige bui duurde gewoonlijk niet lang.
Als niemand zich over zijn dorstige keel ontfermde, liep hij de straat
op, ging ergens staan blazen en keerde meestal terug in de kroeg,
grabbelend in zijn zak, waar hij dan zooveel vond, dat hij zuchtend
zeggen kon:--"Ich bin zoe misérabel--Hum!--'s ischt ein teufels trinken
der sjenever, der mensch jeht dabei zoe groende mit leib oend seel, dass
weiss er voraus--aber trinken moess er ihn doch! Sjenk mir in
Kottesnamen nog 'ris in!"
Met een huivering van genot dronk hij dan in één teug zijn glas uit,
smakte met de lippen, likte met 't puntje van zijn tong het laatste
druppeltje uit zijn knevelharen en schudde zich als een hond, die uit
het water komt, heesch brommend: "Hè, hè dass thoet wohl, noen hin ich
wieder ein mensch!"
De Oempah vergat gewoonlijk, zoodra hij "ein mensch" werd, zijn
dagelijksche ellende en werd weer grappig, zóó grappig zelfs, dat de
boeren en aakschippers zich slap lachten over den "blaasmof", die niet
alleen zulke vroolijke liedjes speelde, maar ook komieke boerendansen
kende, waarbij hij jodelnd zong en met de vingers knipte.
Maar al te dikwijls vergat hij echter ook in die oogenblikken de worst
en 't brood, die hij bij zich had, liet ze in de herberg liggen of
herinnerde zich later, als de borrels uitgewerkt hadden, dat hij alles
zelf had opgegeten, om niet zoo gauw "doezelich" te worden.
Dan wachtte de half lamme "muziekmoffin" te vergeefs op haar middagmaal
en wist de Oempah zich, zoodra hij haar onder de oogen kwam, niet beter
tegen haar rechtvaardige verwijten en aanvallen te beschermen, dan door
opnieuw de deur uit te gaan en er uit te blijven, totdat hij, zooals hij
't noemde: "Woerscht oend brot wieder herausgepustet hatte!"
* * * * *
In den laatsten tijd gaat het ellendig slecht met "die koenscht". Het
politietoezicht is overal verscherpt. Straatmuzikanten worden nergens
meer geduld en vooral op de Oempah's wordt steeds jacht gemaakt. Alleen
de orgels hebben nog het privilegie om de arbeidzame burgers, die zitten
te schrijven, te denken of te rekenen, razend te maken. De orgeldraaiers
lachen in hun vuistje en wijzen elkander met leedvermaak den enkelen
Oempah aan, die nog beproeft om aan het valkenoog der agenten te
ontsnappen.
Als een gejaagd hert zwerft hij door de straten en langs de
grachten--zijn instrument verbergend zoo goed hij kan.
Een blikslager heeft den beker voor hem #mobiel# gemaakt, zoodat
hij dien afzonderlijk in zijn broekzak verstoppen kan, want overal loert
op hem het verderf, uit elke straat of steeg, van iederen hoek der
gracht dreigt de sterke arm des gerechts en toch #moet# hij "voor
das fraumensch ergens in abendbrot zoesammenblasen."
Bij voorkeur kiest hij daartoe, tegen het vallen van den avond, een der
hoofdgrachten bij een straat en een brug; dan heeft hij altijd twee
wegen, twee kansen om zijn vijand te ontloopen.
Voorzichtig speurt hij rond, zijn mageren hals rekkend uit den
groezeligen boord van 't sporthemd.--Geen agent is op de gracht vóór hem
te ontdekken, achter hem evenmin. Ook de overkant is, zoover hij zien
kan, veilig.
Een paar passen terug gaande kijkt hij even de straat in, op de teenen
staande; hij is vrij lang en kan dus een eind ver het terrein verkennen.
Nergens dreigt gevaar--Wacht! nog even de brug op--ook in de andere
straat ziet hij niemand; hij zal 't dus maar wagen.
Haastig nu de gracht op; voor een groot heerenhuis, waar de gordijnen
der zijkamer nog open zijn, blijft hij staan. Er zitten dames voor de
vensters en daarom zet hij zich in postuur, één been vooruit, het
lichaam rechtop.
Terwijl hij nog even schichtig rondziet, haalt hij de cornet uit de
borstplooien van 't sporthemd, den beker uit zijn broekzak en voegt
beide stukken aaneen.
--Pfuut! pfuut! pfuut!--even door 't mondstuk geblazen, de pistons een
paar malen snel op en neer bewogen en hij is gereed.
Hij begint te spelen en uit zijn instrument klinkt als uit de zeere keel
van een versleten bariton, de sentimenteele melodie:
Ich kenn' ein Auge, das so mild....
Zijn hoofd draait links en rechts, zijn oogen puilen angstig uit,
terwijl hij verder blaast:
Und gläzend wie ein Sternenbild,
Hij ziet snel achterom, dan weer voor zich, liefelijk voortkweelend:
Voll Huld auf mich hernieder sieht,
Zijn gemoed wordt rustiger, want er komen allengs menschen en kinderen
om hem heen staan en die waarschuwen wél als er gevaar op til is; zijn
toon wordt smeltender als hij verder speelt:
Und mich hinauf zum Himmel zieht,
Dort prangt ein Stern so hell und rein--
Wie jenes Auges Sonnenschein."
"Baas speel d' ris wat lolligs--dit is zoo'n drensdeun!" roept een
jongen, maar een dienstmeisje, dat ook luistert, geeft hem een vinnigen
duw en snauwt: "Hou je mond, aap! 't is wat 'n mooi duis liedje."
"'t Is wat moois," lacht een kruier, "'t lijkt de overture van de
bedroefde hond wel."
"Kijk 'm z'n best doen!" giegelt een magere fabrieksmeid, "hij haalt 't
uit z'n toonen op--z'n oogen rollen haast z'n kop uit!"
De Oempah stoort zich niet aan de kritiek; hij raakt nu eerst goed op
dreef, zet den linkervoet nog een eind vooruit, gooit 't hoofd meer
achterover en slaat de oogen verrukt omhoog, want 't mooiste refrein
komt nu:
Du liebes Aug, du lieber Stern,--
Toch dwalen zijn blikken, als van zelf weer omlaag, links en rechts rond
spiedend, als hij, de cornet sierlijk in de hoogte stekend, met diep
gevoel de laatste maten begint:
Du bist mir nah und doch so fern,
Du liebes Aug'....
"Muziekantje! d'r komt 'n smeris an in de straat," roept eensklaps een
klein jongetje, dat met zijn groezelige handen op de rug staat te
genieten van de mooie muziek.
... Du lieber Sté-hé-ern
gilt overslaand, als in doodsangst de cornet en met onnavolgbare
vlugheid verdwijnt het instrument in des Oempah's sporthemd en zwelt
zijn broekzak eensklaps door den beker, die halverwege zichtbaar blijft.
De muziekant is dadelijk veranderd in een particulier, die met alle
aandacht een aan den walkant staande kruierskar fluitend bekijkt, totdat
de agent, die in den voorgeschreven pas de straat uit en de brug over
wandelt, verdwenen is.
't Gevaar is voorbij!
"De smeris is de brug over!" waarschuwt het ventje, dat veel van cornet
á pistons schijnt te houden. "Uwe kan wel weer doortoeteren!"
De Oempah heeft 't reeds opgemerkt--'t instrument is bliksemsnel weêr in
orde en smeltend klinkt nu door de lucht:
Du bist mir na-áh und do-hô-och so fern!
met een verbazend langen, mooien, bibberenden uithaal op de laatste
halve noot.--
Met een armoedig gezicht naar de dames in de zijkamer ziende, neemt nu
de muziekant zijn hoedje af, als wilde hij zeggen: "ik heb waarlijk wel
iets verdiend--voor mijn moed!"
Men neemt daarbinnen echter nog geen notitie van hem--en slechts enkele
omstanders geven een paar centen, waarvoor hij met een tikje van den
rechter voorvinger aan 't weer opgezette hoedje bedankt. Dan begint hij
opnieuw zoo liefelijk mogelijk:
Ich kenn' ein Aug, das wunderblau
"Muzikant let op, ze maken binnen een pampiertje voor je," en een dikke,
goedige vrouw geeft hem een stoot aan den elleboog, waardoor zijn vinger
van de piston glipten de strophe:
D'rin spiegelt sich des Himmelsblau!
met een akelig valschen kwaak eindigt.
Schuin naar het in aantocht zijnde papiertje kijkend brengt hij het nog
tot:
Und wenn dies Auge nicht mehr lacht,
Da-än wird es ewig, ewig Nacht!
Dan gaat het venster open, en 't kleine witte pakje vliegt door de
lucht. Hij vangt het in de vlucht in zijn haastig afgenomen hoed en
speelt met gevoel verder:
Du--hu!--liebes Aug'l....
maar als een paar vriendelijke toehoorders haastig roepen: "daar kom er
weer een an op de gracht!" rekt hij zich op zijn teenen omhoog, om te
zien of hij 't refrein nog voleinden kan.
't Zal wel lukken, met mannenmoed blaast hij:
Du--hu! lieber Sté-he-rn!
Een paar geldstukken vallen, door onzichtbare handen geworpen, voor zijn
voeten.
Met de ééne hand de piston beheerschend, snel bukkend en daardoor
afgebroken blazend, neemt hij met de andere het geld op en juist als hij
't hartroerend:
Du--hu, bist mir na-áh!
ten tweeden male doet hooren, roept een meisje met schelle stem: "Pak
nou je beenen op, van de andere kant komt ook een agent!"
Daar valt een grooter pakje voor zijn voeten neer; een lachende dame
heeft het uit 't opengeschoven zijkamervenster geworden.
Even dankend zijn hoed oplichtend "für das Abendbrot", de Oempah blijft
bij al zijn tekortkomingen toch een hoffelijk man, raapt hij het op, al
klinkt daardoor het:
Und doch so fé-hérn!
ellendig valsch en uit de maat.
De agent is nu zeer dicht bij hem en reeds dwingt hij zijn beenen tot
een hompelenden aftocht, als een man hem naroept: "Hei! ho! Blaasmoffie
daar valt nog 'n pampiertje!"
Dat is misschien "die Woerscht" denkt hij en met zijn instrument nog
ongedeeld in de hand gaat hij hinkend terug.
Er kome dan van, wat er van komen moet--hij zal 't wagen. Hij gaat zijn
noodlot te gemoet en ... geen zes pas van den agent verwijderd grijpt
hij het pakje, vóór zijn vijand hém grijpen kan.
De politiedienaar, misschien een zeldzaam medelijdend man wandelt echter
doodkalm door en kijkt zelfs niet om als hij op de volgende gracht is en
uit de verte hoort, hoe een oogenblik later de Oempah, in een zijstraat,
wreedaardiglijk "die wacht am Rhein" vermoordt.
* * * * *
En zóó dwaalt de laatste der Oempah's door de duister wordende straten,
totdat de nacht valt en hij in 't slopje bij de "muziekmoffin"
terugkomt. Op een ouden muffen stroozak liggend, tracht hij te slapen,
terwijl zij hem de buitengewone radheid en scherpte van haar tong, 't
eenige lichaamsdeel dat haar nog geheel ten dienste staat, doet gevoelen
omdat hij volgens haar begrippen, altijd te weinig thuis brengt.
Als hij eindelijk inslaapt, droomt hij soms van de bergen zijner
|