|
|
"Bademeister!"
"Gefälligst!"
"Mein Bad ist zu heiss."
"Bitte sehr? 27 grad präcis!"
"Unmöglich!"--de badmeester komt bij mij binnen.
De bad-thermometer overtuigd mij dat ik ongelijk heb.
"Sie haben doch Recht, Bademeister!"
"Sie finden es wärmer, weil es heute draussen kühler ist durch den
Regen."
'k Blijf alleen, tot aan den hals in het warme water.
Achter mij hoor ik een dakgoot loopen, en 't kletteren van den regen op
een plat. Regelmatig niet te hard, niet langzaam maar zonder ophouden
klettert het voort; 'k word er melankoliek van. En tusschen dat geluid
door, hoor ik het choraal "Jesu meine Zuversicht" dat de muzikanten bij
de Trinkhalle spelen.
't Choraal stemt mij anders aangenaam, ik hoor het zoo graag; nu wordt
ik er nog melankolieker door.
Zou ik al 20 minuten in 't bad zitten?
"Bademeister!"
"Sie befehlen?
"Sinds es schon 20 Minuten?"
"I bewahre; noch kleine zehn!"
Ik hoor de deur van 't Badhuis opengaan.
Hè, wat piept die deur, waarom smeeren ze hier die scharnieren niet!
olie is toch goedkoop.
"Uche! uche! uche!" dat is die oude heer van No. 3--ik herken hem aan
zijn volheid op de borst, ik logeer in No. 2 en hij heeft me al een paar
maal uit den slaap gehouden!
"Uche! uche!--Uche! morgen!--uche!"
"Morgen Herr Schwiepelmeier?"
Kristenenzielen wat een naam! wie heet er nu Schwiepelmeier?
"Uche!--Morgen Bademeister, hundsgemeines Wetter"!
"Jawohl Herr--Schwiepelm...."
Ik hoor niets verder, want ik trek aan 't touwtje naast mij en ik krijg
mijn douche. Brrr! wat is die koud van daag.
De reactie is voorbij, mijn huid begint te gloeien, ik grijp mijn
badlaken en wikkel er mij in; ik wrijf, ik schuur, ik zaag met de ruwe
oppervlakte langs mijn rug en ik word droog.
Buiten is 't des te natter.
Ik kom terug in mijn kamer, en ga curgemäss weer te bed. Eerst kijk ik
nog even naar de Trinkhalle. Een hoop natte in elkander gedoken menschen
staat voor de muziektent; natte parapluis, opgespannen, dichtgeslagen en
druipende regenschermen en anders niet. Er komen meer parapluies, meer
menschen, dames en heeren, ze kijken allen naar de lucht en ze schudden
allen op ongelijke wijze en op verschillende oogenblikken het hoofd.
't Is lekker om nog even in bed onder de wollen deken te
kruipen--behaagelijk rek ik mij uit, mijn oogleden worden zwaar.
Buiten speelt de Curmuziek,--"Am schönen blauen Donau"--in gedachten
wals ik in mijn bed mede; 't is me alsof ik draai--ik dommel in en ik
droom van ... mooi weêr.
_9 uur_.--Ik ontbijt; de thee smaakt mij niet. Zouden ze hier in
Duitschland dan nooit leeren hoe men thee zet;--'k heb een duf ei bij
mijn brood. Bah! ik schei er uit. Ik ga mijn bottines aantrekken en de
deur uit--om mij te laten scheren.
Van de stoep van 't Römerbad tot aan den winkel van den coiffeur Rosener
op den Kranzplatz is een kippeneindje--ik druip als ik er binnen kom.
"Rasiren?"
"Bitte!"
Onder 't inzeepen maakt de barbier de gloednieuwe opmerking: "Schlechtes
Wetter heute!"
Als een wandelende dakgoot treedt, na mij, een Pruisische luitenant
binnen.
"Janz verfluchtes Wetter! Aèh!"
"Jawohl Herr Lieutenant!"
"Aèh!--Ziehen sie mir den Scheitel janz durch."
"Zu befehl Herr Lieutenant."
De kapper trekt met den kam een scheiding door de donkerblonde
stekelharen van den Germaanschen Mars, zoodat zijn hoofd er uit ziet als
een gespleten wilde kastanje.
"Thun sie mir etwas mehr Harzpomade im Haar; bei diesem verfluchten
Regenwetter hält die Frisur sonst nicht."
"Zu befehl Herr Lieutenant."
De kapper smeert minstens een decagram of vijf cosmetique in des
krijgsmans lokken, zoodat diens hoofd glimt als een gepolitoerde
deurknop.
Wel tien of twaalf klanten komen gedurende den tijd, dat ik onder 't mes
zit, binnen en evenveel keer hoor ik geestige opmerking dat 't slecht
weer is.
Als ik buiten kom, stortregent het niet meer; 't is geen bui meer, maar
't is een regen voor den geheelen dag geworden.
Langzaam met dunne stralen, maar dicht, onverdroten en onverpoosd vliedt
het hemelwater neer. De dakgooten stroomen over; de straat is hier en
daar in een beek herschapen. De hemel is egaal loodkleurig, er is geen
denken aan dat er kans is van ophouden; de wolken zijn het volkomen
eens.
Ik loop even naar het postkantoor: mijn parapluie begint iet of wat door
te regenen; mijn schoeisel wordt week.
In de "Langgasse" ontmoet ik een paar boerinnen.
Ze houden haar rokken buitengewoon hoog op, haar kousen lijken op alles
behalve op wat ze zijn.
De zware mand op haar hoofd houden ze met de eene hand vast, met de
andere zijn ze voortdurend bezig, om haar neus af te vegen, want op dat
lichaamsdeel verzamelen zich alle druppels, die van den rand der korf en
uit haar hoofddoek lekken.
Zij spreken met elkaar over----den regen, over slechten oogst, zieke
aardappelen, dure boter en schaarsche eieren. Mijn parapluie begint zeer
onaangenaam te worden, zij heeft bijna 't onmogelijke gepresteerd, maar
't gaat haar vervelen, zij kan met den besten wil niets meer doen. Aan
de punten der baleinen zijn kleine watervallen ontstaan en bovenaan bij
den stok is een opening in een der naden gekomen; dikke droppels vallen
er doorheen op mijn hand.
Wat ziet er alles op straat vies en grauw uit; 't is of de huizen
grienen.
Een vrachtwagen komt mij te gemoet, de remketting rammelt veel doffer
dan gewoonlijk en de wielen maken een geluid als 't rad van een
watermolen in de verte. De voerman heeft een blauwen kiel aan, die zwart
ziet door de nattigheid. Hij klapt met de zweep, maar 't is geen knal
meer zooals anders, een knal scherp en kort, zoodat men onwillekeurig
opspringt. De vochtigheid van de lucht dempt het geluid, dat dof en saai
klinkt, alsof men met een beddekussen slaat.
"Ho!"--het paard staat stil, geduldig, met den kop diep gebogen, alleen
schudt het nu en dan met de ooren als een bijzonder dikke regendroppel
er in valt en zijn staart is een hevel geworden. De voerman staat op de
stoep van een huis, neemt zijn druipenden hoed af, slaat hem uit, ('t is
monnikenwerk!) krabt zich even achter de ooren, haalt den roodbonten
zakdoek uit den broekzak en droogt er zijn gelaat meê af.
De eigenaar van het huis, waarvoor de kar stilstaat, komt naar buiten,
bromt, pruttelt en haalt eindelijk de schouders op.
De voerman begint de steenkolen, die hij bezorgen moet, af te laden, en
weldra heeft de huisheer een groote zwarte plas op zijn stoep, in zijn
gang en op zijn trappen.
Op de trottoirs glimt het asphalt alsof het vernist was, een paar oude
juffrouwen staan onder een parapluie te babbelen, haar deert de regen
niet; babbelen moeten zij, al ging de wereld ook onder.
Ik caramboleer met een anderen parapluiedrager.
"Pardon!"
"Entschuldigen Sie!"
"Bitte!"
Voor den winkel van een koopman in parapluies sta ik even stil, ik ben
in twijfel of ik de mijne ook zal laten repareeren--daarom kijk ik naar
binnen.--'t Is om woedend te worden, daar staat de eigenaar met een van
pleizier glimmend gelaat achter zijn toonbank en ziet naar de lucht.--De
gemeene vent lacht met z'n geheele gezicht.
Goddank! 't is eindelijk één uur geworden--de table d'hôte zal me eenige
afleiding geven.--Ik kom naast een allerliefste jonge dame te zitten van
plus minus zeventig jaar, met een teint als een sinaasappel en een
gezicht, alsof zij er al haar leven meê te koop heeft geloopen. Over mij
zit nog zoo'n exemplaar, maar met meer levervlekken, daardoor denk ik
aan de schaal van een schildpad--en krijg plotseling een aversie voor de
potage á la tortue.
In stilte maak ik de opmerking dat het damespersoneel aan de table
d'Hôte over 't algemeen veel heeft van een muséum van antiquiteiten en
ik word sterk herinnerd aan de mummies te Leiden.
Mijn appetijt is zoo goed als weg, maar toch eet ik.
De gesprekken aan tafel zijn aangenaam en leerrijk tevens.
"Furchtbares Wetter."
"Oh! entsetzlich!"
"Es regnet heute wie verrückt."
"Touren kann man nicht machen durch diesen abscheulichen Regen."
"Ich reise ab wenn es nicht besser wird!"
"'s Ist fast nie zum aushalten"
"Mein Koffer ist schon gepackt!"
"Ich bin sechs Wochen hier, und immer Regen! Regen!"
Een vrouw met rozen komt binnen:
"Rosen gefällig meine Herrschaften."
De stumperd druipt en maakt de ruggen der gasten aan tafel nat.--De
kellner zet haar de deur uit.
De tafel duurt veel langer dan gewoonlijk, want niemand heeft haast;
clubjes heeren zitten na het dessert bij elkaar, rook sigaren en drinken
champagne. Ik ken geen dier clubjes en uit verveling ga ik naar mijn
kamer.
Mijn rechter voet is nat geworden, de naad der bottine is gebarsten, ik
trek andere kousen aan, ga op mijn kanapée liggen, doe mijn oogen dicht
en kan niet slapen.
Ik neem een boek, 't helpt niet--op het boekenrekje in mijn kamer, staat
een bundel "Predigten vom Superintendent Zäh"--ik lees er in--helaas!
zelfs daar slaap ik niet van.
't Is om radeloos te worden--ik spring op--neem een pen en papier, steek
een nieuwe sigaar op en begin te schrijven, waarover? Natuurlijk over
den regen, over iets anders te schrijven zou vandaag positief onmogelijk
zijn geweest.
.........................................................................
't Is den hemel zij lof, prijs en dank negen uur 's avonds geworden, ik
berg mijn schrijfmap op en ik ga naar moeder Engel's restauratie om een
glas bier te drinken.--ik ontmoet daar kennissen die ook pruttelen....
.........................................................................
_11 uur_.--'t Regent nog steeds. Ik ben weer te huis, maar door en door
nat.
EEN WARME DAG TE WIESBADEN.
_Reisherinnering_.
Half elf 's morgens: de Thermometer wijst 28° in de schaduw.
Ik zit amechtig op een stoel voor de Restauratie op den Neroberg. Mijn
hoed weent innerlijk tranen van medelijden over mijn dwaasheid om bij
een dergelijke temperatuur dien berg te beklimmen. Mijn voorhoofd
glinstert als ware het met diamanten bezet, mijn zakdoek wischt ze weg,
te vergeefs; de zon doet telkens nieuwe ontstaan.
Daar nadert iemand, ik herken hem, 't is een kurgast evenals ik. Zijn
hoed houdt hij in de eene, zijn zakdoek in de andere hand; beurtelings
wijft hij zich koelte toe en droogt zich voorhoofd, slapen en hals.
Hijgend en blazend knikt hij mij toe en neemt, ademloos tegenover mij,
op een stoel plaats. Eindelijk puft hij:
"Benauwd warm vandaag, meneer! 28° in de schaduw, 't zal in de zon wel
32° wezen--neen! zoo'n hitte geef ik present; met zulk weer is 't in
Wiesbaden niet uit te houden--dan is 't hier precies een ketel, een
braadpan...."
"De mensch is toch nooit tevreden; verleden week, toen we elkaâr
toevallig aan tafel ontmoetten, pruttelden wij om 't hardst over den
regen."
"O! maar toen was 't óók niet om uit te houden; zoo'n regenachtige dag
hier, is om dood melankoliek te worden, dan nog liever 28° in de
schaduw. U is zeker ook hier gekomen om lucht te zoeken?"
"'t Was mij te warm in mijn kamer, ze ligt vlak tegenover den
Kochbrunnen en heeft den geheelen dag zon...."
"Een lief plekje hier op den Neroberg, prachtig uitzicht."
"Heerlijk! 'k heb 't al wel twintigmaal gezien, maar telkens ga ik er
weer naar toe.--Zouden we niet wat verder gaan zitten? 't Wordt hier al
weer te zonnig onder de veranda; in de schaduw is het beter...."
"Laten we dan gaan verzitten, mijnheer!"
"Best.--Kellnèr!--'t Is hier onder de veranda waarlijk nog benauwder, 't
schijnt wel alsof de hitte hier nog meer hangen blijft.--Kellnèr!--Wat
zijn die kellners lui vandaag."
"'t Is ook zoo warm, moet u denken--je kunt het die menschen haast niet
kwalijk nemen.--Ah! daar komt er een.--allemachtig wat transpireert die
vent!"
"Sie wünschen?"
"Bringen Sie mir eine halbe Rauenthaler...."
"Goeie hemel, drinkt u Rijnwijn bij die hitte?"
"Waarom niet?..."
"Rijnwijn maakt zoo warm.--Bier is veel beter...."
"Bier? Wie viel, zwei Glas?"
"Bier neen! daar wordt je eerst recht benauwd en opgezet van...."
"Eigenlijk heeft u gelijk. Haben Sie Selterswasser?"
"Gewiss! künstliches und echtes."
"Bringen Sie mir eine Flasche Selters, echtes, aber recht kalt."
"Mir auch! und etwas Eis dazu."
"Schön--"
"In einem kühlen Grunde
Da geht ein Mühlenrad,
Mein Liebchen ist verschwunden
Dass dort gewohnet hat"
zingt uit de verte een frissche heldere stem.
"Hoe is 't mogelijk dat iemand bij zoo'n hitte van "einem kühlen Grunde"
kan zingen--'t klinkt als een parodie op de 28°."
Met zijn jas over zijn stok, zijn stroohoed aan het élastiekje over den
anderen schouder hangend, nadert de jeugdige zanger, gevolgd door twee
andere blonde Duitschers. Hun vesten hangen open en de veelkleurige
bretels zijn zichtbaar. De drie gezichten glimmen en van een hunner, een
dikkert, die bepaalt 90 kilo weegt, zweemt de gelaatskleur naar 't
violet.
"Bier her!--Bier her! Oder ich fall um--" hijgt de zanger, terwijl hij,
niet ver van ons, met zijn makkers plaats neemt.
De kellner brengt ons Selters water.
"Wünschen Sie auch etwas zu speisen?"
"Eten, bij die hitte?" ik zie mijn vis-à-vis aan; hij mij.
"Eten?--ik stik als 'k er aan denk."
"Geef me water.--Hé! dat smaakt--dat is lafenis!"
Nu krijgt ook het drietal bier en in één teug ledigen zij de glazen,
terwijl zij met de lippen smakkend eenparig uitroepen: "Bringen Sie
gleich noch drei Gläser."
"Und etwas Göttinger Wurst dazu?" roept de dikkert den kellner na.
Goeie Hemel, worst bij zoo'n hitte; ... de gedachte aan worst maakt me
onwel. Dat Selterwater is overheerlijk.
"Drink niet te snel mijnheer. 't Water is ijskoud."
"Heerlijk!" hij smakt met de lippen--"verrukkelijk!"
Een pauze.--
De Germanen trekken hun vesten uit--en bestellen nog meer bier.
"#Puff#!--ik geloof dat men van dat water nog warmer wordt.--'t Is
eigenlijk gekheid om bij deze temperatuur op den Neroberg te gaan
zitten.--Ik had wel lust om even naar Biebrich te sporen en dan dood
kalm en rustig aan den Rijn te gaan uitblazen. Gaat u meê"
"'t Is geen kwaad idée; heeft u een spoorboekje?"
Er gaat een trein om kwart voor twaalf. Dien kunnen wij nog best halen,
wanneer we nu dadelijk opstappen en de tram nemen van Beausite af."
"Komaan! dan vooruit!"
Wij betalen onze vertering en dalen langzaam den berg af.
Heerlijk schoon is het bosch ... maar warm, ontzettend warm. De
beukeboomen beschutten niet meer voor de zonnestralen, ze zijn er als 't
ware door verzadigd en geven nu op hun beurt weer een gedeelte der
opgenomen hitte af. Toch is 't niet zulk een benauwde warmte als onder
de veranda, want 't hout geurt en hier en daar op een open plek, komt de
fijne reuk van pas gemaaid hooi ons te gemoet.
Onder de veranda rook het naar uien.--Bah!--die eeuwige uien in
Duitschland zijn onverdragelijk--en vooral bij 28° in de schaduw is
Zwiebelgeruch verfoeielijk.
"'t Afdalen is ook niet verfrisschend, mijnheer."
"Ik weet waarachtig niet wat 't ergste is. 'k Ben _en nage_."
"Kijk! daar loopt een eekhoorn."
"Waar?"
"Over den weg--dáár! dáár! hij gaat tegen den dikken beukeboom op--'t is
heusch of het diertje 't meer op zijn gemak doet dan anders."
"'t Zal het ook warm hebben."
We volgen een oogenblik met de oogen den vluggen klimmer, die eindelijk
op een vooruitstekenden tak, hoog boven ons, met den staart omhoog
blijft zitten en ons met zijn kleine schrandere oogjes aankijkt alsof
hij zeggen wil:--"Ik lach jelui uit, ik zit hier lekker tusschen de
bladeren en ik heb 't lang niet zoo warm als je wel denkt."
't Is buitengewoon stil in het bosch, geen vogel tjilpt, het schijnt wel
alsof ze slapen, een enkele spreeuw vliegt even op tusschen het
kreupelhout, gaat een eindje verder weer zitten en pikt onbekommerd over
onze nabijheid in zijn vleugels.
Een oud moedertje met een ontzettend grooten bos dood rijshout op het
hoofd, kruist onzen weg, ziet ons, haar tandeloozen mond tot een
vriendelijken grijns vertrekkend, aan, strekt de magere hand uit en
vraagt: "Lieber Herr! schenken Sie mir etwas, bitte?"
"Groote Hemel, bij 28° hitte met een vracht hout op 't hoofd, 't is om
medelijden te hebben. Daar moedertje."
"Segne's Gott lieber Herr!"
In de verte hooren wij de schel van de tram.
We bereiken haar nog juist, en vinden, vóór bij den koetsier, een
plaatsje.
"Verkwikkelijk zoo'n ritje."
Heerlijk blaast ons de lichte wind, door 't voortrollend voertuig
geboren, in 't gelaat, maar och! die arme paarden, ze zijn eigenlijk
bruin van kleur, af neen! de eene is een vos, maar ze zien tot bijna
over de helft van hun lichaam zwart; zwart door de vochtigheid, die met
ongestemde kracht uit hun huidporiën dringt. De conducteur glimt als een
tomaatappel, als hij uit het binnenste van de tram komt om ons geld in
ontvangst te nemen.
Nu en dan schuift een der ongelukkigen, die binnen-in zitten, de deur
achter ons open, om in 's hemels naam een aasje verlichting te hebben,
maar telkenmale doet een hoestend, uitgedroogd, lederachtig mannetje de
deur weder dicht, met de opmerking, dat hij geen tocht verdragen kan, en
dat 't waarlijk niet zoo erg warm is.
Juist bijtijds bereiken wij het station, nemen kaartjes en stappen in de
2e klasse.
"Groote hemel, meneer! dat's positief niet uit te houden, dat's erger
dan een bakkersoven," roept mijn reismakker uit, als hij 't portier van
een "Nichtrauchercoupé" opent.
Geen wonder; de zon heeft met volle kracht op den stilstaanden wagen
geschenen en de warmte daarbinnen minstens met 8° of 10° verhoogd; 't is
alsof de hitte van een gloeiende kachel ons tegemoet komt.
"Ziet u wel meneer dat ik gelijk had om u te raden 3e klasse te nemen;
bij deze temperatuur is...."
"Einsteigen meine Herren!"
"Wir wollen lieber dritter Klasse fahren!"
"Alles besetzt, einsteigen bitte!"
In 's hemels naam dan. Wij stappen in, steken ieder ons hoofd uit een
der portieren, en rijden weg. We herademen, maar moeten onze hoofden
terugtrekken, omdat onze oogen niet tegen zooveel stof bestand zijn.
"Die Billette, gefälligst?"
Een Duitsch conducteur zal steevast bij 2e klasse passagiers
bovenstaande drie woorden gebruiken. Voor de 4e klasse bezigt hij alleen
het woord "_Billette?_" In de derde klasse hoort men van hem "_Die
Billette?_" terwijl hij bij 1e klasse passagiers vriendelijk vraagt:
"_Bitte gefälligst Billette vorzuzeigen?_" Bij hem staat het aantal
woorden dat hij gebruikt steeds in omgekeerde rede tot het No. der
klasse waar hij zich bevindt.
Eindelijk zijn wij te Biebrich. Heerlijk, verkwikkend kabbelt de Rijn;
verrukkelijk tintelt de zon in het water. Gartenwithschaft van 't Hotel
"Zur Krone" vinden we een koel plekje.
't Is toch nog warmer geworden, want de zon staat in 't zenith, maar de
koelte van 't water reageert tegen de zonnestralen. Mainz ligt links van
ons, als in een lichten nevel gehuld. Het is alsof de lucht trilt van de
hitte. De groene bergen aan weerzijden van den oever verkwikken ons oog.
Wij herleven.
We moeten iets gebruiken, want de kellner nadert en vraagt beleefd:
"Sie wünschen?"
Wij nemen koffie--heete koffie!--'t is homéopatisch; waarlijk de koffie
maakt ons niet warmer. Een paar kleine bengels van 10 of 12 jaar gaan
vlak voor ons op hun hoofd staan en loopen op hun handen heen en weer,
terwijl ze de naakte voeten omhoog steken.
Daar krijgen we het beiden bepaald benauwd van--verbeeld u eens, in de
middaghitte van een dag, die 's morgens om halfelf reeds 28° in de
schaduw had, op 't hoofd te staan; 't is om er een beroerte van te
krijgen, alleen door het te zien.
We werpen hun wat geld toe en de jeugdige acrobaten verdwijnen, om
elders weer te beginnen.
Wat is dat voor een boot, kelner? die daar van den kant van Mainz komt?"
"Dass ist der Lokaldampfer der nach Rüdesheim fährt!
"Naar Rüdesheim?
"Jawohl."
"Wie lange dauert die Fahrt?"
"Ungefähr anderthalb Stunde."
"Wat zou u er van denken," vraagt plotseling mijn reisgenoot, "indien we
eens naar Rüdesheim stoomden--'t moet heerlijk zijn op 't water--we
kunnen vanavond met 't spoor nog wel driemaal terug."
"Jongens meneer! we zitten hier zoo kalm en lekker."
"Ja maar op zoo'n boot is 't toch nog lekkerder, zoo midden op 't water,
daar bekomt men. Als u er niets tegen hebt dan zou ik wel willen."
"Met pleizier! ik ga mee...."
Vijf minuten later zitten we op den Lokaldampfer en stoomen stroomaf
naar Rüdesheim. 't Is vol op de stoomboot, tevergeefs zoeken we naar een
aangenaam plaatsje onder de zonnetent.
Rustig vervolgt zij haar weg, door het blauwe water. De raderen wentelen
onvermoeid voort en zweepen het schuim met kracht aan beide zijden
omhoog. Nu en dan steunt en dreunt de boot, die niet van de nieuwste
constructie schijnt, als viel het haar zwaar, bij de heete temperatuur,
die zelfs op 't water heerscht, haar plicht te doen.
Soms blaast de schoorsteen plotseling hoestend en proestend een zwarte
rookmassa uit, die over 't water blijft hangen en op onze gezichten
zwarte moesjes plakt, die door de zweetdruppels veranderen in plekken,
veel overeenkomst hebbend met inktvlakken.
De Rijn is buitengewoon kalm en rustig, en het eenige levensteeken dat
hij geeft is een lichte rimpeling van zijn oppervlak, als hinderde het
hem door het dampend en snuivend gevaarte te worden gestoord in zijn
zacht gekabbel.
Een bonte menigte passagiers zitten, liggen en hangen op de banken,
taboeretten en stoelen op het dek.
Allen zuchten, want niettegenstaande de boot vrij snel stroomafwaarts
snelt, brandt de zon geweldig en puffen allen van de warmte, terwijl ze
hun heil zoeken onder de zonnetent, de eenige plaats op het schip, waar
schaduw is.
't Is nu bepaald 32° warm, want we hebben de volle middagzon.
Alles transpireert aan boord; de kapitein, de passagiers, de stuurman
aan 't roer, de kelner die met zijn servet over den arm tusschen de
reizigers heen en weer draaft, ja zelfs de planken van het dek zweeten
een kleverige vloeistof uit haar naden.
Met innig medelijden zien wij de stokers aan, die beurtelings uit de
machinekamer opduiken om een mondje vol lucht te scheppen.
"'t Is of 't gezicht van die zwarte kerels iemand nog warmer maakt!"
zegt mijn reisgenoot.
"Bepaald, ik geloof zelfs dat zij hitte afstralen."
De kok kijkt met een gezicht als een pioen uit zijn kombuis. Zijn wit
buis is door en door vochtig, dat zien wij als hij ons den rug toedraait
om naar zijn pan met kalfscoteletten te zien.
Hoe is 't mogelijk om bij zulke hitte warme kalfscoteletten te
gebruiken, vraag ik mij zelf af, als ik zie dat de kok met onnavolgbare
snelheid de eene cotelet na de andere bakt, uit de pan pikt en met zijn
niet overzindelijken duim en wijsvinger op de schaaltjes rangschikt.
|