|
|
als in de verte, zuchtte diep en zei met zachte stem: 't Is een
stakkerd, meneer, een stumperd!
--Och, in welk opzicht?
--Geen gehemelte, moeilijk loopend, en ze zeggen, dat ie niet heelemaal
wijs is--maar dát is positief niet waar! De doctoren mogen zoo knap
zijn, als ze willen, maar daarin dwalen ze heelemaal. De stakkerd weet
best wat hij doet, maar hij kan zich niet uiten, ten minste niet goed
uiten ... en niemand thuis geeft zich de moeite, om hem te verstaan. Ze
hebben een hekel aan 't kind--kan u je dat nu begrijpen van meisjes?
Zelfs mijn vrouw mocht hem niet en zei altijd:--Charles, doe hem toch in
een gesticht!
--Misschien had ze geen ongelijk; wat kan men voor zoo'n stumpertje
doen? Hoe oud is hij?
--Ruim vijftien jaar! maar hij ziet er uit als twaalf.... 't Is m'n
eenigste jongen. M'n vrouw kreeg drie meisjes achter elkaar--ja, dat was
een bittere déceptie voor me.... 'k Heb aan dat kind heel wat
verdokterd, maar d'r schijnt niets afdoende aan gedaan te kunnen
worden--en nu ben ik de eenige, die hem begrijpt. Hij heeft zulke mooie
donkere oogen, hé! Zoodra hij me ziet, beginnen ze te glimmen ... en de
geluiden, die hij maakt, versta ik heel goed. Waarachtig, hij is niet
onwijs, meneer, ik kan best met 'm redeneeren, maar dat komt, omdat ik
er moeite voor doe. Hij zuchtte diep: wat moet er van hem worden, als ik
er niet meer ben.... Enfin! ik sta hier te praten en ik beroof u van uw
kostbaren tijd.
Plotseling ging hij weer over in den min of meer gezwollen toon, dien
hij aansloeg, zoolang hij niet over zijn jongen sprak. Zijn hoed
opnemend, vroeg hij:--U komt me toch zeker zelf zien--'t is één van
mijn beste rollen. Misschien vindt u aanleiding om een gunstig woordje
over me in de krant te zetten. 'k Zou nu zelfs een zéér bescheiden
appointement aannemen. Adieu, meneer, mijn besten dank voor uw
vriendelijkheid!
II.
Eenige weken later, den dag nà zijn benefiet, 's morgens vóór elven
reeds, stond Holtsman weer voor mij op mijn bureau.
Hij zag bleek, vaalbleek; zijn artistieke haarlok plakte klam en
omgekruld tegen zijn tanig voorhoofd en zijn oogen lagen diep in hun
kassen. Zijn geheele voorkomen was dat van een oud, vermoeid man. Zijn
kleeding was niet anders, dan toen ik hem de eerste maal zag, alleen
miste ik de opzichtige blauwe das; zijn groezelige, lage boord was los.
Het scheen wel, alsof alles hem nu slordiger aan 't lijf zat, alsof hij
opeens magerder was geworden. De hooge grijze hoed, die hij anders min
of meer zwierig schuins droeg, zat nu achterover en hij vergat dien af
te zetten, door de zenuwachtige gejaagdheid, waarmede hij binnenkwam.
Met een nerveus-schorren klank in zijn stem zei hij, zoodra hij mij zag:
--Ik ben zoo vrij, om u te komen spreken. U moet me helpen. U zal dit
doen, want u is een mensch, dat weet ik. U ... pardon: Hij merkte
eensklaps, dat hij zijn hoed nog ophad en nam dien af.--Pardon! ik ben
akelig nerveus.... U voelt voor artisten, wou ik zeggen. U kan
begrijpen, wat het is, om zóó, inééns, de risée te worden van een
publiek, dat je vroeger op de handen droeg.
Holtsman sprak afgebroken en opgewonden en sloeg zich eenige malen, de
oogen theatraal ten hemel heffend, met de rechtervuist op de borst.
--Hier hebben ze me gewond. M'n hart is tot bloedens toe getroffen. Mijn
God, heb ik dát aan ons publiek verdiend? Zijn handen vielen slap langs
zijn dijen en 't hoofd zonk hem zóó diep op de borst, dat zijn bijna
geheel onthaarde kruin zichtbaar werd.
Eensklaps hief hij 't hoofd met een kort rukje weer op, achterover,
schudde het eenige malen als in heftige ontkenning en riep
melodramatisch:
--Neen! neen!--dat kán ik niet dragen, 't is te veel hoon op eens--te
veel smaad voor een denkend artist! 't is mijn ondergang! Ik, Holtsman!
eerste karakterrol, van de planken gelachen! Ja, ge-la-chen, meneer! Is
't geen gruwel? Schreit het niet ten hemel?
--Maar, m'n beste meneer, wat is er dan toch gebeurd?
--Weet u 't niet? Heeft u mijn débacle dan niet bijgewoond? Niet? O,
Goddank!--Hij hief de armen op met tragisch gebaar. Ik hoef me dus voor
u niet te schamen. U lacht dus nog niet om me?
--Ik begrijp u heusch niet goed.
--Ik meende, u toch te zien zitten gisteren avond.
--Zeker! maar ik ben even vóór de pauze heengegaan. Ik had hoofdpijn
gekregen door den rook, de hitte en de menschenlucht; 't théater is zoo
klein en 't was stikvol; mij dunkt, u had niet te klagen.
--Finantieel was ik tevreden, maar moreel, helaas! ben ik geruïneerd....
Somber keek hij voor zich uit.
--Maar vertel mij dan toch?
Hij kruiste langzaam de armen over de borst, en steunde met diep gebogen
hoofd naar den grond starend:--Vernietigd!... Ver-nie-tigd! herhaalde
hij met een traan in zijn stem. Daarna, alsof het een "ter zijde" op het
tooneel was, zei hij zacht in zich zelven:
--Komaan, moed! moed!... en luider:--Ja, aan u durf ik 't vertellen,
omdat u een mensch is!
--Wilt u niet gaan zitten? U ziet er zoo vermoeid uit.
--'k Ben óp, meneer, totaal óp!--Geen oog geloken van nacht. 'k Zal zoo
vrij zijn. Hij nam een stoel en ging zitten met de beenen over elkaar in
een tooneelachtige houding, één arm over de leuning van den stoel
geslagen, met den anderen gesticuleerend.
--Alles ging goed, dat heeft u gezien. Ik speelde met animo, dat heeft u
ook zelf gezien, niet waar? Ik gaf een Henri, zooals hij moet zijn, een
dweepend dichter, een naïf gevoelsmensch; ik was goed in mijn rol, dat
voel ik, en ofschoon ik heel slecht gesecondeerd werd--'k had ter elfder
ure moeten opgrabbelen, wat ik krijgen kon, omdat mijn collega's me voor
't meerendeel hadden gedupeerd! De één was hierdoor verhinderd, de ander
dáárdoor--toch heb ik het stuk weten te houden. Ik vul het tooneel,
nietwaar? En 't publiek was heel lief in het begin.
--Ja, me dunkt, er was na ieder bedrijf veel applaus!
--Te veel, meneer! te veel! Viermaal riepen ze me, toen de pauze kwam,
terug, maar ... ik werd beetgenomen, o God! dat heb ik smartelijk
ondervonden. Toen ik, nadat er al driemaal gehaald was, voor de vierde
maal voor 't voetlicht kwam, om te buigen, zag ik, achter in het
parterre, een krans opsteken. Hij bedekte een oogenblik zijn gelaat met
beide handen en scheen te snikken.
--Een krans, vader, een lauwerkrans!--riep mijn jongste dochter, die
rechts achter de coulissen stond, me zachtjes toe.
Ik boog, ik lei, zooals gebruikelijk is, m'n hand op m'n hart. Holtsman
stond op en speelde nu letterlijk het volgende:
--Daar vloog de krans over de hoofden der toeschouwers op het tooneel en
viel vlak voor mijn voeten neer, maar,--hij scheen bij de herinnering te
rillen--met een onnatuurlijk doffen slag.
--D'r zit een cadeau aan! hoorde ik m'n tweede dochter, van achter den
Mantemau d'Arlequin, links, zeggen.
't Arme kind werd misleid door den zwaren plof, dien de krans gaf.
Ik raapte hem op!... Groote God! meneer, toen ik haar in m'n handen had,
was 't alsof de bliksem voor mijn voeten neêrsloeg--ik dacht, dat ik
door den grond zonk. 't Was geen krans, meneer! 't Was--weer bedekte hij
een oogenblik het gelaat met de nu beverige handen,--'t was een
worst!... Zoo'n groote, gemeene, geldersche rookworst, waar ze
boerenkool, bladeren en bloemen om hadden gewonden.
Holtsman stond naast zijn stoel en maakte, naar den grond ziende, alsof
de worst daar nog lag, een breed gebaar van afschuw en schrik, deed een
pas terug met afwerend, gebogen handen en siste tusschen zijn tanden
door:--Ploerten! hadden hem gegooid, ploerten, die ik nu achter in de
zaal zag dubbelslaan van 't lachen.
--'k Sprong 'n oogenblik terug, meneer! 't Was me, alsof ik een adder
had aangepakt. Ik wist een paar seconden lang niet, wat ik doen moest,
maar plotseling ontwaakte in mij de artist, de gehoonde kunstenaar. Ik
greep de worst, rukte er 't groen, de bloemen af, strooide die uit over
mijn schedel en toen--toen slingerde ik het vette, vieze ding met één
krachtigen zet, "zóó!--hij greep als in extase zijn hoed en smeet dien
over mijn lessenaar--naar die ploerten ... en metéén donderde ik hun
toe: Ellendelingen! Lafaards! Ik heb als kunstenaar een krans, een
lauwerkrans, bloemen, verdiend, maar ... honger heb ik om den bliksem
nog niet!--Dat was misschien iets te kras gezegd, meneer, maar ad-rem
was 't wel! En in zoo'n oogenblik ben je jezelf niet heelemaal meester,
dát voelt u!
--Nu, en toen?--ik had werkelijk veel moeite, om ernstig te blijven;
Holtsman zag het en zei kalmer:
--O, geneer u niet! Ik begrijp, dat u mijn situatie ook belachelijk
vindt en u neem ik dit in 't minst niet kwalijk ... omdat u óók wel
voelt dat ik--hij bracht de uitgespreide rechterhand even aan zijn
voorhoofd--krankzinnig werd van woede op dat moment. U kan begrijpen,
hoe helsch ik was!
--Volkomen! 't Was een verschrikkelijke toestand.
--Een supplice, meneer! Maar 't ergste kwam nog. Dat brieschend gelach,
dat satanisch geschater neen! noem 't gerust gebrul, van alle rangen.
Bravo, bis, kranig! Mooi gezeid! riepen ze van alle kanten maar op een
toon, dat ik ze wel in d'r gezicht had willen vliegen. 't Werd een
ontzettende chaos!
Zakken!--Zakken!--schreeuwden ze achter me op 't tooneel, maar je zult
altijd zien, dat in zulke penible oogenblikken nog iets
extra-onaangenaams gebeurt, 't doek bleef halverwege schuins zitten, 't
wou niet op of neer.
Halen!--Zakken!--Halen! gilden ze achter me, en vóór me brulden ze
lachend: Da capo, Bravo! Bravo! En 't scherm bleef maar steken, ze
trokken het touw haast stuk; niets hielp, 't zat muurvast, fataal!
meneer, fataal!
Heengaan, als een druipstaartende hond wou ik niet. Dien triomf gunde ik
mijn belagers niet ... en daarvoor ben ik niet laf genoeg, ik voel me 'n
te hoogstaand artist voor zóó iets!
Daarom bleef ik zóó, in uitdagende houding, met de armen over de borst
en 't hoofd fier opgeheven, die ploerten zwijgend aanzien maar ... m'n
oogen spraken als dolken! Maar toen ze opnieuw: Bravo, Bis! riepen en de
worst in de hoogte staken op een parapluie, vloog 't bloed me in eens,
onstuimig, naar 't hoofd en met al de kracht van mijn orgaan smeet ik
een donderend:
--Ellendelingen, ik veracht je!... door de zaal.
Een oogenblik was het publiek gebluft, maar daar begonnen die gemeene
kwâjongens te zingen:--Dat's mooi gezeid, dat's mooi gezeid! en ...
weg, totaal weg! was de indruk van mijn woorden. 't Gelach begon
opnieuw; anderen sisten en floten er tusschen in.... 't Was
afgrijselijk, om razend van te worden! Gelukkig zakte toen het gordijn.
Als uitgeput door 't vertellen, liet Holtsman zich, met langzame
sleeppasjes achteruitgaande, op den stoel nedervallen, zijn hoofd, diep
gebogen, rustend op de uitgespreide vingers der linkerhand, den elleboog
op de knie. Een klein poosje bleef hij zóó zitten, nam met een diepen
melodramatischen zucht en langzame beweging een witten zakdoek uit zijn
borstzak en zachtjes zijn bepereld voorhoofd bettend, vroeg hij dof:--Is
't niet om te besterven?
--Ik heb erg medelijden met u, meneer Holtsman.
--O, dank! innigen dank!--hij breidde de armen naar mij uit.--Zoo'n
woord van u is een droppel balsem op mijn verscheurd gemoed!
Hij stond weer op, wrong even de handen, als in wanhoop, en sloeg toen
de linker voor de oogen, terwijl hij met de rechtervuist zachtjes op
zijn hart klopte:
--O, meneer! ik heb zoo geleden, gisterenavond, van nacht, want ...
zelfs m'n dochters hebben om me gelachen! Ze konden 't niet helpen,
zeiden ze, maar 't was zoo wreed!--Ik ben toch haar vader! Afschuwelijk,
niet waar, om door je eigen vleesch en bloed te worden doodgelachen.
Door deze strophe ben ik vermoord!
Met een veelzeggende handbeweging naar den grond en in mineur zuchtte
hij dof:--Zedelijk gesluipmoord, bedoel ik, want mijn prestige tegenover
mijn kinderen is dood, morsdood, sedert gisteren! Verbeeld u, de oudste,
die in de zaal was, is niet eens opgestaan, om met luider stem te
protesteeren tegen den smaad, die haar vader werd aangedaan. Ze verweet
me zelfs, dat ik me had "aangesteld" "màl-aangesteld", door dat groen,
die bloemen over m'n hoofd te strooien. Ze begrijpt de symboliek niet
van die daad!
--Ze had zich voor mij gegêneerd, zei ze, omdat sommige hartelooze
menschen, die haar kenden, haar zoo raar hadden aangekeken.... Maar,
mijn God! bestaan er dan geen banden des bloeds meer?
Droevig voor zich uitstarend, poosde hij even, diep ademhalend, toen
kwam hij vlak voor me staan en zei schier fluisterend:--Illusie, meneer!
Hersenschim! als je dankbaarheid van je kinderen verwacht; de moderne
ideeën maken ze los van alles, ze ontgroeien tegenwoordig te gauw de
ouderlijke tucht. Hoe grooter ze worden, hoe meer egoïst.
--We hebben van nacht een in-treurigen nacht gehad, want ik zei heel
duidelijk mijn opinie aan mijn meisjes.... Misschien heb ik nog al
krasse termen gebruikt, want 't gaf een huilpartij--daar kan ik in 't
geheel niet tegen; dat gegrien irriteert me geweldig, 't beleedigt mijn
aesthetisch gevoel. Toen ze kalmer waren, rekende ik het mijn plicht als
vader, om haar ernstig voor te houden, dat ik van mijn kinderen heel wat
anders had verwacht dan hilariteit. Ze lieten me gewoon praten en gingen
naar bed. In de achterkamer hoorde ik ze giegelen met mekaar;--dat deed
me zeer, maar toen ik m'n tweede dochter, Sophie, schamper hoorde
zeggen:--"Wat 'n zanik--had ie de worst maar liever meegebracht"--toen,
meneer! was m'n lijdensbeker te vol, toen heb ik geschreid, bitter en
lang!
--Niemand troostte me--alleen Karel, die stumperd, was hartelijk voor
z'n vader en die jongen noemen anderen nu: onwijs! De stakkerd was
alleen uit z'n bed gekomen,--#hoe#, mag de goeie hemel weten--en
streelde mijn wangen, zóó, heel zachtjes ... dat is zoo'n eigen manier
van hem, weet u?
--Als ik thuis ben, gebeurt het meer, dat ik zwaarmoedig ben. Dat ziet
de jongen dadelijk aan me, of hij merkt 't als bij intuïtie. Dan worden
zijn oogen zoo goedig, zoo groot en zacht en dan sukkelt ie naar me toe
en drukt zich tegen me aan, net als een trouwe hond, hè? 't Is precies,
alsof ie zeggen wil: Vader, #ik# hou van je, #ik# kom je
troosten--#ik# weet, dat je lijdt. Ach, als die arme jongen maar
spreken kon, was alles zooveel beter--dan zouen ze niet meer zeggen: hij
is suf! dan zouen z'n zusters 'm niet zoo verschoppen.
--Wij hooren nu eerst goed bij mekaar, want #ik# ben ook een
verschoppeling--een uitgelachen artist is niets beters.
--Kom, kom! meneer Holtsman, geen moed verliezen. Je zult deze
teleurstelling wel weer te boven komen.
--N--neen!----n--neen! Hij nam zijn hoed van den grond op en maakte er
een deuk uit.--Ik ben "fini",--de worstacteur--de artist van de
worst--zullen ze mij voortaan noemen. Bah, 't is al te walgelijk!
Een paar malen schudde hij zich als in hevigen afschuw; toen scheen de
crisis voorbij. Hij veranderde van houding en van toon en lei iets
nederigs in zijn stem, terwijl hij vroeg:
--Zou u niet in uw veelgelezen blad--dat was ook de reden van mijn
vroege komst hier--onder de rubriek "kunst" een entre-filet willen
plaatsen, waarin u een scherpe afkeuring uitspreekt over het gebeurde
van gisterenavond? En zou u dan meteen de beleefdheid willen hebben er
op te wijzen, hoe ik nu, totaal onschuldig, het slachtoffer ben
van--zijn gelaat teekende eensklaps afschuw, toorn en minachting--van
een vuile, ploertige studentengrap.
--Als u er dan bijvoegen kon, dat ik als acteur mijn sporen wel heb
verdiend en dat ... maar--hij boog even deemoedig het hoofd--misschien
is 't al te onbescheiden, wat ik vraag--dat ik voor menig
tooneelgezelschap door mijn veeljarige routine, door mijn beschaafd, met
verstand spelen en goed orgaan een aanwinst zou kunnen zijn.
--Ik heb Don César de Bazan, Paljas, Lazaro, IJzervreter, La
Gardére--enfin, u weet wel, alléén éérste rollen gespeeld, maar ik ben
nu niet ongenegen, om in een ander emplooi over te gaan. Als ik maar
eerst ergens voor vast ben, kom ik van zelf weer "au premier plan,"
omdat ze onmiddellijk zullen begrijpen, wat ze aan #mij# hebben.
Hij richtte zich in zijn volle lengte op, zette een hooge borst en trok
langzaam een paar erg oude glacé handschoenen aan. Zijn mimiek was
geheel in overeenstemming met zijn pose, want zijn wenkbrauwen waren
sterk gefronst en de hoekjes van zijn mond omlaag getrokken onder de
zacht bewegende neusvleugels.
--Ik zal probeeren, of ik iets voor u doen kan, maar u begrijpt wel, dat
#ik# niet bij machte ben, om u een engagement te bezorgen.
"Het pogen zelfs is grootsch in 't worstelperk der eer," citeerde hij
met een beminnelijken glimlach en geleidelijke stemverheffing, daarna
meer gewoon:--Ik ben u al vooruit innig dankbaar!
Met een fraaie, goedbestudeerde tooneelbuiging nam hij afscheid. Aan de
deur gekomen, keerde hij zich om, de rechterhand op den deurknop
leggend, één knie vooruit, het hoofd iets achterover.
--Vaarwel, mijnheer! Hij wuifde me toe met de slappe
linkerhand.--Vaarwel!
III.
Een paar jaren later, ik stond juist op 't punt van naar huis te gaan,
kwam de jongste bediende mijn privé-kantoor binnen met een visitekaartje
en de boodschap: of u een oogenblikje te spreken is?
--Zeker! Zeker! laat mijnheer dadelijk binnenkomen. Ik lei mijn hoed en
handschoenen naast mij neer en trok haastig mijn overjas weer uit, omdat
ik, naar ik meende, een Wethouder der gemeente, die mij de eer van zijn
bezoek gunde, niet in haast mocht ontvangen.
Terwijl de deur voor den bezoeker geopend werd, hoorde ik in het
voorkantoor een onderdrukt gelach, dat mij zeer ongepast scheen, maar
zoodra ik den binnentredende zag, begreep ik alles. Holtsman stond voor
me, even theatraal en gewichtig als vroeger, maar ouder geworden en nog
meer vervallen. Hij droeg een wijde manteljas en hield zijn #mij#
bekenden, hoogen grijzen hoed in de hand.
--O, is u 't?
--Om u te dienen. Een onberispelijke buiging volgde.
--Maar?... ik keek op 't visitekaartje ... ik dacht?
Vóór ik verder spreken kon, was hij mij genaderd en nam met een snelle,
maar zeer beleefde beweging, voorzichtig met duim en vingertop, het
kaartje uit mijn hând:
--Permitteer mij, dat ik mijn talisman weer tot me neem? Hij borg het
kaartje zorgvuldig weg. Ik zou 't voor geen geld ter wereld willen
missen, want het is mijn Sesam-open-u?
--Aha!--nu begrijp ik 't--uw gewone truc.
--Noem het, zooals u wil, mijnheer, maar 't is voor mij een
levenskwestie, dat ik persoonlijk toegang krijg tot menschen van positie
en stand. Och, ik ben wel genoodzaakt zoo'n handigheid te baat te nemen,
de meeste heeren zijn zoo ongenaakbaar; 't is, alsof men bang is voor
een artist.... Ik kom u een vriendelijk verzoek doen. Zijn glimlach werd
zoetelijk.
--Geeft u soms weer een benefiet?
Holstman keek mij min of meer verwijtend aan, strekte de handen,
artistiek gebogen, als afwerend uit, wendde zijn gelaat, waarover een
smartelijke trek gleed, een paar seconden af en zei:
--O, ik bid u, herinner mij niet aan dien vreeselijken avond. Ik ben dàt
leed nòg niet te boven; ik tràcht te vergeten, maar ... ik-kan-niét,
helaas! En na eene kleine kunstpauze:
--N-neen! ik speel niet veel meer, en toch leeft hier,--hij tikte
zachtjes met den rechter-middelvinger op zijn borst--hier, in 't
diepste van mijn binnenste, lièfde voor de kunst; de denkende artist
sluimert slechts een wijle, omdat--voorzichtig rondziende, alsof hij in
een verradersrol op de planken stond: ... Zijn wij hier alléén?
--U kan vrijuit spreken.
--Welaan dan!... omdat de lijfelijke mensch behoeften heeft. Ja, meneer!
't is treurig, maar ik ben weer in den handel moeten gaan. O! 't is met
een blos van schaamte, dat ik 't beken: mijn hart bloedt, mijn geheele
kunstenaarsziel komt in opstand maar ... ik heb een familie, die eten
moet.
Met een mooi tragisch gebaar één hand voor de oogen brengend en in zijn
stem een bitter droeve klank leggend herhaalde hij:--Een huisgezin, dat
fatsoenlijk wil blijven. Ik wil het niet voor iedereen weten, dat ik ...
God het is zoo hard om te zeggen ... een kleine negotie heb. Men kan
immers nooit weten of ik niet weer op het niveau kom, waar ik thuis
hoor. 't Publiek zal toch wel ééns genoeg krijgen van al dat moderne
gespeel, en van die kopjes-thee-stukken, maar "en attendant" moet men
leven--dat's logisch niet waar?
--Zeker!
--Daarom kom ik persoonlijk "en privé"--bij de chefs van groote firma's,
bij bekende kunstbeschermers en menschen van hoogere ontwikkeling. Hun
durf ik vrijmoedig naderen en vragen, ... zijn stem daalde tot
fluisteren:--Zou u van een miskend artist niet een doosje stalen pennen
en wat postpapier willen koopen?
Toen sloeg hij zijn wijde manteljas open en ik zag, dat hij er een
reistaschje onder droeg.
Haastig nam hij er een paar doosjes pennen en een pakje postpapier uit,
lei een en ander op mijn schrijftafel en zei met gebogen hoofd en
afgewend gelaat, zuchtend:
--Ze kosten me ingekocht één gulden ... ik laat met gerustheid aan u
over, wat u er voor betalen wil ... ik ben geen handelsman.
--Meneer Holtsman, u is een diplomaat!
Ik accepteerde de pennen en 't papier en gaf hem een klein bedrag. Met
weergalooze nonchalance liet hij 't zonder na te zien, hoeveel 't was,
in zijn zak glijden, boog eventjes en zei als ter loops:--Dank u zeer!
Toen langzaam:--Mag ik nog iets vragen?
--Welzeker!
--Heeft u ook soms copiëerwerk voor me--ik zou het 's avonds best kunnen
doen; ik schrijf een mooie, loopende hand en grammaticaal.
--'s Avonds? Is u dan heelemaal van 't tooneel af.
--Ja!--dat is te zeggen: Neen!... Ik ... zijn stem trilde iets en, naar
't mij toescheen, ditmaal echt. Zelf speel ik voorloopig niet meer. Er
is tegenwoordig geen plaats voor 'n denkend kunstenaar van rijpe
ervaring; ze hebben liever jonge, grasgroene schreeuwers, die in de
broeikas zijn gekweekt.
--In de broeikas?
--Scholieren van de Tooneelschool, meneer! Bah, wat zijn 't in den
regel? Papegaaien, die nabouwen wat 'r lui wordt voorgesnaterd--van
créatie geen spoor! Ik gevoel me ver boven zulke ... enfin! boven zulke
quasi-beschaafde kakatoes ... maar vooralsnog kun je tegen de strooming
der tijden, de opinies van Regies en Directiën niet op. Ze hebben me
hier en daar willen hebben voor figuratie en voor--hij haalde de
schouders verachtelijk op--voor sloome-duikelaars-werk.
--Duivelstoejager! Merci! Daarvoor is Holtsman te veel artist ... maar
je familie, hè? Ze voelen dat niet, ze houën d'r hand op, alle weken,
zonder te vragen, hoe je er aan komt. Enfin! 't is niet anders; ik heb
dus maar genomen, wat ik krijgen kon.... Och! u kan ik 't wel zeggen: ik
souffleer tegenwoordig!
--Wel zoo en waar!
--Nu eens hier, dan weer dáár--ook niet alle avonden geregeld. Onlangs
ben ik zes weken op Tournée geweest in de provincie; kermis te
Groningen--een série voorstellingen te Zwolle, Kampen, Assen etc. 't Is
niet gemakkelijk om de eindjes bij mekaar te houden, meneer! Vijf
dochters thuis, gezonde eters. Ja! en daarom copiëer ik al muziek,
schrijf rollen uit en van tijd tot tijd régisseer ik bij
liefhebberijgezelschappen. 't Zijn wel meest kantoorbedienden- of
werkliedenvereenigingen, maar die eenvoudige lui appréciëeren je,
hè!--Zulke avonden zijn de oasen in mijn levenswoestijn.
--Is er nog geen van uw dochters getrouwd?
Zijn gelaat betrok, toen hij antwoordde: Ja, helaas! en zuchtend:--De
oudste, maar zij is alweer van haar man af--'n gemeene dronken lap, die
'r met een kind van drie maanden gewoon heeft laten zitten,--Ja, ja! die
heb ik nu ook op m'n dak! 'k Heb nog een schoolgaand meisje en dan één
jongen, 'n stumperd.
--O, ja! dat 's waar, hoe gaat het met hem?
Holtsman's oogen kregen meer uitdrukking, zijn fletse wangen kleurden
even en een klein lachje omspeelde zijn vale lippen, toen hij, een pas
naderbij komend, bijna verheugd zei:--Ik geloof nu dat er eenige kans
is, dat Karel iets zal leeren zeggen. 'k Heb 'm in een inrichting,
meneer! al bijna 'n jaar! 't Is goed voor den stakker, maar ik mis hem
zóó,--alle dagen! Van de anderen nam hij geen notitie, maar voor mij was
ie een-en-al hartelijkheid.
--Zoo'n behandeling is duur. 'k Moet alle weken zes gulden vijftig voor
'm betalen--'t is een heele boel--en als je nu overal nog maar je
négotie kon aanbieden, maar al ben je nu ook nog zoo volkomen vader--je
kunt je als artist toch niet heelemaal vergooien. Zondags mag ik Karel
altijd zien. Ik vind wèl, dat hij iets vooruit gaat. Enfin, ik ben
eigenlijk niet heelemaal bevoegd tot oordeelen, want: ik verstond hem,
zoo gezegd, van z'n geboorte af, maar hij dient toch voor anderen ook
verstaanbaar te zijn ... als ik er eens niet meer ben.
Och, ja!--hij knoopte zijn manteljas langzaam over zijn taschje
dicht,--ik heb veel, heel veel bittere décepties in mijn leven
ondervonden ... als ik nu ten minste maar die ééne satisfactie mocht
hebben, dat mijn jongen 'n beetje spreken leert.
--Ik help 't u wenschen.
--Dank, innigen dank! Eensklaps verviel hij weer in een tooneeltoon, Met
een zekeren zwier nam hij zijn hoed, boog achteruitgaande, bereikte de
deur en zei vóór hij vertrok:
--Als de Hemel 't wil geheugen, zult u me wederzien, mijnheer!
EEN REGENACHTIGE DAG TE WIESBADEN.
_Een reisherinnering_.
"Sechs Uhr! Stehen sie gefälligst auf? roept de huisknecht van "'t
Römerbad" aan mijn kamerdeur.
"Oah!" ik gaap en wordt wakker.
"Sechs Uhr! Ihr Bad ist bereit!"
"Jawohl, gleich! Wie ist das Wetter, Christiaan?"
"Regenwetter, meinherr,--Regen! immer Regen!"
Ik hoef het eigenlijk niet te vragen; ik steek slechts even mijn hoofd
om 't hoekje van mijn bed en ik zie genoegzaam hoe 't weêr is, door 't
vale grauwe licht; dat tusschen de reten van de gesloten stores
binnenvalt.
Ik sta op; 'k heb het land door al het water, dat ik hoor neervallen, ik
trek mijn kousen en mijn chambercloack aan. Ik gaap nog even en stoot
knorrig raam en store open. Ik kijk naar de lucht, ze is grauw, grijs.
De regen slaat mij in 't gezicht, want 't waait vrij sterk. "De
Kochbrunnen" vlak voor mij dampt en borrelt; de "Brunnenmädchen" staan
achter de tafels op haar post. De eene heeft een wollen doek om, dat
maakt mij kwaad: een "Brunnenmädchen" met een zielenwarmer om! Ik kan er
niet naar kijken--de andere heeft een leelijken wipneus--goeie hemel!
wat een wipneus! 't regent er in.
Dat had ik gisteren toen 't mooi weer was niet eens gezien. Hoe meer ik
naar de lucht kijk, des te knorriger word ik! 't Is of de zon een vieze,
grauwe slaapmuts op heeft--net als die vent, die hierover in "der
Europäische Hof", uit het raam ligt.--Bah; wat een ordinair gezicht: wat
kijkt die kerel knorrig als hij gaapt.--Heer in den hemel! wat heeft die
man leelijke tanden; 't is of ik in een kolenhok kijk.--Hou je mond toch
dicht, akelige vent: daar gaapt hij waarachtig al weer.
Ik kijk er niet meer naar; 't eene bronnenmeisje ziet mij aan 't venster
staan. Ze knikt mij toe, kijkt omhoog naar de lucht, trekt haar
mondhoeken omlaag en schudt met het hoofd, haalt de schouders op, knikt
mij nog eens toe en geeft aan een magere Engelschman, die met den kraag
van zijn demi saison omhoog voor haar tafeltje staat, een glas
"Kochbrunnenwasser".
Wat een misselijke vent is die Engelschman; hij heeft een paar voeten
als strijkijzers; 't is precies een lat met een demi-saison aan. Daar
komt een juffrouw bij hem staan; zeker zijn dochter, want ze is even
plat en houterig als hij. 'k Zie aan haar lippen dat ze "morning" zegt.
Hij draait zich even om, zegt iets dergelijks en slurpt zijn glas leeg.
Wat ziet die Trinkhalle er saai uit--er is nog niemand anders in dan
drie natte droogstokken.--Ja! toch wel; heelemaal aan 't eind er van zie
ik een parapluie, die neêrgedaan wordt.--Er waggelt iets nader; 't is
die vette Sakser, dien ik gisterenavond in de restauration Engel een
portie haché (Gulasch) zag eten, om tien uur 's avonds.--Hoe kan iemand
't verdragen.--Almachtig! wat is hij dik; met zijn grijze paletot lijkt
hij nog dikker; compleet een bal.
't Is kil in de lucht en toch transpireert die vent.--Zooveel vet op
mijn nuchtere maag, bah! ik kan 't niet velen--ik doe m'n raam dicht,
maar 'k hoor hem nog juist zeggen: "Ai, Herr Chjaeses! was e Wetter!"
.........................................................................
Voor het gesloten venster blijf ik nog een oogenblik staan, want ik zie
dien langen, beenigen schoolmeester uit Barmen, die aan de table d'Hôte
altijd water drinkt, aankomen.--Hoe is 't mogelijk, dat iemand zoo 'n
hoed kan dragen--een bol van lage drukking en een rand als een
duivenplat. Wel zeker! Herr, ga je gang maar! staat alléén bij de
bronnenmeisjes en geeft de knapste stiekum een handje. Ga gerust je
gang, oude zondaar, je vrouw ziet 't immers niet--ze zit zeker thuis met
een dozijn kinderen.--Zeg eens, hei! niet zoo erg familiaar--hij knijpt
haar in de bolle wangen.--Och 't is maar een eenvoudig kneepje--hij
denkt er niets bij, de brave man is geheel zonder erg; dat kun je wel
aan zijn gezicht zien, want hij trekt een pruimensnoetje;--Schlechtes
Wetter, ach! furchtbar, zum verzweifeln"--ik hoor het niet, maar ik zie,
dat het Brunnenmädchen het zegt.
'k Ga in "chambercloak" mijn kamer uit: de barometer in de vestibule is
alweer gedaald, ik tik er op:--hij gaat nog een eindje terug. Een
miserabel ding, die barometer.
"Morgen!" zegt de portier.
"Morgen!"
"Miserabeles Wetter, Meinherr!"
"Jawohl!"--nare vent, dat zie ik zelf immers wel.
Voordat ik de trap naar 't badhuis afga, komt mij de Oberkellner tegen
met een blad vol koffiekoppen en broodjes.
"Morgen!"
"Morgen."
"Unglückseliges Wetter!"
"Jawohl!"--Ringelingeling! klinkt een kamerschel naast mijik schrik er
van,--dom dat ze hier nog geen electrische schellen hebben!
De Oberkellner ziet naar 't bruine klepje, dat aan den deurpost No. 16
is opgeslagen en roept: "Zimmerkellner, auf 16 hats geklingelt." De
Zimmerkellner is er reeds en zegt, terwijl _hij_ in No. 16 en _ik_ in 't
badhuis ga: "Hundewetter heute!"--Weet je niets anders, kerel?
De warmte der baden komt mij bij het binnentreden tegemoet; zij doet me
goed, anders puf ik er van.
De "bademeister" doet mijn badkamertje open.
"Morgen Herr!"
"Morgen Bademeister!"
"Scheussliches Wetter heute."
Flap! ik gooi de deur van 't kamertje achter mij toe.
't Bad komt mij veel te warm voor, veel warmer dan gisteren.
|