|
|
--Een wipneus? Geen kwestie van! zei Bruin, oplettend photo en buste
vergelijkend.
--Neen, neen! dén eerder 'n dikkere, meer volumineuse. Dét réppeleer ik
me ten minste wel. Muller héd iets pérticuliers aén z'n neus--maer wét
't wés...? De geleerde heer Drogers haalde de schouders op en trok zijn
handschoenen aan. Dr. Operling ontvouwde zijn gekruiste armen,
ontrimpelde zijn voorhoofd, keek nog eenmaal met een zucht naar Mullers
buste, lachte toen smadelijk in zich zelf en drukte Bruins de hand ten
afscheid.
--Pardon, meneer, zei Bruin, U heeft uw opinie nog niet gezegd: Vind u
dat Muller lijkt?
Toen opende Dr. Operling zijn mond en sprak:--ik heb den man nooit
gekend, wel van 'm gelezen--en als ik naar zijn gedichten oordeel, kan
hij er wel zoo banaal hebben uitgezien. Bonjour!
Meneer Assman keek met souvereine minachting Dr. Operling na, en toen
naar den parapluienkoopman, die hem met een spottend: á l'avantage;
monsieur Assmanne, in den deurpost salueerde. Hij groette met een
nuffige handbeweging Capelli, en zei, toen beiden vertrokken waren, op
beschermenden toon:--Jonge vriend, je zult later wel leeren begrijpen
wat ik bedoel; je bent nog wat te veel onder den indruk van 't genoten
akademisch onderricht--je moet vrij, indépendent worden. Tegenwoordig is
de vorm geheel bijzaak--'t komt er volstrekt niet meer op aan, of een
portret of buste lijkt, zooals men dat vroeger noemde; al geef je, zoo
gezegd, iemand, die rood is zwart haar, al zou je een man met een
wipneus een arendsneus maken, 't doet er allemaal niet toe--als je maar
zorgt, dat het _onzienlijke_ er in zit. Begrijp me goed: al had je nu
b.v. deze buste--hij tikte met zijn wandelstok tegen 't piédestal--op
Muller's gelaat afgegoten, dan zou hij voor mij toch niet lijken,
zoolang ik dat onbeschrijfelijke er in mis, dat psychische, dat niet
gezien, maar alleen _gevoeld_ kan worden.--Adieu!
III.
--Oeff! deed Bruin, toen de heeren 't atelier verlaten hadden.--Pff! wat
'n geleerdheid, 'k snap er geen steek van--hij wil er in zien, wat niet
gezien kan worden, niet zien wat ie voelen kan--daar mag Joost uit wijs
worden ... hij ging in den fauteuil zitten, nam opnieuw de photo en
vergeleek die nog eens nauwkeurig met het kleimodel.--'k Laat me villen,
als ik weet, wat er aan scheelt; die beroerde Versjesmaker _wil_ maar
niet lijken ... 'k weet toch zoo zeker, dat ik de photo conscientieus
heb gevolgd, maar toch hebben ze gelijk: dáár in den neus zit de
fout--wat blikslagers, kan 't toch wezen?
Nog eens en nog eens weer bekeek hij zijn werk, greep een
boetseerhoutje, toetste hier en daar wat aan den kop, nam distantie,
keek dan weer vlak bij van links en van rechts, en eindelijk, knorrig en
zenuwachtig geworden, smeet hij met een vloek portret en stokje vóór
zich uit, ver door de kamer.
Juist ging de deur open, een vlugge hand ving 't stokje op en een
vroolijke stem riep:--Heé heé! is dat 'n manier, ouwe jongen?
--O, Karel, ben jij 't? Kom binnen!
--Jawel, ik ben 't en je buurjongentje, Puckie, is vlak achter me.
--Zoo, wurm, kom jij ook 'ris kijken?
--Ja, sliert! En ik kom een beetje tabak halen, heb je nog, zei een
klein dik ventje, met een erg wijd, sopperighangend geruit broekje aan,
dat uit een fluweelen jacquet over een paar versleten gele fietsschoenen
hing.
--Kijk maar in den pot, misschien is er nog shag in.
--'k Schoot niet op vandaag en ik kreeg 't land, daarom loop ik eens
over en kom je Verzenpallurk nog 'ris kijken.
--Nou, d'r is geen moois an, hoor!
--'k Wou hier in, maar je ouwe mensch hield me tegen, omdat de OOMES er
waren. Puckie zat al bij d'r koffie te lebberen, niet waar, wurm?
--Ja, jouw koffie.--Zeg, sliert, ik heb ze gehad en hij had ze _willen_
hebben.... Wat is je ouwe vrouw mopperig--en hoe vonden de "heeren" je
kop?
--Nou, maar zóó--zóó; de eene vond 'm te dit, de ander te dàt.--Och! ze
hebben me een poos geamuseerd met d'r lui gewauwel, maar eindelijk
hebben ze me nijdig gemaakt--de duivel mag dan ook weten, wat er aan
dien neus scheelt--kijk jij nu 'ris, Karel--daar leit 't portret bij de
deur. Toe, Puckie, raap jij 't is op, jij bent 't dichtst bij den
vloer....
--Ja ... en jij 't laagst bij den grond,--grinnikte het ventje, maar
zocht meteen de photo op en gaf die aan Karel.
Met hun drieën bekeken zij nu aandachtig Muller's buste, een heele poos,
zwijgend, met kritische oogen. Eindelijk zei Karel:--ik snap d'r niks
van, 't ding zit toch best in mekaar en 't is goed gedaan naar 't
portret. Puck nam een stukje klei, rolde er handig een klein balletje
van, plakte dat op Muller's neus en streek er met zijn natgemaakten
vinger overheen, met schuins gehouden hoofd kijkend, hoe 't deed. Bruin,
die de photographie in handen had, riep eensklaps:--D'r af, Puckie! Gauw
d'r af! Zóó is 't heelemaal donderen--veel te dikke ponem. Neen, dàt is
't ware niet!
--Geef 'ris hier, Jules; de kleine nam de photo uit Bruin's handen, ging
er meê bij 't venster staan, keek met ingespannen aandacht en riep
eindelijk snerpend:--Wat sakkerloot! d'r is aan dien ponem (neus)
geretoucheerd.
--Hè! is 't waarachtig?
--Wat ik je brom, hoor! d'r is aan geknoeid--God weet, hoe 'n
kinderklomp die vrijer voor z'n kop heeft gehad--ze hebben 'm mooier
gemaakt, dan ie was--mijn kop af, als 't _niet_ zoo is!
--Maar Puck, wat zou ie dan wel voor 'n snuit gehad hebben? Geef 'ris
op! Karel nam 't portret uit Puckies vingers, keek ook met alle
oplettendheid en zei:--Jules, gooi eris links een moppie klei tegen z'n
gevel--en zet vóórop een klein korreltje met 'n deukie.
Bruin deed zooals Karel zei, maar vóór hij er mee klaar was, riep Puck
teleurgesteld:
--Mis, 't deugt niet, nou lijkt ie zelfs niet meer op 't photo'tje.
--Dan maar d'r af! Bruin bracht Muller's neus weer tot den primitieven
vorm terug en zei knorrig:--Dat beroerde ding verveelt me, 'k heb er al
acht dagen aan gewerkt en als ik geen "en face" heb, breng ik er nooit
wat van terecht.
--Hou nou eens even je gemak, ik geloof, dat ik er ben!
Karel riep Bruin bij zich, vlak voor 't venster.--Kijk! zie je daar die
retouche--geef je loup eris--nou, kijk nou zelf; ze hebben 'n eind van
z'n kajim afgenomen.
--Waarachtig dat lijkt wel.
Puck stond op zijn teenen bij de anderen en vroeg:--Laat me ook eris
kijken, ik kan d'r zóó niet bij.
--Kom hier, hobbelbroek, kijk!--Bruin pakte 't ventje eensklaps beet en
tilde hem op.
--D'r is van voren wat afgehaald en aan de eene zij bijgebracht. Die
neus is goed, om iemand gek te maken!... riep Puck.
Bruin zette hem weer op den grond; hij liep naar de buste; duwde den
neus wat in elkaar, rondde hem aan één kant af en vroeg: "Is ie zóó
beter?"
--Neen, schei maar uit; je bent ook al geen professor, blijf maar bij je
decoraties--die schilder je ten minste nogal dragelijk.
--Dankje wel! Puckie tikte met één vinger aan zijn slappen hoed,--ik zal
je groeten--God geve je sterkte met dien mooien jongen dáár--misschien
komt van nacht z'n geest en maakt zelf z'n facie in orde--Dà-ag!
--Dag hobbelbroek!
--Dà-ag!
Karel, meer serieus artiest, bleef nog een poosje met Bruin aan 't
zoeken, maar eindelijk gaven ze 't beiden op.
--Ik zou niet graag zoo'n koopie snappen, Bruin; als ik 'n dingetje
schilder, heb ik er lang niet zóóveel gehaspel mee.
--Och! schei uit, 'k ben misselijk van dien Muller--kijk die beroerde
kerel daar nou staan--Is 't niet of ie me uitlacht?--Goddorie, kerel! ik
wou, dat jij nooit beroemd was geworden, dan had je mij niet zoo
verveeld--wat is 't toch lam, als je voor zoo'n paar ellendige guldens
je tijd moet verknoeien aan zoo'n leelijke, vieze, ouwe mannenkop,
terwijl er zoo'n eeuwige boel mooie vrouwen zijn, die je
inspireeren.--Allo, vent, ga mee--'k heb er m'n buik van vol--neen, ik
moet er juist m'n buik dóór vol krijgen, anders gooide ik dien Muller
tegen die vervelende wijze kerels, dat de kluiten om der ooren stoven!
--Jules, je wordt landerig. Komaan, ouwe jongen, ga meê--dan pakken we
samen een borrel--ik heb vandaag een résédatje voor je over.
--Mooi, vooruit dan!--Ajuus, leelijke ouwe verzenpikker--dáár!--Bruin
trok zijn kiel uit en smeet die opgerold naar de buste.
--Pas op, je klei is nog week!
--Och, 't beroerde ding kan me niks meer schelen. Kom meê!
IV.
Meneer Capelli gaf de zaak echter zoo spoedig nog niet op; hij was te
veel koopman, om niet alle moeite te doen, goede waar voor zijn geld te
krijgen en daarom zond hij reeds 's anderen daags en nog een paar dagen
daarna, verschillende menschen, die beweerden den grooten Dichter van
aangezicht tot aangezicht te hebben gekend, naar Bruins' atelier.
De modelleur kreeg hoe langer hoe meer het land, door de zoo wijd
uiteenloopende meeningen en kritieken, die hij moest aanhooren; hij werd
gejaagd en zenuwachtig, zoodra de schel van het bovenhuis driemaal
tingelde, maar toen er eindelijk twee belletristische dames kwamen, die
elkander haast bij de haren kregen, omdat de oudste beweerde, dat
Muller-zaliger een schippersbaardje en een kaal hoofd had gehad, terwijl
de jongste snikkend volhield, dat "_de lieve man lange, artistieke
lokken droeg_," werd het hem tè benauwd en liep hij in wanhoop de deur
uit, met de woorden:--Moeder, als d'r nu weer iemand komt met 'n
visitekaartje van Capelli, gooi 'm dan vierkant de trappen af!
--Och, Puckie, zei juffrouw Bruin op dien middag tegen den kleinen
décoratieschilder, die zijn dagelijksch kopje koffie bij haar kwam
halen--Sjuul is heelemaal in de war, d'r is geen land met 'm te
bezeilen--'t wordt een mooie boel hier; die akelige dooie
versjesmaker--zij wenkte met haar hoofd in de richting van het atelier,
waarvan de deur openstond--bederft z'n heele humeur. Hij voert geen
steek uit, en als die Fransche mesjeu dat nakende vrouwtje en die rug
van Roosje niet van 'm had gekocht, zoüen we d'r nou heel akelig voór
zitten; dat's ten minste nog een meevallertje geweest. Zij schudde
bedenkelijk 't hoofd:--'t Is bedroevend dat ik 't zeg, maar ik geloof
nou toch ook, dat Sjuul maar in blootigheid moet blijven werken; daar
zit 'n broodje an, want 't is de mode, maar onchristelijk en goddeloos
is 't toch. Heere, Heere, wat leven we in een verdorven tijd!
--Ja, juffrouw, zei Puck, terwijl hij langzaam zijn koffie dronk,--de
wereld is boos en vol zondige wulpschheid en als ik je zoon was zou ik
er m'n voordeel mee doen.
--Hoe zoo dan?
--Wel, ik zou dien dichter ook in de blootigheid, ten voeten uit,
modelleeren, misschien vinden ze dan dat ie lijkt, want zooals 't nu is
gegaan kan ik me best begrijpen, dat Jules half dol wordt. Hij haalde
een papier voor den dag:--Luister eris, ik heb uit aardigheid
opgeschreven, wat al die lui hebben gezegd, en als je nu alles bij
mekaar neemt, weet je precies hoe die zalige verzensmid er bij zijn
leven heeft uitgezien.
Met een leuk gezicht las het ventje: "Volgens het oordeel van vrienden
en vereerders, die den overledene van zeer nabij hebben gekend, had de
begaafde dichter een smal, langwerpig, breed gelaat met vooruitstekende,
wegzinkende jukbeenderen; _kleinen_ mond, die _groot_ was door de
_dikke_, vooruitstekende, saamgeknepen _dunne_ lippen een stompen, spits
opwippenden, rechten arendsneus en een laag voorhoofd, dat hoog, gewelfd
en geniaal was. Zijne uitpuilende oogen zonken weg in de kassen en zijn
ooren waren klein van grootheid. Zijn rond, spits voorhoofd rustte op
een inééngedrongen hals, mager van dikte. Lang artistiek krullend haar
versierde zijn kalen schedel en een schippersbaard en knevel orneerden
zijn gladgeschoren gezicht."--Zie je, juffrouw Bruin, dat is nu 't
résumé van al de opinies.
--'s Jongés, 's jonges! wat 'n raar model, en zou ie d'r nou warentig
zóó hebben uitgezien, Puckie?
--Als je al die lui gelooven wilt, ja--maar misschien was ie nog anders,
dat hangt nou maar af van degene, die hem gekend heeft en.... Stil! wat
is dat? Is Jules in 't atelier?
--Neen! maar ik hoor toch ook iets--d'r valt wat, d'r is toch iemand
bezig ... 'k zal 'ris even gaan kijken.... Zij slofte naar voren.
De kleine decoratieschilder bleef rustig zijn pijpje zitten rooken en
schonk zich nog eens in, terwijl de oude vrouw de kamer had verlaten,
maar met één sprong was hij, een oogenblik daarna, bij haar toen hij
haar met verschrikte bevende stem hoorde roepen:
--O, mens! O, Heere! Tommy,--ommy, wat begin je me nou. O, Puckie! kom
eris gauw hier, dat's me een geschiedenis!!
--Wat is er an de hand, juffrouw?
--O, genade! wat 'n ding!
In 't atelier stond de oude vrouw en keek met groote angstige oogen naar
de buste; de kat namelijk had een sprong gedaan en in haar vaart een
langen stok omgesmeten, die tegen Muller's kop was terecht gekomen en in
de nog weeke klei een deuk had gemaakt.
--Zoo'n stinkende kat! Allo, ketsch! Vort! schreeuwde Puck en schopte
met zijn korte beentjes een bankje voort, maar Tom, met dikken, hoogen
rug wreef zich tegen een stoel.
--Neen, doe 'm niks! 't Stomme dier kan 't toch niet helpen; kom hier
m'n poessie! 't Is zoo'n goeie lobbes--zij nam de kat op--'k zal 'm zoo
lang in 't keukentje opsluiten, want als Sjuul thuis komt en 't merkt,
krijgt ie d'r van langs. Sjuul heit toch al zoo 't land aan Tom,
nietwaar lievert? Met de poes in haar armen bekeek ze de buste:--'t Is
nogal goed afgeloopen, hij had heelemaal kapot kunne weze.
--'t Is wat moois, bromde de kleine en drukte zooveel hij kon de klei
weer in haar fatsoen;--dat moet er nou nog bij komen!
--Gauw! naar achteren, gauw! daar hoor ik Sjuul op de trap. Laat maar
staan, Puck! kom mee, laat 't 'm in Godsnaam niet dadelijk merken; hij
is toch al zoo uit z'n humeur. Hier! pak an, gooi dien doek d'r maar
zoolang over, gauw dan! O, heere, heere! Wat 'n gedoe met dat miserabele
ding!
In een oogwenk zaten beiden, alsof er niets gebeurd was weer bij de
koffie en de kat in de keuken.
Angstig luisterden ze, want Bruin was niet alleen, ze hoorden hem met
iemand spreken.
--Wie zou ie bij 'm hebben? vroeg fluisterend de juffrouw.
--Misschien weer een kijker, een criticus.
O goeie genade, dan merkt ie 't direkt, dan hebben we de poppen aan 't
dansen.
Juffrouw Bruin stond op en luisterde, voorzichtig de kamerdeur op een
kiertje houdend. Puck rookte en zweeg, afwachtend en vragend naar haar
ziende.
--O! zei ze eindelijk,--'t is onze huisheer maar....
--Stil! sjuut...!
Bruin stond in 't atelier en sprak tamelijk luid.
--M'n goeie meneer Apels, ik geef u volkomen gelijk--'t is heel beroerd
als je zoo telkens teleurgesteld wordt, maar ik kan 't waarachtig niet
helpen--'t is slap tegenwoordig met 't werk. Gelukkig kan ik u ten
minste iets geven vandaag,--'k heb een Venusje verkocht en over een dag
of wat hoop ik weer wat te krijgen, ten minste als dat ding--hij keek
naar de buste ... wat duivel, wie heeft daar dien doek over gegooid?
Hij nam den doek er af en bleef een oogenblik verbluft staan, toen hij
Muller's buste zag.
Voor hij evenwel iets verder zeggen kon, nam de huisheer het woord en
zei, met minachtend gebaar op de klei-pop wijzend:
--Dat's ook een mooie jongen geweest, die Muller.
--Hè, wat?--U zegt Muller, hoor ik goed?
--Ja natuurlijk, is 't 'm dan niet? 'k Bedoel de dichter, die is 't
immers?
--Ja zeker! zeker! maar....
Hij lijkt sprekend:
--Zoo-o! Ei!
--Frappant!
Bruin bleef met groote, verwonderde oogen èn buste, èn huisheer
aankijken en zei niemendal, omdat hij een sensatie had, alsof iemand hem
balsem in de ooren goot. Hij luisterde, terwijl zijn gelaat meer en meer
opklaarde.
--Je hebt 'm goed getroffen, die lamme vent! 'k Moet nog een half jaar
huur van 'm hebben--'t zat er nooit bij 'm an, maar praatjes had die
scheefneus genoeg.
--Hè, wat! O, hum! Ja, zoo! Scheefneus zeit u?
--Ja, zeker! Z'n neus stond scheef voor z'n kop, precies zooals je 'm
daar gemaakt hebt--verduiveld goed, 't is alsof ie leeft.--Mooi!
O, zoo! Jawel, dank U! Bruin kreeg een gevoel, alsof hij ineens vliegen
kon.
-------------------------------------------------------------------------
Toen de heer Apels vertrokken was, stoof de modelleur de achterkamer
binnen en vroeg lachend: Zeg eris, wat is er met m'n klei-pop gebeurd
terwijl ik weg was? En zijn moeder, die alles had gehoord en zich ook
veel lichter voelde dan een oogenblik te voren, zei haperend--ze was
toch nog eenigszins bang voor de veiligheid van haar Tom:--'t Stomme
dier kon 't heusch niet helpen, Sjuul; hij zat zeker een muissie na ...
en zij vertelde hoe alles zich had toegedragen; maar toen ze eindigde
met te zeggen:--Wat 'n toeval, hè nou lijkt ie ineens? zei Puck hoog
ernstig:
--Neen, m'n beste juffrouw! 't Is hier geen bloot toeval; 't is de
inwerking van Muller's geest, die niet velen kon, dat z'n aardsche
tabernakel zoo verkeerd werd afgebeeld. U gelooft toch immers ook aan de
metempsychosis?
--Aan de wat, Puckie?
Aan de zielsverhuizing. Heeft u niet gehoord, hoe vreemd Tom sedert een
paar dagen heeft gemiauwd--en vooral van morgen?
--Ja, 't beessie deê wel raar, maar ik dacht, dat 't door de warmte was,
of....
--Neen, dat waren de zoetvloeiende zangen van den poëet, die niet goed
door die kat heen wouen, maar voor den sprong had Muller's geest kracht
genoeg!
--"Flauw wurm, hou je nou je mond, 't is welletjes", lachte de modelleur
en even teruggaande in 't atelier haalde hij de photo en zei:
--Dáár! kijk nou zelf, 't is niet te zien hierop; dat beroerde
Rembrandtieke licht liegt altijd, daar kan geen kat uit wijs worden!
--Niet? En mijn Tommie dan? riep triomfantelijk de oude juffrouw. Ze
haalde de poes, die angstig mauwde achter de keukendeur, hield hem in
haar armen voor haar zoon en zei:--Sjuul! jij mag 't stomme dier wel
bedanken.--Ja, lekkere Torn, kom jij maar hier, lieveling! Jij alléén
heb meer verstand, dan al die snuggere bolle samen!
EEN LAUWERKRANS.
--Mag ik zoo vrij zijn, om u mijn lijst aan te bieden? De lijst voor
mijn benefiet; ik speel "Henri" in Laurierboom en Bedelstaf--Balkon één
gulden vijftig, Loge één gulden vijfentwintig, parterre één gulden.
--O, is ú 't? Ik dacht niet, dat ik....
--U dacht niet, dat u mij zou zien. Ja, weet u, geachte heer, 't is
tegenwoordig uiterst moeilijk om accés te krijgen bij de heeren of
dames; ze dresseeren er hun dienstpersooneel op, om, zoodra zij iemand
zien, die een lijst of zoo iets wenscht aan te bieden, "niet thuis" te
zeggen, of een ander onjuistheid ... en eventjes glimlachend:--Ik ken
die loopjes en daarom pousseer ik eenvoudig mijn kaartje.
--Ah zoo! Maar, neem me niet kwalijk, op uw kaartje staat Mr.
Mansholt--en ik meen u vroeger toch te hebben zien optreden onder den
naam....
--Holtsman? Accoord! dat is mijn "nom de guerre", mijn familie was er
altijd violent tegen, dat ik op de planken ging. Wij behooren tot een
patricische familie en ... enfin! U begrijpt! je wilt geen onnoodige
bisbiljes maken, daarom heb ik destijds mijn naam omgezet.
--Ja, dat klopt! Maar dat Mr.?... Heeft u gestudeerd?
--N ... neen!--dat Mr. beteekent gewoon "Mijnheer." Och, 't is een heel
klein trucje, dat ik me veroorloof. 't Is zoo verbazend moeielijk, de
menschen te spreken te krijgen. Er is zoo bitter weinig animo voor de
kunst. Hij keek somber vóór zich en zei met een weinig gemaakte
tragiek:--Vroeger jaren was 't beter, toen apprécieerde men een acteur,
die conscientieus werkt, die #weet#, wat hij #doet#.
Tegenwoordig moet je potsen maken, om de lui te lokken, of 'n
reklame-man zijn! Daar ben ik niet voor geschikt. Ik ben een te sérieus
artist ... mag ik u noteeren, Balkon? Hoeveel?...
--Geef me liever drie Loges, mijnheer Holtsman.
--Uitstekend, dank u, ... ik zal u eerste rij geven.
Hij haalde uit zijn borstzak een in de lengte toegevouwen, reeds wat
smoezelig papier en terwijl hij één handschoen uittrok en naar een
potloodje grabbelde in zijn vestzakje, keek ik hem eens goed aan.
'k Had hem in vroeger jaren dikwijls zien spelen en hem wel wat
arrogant, maar toch 'n goed acteur gevonden; iemand, die werkelijk zijn
best deed, om door te dringen in de rol, die hij vervulde. Op 't tooneel
was hij steeds een kranige, jeugdige verschijning, een "gentleman", die
zijn uiterlijk verzorgde en goede manieren had. Nu zag ik hem niet op de
planken of voor 't voetlicht, en zooals hij daar voor me stond, in
gewoon, eerlijk daglicht, scheen hij me oud en vervallen. Zijn kleeding
was nog die van een heer, maar ze begon reeds dat zeker iets te krijgen,
dat men gewoonlijk "sjofel" noemt.
Een wijde, koffiebruine overjas met breeden, zwarten astrakankraag en
omslagen aan de op de naden glimmende mouwen, hing ietwat sopperig over
een valig-zwarte, gekleede jas en een geruite pantalon, waaruit zeer
lichtgrijze slobkousen kwamen, zijn lakschoenen halverwege bedekkend.
Zijn breedgeranden, hoogen, grijzen hoed had hij op een stoel gelegd.
Zijn magere hals leek nog dunner, geler en rimpeliger door den wijden,
omgeslagen boord en de lichtblauwe, geelgemoesde das, die met een
zwierigen, lossen strik een eindje over de lapellen van zijn jas hing.
Misschien kreeg door die opzichtige das zijn gelaat den zonderlingen
tint, die mij opviel, maar 't kon ook zijn, dat Mr. Mansholt, nu hij
zelf met zijn lijst rondging, zich, zooals men dat aan het tooneel
noemt--"'n beetje had opgemaakt"; immers het donkere streepje onder zijn
oogleden, en de onnatuurlijk zacht-rose kleur onder de oogen, de iets te
blanke neus, duidden met het donzige waas, dat over zijn geheele gelaat
lag, op "rouge de théatre," "poudre de riz" en O.-I. inkt.
Hij was zorgvuldig, glad geschoren en gefriseerd. De kapper had van het
beetje haar, dat hij nog bezat, kunstvaardig partij getrokken en op zijn
reeds hoogwordend voorhoofd een artistieke lok gelegd, waarin de "coup
de fer" zeer duidelijk zichtbaar was.
Op eenigen afstand gezien, kon hij nog voor een knap man doorgaan; zijn
gelaat was regelmatig gevormd; de neus met een kleine artistocratische
buiging, had zeer bewegelijke vleugels en om den mond lag een soms
bittere trek, die vooral zichtbaar werd, als hij het hoofd in den nek
wierp en met zijn groote donkergrijze oogen "#werkte#", iets, wat
hij voortdurend deed, terwijl hij sprak.
Zijn rijzige gestalte en slank figuur deden hem jonger schijnen, dan hij
werkelijk was, want de vijftig lagen reeds ver achter hem.
Hij had het potloodje gevonden en schreef mijn naam op zijn lijst met
ietwat onvaste hand.
--Heeft u soms ook kennissen of vrienden, liefhebbers van goede kunst,
die u me zou kunnen recommandeeren--en zou u me dan een visitekaartje
willen geven als introductie?... Dat zou me zeer veel goed doen, weet u?
't Is toch zoo moeielijk, om een goed benefiet te maken, als men niet 'n
beetje aanbeveling heeft.
--Kaartjes geef ik nooit, aan niemand, maar....
--O, neem me dan vooral niet kwalijk!--Hij boog even, zette een zeer
deêmoedig gezicht en lei de rechterhand tegen het roode roosje, dat hij
op de linker borst droeg.
--Volstrekt niet, ik zal u eenige namen opgeven.
--Gaarne!
--Ik heb u in langen tijd niet zien optreden, meneer Holtsman; 't laatst
meen ik in het Salon de Variétés--waar is u nu geëngageerd?
--Dat is juist het fatale van de zaak; ik ben sedert eenigen tijd--laat
ik maar zeggen, geruimen tijd--zonder emplooi, en 't is akelig moeilijk,
om 'n geschikte plaats te vinden. Iedere directie past mij niet, want ik
ben er de man niet naar, om me te vergooien. Goddank! daarvoor ben ik te
veel #artist#. 'k Heb aanbiedingen genoeg gehad van kleine
theaters. Dáár wil ik niet spelen en bij de betere, och! daar is 't ook
al misère tegenwoordig; ze geven stukken, waar ik niet in pas en
bovendien, ik kan me toch niet laten terugdringen naar het tweede plan,
door jonge spring-in-'t-veld's die zoogenaamd modern spelen. Ze hebben
heusch geen notie van serieuze kunst, ze draaien, God beter 't, soms
familjaar hun rug naar 't publiek en ze spreken, meneer! alsof ze in hun
huiskamer zitten, Bah!
--Ja, ik herinner me, dat ik u altijd in eerste rollen heb gezien.
--Juist; ik was jaren lang "jeune premier". Hij poseerde, een hand op de
borst leggend, de andere bevallig op de heup houdend, den rechtervoet
een weinig vooruit, het hoofd ietwat achterover. Met een kleine,
schuddende beweging, zoodat de gefriseerde lok op zijn voorhoofd even
schommelde, zei hij:--Ik heb later karakterrollen gespeeld--'k heb ook
gezongen, 'k had een goeden ténorléger; misschien heeft u me wel eens
gehoord in "de scheepsjongen" als Julien. Na een paar lichte kuchjes en
ahem's zong hij:
Ondanks den wind, ondanks de baren!
Ondanks het woeden van de zee,
Zal God den braven zeeman sparen! enz.
O! daarmee had ik altijd succes!
't Viel mij op, dat zijn stem min of meer heesch en beverig was
geworden; hij merkte 't zelf wel en zei pijnlijk glimlachend:
--Ahem! 'k ben nu wat verkouden, maar ik heb nòg een goed geluid, dat
durf ik zeggen. Ik ben nu 'n beetje in 't achterspit, franchementdit. 't
Lot was mij niet gunstig, 'k heb veel pech gehad. 'k Ben laat aan 't
tooneel gekomen, 'k was al bij de dertig. Mijn familie hield me altijd
tegen.--'k Was in een goeie betrekking, maar,--hij tikte even op zijn
borst--hier brandde 't feu-sacré! Ik rederijkte langen tijd, totdat de
drang naar de kunst me te machtig werd. 'k Heb 'n heele poos veel succes
gehad als artist, heel veel!--maar toen heb ik een dwaasheid begaan: 'k
ben gaan trouwen.... Hum! 'n sérieus artist moest eigenlijk nooit
trouwen.... Veel kinderen gekregen, 'n lijdende vrouw, altijd in
finantieele zorgen gezeten. Je wil gentleman blijven, niet waar? Ieder
't zijne geven ... dat knauwt je, meneer--dat ruïneert je énergie! Hij
zuchtte een paar malen.--En dan die moderne richting ... daar kan ik me
niet toe schikken. Ik heb altijd mijn eigen opvatting gehad van spelen
en die hoop ik te blijven behouden, zoolang ik ademhaal. Is dat spelen,
wat ze tegenwoordig doen? Geen zweem van plastiek meer, geen nobele
gestes, geen intonatiën, die van inzicht en studie getuigen. Ze rabbelen
hun rol af als gewone menschen.
Laat een van die jongere grootheden eens verzen zeggen. Je loopt gewoon
de komedie uit, als je 't hoort! Ah, meneer! dat was in mijn tijd
anders, toen wist men wat verzen zeggen was. Je hield rekening met 't
metrum, met den rhythmus, de scandeering. Enfin!--toen was 't kunst, wat
men gaf. Daar heb je bij voorbeeld in Ines de Castro, den Don Pero, die
rol heb ik gespeeld, meneer! gespeeld, dat het publiek letterlijk wég
was--wég, meneer! van schrik en ontzetting!
Hij deed een stap terug, strekte langzaam zijn rechterhand uit, hief die
plechtig omhoog en de twee voorste vingers trillend opstekend, de oogen
ten hemel slaande, reciteerde hij met een stem, die nog hier en daar een
forschen metaalklank had:
Ik zweer op u, mijn voet zal hier geen rust genieten,
Vóór ik het eerloos bloed uws moordenaars zie vlieten,
Zijn pezen knarsen en zijn beenderen kraken hooren,
Zijn lillend ingewand zie in het bloed versmoren.
Hoort u, hoe ik die claus zeg? Ieder woord slaat in het publiek in; je
krijgt zóódoende voeling met je publiek, meneer! Och, dat zoûen ze
tegenwoordig zeggen precies als iemand, die z'n knecht roept om een
kopje thee. Ik kan me niet anders geven dan ik bén en dat 's mijn
ongeluk; bovendien spelen ze die degelijke stukken ook niet meer. 't Is
allemaal licht werk ... comédies, grollen, flauwe blijspelletjes! En dan
't proza, van die nieuwbakken acteurs, och! dat is zoo ellendig, geen
kwestie van gesoigneerde kunst meer. Iedereen meent maar dadelijk
tooneelspeler te zijn. 't Mocht wat!--Ze weten een waarachtig artist
niet meer te waardeeren, meneer! Daarom ben ik ook een heele poos uit de
kunst geweest; ik verchagrineerde me te veel; de directeuren trappen je;
ze willen je voorschrijven, hoe je spelen moet. Dat kan een zelfbewust
artist, zooals ik meen te zijn, niet verdragen--ik opponeerde nu en dan
misschien iets te heftig, maar dat ligt zoo in mijn temperament en ...
't gevolg is, dat je zonder emplooi raakt.
--U zei, dat u een poos van 't tooneel af was!
--Juist, 'k heb een affaire gehad, maar daar deugde ik hoegenaamd niet
voor ... een sigarenwinkel is een heel eerlijke broodwinning, maar voor
een artist--'n gruwel! Ik kon er niet tegen, 't stuitte me tegen de
borst.
Zijn gezicht in een heel andere plooi trekkend en met veranderde stem
begon hij:
--Een dubbeltje zware, van de vijf!
--Asjeblief, lief weertje, meneer--opsteken? Hij glimlachte zoetelijk en
maakte de beweging van 't overreiken eener lucifer.
--Een kwartje van de vier!
--Asjeblief! lief weertje, meneer--opsteken? O, goeie God, meneer, ik
dacht soms uit m'n vel te springen, als ik zoo'n dialoog moest voeren,
en dan al dat gezanik van de klanten:--te zwaar, te licht, niet trekken,
geen witte asch, ruilen, enfin!--ik werd er wee van. Eigenlijk was 't
jammer, want 't zaakje was nog zoo slecht niet, we hadden er brood in.
Mijn vrouw, ze is een jaar geleden gestorven--hier pinkte hij "een
denkbeeldigen traan" weg--kon den winkel waarnemen, als ik hier of daar
offertes maakte. Bah! als ik er nog aan denk, dat ik destijds met zoo'n
paar kistjes onder m'n arm bij mijn kennissen en vroegere collegas
kwam--dan bloosde ik. Waarachtig! ik deed het toen, omdat ik moest....
#Zóó perst de nood zóó dwingt het lot tot buigen!#--reciteerde hij,
eensklaps weer in den tooneeltoon vervallend. Later ben ik nog een poos
geëngageerd geweest in Rotterdam, maar ze zett'en me ook daar den voet
dwars en nu probeer ik het eens met een benefiet; de collega's helpen
me. Als u soms door uw relatiën met het tooneel een emplooi voor me
wist?--Ik zou nu wel in de pére-nobles willen overgaan, desnoods. Mijn
familie is nog bijna geheel en al ten mijnen laste. Ik heb vijf
kinderen.
--Is er nog geen van in betrekking?
--De oudste is kinderjuffrouw, externe. Twee werken er op een
corsettenfabriek, maar ze verdienen een schijntje en de andere twee gaan
nog op school.
--En heeft u geen zoons?
--Eén zoon, meneer! Hij keek een oogenblik zwijgend, met bedroefde oogen
|