|
|
--Nou meneer, zóó erg is 't Goddank niet. Sjuul is een heel net,
fatsoenlijk persoon, maar 't is tegenwoordig de mode; al die blootigheid
is mijn anders altijd 'n doorn in m'n vleesch geweest en ik potersteer
d'r nog alle dagen tegen....
--Zoo! De kunstkooper keek glimlachend om naar de oude juffrouw, die met
opgetrokken neus vervolgde:
--'t Is de rug van Roosie, een jodenmeissie, maar dat's ook ál mooi wat
ze an d'r lijf heit; een mond als een hooischuur en een neus commesi,
zoo'n bom! Ik heb iedere keer al gezeid: Sjuul, 't komt niet te pas, dat
je zoo'n messie in d'r nakendheid afmoderleerd; wat jullie an die
akademie doen, kan ik niet beletten, die schandaligheid gaat me niet
an, maar hier in huis wil ik 't niet zien gebeuren. Als je dan absoluut
een bloote rug noodig heb, kan je de mijne krijge, dat's ten minste nog
eigen onder mekaar, maar om zoo'n vreemd mensch ampart bij je te laten
komen en priemelnakend voor je te zetten is ergerlijk en onchristelijk,
en--zei ik--ik blijf d'r bij, hoor, anders ben ik als ouwer niet
verantwoord--heb ik nou gelijk of niet meneer?
--Zeker, moeder, zeker! antwoordde Capelli zich eensklaps omkeerend: hij
scheen opnieuw Roosie's rug met alle aandacht te beschouwen, terwijl
juffrouw Bruin voortklaagde:
--'t Is een ramp tegenwoordig, je durft als ouwer niks meer tegen je
kinderen zeggen, want ze slaan je, zoo gezeid, in eens dood door d'rlui
meerdere geleerdheid. Verbeeld u, Sjuul zei: Och, moeder! je weet'r niks
van; 't is immers alleen maar studeeren. Nou, m'n lieve mensch, nou
vraag ik je? in mijn tijd was studeeren heel wat anders ... dat deën
alleen dominees en dokters.
--'t Is blikslagers mooi gedaan! zei de kunstkooper halfluid.
--O, zoo!--Ja, uwe heit zeker ook zoo iets noodig; 't is treurig, alles
wat ze komen bestellen is in de nakendigheid; wat zie jelui toch aan die
bloote menschen?
--Wees maar gerust, juffrouw--ik heb nu juist een heel deftige
bestelling voor je zoon, een ouweheerenkop.
--O, dat's goed, neem me dan niet kwalijk. Ja, als ik u goed bekijk,
ziet u er ook veels te suffisant en te degelijk uit, om je met zulke
goddelositeiten op te houwen. Stil! wacht even, daar is Sjuul, ik hoor
'm fluiten op de trap. Dat zal uwe net treffen, meneer! Zeit u maar
assieblieft niks tegen Sjuul, assieblief, hij is zoo driftig. Ik ben nog
van 'n ouwerwetsche burgerfamilie; men vader was stovenzetter in de
Groote Kerk en ik zou d'r niks tegen hebben, dat m'n zoon in de kunst
zat, als d'r maar fatsoenlijk brood in stak--maar 't is huilen
tegenwoordig--hij kon genoeg werk krijgen, als ie maar niet zoo
eigenwijs was--hij wil de onmogelijkheid, weet u--O, daar is ie!--Zij
brak eensklaps haar woordenvloed af, deed de deur open en liet haar zoon
binnen.
--Sjuul, daar is 'n meneer voor je, ik heb 'm zoolang gezelschap
gehouwen ... dag meneer, dienaresse! en toen zachtjes, maar toch zóó dat
Giovanni het hooren kon:--'t Eten staat klaar, jongen!
--Goed, moeder, goed! ga u asjieblieft maar heen, zei de jonge modelleur
een beetje knorrig....--Meneer, gaat u niet zitten--laat moeder u staan!
--Neen, Sjuul, meneer liep uit z'n eigen rond.
--Jawel, 't is goed, moeder ... hij duwde haar zachtkens op 't
portaaltje en toen tot Capelli:
--Waarmede kan ik u dienen?
--Ik heb een buste noodig--ik ben Giovanni Capelli. U kent mijn magazijn
zeker wel.
--O ja, natuurlijk!
--'k Wou eens hooren wat u rekent voor een buste, naar een photo?
--Levensgrootte?
--Neen! half....
--Marmer?
--Waarachtig niet! gips--maar in veel exemplaren.
--Dat 's moeilijk zóó te zeggen--U moet 't model in klei betalen en dan
later zus of zooveel voor elk afgietsel--heb u de photo bij u?
Capelli nam een zorgvuldig in vloeipapier gevouwen cabinetportret uit
den zak en toonde het aan Bruin:
--'n Mooie duidelijke photografie, hé?
--Schikt wel--is dat niet Muller de dichter, die pas overleden is?--de
winkels hangen vol van die dingen.
--Juist, de groote Muller.
Bruin ging naar 't venster, hield de photo goed in 't licht, bezag haar
aandachtig, nam een loep en keek nog eens met alle oplettendheid naar de
details.
--Heeft u geen "en-face" portret?
--Neen, dit is het eenige wat bestaat.
--'t Is lastig, om alleen op zoo'n profiel af te gaan,--hij hield
Capelli het portret en de loep voor--ziet u, daar zit iets in dien neus,
dat ik niet heelemaal verklaren kan--'t is een min of meer gebogen neus,
maar ... hm! er is iets vreemds aan ... kan u nergens een "en-face"
krijgen? Dit is bovendien Rembrandtiek verlicht en dat liegt zoo--hebt u
geen gewoon portretje, al is 't kleiner?
--Neen, ik heb er nog moeite voor gedaan, maar--Capelli gaf de loep en
de photo terug--'t is toch een vrij gewone kop.
--Schrikkelijk gewoon, je zou niet zeggen, dat die vent zoo'n kraan is
geweest; hij ziet er niets schrander uit; 'n vrij laag voorhoofd,
uitstekende jukbeenderen, de mond en kin wat achteruit, geen baard,
gewoon glad haar--'t Zal een lastig ding wezen om de gelijkenis goed te
treffen.
--Ja, maar lijken moet ie en goed, heel goed ook. Dat is 'n conditio
sine qua non, dat begrijp je wel, Meneer Bruin.
--Heeft _u_ 'm persoonlijk gekend?
--Ik? Volstrekt niet, ik hou niks van verzen--maar er zijn genoeg lui,
die hem goed hebben gekend. Weet u wat, maak een schets in klei en zie
dan, dat je het oordeel inwint van menschen die hem dikwijls zagen, dan
kom je er wel--ik zal je wel wat lui sturen....
--Was hij niet getrouwd?
--Neen!
--Geen broers of zuster?
--Ik geloof het niet--enfin! ik zal wel een paar menschen vinden; begin
maar vast, want ik heb er haast meê. U begrijpt: 't is een speculatie op
de _Mode_--als ik niet heel gauw kom met m'n buste, is er misschien al
weer een andere dooie knul in trek en dan zit ik later met die prullen.
Het gelaat van den moddelleur betrok bij dat woord en min of meer kortaf
zei hij:
--In allen gevalle lever _ik_ artistiek werk en als u mij de afgietsels
laat maken, is de eene zoo goed als de andere--maar u moet me geen
hoop-werk laten maken, ik leen mijn naam voor zoo iets niet.
--Kalm, jongmensch! bedaard aan, we zijn nog zoo ver niet, laat maar
eens eerst 't model zien; over de rest spreken we nader.
Na een poosje loven en bieden, waarin de heer Giovanni Capelli een
schitterend bewijs gaf, dat de natuur in zijn hersens het centrum van
den handel tot een buitengewone afmeting had gebracht, werden zij het
eens, vooral ook, omdat de kunsthandelaar den jongen artist had weten te
overtuigen, dat ieder beginner, hoe knap hij ook was, protectie noodig
had en dat één aasje geluk meer waard was dan een kilo verstand.
--Luister eens, jongmensch--zoo besloot Capelli zijn betoog: ik heb
hier, terwijl je weg was, je werk eens bekeken; je bent een kraan, hoor,
maar je hebt geen connectie en die kun je door mij krijgen. Ik weet niet
hoe 't komt, beste jongen, maar zoodra ik je zag, voelde ik iets voor
je--ik wil je voorthelpen--maar je begrijpt, ik ben zelf geen
gefortuneerd man--het walletje moet bij het schuurtje blijven--als je me
te duur bent, haal ik het zaakje niet aan. Doe jij nu je best op de
buste van dien verzensmid, dan zal ik je naam bekend maken--dat is nu
eigenlijk geen werk voor je, dat weet ik wel, maar ik heb wat in petto.
Hm! daar hebben al heel wat artisten duim en vinger naar gelikt! en dat
zul jij hebben, want nu ik dat ruggetje van dat model....
--Van Roosje?
--Juist! nu ik dat gezien heb, weet ik, dat jij de man bent dien ik
hebben moet. Adieu! groet je Mama!
Bruin keek den vertrekkenden man na en dacht:--Wat 'n nobele
vent!--Jonge artisten zijn gewoonlijk goed van vertrouwen. En Capelli
keek, op straat gekomen, even omhoog naar 't atelier en grinnikte in
zich zelf:
--'n Knap ventje, die lapt 't me voor een koopje!
II.
De buste stond op 't atelier in schets, 't was eigenlijk meer dan een
schets, zoo mooi was ze uitgevallen.
Capelli zou dien dag met een paar vrienden van den overledene komen, om
te zien hoe de gelijkenis was.
Bruin had den natten doek er af genomen en bekeek aandachtig, met het
portret in de hand, zijn werk, nu en dan hier of daar even iets aan de
klei veranderend of afnemend met een klein boetseerstokje.
Hij was er zelf nog al voldaan over, al kon hij niet weten of de
gelijkenis volkomen goed was. Zijn moeder stond naast hem met de kat in
haar armen en bromde--'t mensch bromde altijd:
--'t Is toch eeuwig zonde zoo als jij je tijd verleutert. Nou werk je al
een week lang aan dat lamme ding en wat verdien je er an? 't Is de peine
niet waard. Sjuul, Sjuul! als jij zoo doet, komen we nooit uit de
armzaligheid. Is dat ding nou nog niet goed voor die "dikke."
Zij kon den naam Capelli niet goed onthouden.
--'t Is toch precies, zooals ie op 't portret staat.... Stil poessie,
we gaan zoo naar de keuken--nou, stil dan liefie, je weet wel, hier op
't atelier mag je niet rond loope, dat wil Sjuul niet hebbe--nou stil
dan Tommie!
--Och, moeder, doe toch die nare kat naar achteren, dat beest is zoo
wild; verleden week heeft ie 'n beeldje omgesprongen, dat me 'n hoop
moeite kostte; 't was totaal weg!
--Nou ja, 'k hou 'm immers vast ... zeurde de oude vrouw.--Tommie, de
baas kan je niet lijen, stom dier, maar de vrouw wel. Zeg, Sjuul, heb je
nou geld voor den huisheer, de belasting moet ook betaald worden en de
kruidenier moet ook al elf gulden hebben; dan bennen ze d'r geweest van
de....
--Och, moeder hou op!--'k heb nog 'n paar kwartjes in m'n zak, dat 's
alles, maar zoodra ik dit ding heb afgeleverd, zal ik je geld geven.
--Sjuul! je doet veels te veel moeite voor die dikke, je had in dien
tijd, dat je aan die kop werkte meer kunnen verdienen, want 't was
casueel, hé? Nou kwam d'r juistement werk ... zeg nou maar: 't is af en
knoei d'r niet langer an.
--Zeur toch niet ouwe, je begrijpt er geen steek van--je weet niet wat
een artist is ... ik kan 't niet zóó afleveren, 't ding bevalt me nog
niet heelemaal!
--Nou ja, zóó fijn zullen ze toch ook niet kijken, 't is immers mooi
genoeg voor 't geld. Stil Tommie! Jij leit veel te lang aan zoo'n ding
te hannessen ... blijf d'r nou dan toch af met je vingers, wat je er aan
de ééne kant opplakt, krab je d'r aan de andere kant weer af ... dat is
monnikenwerk....
--Daar wordt gescheld, moeder! Ga nou asjeblieft heen en zorg dat er
niemand anders boven komt, dan die heeren.
Een gestommel op de trap, een stuk of wat zuchten en kuchende geluiden,
en aangevoerd door den blazenden en hijgenden Giovanni Capelli, betrad
een viertal heeren Bruins' atelier.
--Pff! Poeh! Wat 'n toren! Ga binnen heeren!
--Verbazend hoog!
--Hé, hé!
--Een opstijging in optima forma!
--Mag ik u voorstellen, heeren! Mijn speciale vriend Jules Bruin, 'n
veelbelovend talent, modelleur, beeldhouwer,--Mijnheer Drogers,
letterkundige, Mijnheer Coquenard, particulier, Mijnheer Assman,
criticus van De Morgenster en de Kunstbode.--Dr. Operling--recensent van
de Dichtwarande--zelf ook beroemd door zijn verzen.
--Aangenaam! zei Bruin.
--Engeném! Meneer Drogers boog stijfjes het hoofd.
--Charmé! Een hartelijke handschudding van den heer Coquenard.
--Aangenaam kennis te maken! Twee vingers van den criticus raakten even
Bruins hand aan.
Dr. Operling zei niets, maar hij liet zijn hoofd als een geknakte bloem
op zijn gesteven overhemd vallen, even steunend.
--Daar zijn we nu,--zei Capelli, zijn hoed en stok op een stoel
leggend:--Je hebt toch mijn briefkaart ontvangen, niet waar?
--Zeker!
--We stonden juist op 't punt hierheen te gaan, toen mijn vriend
Coquenard 't magazijn kwam inloopen. Zoodra hij hoorde, wat we bij je
gingen doen, zei hij: dan ga ik mee, want Muller was een intieme, goeie
vriend van me, niet waar Coquenard?
--Zeker 's--Oui certainement, 'k 'ebbe monsieur Mullere so dikwijlse
keziee. O! 'ij was 'n éminente poéte--un homme charmant. Isse dat
y?--Hij wees op de buste.
--Ja! vindt u dat hij lijkt--wacht! ik zal 't gordijn dáár 'n beetje
laten zakken, de zon is wat fel--dat doet niet goed; de reflex van die
witte huizen aan den overkant hindert.
--O, ne faites pas de façons--ikke kan eele koete sien, hm! hm!
Giovanni draaide als een kat om een stuk spek een paar malen rondom de
buste, bekeek haar oplettend, voelde even, heel voorzichtig, met den
vinger langs de nog vochtige klei en zei in zichzelven: 't Is goed
gedaan, 't zit flink in mekaar;--toen, luid:--Nu, wat zeggen de heeren
er van;--is 't Muller?
Monsieur Coquenard, die intusschen 't atelier rondwandelde, scheen hem
niet te hooren, omdat hij zich in Roosje's rug verlustigde en zijn oogen
niet kon afhouden van een kleine Venus-callipigos, die hem verleidelijk
scheen toe te lonken.
Capelli nam intusschen Bruin even apart en zei:--ik breng je daar drie
eminente lui--Mr. Drogers is één kluit geleerdheid--een man die je als
artist heel nuttig kan zijn--en Assman en Dr. Operling, hm!--hij kuste
zijn vingertoppen--zijn critici, zooals er maar weinig zijn. Zij
behandelen alles wat kunst is. Sculptuur, muziek, tooneel-,
schilderkunst, enfin alles en ... zie je, niet ouderwetsch, om den dood
niet! Modern vat je? Kranig; Assman vóóral zet niet één, maar twee
puntjes op de i.... Je moet je voordeel doen, vriend, met deze
gelegenheid. Assman kan je onwaardeerbare wenken geven waarvan je als
jong artist ontzaggelijk kunt profiteeren; 't is heusch waar, zoo'n
kennismaking is wel een buste waard.
--Wèl, wèl! zei Bruin en keek met een benauwd wantrouwen naar den
kunstcriticus, die, na met een diepzinnig gelaat het atelier te hebben
rondgekeken, zonder plichtplegingen in den grooten lederen fauteuil was
gaan zitten, die tegenover de piedestal met Muller's buste stond; hij
zonk er in weg als 't ware.
Met de beenen over elkander, achterover geleund, drukte hij zijn hals en
kin vóór in zijn hoogen staanden boord, zoodat zijn wangen over den
boord kwabden, zette langzaam een gouden pince-nez op, trok nadenkend
een paar malen aan het puntige bakkebaardje, dat zijn kin versierde en
zei, gewichtig de wenkbrauwen fronsend, met neergetrokken
mondhoeken:--Hum, hum! hum!
Dr. Operling stond achter den stoel met gekruiste armen, somber voor
zich uit te staren en zei niets.
Capelli keek de critici vragend aan, zei ook: hum! hum, hum! en de heer
Drogers, die op een afstand stond en de rechterhand boven de oogen
hield, alsof hij in de verte een zonnig landschap of een schilderij
wilde beschouwen, liet na een geleerd hum, hum, hum! een beschroomd
lachje hooren, waarin iets blatends klonk. De Franschman was inmiddels
alweer bij Roosje's torso en de Venus; 't was alsof hij aan die twee
naaktstudies smulde.
--Maar Coquenard, kijk nu toch eerst eens naar de buste? vroeg Capelli
verwijtend.--Jij als leek kunt misschien nog het objectiefst oordeelen,
jij bent hier de Vox populi!
--Ah, oui! certainement--ik ebbe dadelijk kezien datte monsieur Muller
wasse, zei hij als terloops en keerde zich weer om, magnetisch
aangetrokken door de kleine Venus-figuur, die op een tafeltje
stond:--Admirable, mooie meid! zei hij in zichzelf en toen luid:
Monsieur Bruin, isse dat naare levend model?
--Natuurlijk!
--'Eele mooie vrouw, superbe forme--wone dat meissie 'iere in die
stadte?
--'t Is 'n beetje geïdealiseerd natuurlijk, glimlachte de artist.
--O, maar toch en réalité bepaald 'eele skoon meissie.
--Kom, Coquenard! ouwe snoeper, kijk nu liever naar Muller--lijkt ie?
--Décidément--maare als ij een 'oed oppe 'adde, zou ik beter kan
zekke--ik 'ebbe 'm nooit tête nue kezien, altijd met zijnen chapeau--zoo
kroote 'ooge 'oed!
--Och kerel, je zeurt! Capelli werd knorrig, maar vroeg niet meer, omdat
mijnheer Drogers, die een paar malen eenige stappen voor- en achteruit
gedaan had, steeds met door de hand beschaduwde oogen, de buste
beziende, eensklaps zijn min of meer geaffecteerde stem verhief en
verklaarde:
--Ik ben misschien geen bevoegd beoordeelaer, wèt de èrtistieke
uitvoering betreft, wènt ik ben niet meer den een kèmergeleerde, maer ik
heb de waerdige men toch goed gekend--hij wès 'n collègae ven me--jèren
lèng....
--Dus u zou hem dadelijk herkennen? vroeg Giovanni.
--Dèt is te zeggen--jae en neen--èls _U_ me niet gezegd hèd, we gaen
Muller's buste zien, zon ik niet zeggen, dèt dit Muller wes.
--C'est ça! zei Coquenard, even omziende; hij streek juist met zijn
vleezige hand als liefkozend over Roosje's torso;--ç'est ça! alse
Capelli niette 'adde kezekd--wij kaane Mullere zien, zou ikke mete wete
dat het le brave homme was.
--Pèrdon! viel Drogers in,--de suggestie speelt hier wel een kleine rol,
maer.... 't oordeel ken toch individueel en objectief zijn.... Els ik
mijn meening ronduit zeggen mèg...?
--Zeker, asjeblieft! zei Bruin, die in zijn linnen kiel, met over
elkander geslagen armen tegen den muur leunde. Fijntjes glimlachend keek
hij met afwachtende oogen naar de drie heeren.
--Nu, den permitteer ik me deze opmerking: Ik heb hem in mijn
herinnering veur me, toen we sèmen in de littéraire club: "_De honingbij
vèn den Hélikon_" lid wèren. Daar zegen we mekaèr elken Woensdègèvend.
Nu is het buiten kijf, dèt lèmplicht heel ènders is dèn dèglicht, mèr
... de mensen, "dés denkende Wesen èn sich," zooèls Kènt zegt, 't
individu, blijft toch 't zelfde, niet waer?
--Jawel, natuurlijk! antwoordde Bruin, omdat meneer Drogers hem met
zijn kleine grijze oogjes scherp aankeek.
--Begrijpt u? Drogers wees op de buste,--dit is geen levend wezen--dit
is geen soort vèn fèntoon in soliden vorm gebrècht en èls zoodènig heeft
't groote verdienste zonder twijfel, mèr....
--Lijkt ie nu, of lijkt ie niet? vroeg Capelli kortaf.
--Jè, dèt is uiterst moeilijk te bepèlen--èls ik 'm goed bekijk--de
littèrator deed een stapje nader met vooruitgestoken hoofd--dèn is 't
Muller _wèl_ en toch is 't Muller _niet_....
--Dat snap ik niet goed, waarde heer!
--Meneer Capelli, permitteer me? U laet me niet uitspreken ... ik
bedoel, ik herken in sommige opzichten den ontslèpene wèl, bijv. zijn
dèsje 's frèppènt juist geobserveerd; hij droeg, zoo lèng ik hem kende,
èltijd vèn die kleine vierkènte zijden strikjes onder een omgeslègen
boord met overvêllende puntjes--juist zooèls de mijne--we kochten in één
winkel.... Dèn zie ik--U neemt me tech niet kwèlijk, meneer Bruin?...
--O! in 't minst niet! De artist kwam wat dichterbij, met een
uitdrukking op zijn gezicht, alsof hij in meneer Drogers een clown zag,
die hem amuseerde.
--Dèn zie ik iets in de oogen daerentegen, dèt me _niet_ bevèlt. Muller
hèd heel licht blauwe oogen, die herken ik hier volstrekt niet, 't lijkt
net een blindemèn. En dèn, om je de waerheid te zeggen, z'n neus, die
wès énders.--De philoloog bewoog zijn hoofd naar links en rechts, bekeek
den neus van den zaligen dichter aan alle kanten en zei:--Wonderlijk! 't
is Muller's neus wèl en toch is 't z'n neus niet! Wèt er èn schort, zou
ik niet kunnen zeggen, wènt ik ben geen modelleur-èrtist of beeldhouwer;
'k ben mèr 'n gewoon sterveling ... hè, hè ... mèr ... Muller hèd 'n
kèrèkteristieke neus en dit is 'n bènéle neus. De mond is best, hij had
die min of meer dunne lippen ... en toch ... Ik ben immers niet
onbescheiden--u neemt toch niet kwélijk èls ik soms iets zeg, dèt u niet
toegeven kèn?...
--Neen! neen! Waarachtig niet; ik luister met allebei m'n ooren--u
spreekt zoo verstandig--ik leer van u--ik ben u dankbaar!
--O, meneer Bruin! De letterkundige trok een pruimenmondje en hief zijn
rechterhand met een afwijzend, bescheiden gebaar op.--U is een
welwillend mèn ... ik wou dèn maer zeggen, dat ik zijn mond wèl groot
vind, en dèn heb ik dèt kuiltje op zijn bovenlip, onder zijn neus, nooit
opgemerkt--misschien kwèm dèt wel, omdèt Muller destijds een knevel
droeg en daerdoor zèl waerschijnlijk z'n mond niet normaal hebben
geschenen--ook z'n kin vind ik niet weerom, hèd hij zijn kin wel zoo
leelijk èchteruit?
--De photografie geeft die juist zóó aan.
--Jè, maer hij hèd er destijds zoo'n dingetje òp--hoe noemen ze 't ook
weer, zoo'n sikje!
--Een jeune-France?
--Dèt is 't--jèwel, juist. Ziet u, meneer Bruin, dèt zèl 't verschil
zijn; veur 't overige zit er mèchtig veel in die buste in! summæ
summærum kèn ik toch niet ènders zeggen dan: 't Is Muller! Bovendien,
--hier lachte de geleerde heer allerminzaamst tegen den artist--u heeft
de photo en die kèn niet jokken--ik maek u wel m'n compliment--'k ben
blij, dèt 'k uw chef-d'oeuvre gezien heb en kennis met u maekte....
Dank u! Bruin drukte, met meer vuur dan natuurlijk was, de hem
toegestoken hand en op zijn gelaat stoeide even een lach, die in zijn
donkerbruine oogen weggleed en daar bleef lichten, terwijl hij kalm en
bescheiden vroeg:
--En wat is uw opinie, meneer Assman?
De critikus was in de houding, die hij had aangenomen, blijven zitten,
schijnbaar geheel verdiept in de beschouwing der buste. Hij had geen
enkel teeken van goed- of afkeuring gegeven, terwijl de heer Drogers
sprak; nu draaide hij langzaam zijn hoofd naar Bruin, en met een zucht,
als ontwakend uit diep gepeins, sprak hij, op ieder woord de noodige
klem leggend:
--Laat me u eerst zeggen, dat ik de uitvoering van 't model, "l'oeuvre,"
_het werk_, begrijpt u, zeer verdienstelijk vind--u ziet, ik begin niet,
zooals veel collega's van me doen, met _af te breken_, ik prijs uw
habiliteit--Assman stak zijn gekromden rechterduim vooruit.--Ziet u, er
zit _dát_ wel in, dát weet u--dàt zeker iets, dat hm!--dat lekkere, dat
smeuïge als 't ware, waardoor je, als u 't er nog meer in kon brengen,
zou kunnen vergeten dat 't ding een bonk klei was, maar ... wat nu de
gelijkenis betreft zeg ik, die den overledene herhaaldelijk zag: _'t is
'm niet!_
Dr. Operling schudde, langzaam somber voor zich uit starend, het
hoofd--en zei niets!
Ah! kwam Giovanni.
--'t Is 'm in 't geheel niet!
--Dat 's ronduit gesproken, meneer Assman.
--Juist, meneer Bruin, dat is zoo mijn gewoonte; ik wind om mijn opinie
geen doekjes--ik geef mijn oordeel niet af, vóór ik in mijn innerste
overtuigd ben, dat ik _objectief, zonder eenig aanzien des persoons,
zonder eenige consideratie van welken aard ook_, oordeelen kan, en
daarom zeg ik u nu:--'t Is Muller niet!
--Wat mankeert er dan aan, meneer Assman?
--Voelt u niet als artist, wat ik bedoel?
--Neen, nòg niet!
--Laat me u dan zeggen, wat ik in dit beeld mis.
--Asjeblieft!
--Ik zie daar voor me een beeld; misschien lijkt het goed, wat neus,
ooren, mond, voorhoofd, enfin! wat den uiterlijken vorm betreft; die
laat ik er op 't oogenblik geheel buiten....
--Maar permitteer me, 't is juist de vorm, die....
--Neen, laat me uitspreken, meneer Bruin, u moet me goed begrijpen--ik
ga dieper dan een ander--ik zoek de psyche--en die vind ik in die buste
niet--ik mis de ziel!
--De ziel?
--Juist! ik heb den hoogbegaafden man gekend, zooals misschien weinig
anderen; ik heb zijn gedichten gesavoureerd, mijnheer Bruin--ik heb
hem, waar anderen hem verguisden, altijd de hand boven 't hoofd
gehouden--omdat ik zijn mooie ziel kende en waardeerde. Hij was z'n tijd
vooruit, hij was een moedig dichter, die radikaal met 't metruim, met 't
rhythmus brak; hij rijmde niet met woorden, neen! hij sprak denkbeelden;
hij zei z'n ziel uit in zijn sonnetten, in zijn balladen en oden, in
zijn ... enfin in alles, wat hij schreef ... en als je hem zag, was zijn
gelaat _bezield_: de vorm was voor hem echter heelemaal bijzaak, de
inhoud, daar lachte hij meê--hij zei spontaan z'n intens mooie gedachten
zóó, als ze opwelden in zijn geweldig brein. En dat vind ik heelemaal
niet terug in die klomp grijze klei, die daar voor me staat ... zooals
ik hem daar voor me zie, is 't die independente groote ziel niet; hij
lijkt op iedereen, op een gewoon mensch!
--Maar z'n gezicht is ook heel banaal!
--Pardon!--zooals _u_ of den ander hem misschien ziet, is hij gewoon,
dat wil ik wel toegeven, maar jelui kijkt ook gewoon--Enfin, als u niet
begrijpt, niet _voelt_, wat ik bedoel, kan _ik_ het u niet zeggen, maar
_'t is Muller niet_--Kan u niet wat meer ziel in dat ding leggen?
--Ik kan hem niet anders maken, dan hij was.
--Maar zóó was hij niet, meneer Bruin; ziet u geen kans den hevigen
dichter meer te doen zien?
--Bezwaarlijk! Ik kan alleen den vorm teruggeven.
--Aha I daar heb ik u!--Juist, daar zit 'm de knoop, de vorm! de vorm!
maar ik heb niets met dien vorm te maken, wanneer ik zoo'n buste als
herinnering aan den Dichter wil koopen--en dát is toch het doel, waarmeê
je ze in den handel brengt, nietwaar Capelli?--dan wil ik niet den
stoffelijken mensch zien, maar den poëet--en een poëet bij de gratie
Gods was Muller--een groot genie.
Dr. Operling keek met gekruiste armen, somber starend, smadelijk
glimlachend naar de buste en zei niets.
--Oh! sans doute, un genie! viel monsieur Coquenard, die zijn
ontdekkingstocht door 't atelier gestaakt had, eensklaps in.--IJ wasse
een kroot genie, un homme admirable, altijdde aan die prak kiseer, veele
distrait. Alsse 'y kwam dans mon mahasin, zek ikke tout de suite:
Bonjour, monsieur Mullere--alweere parapluie verkete--verlore, éh!
--Wat bedoelt u?
--Eh, monsieur Bruine! eel simplement, dat 'y toujours kwam om een nieuw
paraplue te koope--Monsieur le poète Mullere altijd verlieze son
parapluie--ikke 'ebbe le pauvre homme verkokt wel 'onderd parapluie....
--Já, dan zal u hem zeker wel goed hebben gekend.
--Maar meneer Coquenard, viel de heer Assman eenigszins scherp in:--Hoe
kan u een parapluie in verband brengen met zijn genialiteit?
--Hommes de gènie 'ebbe tokke nooite koeie mémoire--altijdde verkete dan
ditte, dan datte....
--Maar dat doet toch aan de gelijkenis van deze buste niets af of toe;
dat 's nonsens!
--En die siele dan, waarvan u spreeke? Alsse ik jugeere wil, of de man
kelijkke op deze buste offe niete--'eb ik te kijk niete naare zijn
siele, maare naare zijnen neuse, zijn oore en ook', (oog) "en un mot":
ikke moete inspecteer la matiére, niette die impondérabilité, die
qualité psychique; pardonnez moi, maare watte u zek van die _siel_ isse
meere nonsens dan mijn parapluie!
--Wat blieft u? Assmans oogen werden boos.
--Ikke blief niemendalle--u 'ebbe miskien meer keleerdheid dan ikke,
maar ikke 'ebbe meer bon sens!--Alsse meneer Bruine zou opzetten willen
un chapeau aan die buste, zal ikke u zek of la ressemblance, die
kelijkenisse koet is.
--Een slappe hoed? vroeg Bruin lachend.
--Pardon! chapeau haute forme.
--Een hooge dop? Dien bezit ik niet.
--Neem den mijne, zei meneer Drogers, zijn hoed aanbiedend--'t kan best
zijn dat meneer gelijk heeft.
--Te groot! lachte Bruin; hij verdrinkt er in ... maar wacht! ik zal hem
er boven houden.--Zoo! wat dunkt u nu, meneer Coquenard?
--Sal wel luk! Oui, isse al beter, maar die neuse daar mankeere nok wat
aan--ikke 'ebbe monsieur Mullere nooite zonder chapeau kezien ... maar
tiens nu lijkke 'ij! Oui, oui, la ressemblance y est. Weet u watte:
makke u 'm een 'oed van klei op die kop--en dan een andere neuse, tiens!
--Wat 'n laffe onzin! bromde Assman.
Dr. Operling bleef somber voor zich uitstaren en--zei niets. En Drogers
vroeg zacht aan Capelli:--Zouden we niet maer liever heengaen--ik geloof
dét we geen pés veurwaerts komen--de meeningen loopen te veel uiteen ...
en met een blik op Assman, die er hoe langer hoe strijdlustiger begon
uit te zien:--De gemoederen worden wèrm--ik geloof dét u beter zou doen,
éndere opinies dén de onze in te winnen.
--'k Geloof dat je gelijk hebt, meneer Drogers;--Meneer Bruin, we zijn u
dankbaar voor je ontvangst. 't Spijt me dat 't resultaat van ons bezoek
niet beter is. U moet nog maar eens kijken, of u aan Muller's neus nog
wat veranderen kan, want hoezeer de heeren ook van opinie verschillen,
op één punt zijn ze 't eens: de neus van den Dichter deugt niet; daarin
ligt de kardinale fout!
--Oui, ikke keloof 'ij 'adde meer zóó neuse.... Meneer Coquenard duwde
met zijn wijsvinger zijn reukorgaan iets omhoog.
|