free book ebook online reading
eBook Title
Op reis en thuis
Author Language Character Set
Justus van Maurik, jr. Dutch ISO-8859-1


You are here --- [ Home / Author Index J / Justus van Maurik, jr. / Op reis en thuis / Page #5 ]

--O! dat was voor 't geval dat hij een haai tegenkwam, maar 't is
overbodig geweest, hij is goed en wel aan land gekomen. Sina en ik
hebben sàmen--ja bepaald _samen_--dat werk te Menado afgemaakt en toen
't op zijn eind liep werd ik daar zwaar ziek; hevige koortsen. Toen was
ik toch blij dat ik haar bij mij had. Ze heeft me verpleegd--dat doet
geen soeur de charité beter--achttien dagen lang is ze niet van mijn bed
weggeweest en toen ze zag dat de dokter mijn ziekte niet meester werd,
heeft zij zelf in 't bosch kruiden gezocht en een drank gebrouwen, die
me heel gauw er boven op hielp, 'k Herinner me niet alles van die
ziekte, want ik was soms buiten westen, maar ik weet nog best dat ik
niet kikken kon of ze stond voor me. Ze lei op een matje voor mijn bed,
en was er met geen stok weg te slaan. Ja, 't was in haar soort een
kranig mensch, maar ten slotte werd zij ook ziek en toen keerden we de
rollen om en heb ik haar opgepast. Zij was gauw weer op dreef, want bij
haar was 't alleen maar overspanning en vermoeienis en ze zei:

--Sina wordt van zelf beter nu jij beter bent.

Zoo ben ik dan weer een heelen tijd in de aannemerij gebleven, totdat ik
ineens lust kreeg om een poos naar Holland te gaan. Natuurlijk kon ik
Sina daarheen niet meênemen, mijn heele familie zou een
onzedelijkheidsstuip hebben gekregen als ik met mijn bruine huishoudster
was komen aanzetten. Ik sprak er met haar over; ze was in die dingen nog
al beredeneerd en bevattelijk en zei zelf:--Ja, ik begrijp heel goed dat
je eens naar je familie wilt en ook dat ik niet mee kan gaan, maar mijn
hart zal bij je zijn--en kom je weerom?

Natuurlijk, zei ik, maar hoe vraag je dat zoo? Och I zei ze, misschien
blijf je in Holland en zoek je daar een blanke, Europeesche vrouw. Dat
zou ik je niet kwalijk nemen, want dat moet er voor ons vrouwen toch te
avond of morgen van komen--maar kijk goed uit wie neemt. Je bent goedig
en je moet een vrouw hebben die van je houdt,--ze wees op mijn been--die
begrijpt dat Toewan Allah je al genoeg misdeeld heeft en die je goed
behandelt. Als je met haar terug komt en ze is _niet_ goed voor je--laat
ze dan uit mijn weg blijven!

'k Had Sina nog niet zóó gezien, ze was compleet in de war en begon te
huilen dat 'k er bepaald beroerd van werd. Ze heeft alles voor me in
orde gemaakt, keurig, alles nieuw. Slaapbroeken, kabaaien, flanellen,
zelf genaaid op de machine. Ja, ze was verduiveld handig en zorgzaam
ook, want--hij lachte hartelijk--ze had zelfs een flesch obat (medicijn)
in mijn koffer gedaan, voor 't geval dat ik weer eens zoo'n koorts mocht
krijgen.

In Europa heb ik ruim anderhalf jaar genoten van alles wat te genieten
was, te Parijs, Brussel, Berlijn, Weenen, Hamburg en Amsterdam, 'k Heb
overal een lieve duit laten zitten. Wat 'k oververdiend had, was glad
weg, maar gelukkig dat ik ook nog wat in Indië op de bank had gezet. Met
dat kapitaaltje ben ik weer begonnen toen ik terug kwam. Sina was blij
als een kind--verbeeld je.--Ze was mager geworden en stil, 't was net
alsof ze zich mijn afwezigheid aangetrokken had--nu, misschien had ik
haar ook eens moeten schrijven, maar ze kon niet lezen, daarom had ze er
toch niets aan gehad, niet waar?

Ze fleurde heel gauw weer op en werd weer dik en vetjes, die inlandsche
vrouwen hebben gauw aanleg tot corpulentie, als ze geen soesah hebben.
Zij had zuinig geleefd terwijl ik weg was en wat ze over had kwam ons
goed te pas, want we moesten 't toch zuinig overleggen, omdat door mijn
verblijf in Europa mijn zaken een knauw hadden gekregen. De aannemerij
lukte niet erg meer, maar Sina wist raad en toen hebben we een soort van
handel opgezet. Zij had er een ongekenden slag van om voor weinig geld
allerlei producten te koopen, ik liet haar maar scharrelen met de
inlanders en leverde dan weer als tusschenpersoon aan exporteurs en
handelaars. Onfortuinlijk ben ik eigenlijk nooit geweest, want als ik op
droog geloopen was, kwam al gauw weer iets wat me vlot maakte.

We hebben aardig geld verdiend en omdat ik begreep, dat als ik 'reis
uitkneep, Sina toch wat moest hebben, had 'k een heel flink huis van
circa drie duizend gulden voor haar gekocht, op haar naam gezet, een
aardig duitje op de spaarbank geplaatst en verschillende juweelen van
iemand overgenomen.

En daar gaat ze me nu waarachtig dood, jammer! ze is tot 't laatst bij
haar positieven gebleven en geen uur voor haar dood zei ze nog tegen
haar vader: "Kijk eens voor hem--dat was ik, vat je?--naar een andere
vrouw, want hij kan niet zonder, hij staat als een kind op z'n
beenen"--hoe denkt zoo'n schepsel in zoo'n oogenblik aan zoo iets, hé?
Ze is heel kalm gestorven en ze liet mijn hand niet los, dan toen haar
vingers slap werden door den dood.

Ja! 't was een heele vreemdigheid toen ze weg was, 't kwam zoo
plotseling; ze was maar een dag of acht ziek. 'k Was heusch erg onder
den indruk, want je hecht je aan zoo'n mensch en u weet niet hoe ze je
hier van alle kanten beduvelen en exploiteeren als je célibatair bent.

Sina's vader, dit wou ik u straks vertellen, was niets inhalig. Volgens
de wet was hij haar erfgenaam, maar hij kwam bij me en zei:--Toewan, 't
is allemaal van u gekomen, wat doe ik met al dat geld? Geef mij
vijfhonderd gulden, dan koop ik een huisje, en haar juweelen, maar zoek
er eerst alles uit wat je zelf hebben wil tot gedachtenis. De Boeginees
viel me betoel mee! Hij ging zelf naar den notaris en liet het huis weer
op mijn naam overschrijven. Ik betaalde hem vijfhonderd gulden en nam
dezen ring, een mooie steen hé? En een paar brillanten oorknoppen, ze
hadden me vierhonderd pop gekost, want ik dacht, die ouwe man heeft er
toch niets aan en ik kan ze allicht voor een andere vrouw gebruiken.

Mijn vrouws broêr, de tuinman, kwam de vorige maand bij me en zei: 'k
heb een goeie vrouw voor u, jong en zachtaardig, en de ouwe had er
onderwijl ook al een opgescharreld, maar ik heb geen van beiden
genomen--ik wil nu eens een Chineesche hebben, die zijn wat meer
ontwikkeld en nu is er me een door een sobat aan de hand gedaan. Daarom
zit ik nu hier in 't hotel, begrijpt u? 'k Heb met dien staartknaap
afgesproken, dat we mekaar hier zouden treffen, dan zou hij me bij de
familie van mijn aanstaande brengen. De vader wil haar niet te duur
afgeven--en 't moet een lief vrouwtje wezen. Bevalt ze me, dan neem ik
haar meê--anders ga ik alleen een poosje naar Japan, dat moet zoo'n mooi
land zijn. Nu Sina dood is heb ik toch geen idée dat ik onze zaken kan
doorzetten, dat inkoopen is mijn fort niet. Enfin! 'k zit nu nog goed in
mijn duiten, die moeten weer eens rollen.

'k Heb voor alle eventualiteiten een levensverzekering van 3000 gulden
genomen, dat 's voor mijn begrafenis en 't beredderen van mijn boel.

Die me er onder stopt mag dan de rest, die overschiet, houden--Ah! daar
komt mijn Chinees--adieu! meneer, tot het genoegen u weer te zien, ik ga
eens kijken of 't nieuwe inventarisstuk, dat hij offreert, me bevalt.
Salut!




EEN HUT BIJ DE KINDERKAMER.


--Ik zou u heusch aanraden om na de lunch zoo van tweeën tot vieren een
dutje te doen, zoo'n kleine siësta is bepaald noodig in de warmte, zei
de vriendelijke, jonge controleur, die met zijn ega tegenover mij aan
tafel zat.

--Weldadiger dan zoo'n slaapje bestaat er niets! voegde het blonde
vrouwtje er lachend bij.

--Gisteren heb ik 't al geprobeerd, Mevrouw, maar ik kon den slaap niet
vatten; 't is altijd zoo druk aan dek, je hoort er allerlei geluiden, ze
loopen voortdurend heen en weer en ...

--Ongewoonte, meneer! en terwijl 't controleursvrouwtje haar man guitig
aanzag, zei ze:

--Charles kon in den beginne overdag ook niet slapen, maar nu ... soms
moet ik manlief om half vijf schudden, ja? en heusch hij snurkt, foei!

--Och, als ik eens den slaap gevat heb zet ik studdy door, lachtte hij
terug en zich over tafel vertrouwelijk naar mij toe buigend:--maar ik
slaap in mijn hut, daar leg je rustig, je kunt je ontkleeden, afijn! je
totaal lekker maken. Geloof me, doe zooals ik, ga op uw couchette
liggen; 't is een afdoend middel....

*       *       *       *       *

De rijkelijke lunch had mij loom gemaakt. Ik voelde mijn oogen trekken
en een dof gevoel in 't hoofd voorspelde mij dat ik ditmaal slapen zou.
't Was ook nog iets ongewoons voor mij om den ganschen dag, van 's
morgens 6 uur af, in de lucht te zijn. De zee maakt meestal in den
beginne den nieuweling moe en slaperig--ik besloot dus mijn hut op te
zoeken. Aan boord waren reeds de meeste passagiers in in zalige rust; op
't dek lag de gepensionneerde majoor aan bakboord met open mond en
afhangende armen in zijn luierstoel te slapen, naast twee Indische
dames, die met pruimenmondjes en opgetrokken wenkbrauwen erg fatsoenlijk
dommelden; tegen de kajuitskap leunend, snurkte op de bank de anders zoo
spraakzame koffieplanter en aan stuurboord lagen, als de broertjes en
zusjes van klein duimpje op één rei, zeven jonge dames en heeren, de
vruchten van den al te weelderigen echt van een resident, die van verlof
terugkeerde. 't Schip scheen als uitgestorven, want in den salon was
niemand en zelfs in de kinderkamer zaten de drie Baboes met de aan haar
zorgen toevertrouwde spruiten zachtkens druilend bijeen.

Pff, wat was 't benauwd in mijn hut, ze scheen me een oven toe--maar in
de Roode zee is het nu eenmaal niet anders mogelijk.

Ik maakte mij lekker, deed jas, pantalon en overhemd uit en ging languit
op de couchette liggen.

Zachtkens, regelmatig slingerde de boot heen en weer--van zeeziekte voel
ik gelukkig nooit iets--en voor mij was die zachte schommeling zelfs een
aangename beweging; 't was mij alsof ik gewiegd werd. Ik kan mij die
periode uit mijn kindsheid natuurlijk niet meer voor den geest brengen,
maar mij dacht, ongeveer zóó moet de beweging geweest zijn die mijn
goede bezorgde moeder met haar voet aan mijn wiegje mededeelde.

Een, twee! E-é-é-n--twee-e-e! heen--terug! hé-é-én--terúg! 't Was
inderdaad een weldadig gevoel, maar--in plaats van er door in te slapen,
werd ik er helderder door en begon te luisteren naar al de geluiden, in
de stilte rondom mij.

Achter, onder mij, hoorde ik de rusteloos wentelende schroefas en het
ruischen en bruisen van het water, dat schuimend opspatte langs
achtersteven, roer en boord. Onwillekeurig telde ik, ze vijf aan vijf
afdeelend, de doffe dreunende slagen der machine en allengs meende ik
woorden te hooren in de regelmatig wederkeerende korte rhytmische
stooten van het aan stuurboord ontsnappend condensatie-water. 't Scheen
mij alsof de boot, als medelijdend met de warme puffende passagiers, de
woorden: ik-kan-niet gauwer--ik kan niet gauwer! voortdurend uitstootte.

Oah! ik geeuwde een paar malen. Was 't door slaap of zenuwachtigheid? Ik
geloof door 't laatste, want ik bleef wakker en moest nolens volens naar
dat eentonig ruischen en dreunen luisteren, terwijl het zweet mij aan
alle kanten uitbrak, want de temperatuur in mijn hut was ongeveer 94°.

Groote hemel welk een hitte! en wij zijn nog niet eens midden in de
Roode zee, hoe houd ik het verder uit? Die gedachte speelde mij door het
hoofd en overweldigd door de benauwde warmte druilde ik eindelijk in en
begon dadelijk onrustig te droomen van een grooten glasblazersoven,
waarin men mij met de voeten vooruit wilde duwen. Een reusachtige woeste
kerel stootte mij voort, steunend en hijgend: ik-kan-niet
gauwer--ik-kan-niet gauwer!

Met een schrik, schokkend en trillend ontwaakte ik en keek op mijn
horloge. Onbegrijpelijk! 'k had nog geen kwartier geslapen. Mijn gelaat
droop van 't zweet, mijn kussen had een natten indruk van mijn hoofd
gekregen en mijn goed kleefde me letterlijk aan 't lijf. Weg dus met
alles wàt gemist kon worden, alleen mijn flanelletje bleef mij over. 'k
waschte mij met het meer dan lauwe water uit mijn lavabo en dronk een
half glas limonade.

'k Begon me nu erg moe en slaperig te gevoelen, mijn oogleden werden
als lood.

Komaan! nu nog eens ernstig geprobeerd; met den vasten wil van te zullen
slapen, zal 't, moet 't gelukken. Weer strekte ik mij op de couchette
uit zoover ik kon, maar! ik heb lange beenen en daarom bleef ik, zooals
men dat aan boord noemt, "opgeschoten liggen in een flauwe bocht."
Iemand die wel eens op last van zijn dokter heete kamillen met vlier en
anijszaad heeft gebruikt tegen een verkoudheid, die hij onder een berg
wollen dekens en kussens bij een paar warme kruiken moest uitbroeien in
een goed gestookte kamer, kan zich een flauw denkbeeld vormen van de
warmte in de Roode zee.

Naast mij hoorde ik mijn buurman, een naar Indië terugkeerend ambtenaar
snurken. Hij snurkte mooi, geweldig en artistiek. Eerst haalde hij
krachtig door zijn neus op, met een kleine ontploffing in de keelholte
elken ophaal besluitend--en dan stootte hij een geluid uit, melodisch en
forsch tegelijk, als de erotische kreet van een jongen panther.

Aan de andere zijde van mijn hut zaagde een officier, die bij zijn lunch
een stevig glas wijn had gedronken, een solo en achter mij hoorde ik van
een jong mensch korte, stootende pff!-klanken, als ontsnapte er bij
kleine tusschenpoozen stoom uit zijn mond.

'k Werd jaloersch! Gelukkige snorkers!--Waarom kon ik nu toch den slaap
niet vatten--ik heb toch anders ook een zekere reputatie wat slapen
betreft. Hoor ze nu doorzetten! Hé, hoe benijdde ik mijn buren! Had ik
ook maar een stevig glas St. Emilion gedronken--mijn maag kan er niet
tegen, jammer genoeg!

'k Besloot te gaan tellen, ik kwam tot driehonderd en vijftig, verder
herinner ik me niet, want ik was langzaam ingedommeld om geen vijf
minuten later weer klaar wakker te worden door een helsch lawaai naast
mij.

Een zevental lieve kleine onschuldige kindertjes, die van het dek waren
weggejaagd, omdat ze volgens den kwartiermeester, zoo gezeid, ofschoon
't zoo in haarlui natuur lei, "den beest speelden en de passagiers 't
natuurlijk moevement van 't slapen rinuweerden", waren in de kinderkamer
gestormd en maakten ruzie met een der baboes, die volgens 't zeggen van
"le petit Alfred" lui avait chipée de chocolats praliné's!

In een allerzondelingst mengeloes van Hollandsch, Maleisch, Duitsch,
Javaansch en Fransch werd het gesprek gevoerd en terwijl de jonge heer
Alfred een blikken mokje greep en dat met een "Sâle bète!" naar 't hoofd
van baboe no. I gooide, die grijnzend haar sirih-mond opende en betoel!
verzekerde: "pas vrai chamais, moi makan chjocolat!"

"Diam! Tais toi, Alfred!" klonk 't vinnig uit een hut,--stil toch
kinderen! schreeuwde een andere damesstem, maar de oproerige jeugd hield
niet op met joelen en tieren vóór een paar mama's eenige van haar
spruiten met geweld hadden meêgenomen.

De kinderjuffrouw was reeds op 't rumoer toegeschoten en deelde koekjes
uit aan de overige onschuldige kleinen, die nu lief bij mekaar zouden
gaan zitten en een spelletje doen.

Een minuut of wat namelijk zoolang de voorraad zoetigheid strekte,
bleef 't rustig, maar juist terwijl ik op 't punt was den slaap te
vatten, zette een der lieve kindertjes een keel op en schreeuwde zóó
erbarmelijk om màmè dat baboe no 2 het noodig vond hem ongemerkt een
geniepige kastijding toe te dienen. De jongeheer--'t was bepaald een
aankomende basso buffo--begon onmiddellijk een serie geluiden uit te
stooten, die tot in de verste hoeken van het stoomschip moesten
doordringen.

Zoo'n attaque in G majeur werkt gewoonlijk aanstekelijk, want de sinjo
werd dadelijk zeer verdienstelijk gesecundeerd door een anderen knaap en
twee kleine meisjes, die--de vrouwelijke natuur verloochent zich zelfs
niet bij kinderen van vijf of zes jaar--uit pure goedhartigheid
meêgilden.

Allengs ontstond een volkomen cacophonie, de executanten werden
versterkt door de baboes, die haar diepe keel- en neusgeluiden--zoo'n
Javaansche baboe heeft in haar stem iets onderaardsch--in het koor
mengden, als de zware tonen van de contrabas, tusschen al de scherpe
oboe en klarinetklanken der kindertjes.

--Ring! Flang! Ring! een blad met een karaf en een paar glazen werd van
tafel gegooid. 't Klonk wel mooi! als was het de turksche trom en schel
in dat orchest.

--Rang, Ring! Bons! twee blanke kleine vuistjes smeten een kop en
schotel met een bordje over den grond.

--Alweer een zoodje kommaliewant naar de weerlich! bromde een basstem
tusschen de zich allengs met meer kracht verheffende faussettonen en
terwijl de eerste Signo zijn solo fortissimo, con fuoco! doorzette,
raapte de toeschietende hofmeester de scherven op en stoof een Mama in
sarong en kabaai met loshangende haren en een badhanddoek in de hand de
kinderkamer binnen en diende den eersten solist een goed afgewerkten
oorvijg toe, die even als het heftig bewogen dirigeerstokje van een
orchest-directeur een plotseling forto fortissimo deed ontstaan.

--Mèmè, mèmè, zij slaèt me! O! o! hi, hi! hi!

--Wie slaèt je, kind?--wie? en woedend stoof de andere "mèmè" haar hut
uit en begon met een onbeschrijfelijke, bijna elektrische snelheid van
tong aan de andere dame te betoogen: "dat het niet te pès kwèm!
volstrekt niet te pès kwèm! in 't geheel niet te pès kwèm! om je hènden
èn ên èndermèns kind te slèn? Als er wèt te slèn is, ben ik zelf mèns
genoeg om het te doen, begrijp u lieve mevrouw? Zoo iets is korang
adjar, (gebrek aan opvoeding) en ik verzoek u dus allerbeleefdst om in
't vervolg uw hènden thuis te houden lieve mevrouw, wênt ênders zèl ik
er den kèpitein over spreken, lieve Mevrouw!

De lieve Mevrouw, ook niet op haar mondje gevallen, gaf met veel minder
snelle maar minstens even liefelijke stem te kennen, dat zij aan boord
#recht# had op een rustig middagslaapje en dat het volgens haar
bescheiden meening niet bepaald takt en opvoedkunde verried om in 't
bijzijn van kinderen zoo'n scène te maken en dat zij haar man ging
roepen, want dat zij het niet geraden achtte om met zoo'n hoogst
beschaafde en lieve dame alleen te blijven, want een ongeluk zit in een
klein hoekje.... De elektrische tong zweeg, gebluft door de vrij kalm
gezegde woorden van de andere, die ik nog even en passant aan een der
baboes een uitbrander hoorde geven.

't Was iets kalmer geworden; de lieve kindertjes keken ongetwijfeld met
hun groote ronde onschuldige oogjes hun lieve mama's verwonderd na.

En inmiddels snurkte naast mij die ambtenaar onbezorgd verder, de
officier zaagde volgens mijn berekening zijn vijfde bos hout en de
jongeling stoomde, achter me, poeffend door! Gedempter klonken de
stemmetjes. De buikspreektonen van de baboes uit de kinderkamer werden
onduidelijker, waarachtig 't werd stil, een ongekende weelde
doortintelde mij, en ik begon zachtjes aan in te dommelen. Onduidelijk
hoorde ik nog het zeurig neusgeluid van baboe no. 2, die een klagend
Maleisch liedje jankte, ik zag, slaapdronken mijn oogen even openend,
flauwtjes dat het groene gordijn voor de opening van mijn hut zachtjes
bewoog, 'k vernam nog vlak voor mijn deur het fluisteren van een paar
kinderstemmen, vergezeld van 't rammelen van aardewerk--toen sliep ik in
... en dadelijk droomde ik. 'k Meende me op eens verplaatst te
Amsterdam, midden in den zomer op de Egelantiersgracht. Mijn reukorgaan
vertelde 't mij in den slaap en mijn hersens verwerkten half sluimerend
het denkbeeld: "Zou die lucht ook besmettelijk zijn?"

De doktoren beweren wel dat zwavelwaterstof geen bacillen bevat,
maar.... Ring, rang, flang! daar brak een of ander stuk porcelein vlak
voor mijn hut. Onmiddellijk was ik klaar wakker en hoorde de klagende
stem van een kleinen jongen, die snikkend uitriep: "ik kon 't niet
helpen, Mientje heeft me omgegooid."

--Niet waar! hij doet 't expres--hij heeft er mij ook afgeduwd, hi, hi,
hi!

--Hi! hi! hi! ada sapoenja potje! huilde Mientjes zusje, die nog maar
enkel Maleisch sprak. Ik begreep volkomen haar droefheid, omdat ik nog
kort te voren geleerd had dat ada beteekent: "het is" een sapoenja =
mijn.

--Tida! (neen) griende een andere engel van een kind, ada Theodoortje
poenja potje.

--Ik dacht wel dat ze daar niet veel zaaks uitvoerden, ze waren zoo erg
zoet, riep een dame, haar hoofd uit een der hutten stekend.

--Goeie hemel wat 'n boel! Sepada, jongens? Een van de twee Javaansche
jongens, die altijd zoodra ze niets te doen hebben als bruine terra
cotta beelden onbewegelijk achter bij de badkamers of 't groote watervat
hurken, stond langzaam op en neuzelde een: "Saja njonja!" terug.

--Allo! gauw opredderen, haal een emmer water. Foei, foei! kinderen, wat
'n historie. Met een paar putsen zeewater was, binnen een minuut of wat,
alles in orde en ik hoorde den kwartiermeester, die om een of andere
reden er bij kwam, zeggen:--'t Is alweer de oude geschiedenis; ze kennen
hier niet omgaan met kinderen, daar moet je eigendommelijk slag van
hebben, zie je? Ik heb dàt nou van natuurswege en zooveel als door de
langdurigheid van omgang met de jeugd. De oudsten hou ik zoet met een
praatje, of ik zet ze met een vrindelijk wezen op de'r voorman, maar dat
kleine kaliber, dat mot je heel anders bewerken. Als ze schreeuwen, hou
ik ze aan één been onderste boven, dat maakt derlui in eens stil, daar
ben ze reëel van overdonderd vat je!--Als ze dan 'n beetje groezelig van
kleur worden keer ik ze weer om als een zandlooper, dan komt 't bloed
weer zooveel als op z'n standplaats terug--Ja! 't is een heele
eigenaardigheid in je zelf om kinderen te kunnen behandelen, zooals 't
hoort, dat kan je niet geleerd worden--dat's aangeboren--waarom heb
jelui mijn niet bijtijds geroepen, dan was die pot ook niet gebroken,
nou is d'r nog schade voor de hand....

't Begon er nu aan te wanhopen, dat ik mijn vurig begeerd tukje zou
kunnen doen, niettegenstaande de kwartiermeester zich nu ernstig met de
zaak bemoeide en zooals hij beweerde: "zooveul als opschòoning hield"
door eenigen van de ergste levenmakers boven op de campagne van de
rookkamer te brengen met de hartige woorden: "nou doen ik jelui boven op
de rookkamer, dáár ken jelui mekaar voor mijn part om hals brengen, als
je de passagiers maar niet hindert.

't Scheen nu waarlijk rustig geworden in de kinderkamer, maar mijn slaap
was over, ik kleedde mij weer aan en toen ik mijn hut uitkwam bleef ik
een oogenblik staan kijken naar de drie baboes, die slaperig aan tafel
bij elkanker zaten. Met kracht drong zich eensklaps de theorie van
Darwin aan mij op. De eene, ongekapt en met reeds grijze haren, zag me
lodderig aan, lachend met breedgetrokken mond, die evenals de kin, wat
den vorm betreft, aan den chimpansé deed denken, terwijl haar voorhoofd,
koonen en ooren weer aan den brul-aap herinnerden. Haar buitengewoon
ontwikkelde buste rustte als een zak nat zand op de tafel en haar
handen, die op de bruine klauwen van een waschbeer geleken, hielden
spelend een lepel vast, waar zij nu en dan aan likte.

De tweede Javaansche kindermeid, minder oud en ook minder gezet, was
misschien eenmaal in haar soort een "knap stuk" geweest, maar nu zag zij
er uit alsof ze een paar maal voor oud en half fatsoen was opgeknapt,
versteld en overgedaan. Als zij sprak dook haar stem uit haar onderbuik
omhoog en baande zich met moeite een weg door haar ingedeukten neus.

Toch was zij ontegenzeggelijk van deze drie gratiën de bevoorrechte, aan
wie Paris den appel, in dit geval bepaald een gedroogden, zou kunnen
geven, want de derde baboe heb ik nooit voor een vrouw kunnen houden--ik
geloof heusch nu nòg dat ze een verkleede "ouwe kerel" was. Zij bracht
me onmiddellijk een half suffen bothobbelaar voor den geest, die behebt
met pokputjes en bruin van vel, aan de vischmarkt met den naam van
"Janus liplap, de spons" werd aangeduid.

De aanblik van die trits aanminnige vrouwen maakte mij somber, want ik
dacht, zijn dat nu menschen naar Gods beeld geschapen?--Waar moet ik
heen met mijn geloof? Weg dus! aan dek, in de frissche lucht! maar 't
was daar ook niet frisch, integendeel warm, broeiïg--doch in ieder geval
beter dan beneden ... ik stak een sigaar op en bleef over de
verschansing kijken.

*       *       *       *       *

--Wèl? vroeg de controleur mij familiaar aanstootend, dat's u zeker
goed bevallen, die siësta in de hut. Heeft u nu niet rustiger geslapen?

--Vraagt u dat maar eens aan den kwartiermeester, die komt daar juist
aan. Hé! Arie, zeg, vertel jij meneer eens hoe 't beneden was van
middag!

--Met je welnemen meneer, ik laat me liever niet posetief verklarend
over zulke dingen uit, want ik ben 'n loontrekkend persoon hier aan
boord en niet eigen familjaar genoeg met de ouwers van de diverse
rakkers en kleinighedens--maar dat kan ik je met de hand op 't hart
verklaren, ze hebben allemaal d'r eigendommelijkheid--en een passagier
die in 'n hut naast de kinderkamer wil slapen overdag mot iemand wezen,
die doofstom geboren is met een goed humeur!




MULLER'S BUSTE


Muller was niet meer; de dichter, de hoog begaafde had eensklaps het
aardsche tranendal verlaten.

De dagbladen hadden, met een zwart randje omlijst, vermeld, dat Johan
Friedrich Adalbert Muller overleden was. Duitschland en Nederland
betwisten elkander de eer hem te hebben zien geboren worden, maar
Nederland triomfeerde, omdat Muller geen twee titteltjes op zijn U had
en het bewezen werd, dat er vóór dezen Muller nog een andere leefde, die
ergens in Holland kadetjes bakte, en bij den burgelijken stand als zijn
vader stond ingeschreven. Eén rouwkreet klonk door 't gansche land en
vond zijn echo in de harten van allen, die hem en zijn werken gekend
hadden.

Toen hij nog leefde, waren velen zijn bewonderaars en aanhangers
geweest, anderen hadden hun schouders opgehaald, om aan te duiden dat ze
hèm niet heel veel en zijn werken zoo zoo vonden, en nog anderen hadden
eenvoudig met hoog opgetrokken wenkbrauwen en een smadelijken glimlach
_gezwegen_, om daardoor te _zeggen_, dat hij _niets_ en wat hij dichtte
nog minder was.

Na zijn dood echter waren alle partijen het plotseling met roerende
smart er over eens, dat er in Nederland nooit eerder zoo'n Muller
geboren was, en dat er ook waarschijnlijk nooit weer zóó een zou
sterven. Niemand durfde meer iets ten nadeele van den afgestorvene
zeggen, want _de critikus_ van het _grootste litteraire blad_ had Muller
_de eenige_ ware poëet van Nederland genoemd en de critikus was
buitengewoon knap, die wist het, zei men--en _men_ heeft altijd gelijk!

De uitgevers van Muller's gedichten maakten buitengewoon goede zaken,
door op de nog onverkochte exemplaren de woorden _tweeden druk_ te doen
aanbrengen en 't publiek eerde den doode, door de uitgevers er af te
helpen.

In alle winkels hingen photographie-portretten van den overledene.
Immortellenkransen dienden als lijsten en de winkeliers verhoogden den
prijs van 't visiteformaat met tien en van de cabinetsportretten met
vijf en twintig cents.

Een comité vormde zich, om op Mullers graf een zijner waardig
gedenkteeken--de circulaire vermeldde: "eenvoudig als de man zelf"--te
stichten, terwijl eenige meer intieme vrienden bijeenkwamen, om de
nagedachtenis van hun voortreffelijken vriend te eeren, door zijn
loopende schulden zooveel mogelijk te vereffenen, want Muller was in
alle opzichten een wáár poëet geweest en had ruim zooveel onbetaalde
rekeningen als verzen nagelaten.

Nooit was er zooveel notitie van den Dichter genomen dan toen de koude
aarde zijn eens zoo warm hart omsloot.

Lijkzangen en grafdichten verschenen bij de vleet en vonden plaats in
dag- en weekbladen. Zelfs de Reizende Trompetter, het blaadje van den
Boerenstand, gaf een nécrologie van den gestorven poëet, en aan het stot
daarvan vier treffende regels:

"Treur, Neêrland, treur om Uwen Muller,
Nooit zong een Dichter blijer, guller,
Tot Godes en der menschen eer.
Nu is hij dood en zingt niet meer!"

't Was mode geworden, om over Muller rouw te bedrijven, zijn werken
waren eensklaps meesterstukken geworden en zij, die ze vroeger niet
begrepen, dweepten er nu mede. 't Scheen wel alsof 't publiek zich
verheugde, dat Muller dood was, alleen om in de gelegenheid te zijn, de
assche des beroemden te huldigen.

Kort na elkander verschenen bij een muziekuitgever: "Souvenir à Muller,"
élégie pour piano-forte à 4 mains, en "Sonnette posthume Mullerienne,"
fantaisie pour contrebasse avec accompagnement de piccolo.

In de modewinkels werden strikjes, en fichu'tjes à la Muller
verkrijgbaar gesteld. De dames, begeerig naar een haute nouveauté,
tooiden zich met die zaken, als hulde aan den te vroeg ontslapene. 't
Stond wel niet altijd mooi bij haar toilet, die sapgroene kleur met geel
achtigen weerschijn, maar 't was de geliefkoosde kleur des Dichters
geweest; al zijn dichtwerken waren in omslagen van die kleur
verschenen--en wat doet een vrouw al niet om naar de mode te zijn en
tegelijkertijd gemakkelijk te bewijzen, dat zij ontwikkeld in haar
smaak, de Muzen en haar zonen genegen is.

't Was dus niet te verwonderen dat de Heer Giovanni Capelli, de
Italiaansche fabrikaat van gipsen-beelden en statuetten, op de gedachte
kwam, om van den algemeen betreurden dichter een buste te doen
vervaardigen en in den handel te brengen.

't Moest een sprekend gelijkend afbeeldsel zijn en tegelijk goedkoop
opdat een ieder zich er van zou kunnen voorzien en voortaan in geen huis
Muller's buste behoefde te ontbreken.

Giovanni Capelli was een ondernemende geest een man van genie, zooals
hij 't zelf uitdrukte. Eigenlijk heete hij _Jan Haar_, maar toen hij
zijn zaak in gipsfiguren van een echten Piemontees overnam, was hij op
't geniale denkbeeld gekomen om zijn naam in 't Italiaans te vertalen.
_Giovanni Capelli_ klonk toch veel beter dan _Jan Haar_, 't scheelde
minstens dertig percent op de verkoopprijzen.

Dat zijn limineus denkbeeld met goed gevolg was bekroond, bewees het
groote magazijn, dat hij in een der hoofdstraten hield. 't Was een waar
Pantheon, zooals Giovanni het met welgevallen noemde, want zijn winkel
was altijd ruim voorzien van beroemde gipsen personen van beiderlei
kunne, en gros en détail verkrijgbaar.

--Was er maar geen portret van dien snuiter, zei hij in zichzelf, dan
maakte ik een brillante affaire--'k heb nog een paar gros staan van dien
onverkoopbaren Duitschen philosoof; hm! een mislukte speculatie geweest,
geen mensch lustte 'm hier; daar was best 'n Hollandsche van te maken;
'n beetje afnemen van den neus, 't haar wat afvijlen en ... maar enfin,
dat gaat nu eenmaal niet, ze kennen den kerel hier te goed, jammer,
jammer...!

Hij besloot dus een buste te laten maken door een jong modelleur, die
eenmaal zijn adreskaartje had bezorgd. Giovanni was logisch en
overlegde:--zoo'n jong artist wil graag naam maken door een bekend
persoon te modelleeren--hm! dan moet hij voor mij voor een schuifje
werken, dan helpen we mekaar ... d'r zit wel een masseltje aan. Eerst
verkoop ik ze voor _een daalder_, dan voor een gulden, en eindelijk, als
de loop er zoowat uitgaat, frisch ik de 30-cents-bazars er mee op....

Met die gedachten was Giovanni op weg getogen naar de nieuwe buurt, waar
de beeldhouwer woonde en repte zich zoo snel zijn zwaarlijvigheid het
toeliet. 't Was warm weêr en op zijn voorhoofd parelden de druppels van
inspanning en haast.

Eindelijk had hij het huis bereikt en stond stil voor de deur; een klein
bordje met de woorden: J. Bruin, Beeldhouwer, 3 × schellen, toonde hem,
dat hij terecht was.

Hij schelde driemaal met duidelijke tusschenpoozen.... Knip! deed de
deur en sprong een eindje open. Giovanni trad in 't portaal en ... zag
niemand!

--Wie da-a-ar! klonk een schelle, oude vrouwenstem van boven.

--Woont hier Bruin de beeldhouwer?

--Jawel! kom u maar boven!

Is ie t'huis?

Kom u maar boven, drie hoog op de voorkamer!

Even fronste Capelli zijn borstelige wenkbrouwen en mat met één blik de
hoogte der eerste verdieping--een oogenblik stond hij besluiteloos en
streek over zijn embonpoint, maar in het volgende begon hij, zuchtend,
de opstijging.

Toen hij twee hoog was, bleef hij even staan, om adem te scheppen en te
pruttelen: "Dat artistenvolk woont ook altijd zoo eeuwig hoog--enfin! in
's hemels naam," en hij klauterde de laatste trap op.

Een kleine, magere oude juffrouw met een bont boezelaar voor en
opgestroopte mouwen, keek hem met een dom-vinnig gezicht aan en vroeg,
de mouwen over de nog van zeepsop dampende stokkerige armen
neerslaande:--Most uwe bij Bruin wezen?

--Pff, Poeh! Pff. Jà, hè-hè! Jawel-juffrouw,
sakkerloot-wat-woon-jelui-hoog!

--De trap is 'n beetje stijl; vooral voor dikkige menschen zooals uwe is
't een heele klim....

--Pff, ja, geweldig steil, pff-Poeh!, maar goed licht hier. Capelli zag
met zaakkundigen blik, dat 't atelier in de voorkamer was en uitmuntend
licht had.

--Ga d'r maar in, meneer!

--O, dank u.... Giovanni trad binnen.

--Ja, ziet u--m'n zoon is op 't moment niet t'huis.

--Hê? pfft!

--Hij is de deur uit!

--Dat-had-je-me-wel eerder kunnen zeggen--Poeh! pfft! dan was ik
waarachtig al die trappen niet opgeklommen.

--Dat dacht ik ook al, grinnikte de juffrouw en met een vluggen greep
deed zij het bonten boezelaar van haar lichaam verdwijnen;--maar, ziet
u, d'r is tegenwoordig al niet veel te doen in 't vak ... en als d'r nou
iemand om 'm komt, dan denk je al, die brengt misschien wat te doen en
daarom ... ziet uwé?

--Jawel, jawel, ik snap je, moedertje--hum! is dàt werk van je zoon?
Capelli was het atelier eens rond gegaan en bekeek aandachtig een
basrelief afgietsel.... Hm! dat ben je zelf, oudje.

--Hè, hè, há, ja--dat heit ie zoo ereis gemaakt uit tijdpasseering.

--'t Lijkt goed; heb je er bepaald voor geposeerd?

--N-neen--hij heit 't zoo maar gemaakt uit z'n hoofd.

--'t Is realistisch opgevat; 't doet 't best.... Capelli keek
beurtelings de oude vrouw en 't afgietsel aan.

--Ja, d'r is nieks an vergeten, ziet u wel dat m'n wratje d'r ook op
zit--'k heb er een op mijn linker wang, kijk maar O, Sjuul werkt heel
netjes en sicuur, Heb u soms wat voor 'm te doen?

--Misschien wel; jammer dat ie niet t'huis is.... En dat? Hum! Giovanni
bleef met de handen op den rug vol aandacht een vrouwentorso
bekijken,--is dat ook werk van uw zoon? Zeker naar 't leven gedaan?

Het oude menschje aarzelde een oogenblik en wreef verlegen haar
knokkelige handen over elkander, terwijl zij knorrig antwoordde:--Ja,
naar 't bloote model.

--Zoo, zoo! Nu, 't is flink gedaan--hij zag eens rond, en omdat hij veel
naaktstudies aantrof, zei hij zonder erg:

--Je zoon schijnt veel van 't naakt te houden.

Juffrouw Bruin kleurde een beetje, en meenend dat die meneer haar
misschien minder netjes zou vinden, viel ze plotseling vrij heftig uit:
    
<<Page 4   |   Page 5   |   Page 6>>
Go to Page Index for Op reis en thuis

You are here --- [ Home / Author Index J / Justus van Maurik, jr. / Op reis en thuis / Page #5 ]