|
|
die niet?
--Daar is geen kruid voor gewassen tot nog toe.
--'n Sterk bittertje, cognac, chartreuse, maagelixer....
--Dwaasheid! ze zit niet in de maag.
--Niet, waar dan?
--In de hersenen; ik hou zeeziekte voor 'n lichte hersenaandoening en
daarom geloof ik dat afleiding, wilskracht, niet ziek _willen_ wezen, er
nog 't beste voor helpt. Zullen we eens wedden dat de meeste passagiers,
die nu voor mirakel liggen, van avond alles vergeten en zoo lekker als
kip zijn?
--'k Wou dat je waarheid sprak, dokter.
--Nu, je zult het beleven, als er maar veel pret is, gaat de zeeziekte
overboord?
--'n Flesch champagne, dokter, als je waarheid hebt gesproken!
-------------------------------------------------------------------------
Half zeven! De bel voor het diner is geluid. De passagiers zijn
samengekomen in het salon, van dek en uit de hutten. Er zijn er velen,
die bleek en met blauwe kringen onder de oogen aan tafel zitten, maar op
een paar dames na, die betoel, betoel _ziek_ zijn en zooals Kees
beweert: "geen halflood zeevleesch an d'r heele karkas hebben," zijn
allen present.
Men heeft gehoord, dat na tafel den passagiers een verrassing wordt
bereid en wat de bittertjes, chartreuses, bruispoeders en pillen niet
deden, heeft nu de nieuwsgierigheid gedaan, hen namelijk in zooverre
opgeknapt, dat ze aan tafel konden komen.
Er wordt druk gepraat.
De administrateur, een gezellig causeur, die verbazend goed den slag
heeft om met dames te babbelen, doet wat hij kan om 't gesprek gaande te
houden. De dokter werkt zijn geheele anecdoten-repertoire af en zelfs de
meestal ernstige kommandant maakt gekheid met zijn tafelbuurtjes en
houdt haar in spanning door gezegden als:--Ik weet al wat Sint Nicolaas
u brengt juffrouw; je zal d'r van staan kijken als een kat voor een
duivenhok, of:--Majoor, zet je maar schrap, de Sint brengt je van avond
een gard.
Er wordt een stevig glaasje wijn gedronken, een paar malen vliegt aan de
middagtafel een champagnekurk omhoog, en omdat de twee zijtafels niet
voor de "hooge oomes" willen onderdoen, worden van lings en rechts
ontploffingen gehoord.
--'n Jolig diner, van avond! zegt de bleeke jongeling, die naast de
Indische dame met zeebeenen zit.
--O! Lekkèr--geheel lekkèr--zoo mag ik wel, merk u wèl niemand sakit
laut, já?
--U heeft gelijk, mevrouw! er zijn geen zieken, maar 't is ook veel
beter weêr geworden....
Bons, flang, ring, flang!... als wilde de zee die woorden logenstraffen,
werpt zij een van de nougattempels, die als milieux de tafels versieren,
door 't slingeren van de boot op borden en wijnglazen in gruizelementen.
--Allàh! u zeggen niet zoo gojang!--O, lo! veel erger dan anders, maar u
niet merken door de pret jà!--
--Wat zei ik u? fluistert de dokter zijn buurman toe, we slingeren
driemaal meer dan van morgen en als die miserabele taart er niet was,
dan--Zie je, daar heb je 't al, Mevrouw Willemse staat op, nu voelt ze
in eens weer de zee.
De kommandant, begrijpend dat hij in 't voordeel der goede stemming
partij moet trekken van het geval, tikt aan zijn glas en zegt:
--Dames en heeren!
--Stilte! stilte! de kommandant wil toasten!
--Dames en heeren! maakt u niet bezorgd over dat schokje--'t was geen
roller, maar 't was eene kleine aanvaring!
--Hè? Wat? Hoe?
--De boot van Sinterklaas is ons langs zij gekomen en zijn dolfijnen
hebben even hun koppen tegen ons boord gestooten. We zullen het dessert
laten afruimen en dan worden de heeren en dames, de groote en kleine
kinderen, verzocht eerbiedig en met een gepast lied als: "Sinterklaas,
goed heilig man" of iets dergelijks, den ouden heer te verwelkomen. U
moet mij excuseeren, want ik word gewacht op de brug om over uw aller
veiligheid te waken!
--Bravo leve de kommandant, hoera!
--Pang! Een flesch Moët knalt open!
--Eerst nog een glaasje op je gezondheid, kommandant.
--Nu goed dan, nog één! Je welzijn meneer Bergersma!
--Dank u!... Dames en heeren! hij leve, onze gezellige kommandant!
--Hiep hiep hoera! lang zal hij leven, lang zal hij leven in gloria!
Gloria--a-a!
Zee en wind zijn weer vergeten en de algemeene vroolijkheid keert terug.
--Lang zal hij leven in gloria--a--a!
--Hiep, hiep, hoera!
* * * * *
In de hut van den hofmeester ligt alles overhoop. Op de couchette zit
het koksmaatje reeds geheel gekleed, tusschen een grooten witten zak vol
strooigoed en een stapel pakjes van allerlei vorm en kleur. Zijn voeten
rusten op een mand vol papieren, snippers en stroo.
De hofmeester, in 't costuum van Sint Nicolaas, met de vlaspruik onder
den bordpapieren mijter op 't hoofd, tracht voor een spiegeltje, dat de
koksmaat vasthoudt, zijn baard aan te doen en de dikke linnenjuffrouw
naait met groote steken, de vlag, die te lang onder de kimónó uithangt,
een eind op.
--Stè èsjeblieft stil hofmeester, ik rèk ènders ook m'n equilibre
kwijt--nog mèr en pèr steken, dèn ben jè klèr!
--Die baard is te groot, ik stik d'r in.
--Je moet 'm ook over je ooren hangen, hofmeester.
--O, zóó ja! nou is ie goed!--ben je nou klaar, juf?
--Dèdelijd! nog even je borstplooitjes en de kenten slippen nèzien.
--Dat geveugel an m'n lijf kan ik niet velen, laat dat maar waaien.
--'t Stèt zoo leelijk, wècht nu even, hé? Zoo, nu ben je klèr! Wèr is je
vers, ken je 't vèn buiten?
--Geen steek d'r van juf--maar dat's niks. Hij moet 't me maar
voorzeggen.
--Souffleeren! jè, dèt kèn wel. Vooruit nu mèr!
De hofmeester gaat de hut uit, deftig, met zijn bisschopsstaf in de
hand; 't koksmaatje springt van de couchette, keert de mand met snippers
om, doet de pakjes er in en gaat dan, met den zak op zijn rug en de mand
vol pakjes aan de hand, hem achterna.
--Goddori! zegt de hofmeester, omkijkend, je bakkes!
--Wat zou m'n bakkes?
--'t Is nog wit--je bent immers 'n zwarte knecht.
--Dat 's waar ook! Zeg juf, geef me gauw een gebrande kurk.
--Dat duurt te lang, ik zal je wel anders helpen, neem maar inkt, dáár
staat 't fleschje.
--Maar hofmeester, dat gaat er zoo moeilijk weer af.
--Hindert niet, je hoeft morgen niet naar je meissie: gauw, vooruit!
-------------------------------------------------------------------------
Een paar minuten later treedt Sint Nicolaas, gevolgd door zijn zwarten
knecht, het salon binnen.
Deftig begroet hij al de aanwezigen met een--Dames en Heeren! ik ben
Sinterklaas en ik kom jelui ereisies opzoeken en dat is m'n zwarte
jongen, die--maak je buiging roetmop--de cadeautjes brengt.
--Hum! hum!... hij begint zijn vers:
Ik kom op last van God Neptuun,
Den Heerscher van de zee,
En breng voor ieder hier aan boord
Een klein cadeautje meê!
Ik kom op 't land wel ieder jaar
Bij kinderen groot en klein.....
Maar 'k kom nu ... Hm! Hm!... Ik kom nu ook ter zeehm! hm!
Bliksem!--Hm! ter zee!--Hm!... Ja, Dames en Heeren of ik 't nou zeg of
zwijg, ik ben m'n vers vergeten en die stommeling soeffleurt me niet,
maar.... hij neemt het papier uit handen van den zwarten knecht, legt
het op tafel en zegt:--Die er lust in heeft, kan 't zelf lezen, 't is
heel aardig!... d'r zit 'n beetje inkt an, maar dat komt omdat we in de
gauwigheid geen kurk hadden, Hm!... en nou zal ik ieder 't zijne
geven.--Moriaan, strooi jij ondertusschen reis 'n beetje!
Met zijn groote handen grijpt de zwarte knecht in den zak en werpt
bonbons, chocolaadjes, noten, amandelen, koekmoppen en pistaches om zich
heen en over de passagiers, die gierend van 't lachen, als kleine
kinderen aan 't grabbelen gaan.
Dan, terwijl de vroolijkheid steeds stijgt en de jongens warme wijn en
Sintnicolaasgoed presenteeren, ontpakt de hofmeester zijn mand en geeft
aan iedere dame en heer het voor hen bestemde pakje.
--Leve Sint Nicolaas! Leve de zwarte knecht! Hiep, hiep hoera!
--Sinterklaas, een glas champagne?
--Asjeblieft meneer Vinkers!
--Ha! Ha! Ha!
--Zwartje, jij ook een glas?
--Nou meneer, drinken we in ons apenland niet dikkels. Asjeblieft, wel
twee!
--Bravo! Lang zullen ze leven!
Zeeziekte en schommelingen zijn totaal vergeten, hooger kleuren zich de
aangezichten, lachend en schertsend vallen de passagiers nu en dan tegen
elkander aan door 't stampen van het schip, maar niemand heeft er hinder
van.
De dokter ledigt de gewonnen flesch champagne met de andere heeren.
Buiten huilt de storm; de opgezweepte golven slaan over 't schip en op
de brug staat de kommandant in zijn oliepak en tuurt oplettend in de
duistere verte!
* * * * *
In zijn hangmat in het halfduistere soldatenlogies ligt een fuselier.
Het flauwe schijnsel van 't licht dat er brandt, beeft over zijn
ingevallen wangen, 't glijdt langs zijn slappe rimpelige oogleden,
waaronder de oogballen rusteloos trillen en laat even de klamme haarvlok
zien, die, onder uit zijn politiemuts komend, tegen 't gele, beenige
voorhoofd plakt. Hij is afgekeurd voor den dienst. Jenever en vrouwen
hebben hem vóór den tijd oud gemaakt, buikziekte en moeraskoortsen deden
het overige. Als een jonge grijsaard, een vroeg gesloopt organisme, ligt
hij, half sluimerend, half soezend, onverschillig voor alles, behalve
voor het "mokje" jenever, dat hem tweemaal per dag toekomt.
--Mo'je d'r niet is uitkomme? vraagt een kameraad, die in de eene hand
een kom koffie houdend, met de andere een stuk tulband naar den mond
brengt.--Ze benne knappies in de pret, hoor je wel? en hij wijst op een
aantal soldaten en stokers, die achter in 't logies bij elkaar zitten,
lachend en pratend.
--Kom! kerel, kruip d'r nou ook is uit, je lach je dood, ze hebben
Sijbrands te pakken met een surprisie.
--Och la' me liggen.
--Mo' je tulband?
--Nee, stik!
--Nou dan niet! en met een schouderophalend: "Hij wordt suf," gaat de
soldaat terug naar de anderen, die, bij, over en half op Sijbrands
leunend, toekijken hoe deze een groot, in zeildoek genaaid, met teer en
verf besmeerd pak openpeutert.
Een oogenblik wendt de zieke fuselier het hoofd om naar de zwak
verlichte groep en terwijl een smadelijke glimlach om zijn bleeke, dunne
lippen speelt, mompelt hij:--Flauwe mop!--sluit de oogen en draait zich
zoover mogelijk om. Zijn oogen gaan weer een poos open staren naar den
geligen scheepswand, waartegen nu en dan reusachtige schaduwen glijden
van de heen en weer bewegende mannen, dan sluimert hij even in om
dadelijk weer te ontwaken, door 't gelach en gejoel der anderen.
"Sunter klaassie bonne, bonne, bonne!" zingt er een met ruwe stem. "Gooi
wat in de leege tonne!" kraait een ander. "Gooi wat in de huize!" blért
een derde en lachend, vloekend en gillend vallen de overigen in met:
"Dankie Sinterklaassie!" als een zwartgemaakte kolentremmer met een
binnenstbuitengekeerde kapotjas aan, een ketting als gordel en een roode
fez op 't hoofd, uit een linnenzak eenige handenvol noten, amandelen,
koekmoppen en rozijnen, over de hoofden heen op tafel gooit.
--Flauwe mop! bromt de zieke nog eens en tracht den slaap te vatten,
maar eensklaps rijst voor zijn geest het beeld van een vredig, eenvoudig
tehuis in een groote stad, vol lichte straten en pleinen. Hij ziet
lachende, stoeiende, grabbelende kinderen in een warm, gezellig vertrek;
hij ruikt de chocolade en koeklucht in de kamer. Hij ziet de goedige,
dikke moeder, die voor ieder een verrassing bereidde--de altijd bezige
vader, zich nauwelijks tijd gunnend om even naar zijn jolig troepje te
komen kijken en ... langzaam dommelt hij in, half droomend, half wakend.
Allerlei herinneringen dwalen door zijn weeker wordend brein:--Een
doorboemelde jeugd, leuke vrienden, lastige schuldeischers, bedrogen
meisjes ... als in een warreling van beelden vliegen ze aan zijn
gesloten oogen voorbij.
't Suist in zijn ooren--die drukke geluiden om hem heen roepen andere
klanken terug in zijn slappe hersenen; lang vergeten stemmen komen
weer!... Kind! alles is nu vergeten en vergeven, kom als een flinke
kerel weêrom--was dàt niet moeders stem? Voelde hij daar niet vaders
handdruk bij 't afscheid aan boord, toen hij wegging als koloniaal?
Hoorde hij daar niet de muziek op den wal, het joelen en schreeuwen der
vertrekkende troepen?
Hij ziet als in nevel moeders bleek, betraand gelaat, haar lang nog
wuivenden zakdoek, en dan ... dan springt hij eensklaps als
geëlectriseerd op uit zijn hangmat, want: "Extra oorlam!" aan de klok,
heeft zijn oor getroffen.
Hij schudt zich een paar malen, smakt met de lippen, herhaalt nog
eens:--Flauwe mop! en gaat zijn "mokkievol" halen.
-------------------------------------------------------------------------
-------------------------------------------------------------------------
Zes December.
't Sint Nicolaasfeest is voorbij.--Eenige passagiers zitten pratend aan
't ontbijt--de meesten zijn nog in hun hutten.
Aan dek is Kees bezig met het vastsjorren van een paar stoelen, voor de
twee dames die betoel, betoel ziek zijn en op last van den dokter elken
dag even aan dek _moeten_.
Een passagier, die ook lucht hapt, vraagt hem:
--En heb jij ook 'n goeie Sinterklaas gehad, Kees?
--Ik, meneer? 'k Heb gemaft in m'n kooi, 'k moest er niks van hebben. De
pret is nou voorbij--maar je zal wel d'ris rare gezichten zien van
daag--'t is maar de vraag waar 't door is, door de zeeziekte of door al
de buitengewoonhedens die ze gisterenavond in d'r maag hebben gestouwd!
EEN TOEWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK.
We zaten samen in 't hotel Egener te Probolingo aan 't ontbijt. Hij was
na mij binnengekomen en had zich, op de in Indië gebruikelijke wijze,
aan mij voorgesteld met de woorden:--Mag 'k eens even met u kennis
maken. Mijn naam is Verbeke.
--Ik heet van Maurik!
--Justus van Maurik?
--Juist.
--Och! dat doet me plezier--ik heb in de kranten wel gelezen dat u een
bezoek aan Indië brengt, maar 'k had nog niet het genoegen u te
ontmoeten. En toch heb ik, vooral in den laatsten tijd, dikwijls aan u
gedacht.
--Ei, hoe komt dat zoo?
--Wel! ik heb zoo nu en dan wat van u gelezen en daarbij dacht ik: als
ik dien man sprak zou ik hem voor de curiositeit mijn levensgeschiedenis
eens willen vertellen. Een auteur moet, dunkt me, graag zoo iets hooren,
al is 't maar om zijn menschenkennis te verrijken of er later stof in te
vinden voor een schets of novelle. 'k Heb dikwijls gedacht; hoe halen de
schrijvers de dingen bij mekaar? Ze moeten zeker hier en daar lui
vinden, die hen op de hoogte brengen van een en ander....
--Dat ziet u aan u zelf meneer ... hum?...
--Verbeke. Willem Frederik Hendrik Verbeke. Ja, 'k ben een Toewan! 'k
heb drie mooie voornamen, maar daar koop je niet veel voor.... Dus 't
zou u interesseeren als ik u vertelde, welk toertje ik al zoo door de
wereld heb gemaakt?
--Natuurlijk, maar mag ik even mijn notitieboekje halen, dan teeken ik
de hoofdpunten aan--mijn geheugen laat mij soms in den steek.
Hij lachte eventjes en streek met zijn hand over zijn dunnen rossigen
knevel;--Ga gerust je gang, meneer, maar wanneer je 't avond of morgen
mijn lotgevallen vereeuwigt, zet dân een anderen naam in je boek,
asjeblieft? Ik heb nog veel familie in Holland en die lui mochten zich
eens ergeren; 't zijn daar zulke brave zielen, weet u! Steunpilaren van
de kerk. 'k Heb twee dominees in mijn familie en ettelijke ouderlingen.
De witte das is erfelijk in ons geslacht.
--Steek eens op, meneer! 'n lichte sigaar--eigen fabrikaat, 't is
meteen een adreskaartje van den fabrikant, al rookend vertelt men
gemakkelijker.
--Graag! Ja 'k heb al menig sigaartje van je naar den blauwen hemel
geblazen en soms terwijl ik een boek van je las. Dan dacht ik zoo: wat
'n wonderlijke combinatie--sigarenfabrikant en schrijver--die man moet
een goed standje hebben. Hij raakt ze van alle kanten ha, ha, ha!
--'t Is een dringende noodzakelijkheid dat ik fabrikant blijf, want van
zijn pen kan men in Holland niet leven, daarvoor is 't land te klein,
ergo....
--Verkoopt u sigaren. Koko blanda! Hollandsche sigaren in
blikverpakking, gegarandeerd tegen wormen, insecten en vocht. Hij sprak
snel en op één toon, als iemand die een les opzegt. Je ziet wel meneer,
dat ik de reclame-biljetten uit je kistjes van buiten ken, maar je hebt
schoon gelijk! Je moet turf opdoen zoolang je turven kunt, komt de oude
dag dan heb je een beetje brandstof in huis om je stijve knoken bij te
warmen. 'k Heb ook altijd zoo gedacht in den beginne, maar och! mijn
turf is me tusschenbeiden door vrienden en buren afhandig gemaakt, en 'k
ben er zelf ook wel 'n beetje ruw mee omgesprongen, Sepada!--hij riep
den jongen:
--Minta whisky-soda? Mag ik u ook een glas offreeren?
--Dank u, 't is me nog te vroeg, 'k heb hier mijn thee nog staan.
--Och! ik drink ze alleen uit gewoonte om iets te hebben wat m'n tong
vochtig houdt; 'k heb zeker 'n droge lever!--Sedikit whisky! zei hij tot
den jongen, die hem inschonk. 'k Neem er maar een spoor whisky in, om
een smaakje aan 't Apollinariswater te hebben. U zou kunnen denken, dat
ik, hij maakte de bekende beweging, van dât hield. Och heer! neen, dat
is 't geval niet, zoolang ik onder de tropen ben, heb ik in alle
opzichten matig geleefd. 'k Heb dagelijks één enkel bittertje gebruikt
uit oud-Hollandsche gewoonte, vóór den eten en 's avonds een toddy of
een paar splitjes (half glas whisky soda) anders zag ik er zóó niet uit
op mijn vijf en veertigste jaar en 'k ben toch van mijn twee en
twintigste al in Indië. Kijk! 'k heb nog een goeien kop met haar en mijn
oogen zijn ook nog perfect.
Ik keek mijn nieuwen kennis oplettender aan. Hij was een man van
middelbare lengte, met een opgeruimd, bruingelig gelaat en helderblauwe
oogen, die frank en vrij onder borstelige, rossige wenkbrauwen
rondkeken. Zijn neus was nog al dik, maar met zeer bewegelijke vleugels,
die op een zenuwachtig temperament wezen en als hij sprak, trok hij nu
en dan zijn bovenlip in 't midden min of meer driehoekig op, zoodat
onder zijn overhangenden dunnen knevel, de gave witte voortanden
zichtbaar werden. Over 't geheel genomen, had hij iets goedigs zelfs
iets kinderlijks in zijn uiterlijk, dat, ofschoon het een zeer
burgerlijk type had, toch volkomen fatsoenlijk en volstrekt niet
ordinair was.
In den loop van het gesprek viel 't mij op, dat hij de gewoonte had, om
van tijd tot tijd een der punten van zijn langen snor in den mond te
nemen en er op te bijten, terwijl hij zijn gedachten scheen te
verzamelen. Zijn handen, ze waren zeer goed verzorgd, schoon sproeterig
en zonverband van boven, hield hij ze al sprekend, geen oogenblik stil.
Nu eens krabbelde hij met zijn lange zindelijke nagels aan de korte
stoppels, die aan zijn kin uitbotten, dan weer plukte hij met zijn
vingers aan zijn jaslapellen of streek door zijn kort geknipt, dik
rosblond haar. Zijn geheele persoonlijkheid was overigens kalm, zijn
manier van vertellen klaar, kort en duidelijk, soms bijna cynisch en
zeker zou men hem een volkomen rustig man hebben kunnen noemen, indien
niet zijn handen zoo voortdurend in beweging waren geweest.
--'k Ben in Friesland geboren, begon hij, op een klein dorp, waar mijn
vader plattelands geneesheer was. 'k Heb nog een veel ouderen broer, die
dokter is te Amsterdam--en ik ben ook begonnen met 't gymnasium, maar 'k
had geen kop voor Latijn en Grieksch. Toen heb ik 't over een anderen
boeg gegooid en ben gaan leeren voor den post- en telegraafdienst. 'k
Was bijna klaar en zou examen doen, maar daar trof me een ongeluk met
schaatsenrijden; ik kneusde mijn been erg, heel erg; 'k was er lang mooi
mee! 't Genas eindelijk maar 't eene was cirka een halven decimeter
korter geworden dan 't andere. Niets aan te doen, hoor! Ik was
gesjochte, want even van te voren was voor de post- en telegraafbeambten
de keuring ingesteld en ik kon dus met mijn te korte been naar huis
hompelen.
Goeie raad duur! Wát te doen? In Holland liggen de baantjes niet
opgeschept. 'k Had een broer in Indië, ook al dokter, dien 't naar den
vleesche ging. 'k Had hem geschreven: Jan, mijn eene poot is voor goed
opgetrokken en heeft mijn carriére in de war geschopt, kun jij me ook in
je apeland gebruiken?
Jan was een goeie, hartelijke kerel en schreef me dadelijk terug: "Wim
kom maar over, 'n aap meer of minder hindert hier niet. Ik zal je wel op
een koffieland plakken, daar kun je zoo mank loopen als je wil!"
'k Ben een vol jaar bij hem blijven logeeren om aan 't klimaat te wennen
en de taal te leeren, want ik kon me beter redden met boerenfriesch, dan
met Maleisch of Javaansch, dat snap je wel. 'k Had 't Javaansch vrij
gauw te pakken, Maleisch leerde ik van zelf onder de hand en toen ik
zoo'n beetje van alles wat de planterij aangaat op de hoogte was, kwam
ik als assistent op een koffieland. 'n Hondenbaantje hoor! Toen daarna
in de tabak. Ja, ik heb misschien menig plantje verzorgd wat u later tot
je onvergelijkelijke sigaren hebt laten verwerken. Van de tabak kwam ik
in de suiker en van de suiker weer in de koffie: maar hoewel ik goed
mijn brood had en zelfs een aardig stuivertje overlei, begon me dat
eenzame leven op die plantage de keel uit te hangen. Eten en drinken heb
je plenty, je kunt je zelfs vet mesten als je er lust in hebt--maar
leven? Neen! dat doe je op zulke ondernemingen eigenlijk niet, je leidt
een plantenleven. Daar ben ik de man niet naar, 'k ben een veel te
jolige knaap, 'k hou van pret, van lachen, van dwaasheid op z'n tijd, en
op zoo'n land is 't altijd en eeuwig koekoek-één-zang. Soms zag ik weken
lang geen ander Europeaan, dan m'n collega, een saaie, droge vent, die
me verveelde.
'k Schreef weer aan Jan: "Broêr" schreef ik, "als je niet wilt dat ik
hier vastgroei of als een knol in den grond blijf zitten, kijk dan eens
voor me uit naar wat anders."
--Kom maar hier--antwoordde Jan--dan zullen we op ons gemak voor je
uitkijken.
Ik weer naar mijn broêr; die was toen al aan 't sukkelen. Beroerd hè?
dat zoo'n dokter zich zelf niet cureeren kan en nog beroerder dat hij
zoo precies weet wanneer ongeveer zijn lampje uitgaat.
Als je je rept Wim! zei hij, dan kan ik je misschien precies nog een
handje helpen, vóór ik de pijp uitga. Nu dat heeft ie dan ook gedaan;
door zijn toedoen en verlichting heb ik mijn examen kunnen doen als
opzichter bij den Waterstaat. Tegenwoordig maken ze die examens heel wat
zwaarder, maar toen ik het deed was 't nog zóó erg niet. Wel zat je zes
dagen lang tegenover drie inspecteurs, die je, met permissie! 't hemd
van je lijf vroegen, maar 't ging goed--ik rolde er heerlijk door met
nog een ander; maar de rest werd afgewezen. Enfin! troost jelui je maar,
zei ik, drie gekken kunnen meer vragen dan één verstandig mensch
beantwoorden kan.
Ik lekker, dat vat je! En m'n broer had er deeg van; hij liep in zijn
laatste schoenen, dat zag ik wel en den avond voor we hem dood in zijn
bed vonden zei hij nog tegen me: Wim! dat hebben we 'm nog net gelapt,
ouwe jongen! Kijk jij nou een beetje, dat mijn vrouw en kinderen goed
naar Holland komen.
Goddank! ze konden leven, Jan was altijd zuinig en oppassend geweest.
Een heele poos ben ik opzichter bij den Waterstaat geweest, maar veel
vooruitzicht had ik niet en 'k begon ook alweer genoeg te krijgen van
dat dwarskijkersbaantje; 'k heb me nooit lang bij één ding kunnen
bepalen, dat merk je wel! Daar gebeurde me iets wat je toeval of fortuin
zou kunnen noemen. 'k Was te Samarang en maakte er kennis met een
Engelschman. Toen die mijn naam hoorde vroeg hij: Ben jij soms een broêr
van dokter Verbeke? Ja! dan doet 't me plezier je te ontmoeten ... jouw
broer heeft mij radicaal van de spruw genezen, ik was destijds een arme
slokker en hij heeft me nooit laten betalen: daar ben ik hem nog altijd
dankbaar voor!
Ik vertelde hem, dat ik mijn bekomst had van den Waterstaat en dat ik
wat anders wou beginnen. Well! zei de Engelschman, word aannemer. Je
zegt immers dat je wat geld hebt--ik ben toevallig in de gelegenheid om
je goed werk te bezorgen. Je kunt op mij rekenen! 'k Hoor hem nog
zeggen:--Your brother cured my body, I shall cure your affairs! En hij
hield woord! Ik nam mijn ontslag, werd aannemer en hij bezorgde mij
plenty werk. Zie je, dat was nog eens een man die voor een ander wat
over had.
Jongens, ik bofte toen zoo! In vier jaren tijd had ik een goeie
zestigduizend gulden overgelegd, 'k had royaal geleefd en me waarachtig
niet verkniesd. Was ik destijds aannemer gebleven dan zou 'k misschien
nu een ton of wat in de wereld hebben, maar de duivel mag weten hoe 't
kwam, ik kreeg van de aannemerij ook al weer genoeg. 'k Geloof dat ik
toen, voor mijn doen, te veel geld had, en dat de broodkruimels me
staken. Op aanraden van een goed vriend--de satan mag hem voor mijn part
halen--kocht ik een koffieplantage.
De rakker wist wel dat 't ding geen geld waard was, maar hij kreeg zijn
provincie en dáárom was 't hem te doen. Dat was God beter 't een
landsman. Ja! van je vrinden moet je 't maar hebben.
't Begon me tegen te loopen; in de boontjes lukte 't niet. Eerstens
waren de gronden niet goed en tweedens hielp Toewan Allah niet meê.
Mislukte oogsten, ziekte in de boonen, slechte prijzen, alles werkte
samen om me uit te kleeden. 'k Zat in een minimum van tijd in de beer en
wel zóó dik, dat ik geen gat meer zag om er uit te komen.
'k Wist geen raad en dacht: waarom zal ik nou langer al die soesah
hebben. Kinderen hou ik er niet op na, mijn familie in Holland zal me
niet missen, ik blaas me een blauw boontje in m'n kop en Soedah!
Maar 'k heb het niet gedaan en weet je wie me terug gehouden heeft? Mijn
huishoudster!
Je begrijpt wel dat 'k in Indië zoo'n nuttig meubel hebben moest, en
toen ik er eenmaal toe overweging om zoo'n inventarisstuk aan te
schaffen, heb ik er naar mijn beste weten een uitgezocht van goede
kwaliteit. 'k Heb nog al een gelukkige hand in dat soort van zaken--en
daarom trof ik 't zeker ook zoo best. Ik kreeg een Boegineesche, Sina
heette zij. Mooi was ze zoolang ze heel jong was, later had ze toch een
dragelijk gezicht, maar trouw! trouw meneer! als een hond. Ik heb haar
achttien jaren lang bij me gehad, nu is ze sedert een paar maanden
dood....
Verbeke zweeg even, beet op de punt van zijn knevel, keek naar zijn
lange nagels, nam toen een teugje whisky-soda en vervolgde:
--Ja! ze is dood, 't onthandt me erg, want ze deed alles voor me. Enfin
je kunt niet eeuwig bij mekaar blijven, hé? Maar om op mijn
koffieplanterstijd terug te komen: ik wou me dan maar gewoonweg voor den
kop schieten en 'k zou 't gedaan hebben ook, wanneer Sina me niet 't
pistool uit de hand had geslagen. Ze gooide 't voor mijn oogen in de
kali en zei:--Ben jij een man en kan jij je ongeluk niet dragen? Toewan
Allah heeft je eerst rijkdom gegeven, dien heb je aangenomen--nu neemt
hij je het geld weer af--moet je je daarom doodschieten? Foei! ik ben
maar een zwakke vrouw, maar ik heb meer moed dan jij--Ajo! wees
vroolijk; ik heb den goeden tijd met je doorgemaakt, ik zal je ook door
den slechten helpen. We zullen er samen wel komen. Zij bracht mij een
goede achthonderd gulden, die zij bespaard had en zei: dáár! dat heb ik
nog, daar beginnen we weer mee!
Sina's broer was tuinjongen bij me en haar vader had ik als mandoer op
mijn land. Je begrijpt, met de familie van je huishoudster bemoei je je
nooit--je blijft altijd Toewan tegenover die lui--maar toen ik met Sina
't land afging, waren ze erg beroerd, ze hadden kasian met ons.
--Ja, die vader van Sina was een wonderlijke kerel, goed van hart, maar
een driftkop. Hij had in vroeger jaren, voor hij getrouwd was met Sina's
moeder, een perkara gehad met een anderen inlander en wel door een
haan--dat wil ik u even en passant vertellen, 't teekent zoo'n beetje de
toestanden onder die lui.
Hij had namelijk een vechthaan, die zich meten zou met dien van zijn
neef. U weet zeker wel dat de inlanders dolle liefhebbers zijn van
hanengevechten en dikwijls bij die gelegenheden voor hun doen groote
sommen verwedden. Soms zelfs verspelen zij op die manier hun heele
hebben en houden, hun huis, hun sieraden, kortom alles! 't Is een
passie, die hen volkomen beheerscht.
Nu gebeurde het dat de haan van mijn schoonvader het verloor, zijn neef
lachte hem daarom uit, ze kregen woorden en om een eind aan de zaak te
maken trok Sina's vader zijn kris en stak zijn soedara overhoop. Hij
vluchtte naar Makassar, werd daar aangeworven als cavallerist en kwam in
later jaren weer op Java terug. Daar nam hij een andere vrouw, zijn
vorige was te Makassar gebleven, en kreeg een dochter, Sina, mijn
huishoudster.
Hij was waarachtig een eerlijke flinke kerel, dat heeft hij me later
bewezen, maar dat zal ik u strakjes vertellen, laat 'k nu bij mijn eigen
lotgevallen blijven.
Met het geld van Sina begon ik weer zoo hier en daar een klein werkje
aan tenemen. 'k Had nog genoeg relaties en 't gelukte me er weer in te
komen. Eerst vlotte 't niet te best, maar eindelijk kreeg ik beter werk
en binnen een groote anderhalf jaar had ik weer een dikke vijfduizend
gulden over. Sina administreerde mijn duiten, begrijp je? En ze deed dat
zóó goed, ze hield van zóó weinig huis en paste zóó op alle kleintjes,
dat ik zelf verwonderd was dat we 't in ieder opzicht royaal hadden en
toch zoo bitter weinig uitgaven. Daar kreeg ik op eens een groote
aanneming voor Menado op Celebes, een werk waar een ferme duit aan te
verdienen was. Ik moest er natuurlijk zelf heen, maar wou Sina niet mee
nemen--'k had haar genoeg geld gegeven en voor alles gezorgd, zoodat zij
't goed kon hebben zoolang ik weg was--ze scheen zich te schikken in de
scheiding, maar toen ik goed en wel op de boot zat, zag 'k haar op eens
voor me, met haar vader. Ze kwamen me smeeken haar meê te nemen. Eerst
wou ik er niet van weten; 'k was nijdig, want 'k vond het onhebbelijk
dat ze me tegen mijn zin gevolgd was, gaf haar een frisch standje en zei
tegen haar vader:--neem haar weer mee; 'k kan haar op reis niet
gebruiken, maar ze lei als een hond aan mijn voeten, ze omvatte mijn
knieën en riep: "ik zal sterven als mijn heer heengaat en ik weet hij
kan mij niet missen, hij heeft Sina noodig om voor zijn geld te zorgen.
Och! neem me meê anders kom je arm terug" en vader zei: "Sina heeft geen
ander in haar hart, laat haar niet sterven?"
't Was een allernaarste historie, een scène van belang aan boord. Enfin!
ik liet me verbidden en zei:--nu in Gods naam dan, blijf! Toen zoende ze
mijn handen, mijn voeten, ze kroop voor me op den grond, meneer en met
al die malligheid was de boot onder stoom gegaan en waren we al een heel
eind van de pier. Schoonpapa had er evenmin op gelet als wij, maar toen
hij zag dat ik Sina bij me hield, kreeg hij het in eens in de gaten.
Slamat djalan! riep hij ons toe, trok achter uit zijn hals zoo'n lang
mes, dat hij op zijn rug onder zijn baadje had, nam 't tusschen zijn
tanden en jumpte overboord. Hij zwom naar land, dat is voor zoo'n
Boeginees maar een kleinigheid....
--En dat mes, meneer Verbeke?
|