free book ebook online reading
eBook Title
Op reis en thuis
Author Language Character Set
Justus van Maurik, jr. Dutch ISO-8859-1


You are here --- [ Home / Author Index J / Justus van Maurik, jr. / Op reis en thuis / Page #3 ]

--Nu dan is 't de ongewoonte, ik wel. Ik ruik 't land! Dààr, nu _moet_
je 't ruiken; de boschlucht waait ons volop tegen, dààr, nu ruik ik
zelfs kamponglucht!

--O ja! nu ruik ik 't, iets specerijachtigs.

--Juist! dat is 't--de landwind komt opzetten, die brengt dat geurtje
mêe.

--Wel lekker, hé?

--Nu heb je de reuk al beet--ga 't nu maar eens aan de anderen
vertellen--hoor, ze spelen achter de kruispolka. Ze tillen de beentjes
van den vloer, ze hebben pret en dat doet mij plezier--maar hier is 't
toch heel wat lekkerder. Bonsoir, tot straks, nu krijg ik weer handen
vol--'k heb nu geen praats meer voor je, kameraad!

Op 't achterdek was 't feest in vollen gang, de violist en de
harmonica-speler zaten op de kajuitskap en speelden er lustig op los. De
dikke Oostenrijker lag languit op een gemakkelijken stoel en keek met
half gesloten oogen apathisch naar de dansende paren. In de rookkamer
speelden een viertal oudere heeren hun partijtje, terwijl in een hoekje
aan de andere zijde drie heeren de hoofden geheimzinnig bij elkaar
staken en anecdotes vertelden, die zonder twijfel den geur van hun
sigaren hoog noodig hadden.

Een paar dames keken te loevert over de verschansing naar het
uitklotsend koelwater, dat op enkele plaatsen phosohoresceerde.

Daar siste eensklaps aan bakboord een vuurstraal omhoog en boven in de
lucht knalde een schot.

--'t Sein voor den loods! riepen de meesten en toen eenige minuten
daarna het tweede knalsignaal ontplofte, waren bal, partijtje,
flirtation en anecdoten plotseling vergeten.

Menig hart begon sneller te kloppen, want de loods zou zeker tijding uit
't vaderland of Indië, misschien wel brieven voor den een of ander
meêbrengen.

De gesprekken namen eensklaps een andere richting, ze werden ernstig en
op het dek vormden zich groepjes, die halfluid of fluisterend hun hoop
en verwachting bespraken. Er waren immers veel officieren aan boord, die
hun verplaatsing naar Atjeh of hun eerste bestemming verbreidden.

De landwind woei in breede golven het aroma van bosch en bergen over 't
schip, en de passagiers snoven begeerig die lang ontbeerde of onbekende
geuren op.

Daar naderde het loodsbootje van bakboordzij en stoomde in een wijden
kring om 't schip heen, aangestaard door al de reizigers, die met
belangstelling elke beweging volgend, de roode en witte seinlantaarns in
't oog houdend, met zakdoeken, handen en hoeden wuifden.

De loods klom de valreep aan stuurboord op en begaf zich dadelijk op de
brug, zonder van iemand notitie te nemen. Een klein poosje later kwam de
eerste officier aan dek, nog iets later de kommandant en weldra wisten
de meesten, wat ze weten wilden, hoopten of vreesden.

--Ik ga naar Atjeh, 'k had 't wel gedacht en ben er op voorbereid, zei
een kapitein, die gedurende de reis mijn tafelbuur was geweest en hij
keek een oogenblik langs mij heen in de donkere verte.

--En uw vrouw en 't lieve kleine ventje?

--Ja, die blijven natuurlijk te Padang achter.... ik verlaat ze al over
vier dagen....

--Kasian!

--Sakkerloot, ik bof! riep de jonge luitenant, de immuun voor zeeziekte
was geweest, me toe.

--Hoe dan?

--Ik kom te Batavia, lekker! Mag ik u iets offreeren, een whisky-soda of
een potje bier?

--Dank u zeer, maar wel gefeliciteerd!

--Op wachtgeld gesteld, tot nader bericht, zuchtte een ambtenaar en met
een landerig gezicht keek hij naar zijn vrouw en kinderen, die nu maar
te kooi zouden gaan. Half pay, bromde hij binnensmonds--en misschien een
maand of wat in 'n hotel zitten, dat 's een koopje!

En intusschen stoomde de _Amalia_ zachtjes door--reeds schitterden ons
de havenlichten, de lantarens van de kade tegen en blonk het heldere
maanlicht op de wit geverfde hangers en loodsen, die als kleine
speelgoedhuisjes tegen de donkere bergen afstaken.

Het binnenkomen van de Emmahaven bij volle maan is onbeschrijfelijk
schoon.

Als een donkergroene, hier en daar lichter gekleurde krans liggen de
Sumatraansche bergen om de haven. Heerlijk weêrspiegelt de maan in 't
kalme heldere zeevlak, teekenachtig werpen de talrijke gele lichten der
lantarens hun wiebelden, slangachtigen weerschijn in 't flauw gerimpelde
water. Schepen en booten van velerlei vorm, gemeerd of ten anker,
stoffeeren het schilderachtig tafereel. Kleine prauwtjes en tambangangs
schieten als vliegende visschen op uit de schaduwen der bergen, door de
verlichte watervlakken heen, scherp belicht nu en dan, maar eensklaps
weer verdwijnend, als duiken ze onder, en even plotseling op nieuw te
voorschijn komend.

De roeiers schreeuwen in onverstaanbare taal de matrozen toe, die, van
't voorschip af, hen in 't oog houden. Ze komen langs de zijden der
boot, de trossen worden uitgebracht en zachtjes, meer glijdend dan
varend, nadert de _Amalia_ den steiger.

Allerlei geluiden, stemmen, 't gekraak van karretjes en 't dreunen van
lorries, die op den wal worden heen en weer bewogen, zijn nu duidelijk
hoorbaar. Op de boot worden de luiken van de laadruimten reeds geopend,
kettingen rammelen en de donkeys beginnen af en toe te werken.

--We gaan dadelijk aan 't lossen! roept me een officier, die haastig
voorbij snelt, toe. We hebben veel goed voor Padang, zware stukken,
spoorwegmaterieel! Aan boord is alles in beweging--de matrozen zijn aan
de loskranen of de luiken bezig; de bootsman geeft met zijn fluitje
herhaaldelijk aan wat gebeuren moet en onophoudelijk klinkt het gerammel
van kettingen, ijzeren bouten en blokken. De electrische lichten werpen
groote fantastische schaduwen over het dek en op het woelige en
bedrijvige scheepsvolk.

De boot nadert, bijna onmerkbaar voortglijdend, den steiger. Gestopt is
er reeds; 't gedreun der machine heeft opgehouden, maar men merkt dat
niet door al de andere harde en vreemde geluiden, die er voor in de
plaats komen, De loopplank wordt gelegd en als een hoop baarlijke
duivels stormen de koelies schreeuwend en joelend, elkander op zij
dringend en duwend er over, aan boord. Maleiers, Klingaleezen, Chineezen
verdringen elkaar om de eerste te zijn,

De stuurlieden, de bootsman en 't andere scheepsvolk ontwarren met
krachtige hand dat zonderlinge menschenkluwen, niet zonder moeite, en
niet zonder veel hartige woorden, die een vroom christen een rilling
over het lijf jagen,

In een oogwenk is alles aan 't werk en intusschen gaan de passagiers,
die eerst dien stormloop kalm hebben afgewacht, aan de wal.

*       *       *       *       *

--Aan wal, vasten grond onder de voeten!

Een wonderlijk gevoel in de eerste oogenblikken; men durft de voeten
nauwelijks neêrzetten, want 't is alsof de grond golft en beeft. Men
wordt licht in 't hoofd en duizelig.

--De beweging van 't schip zit me nog in de beenen, 'n bespottelijke
gewaarwording, roept de een.

--'k Ben betoel, dronken! zegt een ander.--'k Heb driemaal de reis naar
Indië gemaakt, maar telkens weer krijg ik 'm om, als ik aan wal kom.

--Je wordt er bingeoeng, verward, van, ja? zegt een Indische dame die in
sarong en kabaja naast mij op den steiger voorttrippelt op geborduurde
muiltjes en eensklaps zich naar rechts wendend, roept zij een van haar
dochters toe:--O, kijk já! dààr warong in de verte, kôm kind wij
vruchten ghalen, jà? Meneer Mórik nog niet Indische vruchten ghèhéten,
in Ghollan niet piasang, niet ramboetan, niet mangga's. Nannas, djéroek
wél, maar gheel zuur, kom! wij ghâlen....

Moeder en dochter nemen den trippellooppas aan in de richting van de
kleine eetwaren-uitstalling, waarvan alleen zij de haar bekende lichtjes
hebben opgemerkt.

De verschillende koelies, die geen werk hebben gekregen en
onverschillig voor zich uit starend hun strootje rooken, of
sirih-pruimend, hier en daar op kisten en balen liggen of gehurkt op den
grond zitten, wenden nauwelijks het hoofd om naar de "blanda's" die in
troepjes langs de hangars en loodsen wandelen, lachend en pratend, allen
even blij dat ze aan wal zijn. In de schaduw van een vooruitspringend
dak tegen een donkere deur geleund, staat een lange Bengalees,
schilderachtig in zijn wit opperkleed gedrapeerd. Zijn donkerbruin,
gebaard, gezicht, de bijna zwarte bloote beenen, zijn ongeveer één van
kleur met de duisternis om en achter hem.

Plotseling beweegt hij zich. Zijn groote, witte tulband schijnt in 't
geheimzinnig halfduister een kolossaal doodshoofd en het witte kleed,
dat hij met de eene hand opheft, is als een lange lijkwade daaronder.

--O, God! wat is dat--'n spook? gilt een jonge dame, die erg
vertrouwelijk aan den arm van een luitenant vóór ons in den maneschijn
op en neer wandelt.

--Niets! niemendal, beef maar niet! antwoordt de jonge man, zijn hoofd
tot het hare neigend en met een klein geruststellend drukje op den arm
van het meisje, dat zich onwillekeurig vaster tegen hem aandringt.

--Waar of zoo'n slungel van 'n Bengelees al niet goed voor kan zijn,
lacht naast mij, even aan mijn arm stootend, een van de passagiers, die
me al vroeger in vertrouwen heeft verteld dat "die twee allebei de
hondenziekte hebben". Een nieuwe, zeker door hem uitgevonden term, voor
verliefd te zijn.

Van boord klinkt voortdurend een helsch lawaai, het lossen is in vollen
gang. Met ontzettend geweld ratelen de donkey's en 't spil, die de zware
kettingen en talies bewegen, waarmede de stukken ijzerwerk, de kisten,
balen en pakken uit het ruim omhoog worden geheschen. Donderend vallen
voortdurend de ijzeren staven neer op den steiger. Nu en dan antwoordt
de echo uit de bergen.

De koelies tieren, razen en schreeuwen onophoudelijk, terwijl ze hun
werk doen.

Uit de verte gezien, fel beschenen door 't blauwig electrische licht en
rosachtig getint door de op de plankieren brandende lantarens, met de
bewegende zee en den donkeren horizon, waaraan af en toe het weêrlicht
flikkert, als achtergrond, maakt het geheel een infernalen indruk.

--'t Is precies een teekening van Doré, die maakte veel van die bizarre
dingen; ik vindt het erg mooi om te zien, maar allemachtig vervelend om
bij te wonen. Er is geen kwestie dat we vannacht kunnen slapen aan
boord,--en de heer die mij dat plezierig vooruitzicht opent, neemt een
versche sigaar uit zijn koker en zegt, zich resigneerend:--ik ga in
vredesnaam maar rooken en toddy drinken, zoolang die herrie aanhoudt.

--Ghier, meneer Mòrik! jij proeven, jà? Pisang gorèng, lèkker jà? En
Mevrouw biedt mij in een stuk pisang-blad, een gebraden vrucht aan. Haar
dochter offreert mij jamboe en mangga, vriendelijk noodend.

--Proef ze maar eens, heusch ze zijn lekker.

--Kind, jij sghillen voor meneer, jà?--In Ghollan, meneer niet weet
hoe.--Mangga gheel sappig. In die midd' sghîllen--beide punt
vastghouden, anders veel sap te veel wegloopen, ja?

Een paar andere dames en heeren, die een eind verder nog een Worang
hebben ontdekt, komen juichend en vol plezier met allerlei indische
lekkernijen aandragen.--Kwé-kwé (gebak) waarvoor zij in gewone
omstandigheden misschien den neus erg vies zouden hebben opgehaald,
vruchten van derde of vierde kwaliteit, half rijp of aangestoken, worden
nu als fijne, vreemde lekkernijen uit den saamgeknoopten zakdoek aan de
medepassagiers allervrijgevigst aangeboden. En tot laat in den nacht
zitten op 't half verlichte achterdek van den stoomer, groepjes
vroolijke menschen, die aan wal zijn geweest en nu plotseling tot de
ontdekking komen dat 't dáár toch altijd oneindig beter is dan aan
boord. Langzamerhand komt de ontfermende slaap zijn bedwelmende hand
over de schepelingen uitstrekken--één voor één verdwijnen ze langs de
kajuitstrap en als de schaduw van den laatste verdwenen is, beschijnt de
enkele electrische gloeilomp, die nog brandt, een hoopje jamboe en
manggaschillen, afgebeten vruchten, half gebruikte kwé-kwé, vertrapte
pisangbladen, en een paar snurkende passagiers, die op lange stoelen
door al de herrie heen slapen, dank zij hun toddy's!




SINT-NICOLAAS-AVOND AAN BOORD.


--'t Wordt nou toch een beetje al te proestig, meneer! En ze beginnen
van boven met water te gooien ook--we zullen die tent maar op z'n
welterusten laten leggen, zegt Kees de kwartiermeester van het
stoomschip dat, slingerend en stampend in den wind, door de
hoogopgolvende Middellandsche zee zijn weg naar Genua vervolgt.

't Is vier December, de dag vóór St. Nicolaas en een aantal passagiers,
heeren met een enkele dame, die tegen rooken kan, zit als een troepje
verkleumde vogels in de rookkamer bijeen. De oude kolonel, een van het
gewone viertal kaartspelers, die zich door weer noch wind van hun
partijtje laten afhouden, kijkt knorrig, naar de anderen, die door
onophoudelijk babbelen en lachen, de aandacht van zijn overbuur, een
O.-I. ambtenaar met verlof, afleiden van het spel.

--Asjeblieft, meneer Bergersma; kaarten of molensteenen, hè? Stoor je
niet aan dat geleuter over Sint Nikolaas, d'r komt toch niets van
terecht, want als 't zoo door blijft waaien, ligt morgen de heele boel
voor mirakel--asjeblieft ik speel gasco....

De kwartiermeester kijkt even in de deuropening en vraagt met een klein
glimlachje op zijn verweerd gezicht:

--Kernèl! Uwes dekstoel is zooveel als kletsnat en omdat van wegens 't
de eenige mooie is met geborduurdheid d'r an, wou 'k 'm maar beneden in
de kinderkamer zetten.

--Jawel, ga je gang maar--neen! meneer Bergersma, dat lever je me niet,
ik heb troefheer--blijf af van dien slag, ha, ha, ha!

De wind wordt heviger, de zee onstuimiger en van tijd tot tijd slaat een
golf met geweldige kracht over het schip. De deur van de rookkamer wordt
toegedaan.

Een blauwige mist, scherp en prikkelend, blijft in de kleine ruimte
hangen; de dame begint zachtjes te kuchen en wrijft nu en dan haar
oogen.

--'t Wordt hier een bokkinghang, zucht een bleek zwak jongmensch, die in
het hoekje vlak naast den kolonel zit te lezen en met zijn zakdoek het
klamme zweet van zijn voorhoofd wischt.

--Zeg! lieve jongen, zou je niet naar beneden gaan! je krijgt de
bollenkoorts, hoor! Klaveren troef! u komt uit meneer van Dalen.--Neen!
waarachtig ik meen 't jongenlief, je houdt 't hier niet uit--asjeblief,
de ponto!--Goddorie we zitten hier als haring in 'n ton--is me dat ook
'n weer!

--Ja overste, u heeft gelijk, ik ... ik....

--Het jonge mensch, bleek om den neus wordend, met groote holle oogen
voor zich uit starend, staat eensklaps op, stoot vrij onzacht de dame,
die met den dikken controleur zit te domineeren, op zij en komt nog
juist bij tijds de deur uit. Hij valt bijna in de armen van den matroos,
die de tent vastsjort en buigt zich, wind en weer niet tellend, over de
verschansing.

De kwartiermeester schiet toe en pruttelt:--Wat weerga! wie gaat er nou
te loevert over boord hangen? Daar! nou is je toppie al naar de maan!
Afijn! je zal nog wel 'n ander petje beneden hebben; kom maar hier
menneer--ik zal je wel even. Hou je maar aan me vast--Ja! 't is nou geen
pleizier hè, vooral als je geen sturdy boy bent.--Goed dat je 't nou nog
doet, meneer! als je maag vol Sinterklaaskoek zat, zou je 't veel
benauwder hebben. De jonge man komt, geholpen door Kees, beneden in het
salon. Een paar dames, bleek, met blauwe lippen en matte, omkringde
oogen, zitten aan een der tafels en drinken thee.--Met je welnemen,
mevrouwen; zegt in 't voorbijgaan Kees, die met iedereen familiaar
is--dat 's nou precies om 't beet te krijgen. Ba! hij trekt een vies
gezicht,--thee maakt je maag zoo rebelsch dat ie z'n fatsoen niet meer
houdt; een tikkie brandewijn of elixter zou je heel wat meer dienstig
wezen. Afijn! ieder zijn smaak--kan uwe nou, meneer Haverstam?
Hofmeester breng 'r is wat conjak!

Het jonge mensch is in zijn hut en de kwartiermeester komt
terug.--Jàmmer! van den jongeheer!--hij steekt in geen goed vel, ik heb
'n neef gèhad, die zag d'r net zoo uit, ook zoo'n mager, uitgepieterd
klokhuis van een vent, die is op z'n vierentwintigste d'r uit gewaaid!
zegt hij zachtjes tot den hofmeester, die weer in 't buffet staat, en
nog zachter: Dat zal morgen 'n goeie boel geven--jij speelt voor
Sinterklaas, hè? En wie is de zwarte jongen?

--'t Koksmaatje!

--Zoo! nou dan zal 't wel goed gaan, dat's 'n eigengereide, brutale
snuiter--maar 'k geloof dat 't spannen zal; d'r staat heel wat zee en
een stevige bries. Hum! de dames zullen wel op apengapen komen.

Kees gaat weer aan dek.

In de kinderkamer is de linnenjuffrouw, een corpulente vrouw met een
bepaald gedistingeerd Hègsch accent, bezig om een Sint-Nicolaas-costuum
te maken.

Een Indische dame, die zeebeenen heeft, zooals de kommandant beweert,
zit bij haar. Zij heeft haar kimònò (een Japansche peignoir) afgestaan
en de linnenjuffrouw garneert dat kleedingstuk met kant en goud galon.
Op tafel ligt een mijter van bordpapier, een fraai stuk werk van den
hofmeester zelf die daarvoor twee doozen, waarin dessertartikelen
geborgen waren, gesloopt heeft.

--O juffrouw, zij wor gheêl mooi, jà! die japon voor Sinniklaas, jà!
maar te kort, jà! Hoe doen wij daarvoor betèr makèn?

--Dèr heb ik èl veur gezorgd, mevrouw!--de dikkerd houdt de kimònò voor
haar geweldig ontwikkelde façade--Ziet u? Zoo stèt 't heel èrdig--'k heb
er 'n stuk vlèggedoek onderèn genèid.

--Allàh! gheel mooi!--O! lò--u zou wezèn gheel mooie Sinniklaas, jà!
maar terlaloe gemoek, 'n beetje veel dik, jà!

--O gusjes, verbeeld u--ik Sint Niklès--giegelt de juffrouw en dadelijk
weer hoog ernstig:--Ik, 'n vrouw, die èl twee mènnen dood heef.

--Kasian! twee? U dus weduw?

--Jè, Mevrouw, èl twèlf jèr--och jè! m'n lètste mèn wès bepèld 'n idéèl;
'k zèl 'm nooit kunnen vergeten.... Hum! Zou u denken dèt we veur den
zwèrten knecht, hier mee volstèn kunnen? Zij toont een gestreepte blauwe
molton onderbroek, waar roode dwarslinten over zijn genaaid.

--Betoel, jà! persies goed, maar wat gheef hij voor zijn baadje?

--O ellerèrdigst! 'k heb vèn Mevrouw Zwért 'n vuurroode blouse
gekregen..., dèr plèkt de hofmeester goudpèpier op, sterretjes weet u?
En op z'n hoofd krijgt hij 'n mètelotje van juffrouw Smits, met 'n
beetje stroobloemen en pluizen uit 't Mèkèrtbouquet dat èltijd op die
piènino stèt--en op z'n schoenen heb ik gele sigèrenlintjes genèid.

--En zijn kousèn' ja?

Zwèrte! 't moet verbeelden dat hij blootè beenèn heef.--heef U ook
misschien zwèrte hèndschoenen?

--O, neen ik niet, maar ik weten raad, jà! meneer Blikman, ghij gheef
wel; hij in den rouw--ik dadelijk hem vragen--en de Indische dame met
zeebeenen gaat schommel-loopend naar het salon--waar de bedoelde
passagier in een hoekie zit te lezen.

-------------------------------------------------------------------------

In het volkslogies zit de bootsman met een van de jongens, een knappe
blonde krullebol, bij een hoop uitgeplozen touw en vlas,--hij maakt een
baard en een pruik voor den Sint. De bootsman is een knutselaar een man,
die volgens 't zeggen van den Administrateur, een Manusje van alles is;
"hij maakt met z'n handen wat z'n oogen zien."

Nu heeft hij uit een ouden ronden hoed het kapje getrokken en naait
daarop met groote steken zeilgaren kleine loefjes vlas, telkens op het
hoofd van den jongen de pruik in wording passend.

--Jantje, hou je kop stil, anders kan ik niet zien of de haren goed
vullen. Hum! van onderen is ie goed--waarom lach jij, zwabber?

--'t Kietelt zoo in m'n nek bootsman?

Dat hoort zoo Jantje--dan krijgt Sinterklaas meteen een vriendelijke
tronie--de hofmeester kijkt gewoonlijk anders niet komiek.

Moet Sinterklaas dan altijd lachen bootsman?

Aan wal niet--maar aan boord wèl--hou je kop stil, 'k moet er nog meer
op naaien van boven.

--Maak je der 'n schéiding in?

Ben je nou heelemaal ... heb ie dan ooit 'n Sinterklaas met 'n pomadekop
gezien?

--Neen, maar!...

--Hou je snavel dan--geef de kam 'reis.

De bootsman kamt de vlasdraden een paar malen uit, naait weer nieuwe
toeven over de andere en zegt eindelijk:--Zoo is ie mooi!--nou de
kuif--zit dan toch stil, beroerde jongen, hou 't ding vast langs je
ooren.

Een groote dot vlas, wordt boven op het andere gelegd en vastgehecht.

--Au!

--Wat is er te "auwen"!

--Je prikt in men kop.

--Daar loop je niet op, zit stil, anders krijg je d'r een aanwaaier
bij,--geef die schaar 'reis an--zoo, allright! Bliksems! nou ziet 't
ding er patent uit--nou de baard nog. Zet nou je pruik voorzichtig af,
zwabber!

--O, bootsman!

--Wat is er?

--Je hebt m'n haar d'r ingenaaid! Hij kan d'r niet af!

--Wat klets je? Dáár ... gaat ie nou of gaat ie niet?

--O, Jesis! Au! Au!

--Zoo!--pluk nou die paar haren d'r netjes uit en leg die pruik zoolang
in m'n kooi!

-------------------------------------------------------------------------

In de bakkerij is de bakker met zijn helper druk in de weer. Of 't schip
ook slingert, stampt en schommelt als een notedop op de fel bewogen
golven, het deert hen niet. Zij kneden en vormen het deeg met vaste hand
tot tulbanden van ongeveer een half pond zwaarte.

Een repatrieerend onderofficier, bruin en mager, met de Atjeh-medaille
op de borst, leunt tegen de deur en kijkt belangstellend naar binnen:

--'n Heele corvee, bakkertje!

--Nou!

--Allemaal Sinterklaaswerk?

--Ja sergeant! antwoordt de bakker, even 't tappelend zweet met een doek
van zijn voorhoofd vegend.--Je kan d'r warm van worden.

--'t Is anders vervloekt koud van daag!

--'t Is nou geen gekheid hoor! 'k Moet in de tachtig tulbanden bakken
voor de soldaatjes en de equipage en hoop letterbanket voor de
passagiers--de kok heit nou z'n handen ook vol--als 't nou maar een
beetje beter weêr wordt is 't niemendal, maar als we zoo blijven
slingeren is 't zonde van de bovenste beste specie, die we voor de
bakkerij gebruiken, want letterbanket is 'n zware kost, die 'n zeezieke
maag niet verdraagt--afijn! 't mij een en 't zelfde--ik bak maar
raak--maar ik zeg alsnog: 't is waarachtig zonde voor God!--maat geef de
blom d'r is aan--en strooi nog wat suiker door 't beslag--daar heb je
nou de kok, die maakt al drie dagen lang borstplaten met agrement voor
de eerste klasse en voor de tweede zonder tierelantijntjes--Ik voor
mijn, zie je, hou 't met de laatste, sergeant! want al dat gewriemel en
gevinger op die suiker geef ik present,--ik heb ze liever zoo maar
gewoon, zooals ze van d'r moer komen.--Neen! dankje, sergeant, onder m'n
werk kan ik niet pruimen, je kan nooit weten hoe 'n blaadje tabak in je
beslag raakt, en dat vleit niet. Ja, 'n sigaar wil ik wel van je hebben,
die rook ik van avond!--

--Bakker!

--Wat blieft, hofmeester!

--Je moet zorgen, dat er morgenochtend versch krentenbrood ook is--de
administrateur heeft 't daar net opgegeven.

--Is ie beduveld! Nou nog krentebrood ook? Ja wel zeker--ik heb daar
niks te doen! Tulband, koek, brood, krentebrood. God zal me helpen! ik
heb maar twee handen aan m'n lijf.... O! is u daar meneer!--jawel
meneer, de hofmeester heeft 't me net gezeid, 'k zal d'r voor zorgen,
meneer! O ja! 't gaat wel, meneer--we zullen wel 'n beetje poot-an
spelen.--Ajo! maat, vooruit! sta niet te zaneken--zeker! meneer,--versch
krentebrood--'t zal er wezen.... Kijk 'm daar gaan--_hij_ hoeft 't niet
te bakken, _hij_ kan kommandeeren,--voor mijn part is 't nooit
Sinterklaas.

De administrateur, die aan kok, bakker, sappieboer en bottelier zijn
orders is gaan geven, keert terug naar zijn hut en neemt uit een doos
een paar nette kleine surprises-cartonages die hij met meer andere te
Port-Saïd heeft gekocht om voor de passagiers als cadeaux te worden
gebruikt.

Hij begeeft zich naar een leegstaande familiehut eerste klasse, waar op
de couchette kistjes vol bonbons, chocolade figuren pistaches en dragées
zijn uitgestald. Twee, voor de zeeziekte immune passagiers zijn dáár
bezig de surprises te vullen en in te pakken. Hij tikt aan.

--Wie daar? klinkt 't van binnen.

--Ik!

--O! administrateur is u 't? Kom er in, we zijn al een heel eind op
streek--we hebben de pakjes bijna klaar.

--Mooi! ik heb hier nòg een paar aardigheden om te vullen.--Hoe is 't
met de versjes?

--Ik schrijf juist het laatste, dat's voor den kolonel--dien hebben we
dat leuke bonbon-doosje toegedacht, met die speelkaarten er op--luister
eens:

Kernèl! u speelt graag kaart,
Daarvoor is u vermaard,
Over geheel de aard!
En daarom schenkt de Sint,
Die u zoozeer bemint,
Trots storm en zee en wind,
U dit zeer fraai cadeau,
Vol chocolaad--O, zoo!

--Heel goed!--en de andere gedichten?

--O, die zijn naar rato!

--Heeren! 'k maak je mijn compliment--als die gedichten geen panaceën
tegen de zeeziekte zijn laat ik me kielhalen!

--Niet sarcastisch worden, administrateur!

--God zal me bewaren, hoop ik!--Ik ben u veel te dankbaar voor al de
moeite die u je hebt getroost.--En hoe zullen we nu de zaak verder
entameeren?

--Wel! Wij hebben zóó gedacht: Als nu de kommandant aan tafel en als de
passagiers ìn het salon vereenigd zijn, zou ik willen zeggen, dat de
Sint met een extra boot aan boord is gearriveerd, of zoo iets, dan zijn
ze geprepareerd en later kan de hofmeester dan met 't koksmaatje een
mand binnen brengen met de cadeautjes en kan hij een kleine speech
afsteken--die hebben we ook al voor hem geschreven. Daarna houdt hij
uitdeeling--een beetje strooien er bij en de festiviteit is in orde!

--Uitmuntend!--we zullen hoop ik een pleizierigen avond hebben.

Vijf December.

't Weder is een weinig opgeklaard, de buien zijn minder hevig en het
regent niet meer--maar toch slingert de boot sterk genoeg om het
meerendeel der passagiers onwel te maken.

Het eiland Monte Christo is in zicht geweest; nu nadert het stoomschip
Elba.

Alles gaat aan boord zijn gewonen, regelmatigen gang. Er is ontbeten,
gelunchd en gebitterd--alles behoorlijk op tijd!

Aan lij wandelen een paar passagiers, met overjassen aan en omhoog
gezette kragen, heen en weêr.

--Beroerd weer! zegt de een, ik kan me nog niet wennen aan die kou--'k
wou dat 'k nog goed en wel op Java zat; nu begint 't lieve leven weer,
dat satansche klimaat gaat me nu al in de botten zitten.

--Ga dan beneden in het salon, meneer Vinkers.

--Ba! 'k zou je danken, daar is 't me weer te onfrisch en je ziet er
niet anders dan vervelende, landziekige vrouwen en drenzende kinderen.
De eene juffrouw ligt op de bank, languit te dreinen en de andere hangt
als een slappe vaatdoek over de tafel en dan die weêrlichtsche kinderen;
ze zaniken den heelen tijd over Sinterklaas, je wordt er misselijk van.

--Kom! 't zijn kinderen, ze hopen op een pretje van avond.

--'t Zal wat lekkers wezen--je zult zien, er komt niets van terecht,
want tegen den avond zal 't wel weer harder gaan waaien--wat denk jij er
van Kees?

De kwartiermeester, die juist naast hen is gekomen met een paar
kinderen, die even een luchtje moeten scheppen, aan de hand--vraagt met
een leuk gezicht:

--Wâblief meneer?--Neen, niet loslaten Njo! Kees moet op je passen, dat
je niet voor de haaien gaat, liefie.

--Of je niet denkt dat we van avond weer slechter weer krijgen?

Kees kijkt even naar de lucht, verzet met zijn tong zijn versnapering
van de rechterwang in de linker en antwoordt dan:--Nou, dàt kan wel
gebeuren als we Elba achter den rug hebben; d'r staat nog al wat zee en
't ziet er daar onder den wind wel naar uit of we van avond een beetje
aan 't springen zullen komen.--Jongejuffrouw, blijf nou even zoet staan,
we gaan dadelijk naar de kippetjes kijken, hoor!--Maar als 't zóó is,
meneer, kan ik het niet helpen ... heit u anders nog iets?

--Dankje!

--Ah, daar is de dokter;--waar heb je zoo lang gezeten vandaag, dokter?

--'k Heb vast wat laxeerwater en pilletjes voor jelui klaar gemaakt
tegen morgen.

--Wel zoo! Waarom?

--Och! na zoo'n Sinterklaas-avond zullen de magen aardig van streek
wezen; 'n mooie uitvinding zoo'n feest--letterbanket en marsepijn is
heerlijk goedje voor ons, medici!

--Hoezoo?

--Je krijgt er zulke prachtige obstructies van.

--Egoïst!

--Beste meneer! ik heb zóó weinig te doen tegenwoordig, hier aan boord,
dat ik me schaam om m'n gage te toucheeren.

--'n Mooie aesculaap ben je--d'r zijn zeezieken genoeg, waarom cureer je
    
<<Page 2   |   Page 3   |   Page 4>>
Go to Page Index for Op reis en thuis

You are here --- [ Home / Author Index J / Justus van Maurik, jr. / Op reis en thuis / Page #3 ]