|
|
IN DE ROOKKAMER.
--Minta ajer djeroek! riep ik den tegen de kajuitskap leunenden
Javaanschen jongen toe.
Kròmò hief slaperig het hoofd op, antwoordde half luid:--Saja toewan! en
staakte de regelmatige beweging van zijn bijzonder ontwikkelde groote
teenen, waarmee hij, als met vingers, de maat sloeg van het liedje, dat
in de rookkamer op een accoord-cither werd gespeeld.
Een oogenblik later dronk ik het glas verfrisschend citroenwater waarom
ik gevraagd had en vroeg:--Siapa bekin sitoe moesiek? (Wie maakt daar
muziek)?
--Toewan dokter, di roemoh roko! en Kròmò, die voor een inlander
bijzonder veel en lang gesproken had, keek weer onverschillig in zalig
dolce far niente naar zijn bloote voeten, leunend tegen de witte kap,
waarop de heete zonnestralen brandden.
De meeste passagiers, die de warmte in de Roode Zee ondragelijk vonden,
deden, in hun hutten, een middagslaapje, of lagen puffend en duttend op
hun lange stoelen onder de zonnetent.
't Was stil aan dek, want de lieve kindertjes, die anders door hun
stoeien en gejoel er wel voor zorgden dat de rust der passagiers niet al
te diep werd, waren beneden. De klanken van de accoord-cither bereikten
ongehinderd mijn oor, zelfs het ruischen van het water en het gedreun
der machine schenen mij minder luid en krachtig dan gewoonlijk.
Ik luisterde, evenals Kròmò, naar de zacht trillende tonen, die aan het
instrument werden ontlokt.
Nieuwsgierig keek ik even in de rookkamer.
Kom binnen, meneer van Maurik, zei de dokter en wendde zijn, door de
tropen gebruind, gelaat vriendelijk naar mij toe.
Ik wil u niet hinderen: u is zeker aan 't studeeren?
--Och ja! ik neem de gelegenheid waar; nu hinder ik niemand door mijn
getjingel.
--Hoe bescheiden dokter! u speelt heel goed.
--'t mocht wat, ik probeer het, maar het is nog lang niet gemakkelijk om
op zoo'n machine te spelen. 'k Heb het even voor mijn afreis in Holland
gekocht en oefen me nu een beetje, volgens de methode, die er bij is.
't Klinkt al heel lief, dokter.
--Ja, dat is het woord, het geluid is nog al sympathiek, maar mijn spel
is alles behalve artistiek, Betoel!
--Al doende leert men!
--'t Is in ieder geval muziek; ik weet niet in welk garnizoen, op welken
buitenpost ze mij misschien stoppen zullen. Een pianino heb ik niet en
ik ben een liefhebber van muziek, ja! Bij gebrek aan brood eet men de
kruimels!
--Is 't moeielijk om op zoo'n cither te spelen?
--Volstrekt niet, met 'n beetje oplettendheid en wat maatgevoel breng je
het een heel eind ver. Kijk maar! al de snaren en toetsen zijn genummerd
en de muziek ook.
De dokter sloeg een paar bladen om van het muziekboekje, dat op 't
lessenaartje lag en speelde à prima vista "_Freude schöner
Götterfunken_!"
--Zie je wel dat 't goed gaat, als je maar oplet, het klinkt, betoel,
heel aardig!
Weer sloeg hij een blaadje of wat om, maar toen hij het daarop staande
lied, "_Leise, leise, frommer Weise_," Agathens gebed uit _der
Freischütz_, begon te spelen, trilden zijn vingers en zuchtte hij een
paar maal. Hij hield eensklaps op en zei, met een min of meer vreemden
blik mij aanziende:
--Ik kan dat ding nooit hooren zonder beroerd te worden, ik wist niet
dat het in dit boekje stond. Ik heb het in lang niet gehoord. Vroeger
was het een aria, die ik machtig graag hoorde, maar later ging het me
altijd koud door de leden als iemand ze speelde. Zelfs nu nog word ik er
zenuwachtig van.
--Hoe zoo dokter?
--Hij zag me een oogenblik aan.--'k Wil het toch uitspelen, zei hij
zacht, maar zijn lippen beefden. Nog een paar maten van de
liefelijk-melancholische melodie trilden uit de snaren, toen hield hij
op:--Arme kerel! zei de dokter binnensmonds--'t is eeuwig zonde en
jammer geweest!
Met nerveus bewogen vingers speelde hij tot het einde en toen, terwijl
hij het boekje haastig dichtsloeg, als wilde hij die noten niet meer
zien, vroeg hij:--vindt u me niet kinderachtig?--maar het was ook zoo'n
trouwe kameraad, zoo'n beste jongen!
Zijn goedige bruine oogen werden vochtig en ik zag hoe zijn onderlip
beefde, hij beet een paar maal op zijn knevel, voor hij vertelde:
--Dat eenvoudig stukje muziek brengt me altijd een treffende episode
voor den geest, uit den tijd toen ik in Atjeh was. 't Waren moeielijke
dagen, die we er doorbrachten, menig makker heb ik daar verloren,
gedurig hadden we te lijden van de verraderlijke overvallen van de
Atjehers. Je was geen oogenblik zeker, ze beschoten ons, waar en wanneer
ze maar konden. Soms lieten ze ons weken achtereen met rust, maar je
bleef natuurlijk altijd in spanning.
Ik ben wel dikwijls 's nachts plotseling uit mijn bed geblazen. 't Is
een angstig gehoor zoo'n signaal. "Om den dokter!" het klinkt
onheilspellend uit de verte, van de posten.
Destijds had ik een goed vriend, een tweede luitenant, jong en opgeruimd
evenals ik. 't Was een kranig officier, een kerel als een boom en kern
gezond. Hij had altijd schik in zijn leven, geestig en grappig was hij
de ziel van onze gezellige bijeenkomsten. Als hij er maar bij was, kon
je zeker zijn dat een fuif goed afliep. En een hartelijke
jongen!--uitstedend, humaan, goed voor iedereen. 'k Herinner me nog dat
ik eens van een rit langs de posten terugkwam in een hevige koorts--ik
voelde dat ik wat onder de leden had. 'k Zag geen kans meer om mijn huis
te bereiken--'k viel dus bij hem binnen. Kerel! riep ik, geef me gauw
wat brandy-soda, 'k ga anders van m'n stokje. 'k Had nog juist de kracht
om dat te zeggen. Hij heeft me verpleegd, totdat er andere hulp was; hij
holde zelf naar de Soos om champagne en ijs.--Enfin! hij heeft alles
voor me gedaan, alles beredderd, want ik werd zwaar ziek en de
champagne--ik heb heel wat fleschjes gebruikt--kostte zijn lieve duiten,
het tractement van 'n luitenant permitteert anders zoo'n luxe niet,
ja?--Maar hij was van die kracht, weet je, dat hij zei:--'t _moet_ er
wezen en dan kwam het er!
In één woord: hij was een kerel met een hart als van goud, 'n beetje
zieltje zonder zorg, die soms dacht dat een dubbeltje twintig centen
had, maar overigens een officier, die hoog stond aangeschreven; een vent
waar ze op aan konden. Hij had verbazend goed slag om met de soldaten om
te springen, hij kreeg alles van ze gedaan, want hij behandelde ze als
menschen, zie je? Ze vlogen voor hem en toch was hij streng, hard als 't
noodig was. Van tijd tot tijd had hij, wat hij zelf noemde, "zwarte
buien." Dan was hij somber en in zichzelf gekeerd, soms dagen lang.
Meestal hield hij zich dan schuil en wou niemand zien:--"hij wou geen
mensch met zijn mistroostig bakkes vervelen," zei hij en piekerde liever
alleen.
Wonderlijk genoeg had hij dan, na zoo'n bui, altijd een voorgevoel. Soms
zei hij dan plotseling: "Over een paar maanden is die of die er geweest.
Zeg 'm maar goeien dag, als je 'm nog ontmoet!" In den beginne lachten
we hem uit, we noemden hem de ongeluksraaf en ik zei: "ik zal je 'ris
wat geven, kameraad, je digestie is bepaald weer niet goed."
Maar toen zijn profetiën een paar malen waren uitgekomen, konden we er
den draak niet meer mee steken. 't Was te akelig. We zeien dus: "Amice,
hou die dingen liever voor je." Dan keek hij je meestal zoo zonderling
aan en zei: "'k Wou dat ik het kon!"
't Was alsof langzamerhand die eigenaardigheid bij hem uitsleet, want
hij zei niets van dien aard meer en was de joligste, prettigste makker,
dien we verlangen konden, maar eens op een avond, wel een jaar later,
begon hij weer. We hadden met een clubje makkers in zijn voorgalerij
gezeten, heel gezellig bij mekaar. We dronken brandy-soda en zetten een
boom op, over allerlei dingen. Hij was de gezelligste van allen, tapte
de eene ui na de andere en was nog moppiger dan anders. We soupeerden
wat, staken lekkere Havana's op, die ze hem van huis, uit Holland,
hadden gezonden en toen we eindelijk opstapten, hield hij mij terug en
zei:
"Doktertje, jou moet ik nog even apart spreken."
Ik dacht dat hij een of andere kleinigheid mankeerde en ging weer
zitten, de anderen marcheerden af, lachend en zingend.
--Wel, wat is er? vroeg ik, pillen, poeiers of drankjes noodig?
--Neen! antwoordde hij kalm, ik heb geen van je viezigheden meer noodig.
Steek nu eerst nog een van die lekkere Havana's op en luister dan even
met attentie, ja?
--Kerel wat ben je opeens ernstig geworden; ik zei het, omdat ik min of
meer ontstelde toen ik hem goed aankeek. Hij was bleek, met blauwe
kringen en dikke wallen onder de oogen. Was dat zoo opeens gekomen of
had ik 't niet eerder opgemerkt, door de jool die we samen hadden
gemaakt. Ik wist het niet, maar ik kreeg een koude rilling over mijn rug
toen hij, met een flauw glimlachje zei:--Steek nog wat van die sigaren
bij je, doktertje! Jou smaken ze en ik ... zal ze niet meer noodig
hebben. 'k Heb weer een voorgevoel gehad....
--Och, Soedah!--malle dwaasheid!
--...over me zelf, ging hij, kalm en ernstig sprekend voort, zonder zich
aan mijn uitroep te storen.--'k Heb me zelf gezien--dood! Over een paar
dagen ga ik er van door!
--Dolligheid! riep ik, maar ik kòn niet lachen. Hij nam er geen notitie
van en zei eenvoudig:
--Je weet, het is weer gedurig mis aan de buitenlinie, dáár zullen ze me
te pakken nemen, let maar op! Overmorgen ga ik er zeker met mijn
compagnie heen--gisterennacht wist ik het in mijn slaap.
--Haal je toch zoo'n dwaasheid niet in je hoofd, je hebt misschien te
zwaar gesoupeerd en benauwd gedroomd, dat is een gewoon gastrisch
verschijnsel! Ik wou hem van dat denkbeeld afbrengen, maar het lukte me
niet.
Hij lachte weemoedig en zei:--Je bent een goeie vent, doktertje! Je wilt
het me uit mijn hoofd praten, maar dat kun je toch niet. Ik weet, wat ik
weet--och! jij kunt dat zoo niet begrijpen, maar het is zóó en niet
anders.
Een oogenblikje keek hij naar buiten, waar de boomen en struiken zoo
mooi in het heldere maanlicht stonden.--'t Is toch wel mooi en en lekker
hier, ja? Jammer dat we niet langer bij mekaar zullen blijven. Wil
jij--juist terwijl hij weer naar mij omkeek begon op tafel een
speeldoos, die er stond, te spelen. Al pratend had hij, zonder er bij te
denken, zijn hand op de doos gelegd en 't knopje van de mechaniek
aangeraakt.
--"Leise, leise, frommer Weise!" speelde de doos. Zuiver en helder klonk
het eenvoudige lied in den stillen nacht. 't Kan in Indië zoo doodstil
zijn 's nachts, dat het schijnt alsof ons gehoor dubbel scherp wordt.
Hij luisterde zwijgend en toen het air uit was zette hij de doos op een
aantal waterglazen en deed haar het stuk herhalen.
--Dat is een van de mooiste melodiën, die ik ken, zei hij zacht; ze is
zoo innig aangrijpend eenvoudig en lief ... en nu, Soedah: Hij liet de
speeldoos ophouden.
--Luister nu even doktertje! Wat ik je zeggen wou is dit: jij bent hier
altijd mijn intimus geweest, ja? Doe je me nu ook pleizier en regel mijn
boeltje, als ik er niet meer ben. Ik heb nog een paar beertjes, die moet
je maar zien te temmen, zoo goed en kwaad als 't gaat, in mijn cassette
liggen nog een paar brieven, die moet je maar verbranden en jij, niemand
anders dan jij, hoor--moet aan mijn familie schrijven, hoe alles is
gebeurd!...
--Maar beste kerel!...
--Neen, val me nu niet in de rede--laten we alle discussie maar staken,
't is tijd verspillen. Geef me nu maar een hartelijken handdruk.
Zoo!--flink zóó! nog eens!--Je belooft me alles, ja? En zeg me nu eens
ferm goeden dag. Hij omarmde mij en kneep mijn handen bijna fijn--'t was
zoo'n krachtige kerel! Toen duwde hij mij vooruit, het erf op en
zei:--En nu naar huis, 't is laat! nog eenmaal greep hij mijn handen,
drukte die en zei: God zegen je makker, Slamat tidor! en keerde in huis
terug.
* * * * *
Twee dagen later klonk van een van de posten, tegen het vallen van den
avond, het hoornsignaal "om den dokter!"
Daar lag hij, mijn arme, brave makker. Zoo'n vuile sloeber had hem een
kogel midden door het voorhoofd gejaagd. Morsdood! meer kon ik niet
zeggen, mijn hart zat me in de keel.
--Hij heeft gevochten als een leeuw, zei een luitenant, die zwart van
rook en stof kwam aanloopen.
--Hij viel vlak naast me neer en vóór hij stierf kon hij nog even
zeggen:--neem het bevel over, ik heb mijn portie!
De dokter pakte zijn accord-cither in de doos, lei 't muziekboekje er
boven op en zei:
--We zullen 't er voor van daag maar bij laten--en in zichzelf, even
zuchtend,--'t was een beste jongen, Kasian!
IV.
EEN VERHAAL VAN DEN KAPITEIN.
--'k Ben nooit bang geweest, van mijn leven niet en ik heb gelukkig in
alle omstandigheden de noodige kalmte weten te bewaren maar éénmaal heb
ik toch mijn lange beenen moeten opnemen en de spat zetten, zei lachend
onze stoere kommandant, terwijl hij een versche sigaar opstak.
--U spreekt daar van de spat zetten kapitein, neem me niet kwalijk, maar
ik kan 't haast niet gelooven.
--En toch is 't zoo, en ik was nog wel gewapend bovendien: ik had mijn
dubbelloops jachtgeweer bij me.
--Dan moet 't wel een heele bende geweest zijn, waarvoor u je beenen
opnam, want u zal wel raak schieten.
--Ja! Ik schiet nooit of ik moet weten dat ik tref, anders is 't maar
zonde van de patroon, antwoordde hij bedaard en toen even lachend:--maar
ik ben ook niet voor een hoop kerels op den loop gegaan!
--Waarvoor dan kapitein?
--Nu, raad eens!
--Voor een tijger!
--Ba! dat is maar 'n poes, zooals de resident te Mechelen[1] zei, die in
Indië de tijgerjager bij uitnemendheid was.--Zoo'n poes is bang, die
valt nooit iemand vanzelf aan.
--Misschien voor een rhinoceros dan!
--Ook niet! Ik heb 't eenvoudig op een loopen gezet voor een hoop apen.
--Och kom!
--Waarachtig! Je moet zoo min niet over apen denken. Dat is 't
gemeenste, kwaadaardigste goed wat Onze lieve Heer op de wereld gezet
heeft. Ze zijn zoo leep als menschen en nog kwajer. Je moet niet denken
dat je in Artis apen ziet, och neen! dat zijn maar ongelukkige akelige
misbaksels, goed om over te lachen. Neen, je moet de monkeys in d'rlui
natuurstaat zien, dan spreken we mekaar nader!
--Waren 't dan chimpansées of oerang-oetans?
--Och neen! doodgewone zwarte en grijze apen.
Ik was met mijn sloep, met vier man op de riemen, even voorbij
Indramajoe aan wal geroeid om 'n beetje vogels te schieten. Je vindt
daar boschduiven en wilde kippen plenty, ze zijn wat mager, maar goed om
te eten. Moederziel alleen was ik een eind de wal opgegaan, ik kon niet
veel onder schot krijgen en drong al verder en verder, door struiken en
heesters heen, naar de rijstvelden toe, totdat ik op een plek kwam en
even rustte.
In eens zag ik een paar apen, daar nam ik geen notitie van, maar 't
duurde niet lang of er kwamen nog een paar, toen al meer, tot misschien
een twintig of dertig stuks. Ze keken me nieuwsgierig aan, liepen heen
en weer, klommen in de boomen en schreeuwden mekaar toe.
Toevallig keek ik om, en zag nog net bijtijds dat een heele troep van
dat smerige goedje me sluipend van achteren naderde. Ze bleven nog wel
op een tamelijke distantie, maar 't beviel me maar niemendal dat ik er
zoo langzaam aan door ingesloten werd. Ik zocht dekking in den rug,
omdat ik wist dat die rakkers je altijd van achteren aanpakken, maar dat
gaat in zoo'n oogenblik niet zoo gemakkelijk. Groote dikke boomen waren
daar niet en als die apen, 't was een kwaadaardig soort me in den rug
hadden kunnen aanvallen, zouden ze mij gewoon weg hebben afgemaakt.
Daar had ik nu nog geen bepaalden trek in, begrijp je? Ik dekte me dus
zoo goed en kwaad ik kon en wachtte de gelegenheid af om er een paar
neer te schieten.
Er kwamen er hoe langer hoe meer opzetten, van alle kanten, en ik
berekende: of ik er al een paar neerschiet geef me niemendal, ik moet
eerst den burgemeester hebben.
[Voetnoot 1: Resident ter zee, de heer te Mechelen.]
--Den Burgemeester?
--Ja, dien noemen we zoo! Ik was in een zoogenaamde apenkampong verzeild
geraakt. Heb je wel eens van den Duitschen professor gelezen, die
beweert dat hij de apentaal bestudeerd heeft en verstaat?
--Jawel kapitein, professor Cärtner.
--Hm ja! hoe hij heet weet ik niet en of hij die taal verstaat weet ik
ook niet--die geleerde lui zeggen soms meer dan ze verantwoorden
kunnen--maar dàt kan ik je wel zeggen: een soort van taal hebben apen en
verstaan doen ze mekaar uitstekend. In zoo'n kampong dan, is altijd één
opperhoofd, gewoonlijk een oude knappert, die geeft de lakens uit en
houdt den boel in orde.
Op eens zie ik een groote kanjer naar mij toekomen, 't leek wel een
kleine inlander. Zijn kop was van boven als een knikker zoo kaal en een
lange grijze baard hing van zijn kin op zijn borst. Zijn onderkaak met
scherpe slagtanden stak hij vooruit en hij kwam, op zijn achterpooten
loopend, naar mij toe. Een pas of twaalf van mij af bleef hij staan en
keek mij met zijn kwaadaardige kleine oogen aan als of hij zeggen
wou:--hoe kom jij hier, wat moet je van ons hebben?
Een paar oogenblikken keken we mekaar strak aan--ik dacht: Maat! ik moet
je met mijn oogen in bedwang houden, zoolang ik je in de gaten houd ben
ik baas. 'k Had twee schoten op mijn geweer, die kon ik gebruiken, maar
opnieuw laden niet, want een blik van den burgemeester afgewend zou
genoeg zijn om me te doen aanvallen van alle kanten. Ik overlei dus:
vrindje, jou moet ik hebben, maar ik moet je zóó raken dat je 't niet
navertelt.
Daar gaf hij op eens een schreeuw en zijn heele compagnie retireerde; 't
was precies alsof hij een commando had gegeven--nog een schreeuw, langer
en scherper en ze kwamen weer wat voort.
Als de burgemeester avanceerde, kwam de heele troep met hem mee, ging
hij terug dan retireerde alles. 't Was alsof ze mekaar de bevelen van
hun chef toeriepen, want vóór, achter, naast en boven me, hoorde ik
telkens die scherpe kreten herhalen. Soms was 't 'n helsch lawaai:
hoeveel apen er daar in de kampong waren is niet te berekenen, 't
moesten er honderden zijn geweest.
Eindelijk kreeg ik den ouden heer goed onder schot, 'k had op mijn
geweer een kogel en één hagelpatroon. De kogel is voor jou, papa, die
komt je als chef eerlijk toe, de hagel zal ik voor je volkje bewaren,
dacht ik.
Daar gaf de burgemeester weer een gil, en kwam met zijn volkje resoluut
vooruit.
Pang! in eens had hij 'm beet. Hij deed een sprong omhoog, viel over
stag en schreeuwde, precies als een mensch, akelig kermend. Heb je in 't
Paleis voor Volksvlijt dat Ballet Jocko, of de dood van een aap wel eens
zien spelen? Ja? nu dan weet je hoe zoo'n dier sterft, die artist deed
't machtig natuurlijk na.
Toen de aanvoerder gevallen was, kwamen al de apen naar hem toe, ze
stonden en liepen net als menschen, desperaat om hem heen. Waarachtig,
als ik niet zoo in de penurie had gezeten, was ik uit aardigheid nog
een poos blijven kijken, maar nu dankte ik onzen lieven Heer dat ik dat
gemeene goedje niet meer achter me had.
Ik maakte gebruik van de gelegenheid en koos 't hazenpad.
Geloopen heb ik!--neen maar, ik heb wonderen gedaan met mijn lange
beenen, schieten op al die apen durfde ik niet meer, want ik wist dat ze
talrijk waren en dat ze, eenmaal over den eersten schrik heen, me zonder
vorm van proces zouden kapot maken. 't Is al meer gebeurd weet je!
Ik kwam goddank door het struikgewas heen aan het strand, maar ik hoorde
ze al heel gauw vlak achter me. Je kunt je het helsch lawaai, dat ze
maken, nauwelijks voorstellen, 't is onbegrijpelijk dat ze zoo krijschen
en gillen kunnen. 't Was kapteintje loop voor je leven!--en ik liep
hoor!--de kaptein klopte op zijn keurig nette pantalon en stak zijn
beenen vooruit.--Ze hebben me niet in den steek gelaten, maar ik was
toch almachtig blij dat ik weer op de riemen zat.
Van uit de sloep heb ik ze toen nog een pleiziertje gedaan, met één
schot hagel hadden er een paar genoeg en toen ik nog een stuk of wat
patronen op d'r lui zwarte huid had geblazen, liepen ze gierend en
gillend het bosch weêr in. Ze hadden er genoeg van--maar ik ook--en ik
mag leien dat ik nooit weer andere apen tegenkom dan die je tegenwoordig
nog eens in de Kalverstraat ziet, met 'n pince-nez op, hooge boorden
omgeslagen broekspijpen, van die lange soepjassen aan en wandelstokken
als knuppels in d'r glacétjes. Dat soort is belachelijk en tam--maar
soms gevaarlijk--ook zijn er een hoop onder, die geen eerlijk schot
kruit waard zijn.
V.
AANKOMST TE PADANG.
--Pff! van middag wordt er waarachtig _te_ veel gevergd van een normale
maag, zuchtte blazend een der jongere heeren, die aan tafel gewoonlijk
ongeloofelijk veel goeden wil en volharding toonde. Even hijgend wischte
hij zich herhaaldelijk voorhoofd, wangen en hals.
--U heeft meer dan je plicht gedaan, lachte de administrateur en hem
toeknikkend: dat bewustzijn zal u sterken tot verdere grootsche daden,
mag ik u eens even zien? Hij hief zijn glas op.
--Dank je wel, daar ga je, maar als ik morgen katterig van boord ga,
heeft de kommandant 't op zijn geweten. Neen, dank je, geen champie
meer!
--Kom?
--Nu, dan nog éentje, om u bescheid te doen. Drommels 't is hier vetpot
van daag, en zich even omwendende tot den bedienenden Javaanschen
jongen:--koffie en 'n Sopi manis[2]? Wel ja, geef maar op--ik zal
volharden tot den einde toe!
[Voetnoot 2: Likeurtje.]
Flang! daar vloog, van het andere eind der tafel, een kurk tegen de
vloeipapieren muts, die hij ophad en een vroolijke meisjesstem
riep:---Raak, luitenant! weêrom gooien hoor, op den dokter!
De goede bedaarde medicus van de _Amalia_ kreeg het hard te
verantwoorden, want de jonge meisjes en een paar getrouwde dames,
eenigzins opgewonden door de champagne, die kommandant Visman had laten
rondschenken, bombardeerden hem onbarmhartig met kurken,
hazelnootschillen en proppen, gemaakt van papieren mutsen, die uit de
pistaches aan 't dessert waren te voorschijn gekomen.
Lachend--de dokter wordt nooit boos op dames--dekte hij zich zoo goed en
kwaad het ging met zijn bord en servet, totdat de dikke Oostenrijker,
wiens wangen glimmend rood waren geworden, omdat hij eerst nog het
restantje uit zijn flesch had moeten verschalken, hem nog hijgend van
inspanning, toeriep: Herr Dokter, je bent aan die heiden overgeleverd,
komm mit an dek, ik zol je wol besjermen. Die weiber kwam jij alleinig
nich bewältigen, dafür bin je zoe mager; komm mit. Donnerwetter war
dass, heute mal goetes essen? en hij klopte op zijn dikken buik. Jetzt
ein glas frisches bier, hè? So roehig oben in die rauchkammer; hier
wird's ein pan!
't Was inderdaad een buitengewoon groot menu, een erg vroolijk diner
geweest, aan boord, bijzonder luidruchtig zelfs, tot dat er een
oogenblik stilte kwam, even voor 't dessert. De kommandant namelijk was
opgestaan, had zijn glas champagne opgeheven en gezegd:--Dames en
heeren, ik heet U allen welkom in Indië, want binnen eenige uren hopen
wij Padang te bereiken. Dan zullen eenigen uwer dezen bodem verlaten: ik
wensch de débarqueerende passagiers verder goede reis en gezondheid en
dank hen, evenals al de anderen voor de betoonde welwillendheid en
samenwerking, waardoor de harmonie onder de passagiers geen oogenblik is
verstoord geworden. Ik moet u verlaten, mijn plicht roept mij op de
brug. Dames en heeren, daar ga je!
--Leve de kommandant, leve onze gezellige Visman! klonk het van alle
kanten en met een "lang zal hij leven in de gloria!" defileerden de
passagiers, zoo goed en zoo kwaad de zachtjes schommelende boot het
veroorloofde, voor den kommandant, om even met hem te klinken.
't Dessert begon, de tongen kwamen hoe langer hoe meer los, want het
vooruitzicht spoedig "land" onder de voeten te hebben, had alle harten
opgeruimder doen kloppen; hoe goed men het aan boord ook heeft, het
denkbeeld eindelijk weer op vasten grond te zullen staan, drijft toch
het bloed sneller door de aderen.
--Mijnheer! zei fluisterend de hofmeester, achter mijn stoel komend, de
kommandant laat vragen of U eens bij hem op de brug wil komen?
* * * * *
--Ik heb je even laten roepen, zei de kapitein, toen ik, een oogenblik
later, op de brug kwam. 't Is hier een boel lekkerder dan beneden en 't
wordt er nu te rumoerig. Ik wou je hier toch eens een kijkje geven; je
bent nog niet op de brug geweest, wel?
--Neen kommandant.
--Geef dan je oogen maar eens den kost. 't Is een heerlijke avond; kijk!
daar in de verte--neen, je kijkt niet goed, dáár aan bakboord, heel in
de verte--zóó, nu ben je in de goede richting, dáár heb je 't 't licht
van Poeloe Pisang, daar houden we op aan.
Hij rekte armen en beenen een maal of wat uit, nam zijn pet even af en
streek zich snel met de hand een paar keer over 't voorhoofd:--Hè dat
doet me goed; ik voel me hier 't lekkerst. Op de brug ben ik eerst goed
in m'n element.
--'n Heerlijk briesje van avond! Wat 'n maantje, zoo iets zie je in
Holland toch niet.
Hij stak een sigaar op, de lucifer tusschen zijn breede gespierde handen
voor den wind beschuttend.
't Was een mooi, een indrukwekkend gezicht daarboven van die ranke brug,
als gespannen over 't schip, dat rustig met ons in 't prachtige
maanlicht voortsneed door golven.
Op de zonnetenten vóóruit, goot de maan een tooverachtig, blauwig wit
licht, het want, de masten en ra's, het touwwerk, scherp afstekend tegen
de heldere lucht. Hier en daar in felle kantlichtjes schitterend op 't
blank gepoetsten koper- en ijzerwerk, of zwarte slagschaduwen
neerwerpend op de schuins gespannen zeilen Dartelend in de golven, vóór
ons, of sprankelend, opspringend in 't witte schuim langs beide boorden,
tintelde het overal.
--Zie nu eens om, zei de commandant.
--Prachtig!
't Achterschip, van ons afgescheiden door den grooten schoorsteen,
strekte zich, grooter en breeder lijkend dan anders, achter ons uit. Met
ons, maar schijnbaar alleen, deinde het zachtkens op en neer, overwijfd
door de golvende, zwarte, breed uitwaaiende rookpluim, die in rollende
ringen uit de dikke pijp opkwam, voortvliegend, naar de achter ons
wegdrijvende wolken, hier en daar zilverig gerand door de maan, die,
vlak boven onze hoofden, haar lachend gelaat vertoonde.
Beneden gloeide 't vurig tusschen de naden en langs de randen van de
zonnetenten. Goudachtig glommen achteruit de koperen randen van 't
stuurrad en de kap van het kompashuisje, door den lichtschijn uit de
kleurige, papieren lampions, die ter eere van 't afscheidsfeest, dat
straks op dek zou worden voortgezet, reeds ontstoken waren.
De zee was kalm en nauw gerimpeld. In 't kielwater blonken of
schitterden, spelend, millioenen weerkaatsingen van maan en sterren en
als een blank metaalachtig glimmend spoor, doortinteld van vonkende
diamanten, verloor zich, heel in de verte met den donkeren horizon
samensmeltend, de voor, die het met volle kracht stoomende schip door de
golven sneed.
Zacht ging de boot op en neer; van de brug af gezien, scheen zij een
groot, kalm, levend wezen, regelmatig, diep ademhalend, bewust van zijn
kracht, met zekerheid toesnellend op de kust, waar in de verre verte het
heldere licht van Poeloe Pisang, als een vriendelijk oog nu en dan
geruststellend pinkend, scheen te wenken: kom! kom! bij mij is 't
veilig, kom!
De kommandant stond in zijn witte ias--de uniform trekt hij altijd
onmiddelijk uit na 't diner--naast mij. Zijn forsche`, krachtige
gestalte was iets voorovergebogen en hij hield de rechterhand
uitgestrekt. Met de linker steunde hij op de leuning der brug.
--Daar achter ligt Padang, over een uur of wat loopen we de Emmahaven
in. Jammer dat we niet bij dag aankomen, dan zou je nu de heerlijkheid
der Sumatraansche bergen al kunnen zien. Dáár in die richting moeten de
Ophir en de Merapi liggen, recht vóór ons de Goenong-Talang. Je kunt ze
nu niet onderscheiden, maar morgen zul je je hart wel eens ophalen aan
al dat groen. Je hebt nu zoo lang alleen water en lucht gezien, hè? Hij
klopte mij op den schouder:--Ja, ik ben een oud zeeman, 'k heb honderd
maal minstens, diezelfde dingen gezien, maar telkens zie ik ze weer met
't zelfde genot, dezelfde bewondering aan, hè? Hij liep even heen en
weer, keek een oogenblik in den electrisch verlichten zee-kaartenbak,
gaf een paar bevelen aan den roerganger en aan een van zijn officieren
en bleef toen een poosje, starend in de donkere verte, zwijgend staan.
--Naast God, schipper van mijn schip! dat moet de kommandant volkomen
gevoelen als hij daar, hoog op de brug als 't ware boven zijn bodem
staat. Die bodem zoo groot en breed, hijgend en kuchend door de
krachtsinspanning in zijn binnenste, geboren door 't felle vuur, dat
brullend en loeiend in zijn ingewanden woedt.
En toch luistert dat brullende vuur, die ontzachlijke kracht, naar zijn
gebiedende stem en volgt, gedwee als een kind, zijn leidende hand, die
schip en opvarenden veilig tusschen klippen en riffen henenvoert naar 't
land, waar zij hoopvol de toekomst tegengaan.
--Kommandant, 't is onbeschrijfelijk mooi hier, wat 'n sterrenhemel, wat
'n prachtige zee!
--Ja, maar zoo treffen we 't niet altijd kameraad! 't Kan soms leelijk
blazen en dan is 't hier zoo'n dorado niet--maar ik ben 't gewend, hè?
Jij zou je lachen wel kunnen houden en al ben je nog zoo brani, ik zou
je wel eens willen zien als je hier op de brug zoo'n zee'tje over
kreeg--maar nou heb je gelijk, 't is hier goddelijk! Och ja, kameraad,
wanneer je, zooals ik, zoo gezegd op zoo'n brug permanent bent, denk je
over zooveel dingen na, die 'n ander mensch in den sleur van zijn
krenterig leven niet eens overpiekert. Hier op de brug, waar je de zon
zoo heerlijk ziet op- en ondergaan, waar je zoo'n ruimen blik hebt, hier
wordt je beter, vrindje! Hier leer je, dat 'n mensch eigenlijk minder
dan niemendal is. Je voelt je als kommandant een heele kerel, hè?--maar
als mensch bitter klein, vat je? Hier leer je dat al dat geleuter van
die geleerde lui maar lak is, wanneer ze je vertellen dat alles in en
door de natuur ontstaat. Hij tikte even aan zijn pet. Een opperwezen
bestaat er, daar gaat niets van af. Hoe ze dat nu noemen, komt er niet
op aan--Jehova of onze lieve heertje, mij is 't zelfde, maar--Hij is
er! Kijk maar eens omhoog naar die eeuwig mooie sterren, naar die
millioenen bollen, die langs vaste wegen, volgens vaste wetten staan of
gaan. Dàt zou allemaal van zelf komen zonder dat er een georganiseerde
kracht achter zat? Gekheid hoor!--Er moet één wezen zijn die de lakens
uitgeeft, anders loopt de heele natuur in de war.
Ze moesten die geleerde lui eens laten reizen, niet over land, maar op
zee, hè? Konden ze d'r neus een poos in de frissche bries steken, in
plaats van in de boeken, dan zou de duffigheid er wel afwaaien!
Kijk het zuiderkruis van avond eens schitteren, dáár heb je Jupiter en
dáár de Kreeft; zoo'n sterrenhemel is heel wat beter en verstandiger
docent dan al die geleerde oomes, hè?
Al sprekend had de kommandant zich te lij over de leuning gebogen. Hij
zweeg een poosje, haalde een paar maal diep adem door zijn neus en trok
mij toen naar zich toe:
--Kom eens hier, maat, haal je neus eens goed op, ruik je niets, haal op
dan!
--Ik ruik waarlijk niets kommandant!
--Niet? dat komt omdat jij zoo lamlendig je neus ophaalt; haal eens ferm
op!
--'k Ruik waarachtig niets!
|