free book ebook online reading
eBook Title
Op reis en thuis
Author Language Character Set
Justus van Maurik, jr. Dutch ISO-8859-1


You are here --- [ Home / Author Index J / Justus van Maurik, jr. / Op reis en thuis / Page #1 ]

NOVELLEN EN SCHETSEN

VAN

JUSTUS VAN MAURIK JR.


TWEEDE DRUK
AMSTERDAM VAN HOLKEMA & WARENDORF




INHOUD.


MET "DE AMALIA" VAN GENUA NAAR PADANG

I. BAL EN KERK AAN BOORD

II. COMEDIE-VOORSTELLING EN BEGRAFENIS AAN BOORD

III. IN DE ROOKKAMER

IV. EEN VERHAAL VAN DEN KAPITEIN

V. AANKOMST TE PADANG

SINT-NICOLAASAVOND AAN BOORD

EEN TOEWAN EN ZIJN INVENTARISSTUK

EEN HUT BIJ DE KINDERKAMER

MULLER'S BUSTE

EEN LAUWERKRANS

EEN REGENACHTIGE DAG TE WIESBADEN

EEN WARME DAG TE WIESBADEN

DE LAATSTE DER OEMPAH'S

VOOR 'T LOKET--HOLLANDSCHE SPOOR

VROEG RIJPE JEUGD

EEN LANDGENOOT




MET "DE AMALIA" VAN GENUA NAAR PADANG.

I

Bal en kerk aan boord.


--Laat ze maar eens pret hebben; ze leven nu nog zonder zorg en hebben
't goed! zei de sergeant, die met mij stond te praten op 't voorschip
van de _Amalia_, terwijl we van Genua af de Middellandsche Zee
instoomden.

--Wie weet hoeveel er over zes of zeven maanden nog over zijn van ons
detachement van 80 man. 't Kan best wezen, dat ze nooit Europa terug
zien; ik heb de reis al vier maal heen en weer gemaakt, meneer. 'k Heb
er heel wat zien gaan en ook terugkomen--maar hoe!

En 't ging intusschen vroolijk toe, vóóruit. Een Belg, een flinke jonge
kerel, met een oolijk gezicht en een zwarten knevel, zat onvermoeid een
groote drieklaviers harmonica te bespelen, een Hongaar begeleidde hem
zoo goed het ging op de viool, een stoker sloeg flink in de maat groote
trom en een matroos roffelde heel aardig op een kleine
infanterietrommel. Tamboerijn, bekkens en triangel, door een paar
soldaten met onmiskenbaar talent bespeeld, volmaakten het orchest dat
onder de over de plecht gespannen zeilen allerlei populaire danswijsjes
deed hooren.

--Danzen ze nich arg nètjes? vroeg de bootsman, terwijl hij den kop van
"leelijkerd", zijn hond, streelde.

--'t Is volle liefhebberij om toe zien, hé? De man, een Noor, sprak met
wonderlijk accent en speelde al pratend met zijn reiskameraad--een
mormel zooals de dames verklaarden.--Hold je schtil, leelijkerd! hai wil
wol 'r is janke, 't moesik vervèld 'm, maor hai zol dr'al aan gewoond
konnen zain, want 't is zain vierte rais al; 'k habbe 'm van 't versoepe
gered en noe is d'r so trouw. Oemdat 'r lilik was wolden ze hum
versoepe--de bootsman lachte:--ik ben òk niet mooi oend ze versoepe main
doch nich, zoo'n stomme dier wol doch ooch léve--hold dîn schnoet dan
toch!

--_Sei nich bös und schick digh d'rein!_, speelden harmonica en viool;
bomketel, trom en triangel hielden goed de maat en op die slepende wals
uit "Der Obersteiger" walsten in langzaam deftig tempo de soldaten met
de stokers en de matrozen. Stijf als staken, rechtop, elkander
vasthoudende als waren zij van porcelein, draaiden ze langzaam en
voorzichtig rond. Blijkbaar vonden de overigen dat spilmatig ronddraaien
buitengewoon mooi, en een paar dansers, een jong soldaat en een stoker
met opgestroopte mouwen, en-coeur gedecolleteerd, als dame, trok de
algemeene aandacht. Een ander paar, even chic en netjes dansend, bestond
uit twee slagers; de een had 's morgens een koe, de ander het varken,
dat nog in 't want hing, geslacht.

--Zij doen 't netjes, arg fatsoenlijk, fain! zei de bootsman en met een
goedig lachje:--zoo hold je die joengens bezig oend blijft 'r 't goed
humeur in.

't Was waarlijk een alleraardigste groep, die soldaten van allerlei
nationaliteit--er zijn Duitschers, Hongaren, Belgen en Zwitsers onder de
aangeworvenen--babbelend, lachend, neuriënd, dansend en pretmakend niet
de stokers en de Jantjes, die op dat oogenblik niets te doen hadden. 't
Bal werd meer en meer geanimeerd. Een matroos danste gracelijk solo en
de vroolijke tonen van 't primitieve orchest lokten de dames en de
heeren van 't achterdek. 't Duurde niet lang of een groot aantal kijkers
stond voor de afdeeling, bestemd voor de militairen. Zelfs de twee
nonnetjes van de stichting "Le bon pasteur", die voor Suez bestemd zijn,
de eene voor 't Lazareth, de andere voor de kleine kinderschool, stonden
met lachende gezichten naar de vroolijke "jongens" te kijken.

--Pauvres gargons! zei de eene.

--Sont ils gais maintenant! que le Bon Dieu les protège zei de oudste
die voor 't lazereth bestemd is.

--Er zit nu geen jenever in en toch hebben ze schik, zei de sergeant,
met wien ik met veel genoegen had kennis gemaakt. 't Volk krijgt aan
boord twee maal per dag een oorlam'en daarmee basta!

--'t Is een fatsoenlijk Zeedijkstafereel, lachte een toeschouwer en een
ander beweerde: 't werkt aanstekend op de jonge dames, haar voetjes
beginnen te trippelen. De zon was prachtig ondergaan en 't water bleef
zoo glad en kalm, dat men zich nauwelijks verbeelden kon, de straat van
Messina reeds te zijn gepasseerd. 't Blauwe water van de Middellandsche
Zee was allengs grijs-groenachtig geworden en hier en daar gaf een
blinkende ster reeds een lang wiebelend lichtschijnsel op 't even
rimpelend zeevlak. Onze boot stoomde rustig en als glijdend voort en
hoewel de wind wat koel begon te worden en soms een golfje deed ontstaan
was 't heerlijk aan dek. De jonge dames, sommigen de kinderschoenen nog
niet ontwassen, keken zóó verlangend naar die eenvoudige harmonica en de
nog altijd op 't reeds duister geworden voorschip ronddraaiende mannen,
dat de kommandant de hand over zijn goedig hart streek en een
kwartiertje later zaten harmonicavirtuoos en violist op 't achterdek
tegen de lichtkap van den grooten salon. In een ommezien zwaaiden en
draaiden de jonge meisjes met een paar flinke luitenants en andere
heeren, die de wals of den "pas de quatre" kenden.

In gemakkelijke schommelstoelen gezeten keken de oudere dames
toe--muurbloemen kent men aan boord niet--sommige heeren maakten een
partijtje hombre of whist in de rookkamer, anderen stonden rookend tegen
de verschansing, sommigen met de verzuchting in den rook van hun sigaar:
"ils sont passés ces jours de fête."

Soms is 't voor mijn oor alsof wals of "pas de quatre" maat houden met
het stampen en dreunen der machine, met 't geruisch van 't water, dat
opspat langs boeg en boord, vervloeiend tot een schuimend spoor achter
't schip, dat steeds onverpoosd voortstoomt, rustig zijn weg vervolgend,
kalm en statig, als ware 't trotsch op zijn macht en bewust van de
verantwoordelijkheid die het heeft. Soms wuift een zwarte rookpluim uit
den schoorsteen omhoog naar achter, als een roet aan 't land, dat we
heden morgen nog zagen; als een geruststellend teeken van kracht en
volharding.

*       *       *       *       *

--Wanneer het zulk weer blijft, zegt onze vriendelijke kommandant,
bereiken we Port-Said Dinsdag ongeveer tegen 6 uur n.m.

--En worden we nu niet meer zeeziek? vragen de dames, angstig en
smeekend den kommandant aanziende.

--Neen, dames!--Zóó kort beleefd en zoo stellig is zijn toon, dat alle
gezichten opklaren en zelfs de meest zenuwachtige dame met een gerust
hart haar couchette opzoekt, in de hoop van beter te slapen dan den
vorigen nacht, toen schier allen haar tol aan de Middellandsche Zee
betaalden.

Maar 't kwam anders, want bij 't verlaten van de golf van Genua kwam de
zee plotseling hevig in beroering en blies de wind zóó sterk uit het
Zuiden, dat de zeeziekte eensklaps een aanval deed op de niets kwaad
vermoedende passagiers.

--Sakit lout! Sakit kras! klaagde een Baboe, die door een familie als
finaal vrij van zeeziekte was aangenomen, om op haar drie kindertjes te
passen.

--'n Beroerd koopje! mopperde haar meester, die nu behalve op zijn vrouw
en kinderen, ook op de Baboe moest passen, terwijl hij zelf nu en dan
met doodsbleek gelaat een poosje over de verschansing ging hangen.

--'n Ganz verflixtes, unheimliches Gefühl zei een Oostenrijker, die geen
goed Hollandsch en goed Duitsch meer sprak. Maar ich habe ein
Üniversalmittel dagegen--namelich viel Gläscher Bier.

--Bier! ik kan 't niet zien, kreunde een ander die, een schokkende
maagbeweging nauwelijks onderdrukkend, op een langen Singaporestoel
uitgestrekt, klagend om 'n cognacje riep.

--Zeeziek wezen is bepaald een penitentie, die heel wat slechte daden
uitwischt, klaagde een dame en met eau de cologne haar wangen en
voorhoofd bettend, zuchtte zij:--man, lieve man, zou je niet even uit
onze hut wat bruispoeder ... willen halen, zei ze niet meer, want als
door een adder gestoken vloog zij op, om met een sprong de verschansing
te kunnen bereiken. Haar lieve man keek met roerende overeenstemming
van gedachten naast en met haar in de diepte en toen zij samen waggelend
weer hun stoelen bereikten, waren ze voor eenige oogenblikken opgelucht
en werden 't dadelijk oneens over hun kinderen.

't Schommelde, stapte, slingerde en dreunde dan ook geweldig, de
slingerlatten kwamen op tafel en toen we, aan table d'hote gezeten, de
warme spijzen onder den neus kregen, waren er nog verschillende
passagiers en dames, die eensklaps de vlucht naar 't dek namen.

--Schade um's schöne Essen, zei de gemoedelijke Oostenrijker, die veel
te dik en te stevig was om last te hebben van: ein schwankelender Magen
im Leibe, zooals hij 't noemt.--Es ist eine dumme Idée, nichts zu essen,
zei hij, smakelijk een vette kalfscarbonade verorberend;--de
See-Krankheit kommt nur davon dass der Magen nicht fest liegt;
volpropfen muss man ihn und viel Fett ...

--Och meneer, hou op asjeblieft! ik wou graag wat eten, maar 't idee van
vet maakt me al wee!

--Was, wee! Fett schmiert der Magen und halt ihn fest im Corpus, ich
esse für drei und mir bekommt alles gut.--Mefrou, doe so wie ich, dan
soll je niks zu leiden hebben; hij klopte op zijn dikken gezelligen buik
en lachte:--dáár sitz een laav Schpeck auf, die kan was gegenhalten.

Er waren slechts weinigen aan tafel en 't aantal der etenden verminderde
al naar het slingeren en stampen der _Amalia_ toenam. De Oostenrijker,
een drietal oudgasten, een jong luitenant, die erg grootsch was op zijn
immuniteit, twee heeren, die hoewel zeer bleek toch met verachting van
alle gevaar dooraten en ik, bleven ten slotte over. De koffie werd
gediend en door dat warme vocht bezweek nog een der bleekneuzen, die,
alle vormelijkheid vergetend, met zijn hand voor den mond als een dolle
naar boven stormde.

--Der junge Mann soll nur gleich wieder herunter kommen und sich den
Magen wieder voll thun, zei hoofdschuddend de Wiener en terwijl hij hem
naoogde:--dan hat er weinigstens etwas für den folgenden Anfall!

Die verzuchting klonk zoo komisch, dat zelfs een der Javaansche jongens,
die wat Duitsch verstond, den mond een weinig vertrok, 't Zijn anders
voorbeelden van onverschillige rust, die jongens; ze zien er zóó kalm en
als uit chocolaad geboetseerd uit, dat 't me niet verwonderen zou,
indien ze met dezelfde kalmte den ondergang der _Amalia_ zouden aanzien,
zonder zich naar de booten te reppen.

Sam, mijn hutjongen, is een van de mooisten, hij heeft een vrij
fatsoenlijk gezicht en ik geloof dat hij, wanneer men hem langdurig
kietelde, wel een begin van lachen zou vertoonen. Hij kwam met een
ernstig gezicht vragen: "Meneer, stoeltje?" ik dacht dat hij 't
vouwstoeltje dat in mijn hut stond wou hebben en gaf hem dat. Hij
schudde 't hoofd en herhaalde: "meneer, stoeltje?"

--Ik heb geen ander stoeltje, kijk maar!

--Tida! Sam vragen, meneer, stoeltje, bopen?

Goddank, eindelijk begreep ik dat hij vroeg of ik mijn stoeltje, n.b.
een ding van pl.m. 2 meter lengte, ook boven op dek wou hebben. Een
vriendelijk medepassagier onderrichtte mij dat "de jongens" als ze erg
fatsoenlgk willen zijn, de aan den Europeaan toebehoorende artikelen
steeds met het verkleinwoord aanduiden.

"'t Stoeltje" werd op dek gezet naast al de anderen, waarop de arme
zieken lagen te kreunen en te zuchten. Ik probeerde te zitten, half
liggend, maar die houding beviel mij niet en daarom wandelde ik met den
onverschrokken luitenant het dek op en neer, maakte mezelf compliment
over mijn weerstandsvermogen en stak een nieuwe sigaar op. 't Begon
harder te waaien, we zetten onze jaskragen op.

Nog een paar uur bleven we als zeehelden het ruwe element trotseeren en
wat de arme zieken niet konden zien, zagen en bewonderden wij, die
prachtig witte koppen op de donkere golven, aanrollend, statig en met
onweerstaanbaar geweld. Dan, als bedwongen, brekend tegen boeg en boord,
opspattend en verstuivend door den wind. De maan kwam op en verlichtte
nu en dan de woelige schuimende zee; achter in 't zog phosphoreseerde
het water.

--Präzis Klosterbräu, mooi wit sjuim! zei de Oostenrijker, over de
verschansing kijkend.--Sepada, en met de hand over zijn maag strijkend
tot den naderenden jongen: Minta bier! das Meer gibt mir Durst.

Wat 'n gelukkige vent, dacht ik, de poëzie van 't leven blijft hem zelfs
in deze oogenblikken bij.

Eensklaps vlogen alle zieken op, rolden door elkander of namen de vlucht
naar rookkamer en salon.

Er was een zeetje overgekomen van stuurboordzij. Een luitenant met een
leege maag, die in zijn burnou gewikkeld, manhaftig wind en zee
trotseerde, was doornat; een dame had een doorweekten hoed; ja zelfs een
hooggeplaatst ambtenaar, die zijn waarde erg voelde, was niet gespaard
en trad druipend af. De zee kent geen consideratiën! Nog een paar
overslaande zeetjes en 't dek werd ontvolkt; ik zocht mijn hut op en
begon me te ontkleeden.

'k Ben nooit dronken geweest maar nu weet ik, nu begrijp ik hoe iemand,
die te diep in 't glas keek, zich gevoelen moet. Ik viel van rechts naar
links, nu eens tegen de couchette aan, dan weer op mijn koffer of tegen
den wand. 't Begon me akelig te draaien en ik geloof dat 't juist
bijtijds is geweest, dat ik langscheeps lang uitgestrekt kon gaan
liggen. Ik kreeg toen een aangenaam gevoel als werd ik zachtjes gewiegd
en in slaap gezongen door 't geruisch der golven, 't gedruisch en
gestamp der machine. Wél hoorde ik links, rechts, achter en voor mij
allerlei verdachte en benauwde keelgeluiden, roepen om balies
(bakjes).--O Gott, ein Nachtgeschirr!! en:--breng twee cognacjes. Soms
zuchten en schreien van dames en kinderen, maagklanken, keelschrapingen
en borrelend hoesten, maar deed mijn oogen toe en sliep in met de
gedachte: de _Amalia_ is een beproefde oude vrienden van de zee,
kommandant Visman een ervaren bevelhebber en zijn officieren en
manschappen doen hun plicht in ieder opzicht.

Er is iets geruststellends in te weten, dat er over u gewaakt wordt in
den duisteren nacht, dat van af brug en voorsteven een flinke Janmaat
met spiedend oog op den tuikijk staat en dat het schip, al kraakt en
dreunt het ook geweldig, krachtig en sterk is, beproefd door vele
reizen.

*       *       *       *       *

In de zwak belichte ruimte van 't logies voor Militairen staat de
sergeant, die Bijbellezing zal houden. Hij is een fatsoenlijk uitziend,
kalm, bedaard man, van middelbaren leeftijd, 't Licht uit de
partrijspoorten schijnt op zijn gladgeschoren gelaat en kaatst fel terug
op 't glimmend gepoetste expeditiekruis en de medailles, die zijn
uniform versieren.

Hij is niet gekommandeerd tot de godsdienstoefening, de bijbellezing
wordt door hem niet op bevel gehouden en de militairen zijn niet
gehouden die aan te hooren.

--'t Is puur liefhebberij van weerskanten, zei een van de equipage die
mij vertelde dat er 's morgens om negen uur godsdienstoefening zou
worden gehouden.--De sergeant is een beetje in den Heere, maar--de man
tikte even met de hand aan de uniformpet--alle respect voor hem, 't is
een patente kerel, een vent, die orde onder zijn jongens weet te houden.
Ze mogen hem allemaal even graag lijden, want hij is zooveel als 'n
mensch, zie je? Hij weet te geven en te nemen en hij heeft hart voor z'n
mannetjes. 'k Heb vroeger wel meer van die lui ontmoet, die 't erg van
Onze lieve Heer beet hadden, maar die verveelden je satansch, met 'rlui
gewauwel. Dat doet deze sergeant niet! Begrijp je, daarom kan ik hem
velen, hij gebruikt z'n verstand en hij zeit bij z'n eigen: lust je niet
van de kost, die ik oplepel, welaan zet er je mond dan niet aan, ik zal
je niet forceeren. Dat's royaal gesproken en daardoor komt het dat de
jongens Zondags naar hem komen luisteren; ik mag hem ook wel af en toe
'reis hooren. Hij kan 't zoo netjes zeggen, dat je dadelijk begrijpt wat
hij meent en dat 't door je boddy en je ziel gaat. Vroeger heb ik, als
ik niets beters te doen had, in de kerk naar den dominee geluisterd,
maar dat was me gewoonlijk te machtig, hé? Die hemeldragonders maken
meestal zoo'n herrie bij 't geen ze zeggen en schelden je reëel uit voor
verdommelingen en meer rariteiten--daar moest ik niemendal van hebben.
Maar deze sergeant mag ik wél, die meent wat ie zeit en hij zeit 't
kort: pas op je plicht, doe je zaken, hou je neus uit de polletiek ga je
niet te buiten aan de jandoedel en hou groot van Onze lieve Heer en
bedank 'm voor al 't genige wat hij aan je doet. Zie je, meneer, dat is
zoowat schering en inslag van z'n redenasies. Daar kan ik me best mee
vereenigen en als je dan weet dat die sergeant geen slaapmuts is en op
z'n tijd die bruine sloebers afgerazend op 'r falie heeft weten te
spelen, dan zeg je: laat 'm z'n liefhebberij! 'n Mensch kan d'r altijd
wat van leeren, 'n goed woord kun je altijd gebruiken. Ja, de sergeant
is 'n aardige kerel. Je zult ze van avond reis hooren zingen, de
jongens; hij heeft ze zooveel als gesorteerd, begrijp je, de moffen bij
mekaar, de belsen ampart en de Hollanders sok op der eigen. De moffen
zingen d'r lui eigen liedjes, de belsen en Hollanders laat ie samen die
moppies van Sanky instudeeren; 't bennen liederen van godsdienstige
aard, maar ze klinken mooi--nou, wat wil je meer? Om de klank is 't 'm
toch maar te doen, hè! Begrijp je, meneer! als je zoo'n sergeant bij 'n
detachement hebt is 't 'n pleizierig ding. Daar mag de kapitein net zoo
blij mee wezen als met 'n goeie Baboe voor z'n kinderen; op reis is
zoo'n onderofficier vrij wat beter dan 'n bullebak of 'n kerel die de
jongens stijf vloekt. Wil je wel gelooven, meneer dat ik den sergeant
nog nooit een onvertogen woord heb hooren zeggen--hij is altijd ferm bij
de pinken, maar fatsoenlijk als een sjentelman....

't Is negen uur (twee glazen); in het logies zitten een groot aantal
soldaten op de banken langs de eettafels, velen met een klein bijbeltje
in de hand, anderen hebben plaats genomen op hun kist, op bankjes of op
den grond. De sergeant staat voor de tafel en leest met duidelijke stem
een kapittel uit den bijbel, hoe Johannes de Dooper kwam om den weg voor
Jezus te bereiden. Met aandacht volgen de soldaten hem en als hij dan,
het boek sluitend, in eenvoudige, duidelijke taal het gelezene toelicht
en op de soberheid en matigheid wijst van Johannes, die zich met water,
wilde honing en sprinkhanen voedde, zegt hij:--Zoo moet jelui nu
bedenken, dat 'n mensch nooit matig genoeg kan wezen; jelui hebt het
veel beter dan zoo'n man als Johannes, jelui hebt wat je hart begeert en
wat je mond lust waarom zou je Gods goede gaven dan misbruiken, dat's
nonsens! Maar je mag ze met dankbaarheid genieten, daar heeft God zelf
vreugde in, maar 't is dom en onrecht om je te buiten te gaan en je zelf
in een toestand te brengen, dat je niet meer weet wat je doet. Dan stel
je je nog lager dan 't reddelooze vee; 'n beest gebruikt nooit meer dan
ie noodig heeft, daar kon jelui nog een exemplaar aan nemen. Johannes
zag de geest Gods neerdalen in den vorm van een duif op 't hoofd des
Heeren, dat beduidt zoo veel, alsdat hij begreep dat de Heer Jezus zóó
veel hooger en beter was dan alle andere menschen dat hij een gezant
was, van God gesteld tot een voorbeeld voor anderen. Jezus was de man
niet om opzet of oproer te prediken, integendeel, hij spoorde de
menschen aan om den Keizer te geven wat des Keizers was, maar hij leerde
de menschen dat ze d'r eigen waarde moesten kennen, dat ze in zichzelf
de overtuiging moesten krijgen, dat ze goed moesten wezen omdat goed,
goed en kwaad altijd kwaad is, enz. enz.

Allengs spreekt de sergeant met meer vuur en vloeiender. Hij wordt warm
voor zijn onderwerp en hij weet zijn eenvoudige woorden ingang te doen
vinden bij zijn hoorders. Hij weet ze zelfs zóó te boeien dat de
noodkreten van een varken, dat aan dek ruzie heeft met zijn hokgenoot
geen hilariteit te weeg brengen. 't Kakelen van de kippen en 't kraaien
van een paar vechtlustige hanen werkt evenmin storend op de aandacht als
het jammerend geluid van den ulmerdog, die naast zijn hok een solo
huilt.

Met 't lezen van een paar verzen, uit een psalm en een kort gebed,
waarin Koningin en Vaderland hartelijk in Godes bescherming worden
aanbevolen, sluit de sergeant de godsdienstoefening die een groot half
uur geduurd heeft. De soldaten gaan weer aan dek en ik verlaat hun
logies. Inderdaad, ik heb gesticht deze godsdienstoefening verlaten!


II.

COMEDIE-VOORSTELLING EN BEGRAFENIS AAN BOORD.


Sedert eenige dagen zweefde er aan boord van de _Amalia_ een zekere
geheimzinnigheid door de warme, loome lucht in salon en rookkamer. Wat
er op til was, wist eigenlijk nog niemand, maar uit verschillende
voorteekenen was toch op te maken, dat er spoedig iets bijzonders
gebeuren zou. Verschillende jonge dames en luitenants waren, in een
hoekje, bezig met schrijven en bedekten, zoodra iemand naderde, 't geen
zij schreven met hun vloei of hun hand. Zelfs in de kinderkamer had men
een paar oudere dames fluisterend zien praten met een sergeant van het
detachement en een nieuwsgierig jongmensch, die haar van uit zijn hut
bespied had, kwam in de rookkamer de tijding brengen: "Verbeeldt je, ze
hebben een groote blauwe hansop, een zoogenaamden apenbroek voor den
sergeant gemaakt; ik heb gezien dat ze hem 't ding aanpasten!"

Van 't voorschip waaiden herhaalderlijk melodieën over, door
mannenstemmen gezongen en boven op de groote kap der rookkamer, klommen
dagelijks heimelijk vier man en een sergeant, met stokken gewapend, om
zonnehitte of wind trotseerend, dáár een oefening in 't schermen te
houden. Er was dus, zoo veronderstelde men, een verrassing in aantocht;
niemand wist er evenwel het rechte van, vóór den 13en Mei, toen men bij
de lunch naast zijn bord een net geschreven kaart vond, luidende:

#Programma#

van de Uitvoering der Soldaten-Vereeniging
"Wilhelmina," op 13 Mei 1896,

's avonds 8-1/2 uur.

Verschillende voordrachten en zangnummers beloofden een waar kunstgenot
en een pantomime zou den avond besluiten.

Het raadsel was dus eensklaps opgelost. Iedereen prees de vlijt der
jonge dames, die, met de luitenants, meer dan zeventig maal den tekst
der zangnummers, welke ten gehoore zouden worden gebracht, hadden
uitgeschreven en men lachte over het feit, dat een paar andere dames van
een harer kleeding stukken een klowns-pak hadden geknutseld voor den
sergeant, die in de pantomime zou optreden. 't Werd verder ruchtbaar dat
verschillende heeren stukken van hun garderobe in bruikleen hadden
afgestaan aan sommige medespelers.--Ja! 't verluidde zelfs, dat een der
officieren zijn uniform en sabel voor dien avond had beschikbaar
gesteld.

De kinderen juichten van vreugd in 't voor uitzicht den heelen avond te
mogen opblijven en naar de komedie te zullen gaan en de ouderen vonden
zoo'n afwisseling op de vrij eentoonige reis niet onaardig.

Intusschen begon Kees, de kwartiermeester, die behalve zijn betrekking,
ook nog de functiên van politieagent over de lieve jeugd, van
opredderaar en schoonmaakster uitoefent, met een paar van 't volk en den
bootsman het tooneel op te slaan.

De administrateur, aan wiens groote bekwaamheden als
tooneeldirecteur-decorateur-tooneelmeester-inspicient ik een woord van
lof niet kan en mag onthouden, nam de generale leiding op zich en de
eerste machinist zorgde voor de electrische verlichting.

Het stoomschip "de Amalia" bezit een eigen tooneel-decoratief, indertijd
vervaardigd door een passagier, een photograaf-artist, die zich door het
scheppen van dit kunstgewrocht een onsterfelijken roem heeft verworven.

Het voorscherm, dat echt oprollen kan, even als in een heusche komedie,
is ontwijfelbaar geniaal ontworpen en magistraal uitgevoerd.

Twee figuren, waaronder de artist, om mogelijke verwarringen te
voorkomen, de namen Apollo en Erato schreef staan in dansende houding op
een nogal soliede, vettige wolk.

Klokslag half negen waren alle plaatsen bezet--ook op 't schellinkje zat
een gedistingeerd publiek, n.l. de eerste officier en de eerste
machinist met andere officieren en gewone stervelingen. Zelf
"leelijkerd" de hond van den bootsman, had daar een plekje gevonden, van
waar hij met den ruigen kop op de voorpooten, met zijn verstandige oogen
het schouwspel kon aanzien.

Het was heerlijk weer, erg warm, maar daaraan raakt men op 11°.38 NB. en
53°.40 OL. wel gewoon. De boot slingerde niet zoo veel als 's morgens,
toen er zelfs nog even sprake van was, dat de voorstelling niet zou
doorgaan, maar onze komandant had gezegd: "'t zal wel losloopen van
avond"--en 't liep los!

Na een schitterende ouverture, door "de gloeiende pook," het
puik-muziek-corps der stokers, met veel brio gespeeld, begon de
voorstelling.

't Publiek had bepaald plezier--er heerschte een echt prettige toon en
van 't schellinkie af werd met stalles en ander publiek menig hartig
woordje gewisseld. Soms klonk het heel familiaar--"O! Hein geef de
flesch reis an, we zullen 'n krakertje nemen!"

De voordrachten slaagden uitmuntend en eenige millitairen, die
acrobatische toeren en platische standen ten beste gaven werden
uitbundig toegejuigd.

De entre-actes werden verdienstelijk aangevuld door Soli op groote trom,
triangel, harmonica of tamboerijn of ensemble nummers van "de gloeiende
pook." Trots het slingeren van 't schip slaagden de gymnastische standen
van twee en drie hoog menschen op elkaar vrij goed en toen ze éénmaal
door de zee werden omgeworpen lachten de executanten het hardst.

De kommandant, die zeer bescheiden, achter de stalles een plaatsje had
gezocht, om meteen een oogje te kunnen houden over 't publiek daar
achter, dat nog al gemengd was, deed intusschen met groote vrijgevigheid
allerlei versnaperingen ronddienen.

Hij blijft altijd even kalm en vriendelijk, maar toch ziet men het hem
aan, dat hij schik heeft in zóó'n uitvoering, al zou 't maar alleen
zijn, omdat zijn passagiers er een aardige afleiding door hebben.

't Was heel eigenaardig, zoo'n voorstelling bij te wonen, terwijl de
boot, nu en dan sterk overhellend, gedurig zachtkens schommelend door de
deining van den Indischen Oceaan, met den gewonen spoed van 70 mijlen
per etmaal door de golven sneed.

't Gedruisch van 't water, 't gedreun en gestamp der onvermoeid,
onophoudelijk doorwerkende machine merkte men nauwelijks meer,--men
raakt allengs aan die geluiden gewend. Alle aandacht was op tooneel en
spelers gevestigd. Men vergeet feitelijk voor enkele oogenblikken, dat
men zich op een bodem bevindt, die, hoe groot en stevig ze ook moge
zijn, toch als een notendop kan worden heen en weer geslingerd, zoodra
het verraderlijk element zich weren wil.

't Moet, dunkt mij, voor den kommandant aangenaam zijn om te zien, te
ervaren, hoe gerust al die menschen daar te samen zijn. Hij moet juist
in zulke oogenblikken gevoelen dat men het volste vertrouwen in zijn
kunde en ondervinding heeft,--maar tegelijk zal hem ook zijn groote
verantwoordelijkheid te binnen schieten, als hij zóó veel menschen voor
zich ziet, die aan niets anders denken dan aan hun amusement.

*       *       *       *       *

Op 't achterdek klinkt vroolijk het orkest van "de gloeiende pook";
wals, mazurka en pas de quatre wisselen elkander af, luchtig en jolig
draaien de paartjes rond, puffend van de warmte, met wangen rood en
gloeiend van pret en vóór in 't logies der Javanen ligt Sariman, de
jongen van den kommandant, te sterven. Niemand weet het, want niemand
heeft opgemerkt, dat Sariman vroeg ter kooi is gegaan.

Voormiddags had de kommandant hem nog laten roepen om iets voor hem te
doen--een kleine reparatie aan een kleedingstuk.

Sariman had de jas gehaald en was er zwijgend mee naar beneden gegaan.

Een inlander zegt altijd zoo weinig mogelijk en Sariman was een
dergenen, die nog minder zei: hij was niet jong meer en had reeds
herhaalde malen op vroegere reizen kleine ongesteldheden gehad. Wat een
Javaan scheelt, komt men bezwaarlijk te weten; hij klaagt zelden en zegt
alleen wanneer hij zich niet wel gevoelt "Sakit!" Is 't heel erg dan
noemt hij 't "Sakit kras," meer kan men niet van hem te weten krijgen en
obat-blanda (geneesmiddelen) neemt hij hoogst ongaarne in.

Zóó had ook Sariman gedaan. In 't begin van den avond had hij gezegd
"Sakit!" en tegen 't vallen van den nacht "Sakit kras!" Meer niet. Hij
was gedurende de feestvoorstelling ongemerkt ter kooi gegaan en toen de
Mandoer (de opperkellner) hem 's morgens om 5 uur, als naar gewoonte
wilde wekken, vond hij hem dood en reeds verstijfd.

Arme kerel! misschien had hij daar in zijn donker benauwd logies nog
een oogenblik gedroomd van zijn land--hij was een Orang-Soerabaia--van
de groene bergen van Java, van den Klapperboom, die bij zijn geboorte
was geplant en zijn ouderdom vertegenwoordigde. Wellicht was hij nog in
gedachten bij zijn vrouw en kinderen geweest, terwijl hij zich "sakit
kras" voelde--en misschien ook niet, want een Javaan, zegt men, denkt
zeer weinig, niet verder dan 't oogenblik. Ik wil voor Sariman hopen,
dat hij een dier gelukkigen was!

De dokter constateerde den dood en uitte als zijn meening dat de Javaan
ingeslapen en in den slaap door stilstand van het hart gestorven was. 't
Lijk werd dadelijk in een zak genaaid, gezwaard met een aantal zware
ijzeren roosterbaren en op de plank gelegd.

*       *       *       *       *

Eén glas aan de klok!--half negen.

Op 't voorschip is 't plechtig stil, de soldaten zitten in afwachting,
hier en daar op den bak of tegen de verschansing. De Javanen, die op het
schip in dienst zijn, naderen in hun witte baadjes met den hoofddoek om,
de Mandoer gaat voorop. Midden op 't schip ligt het lijk van Sariman op
de plank, overdekt met een vlag; de kommandant staat aan stuurboord bij
de verschansing en wenkt.

De eerste officier in groot tenue, met witte handschoenen aan, geeft een
teeken en de Javanen vatten de plank aan de touwen hengels op. Zij
dragen hun gestorven makker langzaam het voorschip rond.

Voorop gaat de eerste officier met den dokter, dan volgen twee matrozen
in 't wit, hun zondagspak, en daarna komt het lijk, twee matrozen
sluiten den kleinen stoet.

Met korte doffe slagen luidt de scheepsklok. 't Is nu de doodsklok; men
hoort dat onmiddellijk! Er klinkt een eigenaardig-droeve sombere toon
uit die groote metalen bel, die anders zoo vroolijk klinkt.

Bom! Bam! Bom! Bam! in een langzaam en getrokken tempo galmen de slagen
door de zuivere heldere lucht.

Ernstig kijken de militairen en matrozen naar den omgaanden stoet; de
enkele passagiers, die zich haastig hebben aangekleed, staan van verre
en de sergeants salueeren als 't lijk hen voorbij gaat.

Driemaal is de doode rondgedragen. Bom-bam! Bom-bam! luidt de klok, iets
minder krachtig, terwijl de plank bij de verschansing wordt neergelegd.

De Javanen laten de touwen los en de vier matrozen, twee voor, twee
achter, grijpen de plank aan.

--Stoppen! beveelt de kommandant.

De machine komt een oogenblik in rust. Zonderling stil is het eensklaps
geworden, men hoort alleen 't zacht ruischen van de golven en 't
langzame kleppen van de klok, die steeds zachter schijnt te klinken:
Bom-bam!

--Mannen doet uwen plicht!--de kommandant neemt na die woorden zijn
uniformpet af, en wacht een oogenblik, totdat hij ziet dat het lijk met
de voeten over de verschansing ligt. Dan zegt hij duidelijk en langzaam,
plechtig, met vaste stem, op ieder woord klem leggend:

--Eén--twee--drie--in Godsnaam!

Bom--bam!... Bom--Bam! doet nog zachter en weemoediger de klok--de plank
wordt aan de achterzijde opgelicht, het lijk glijdt er af, plonst in de
golven en is in 't zelfde oogenblik in de diepte verdwenen.

Bom--Bam! heel zacht sterft tegelijk met het wegzinken van het lijk de
galm van de klok, die over een kwartier twee heldere slagen, de glazen
van negen uur zal doen hooren.

Er is een ziel minder aan boord--de meesten hebben het niet gemerkt,
want door de pret van den vorigen avond zijn bijna allen laat opgestaan.

Zóó is het leven!--Komen en gaan--onopgemerkt en stil of met groote
staatsie en ophef. 't Is maar de vraag wie--wat men is!


III.
    
Page 1   |   Page 2>>
Go to Page Index for Op reis en thuis

You are here --- [ Home / Author Index J / Justus van Maurik, jr. / Op reis en thuis / Page #1 ]